Ω

“Regent het?” vraagt de vrouw die op de wc naast me zit op de camping, terwijl de regen op het dak klettert. “Ja,” zeg ik. “O, jakkes, ik twijfel,” zegt ze. “Twijfel je?” “Ja, ik zou gaan fietsen vandaag.” “O, ik ga hardlopen, maar ik twijfel niet,” zeg ik. Natuurlijk twijfel ik niet. Ik twijfel aan zo ongeveer alles in het leven, maar als ik me heb ingeschreven voor een loopje, en ik heb er uren voor in de auto gezeten om aan de start van dat loopje te geraken, dan laat ik me echt niet tegenhouden door een paar regendruppels, ook al heb ik er volkomen op gerekend dat het droog, zonnig en warm zal zijn. Wel ben ik blij dat ik, in een opwelling, tien minuten eerder tóch snel m’n tentje heb afgebroken, al was ik van plan ‘m te laten staan tot vanmiddag. Op het laatst gris ik uit de auto ook nog even het thermoshirt dat ik gisteren in Valkenswaard gekocht heb ‘alvast voor de winter, altijd handig.’ Want al is het nu zo goed als zomer, die regen maakt het wel wat fris, zo in m’n hemdje.

Als we naar de startlocatie toe lopen, barst er een wolkbreuk los (dat is waarschijnlijk dubbelop – een breuk die losbarst, maar alla). We schuilen een tijd onder een paar grote bomen, en, zo goed en zo kwaad als het gaat, met zovelen mogelijk onder de bij de twee fans aanwezige paraplu’s, maar na een poosje lekken de bomen te erg door, de paraplu’s zijn niet groot genoeg, ik krijg het koud en word ongeduldig. Rennen naar de start dus maar. Binnen is het druk, en ik voel me een beetje gedesoriënteerd. Ik hoor mijn achternaam noemen, en begroet Mig en Nicole, maar klamp me dan snel weer vast aan het hoekje van de bar. Zit net niet helemaal lekker in mijn vel, ik merkte het gisteren al… Ik ben gespannen en zenuwachtig, en dat is raar, want ik ben helemaal niet van plan om deze Ohmtrail als wedstrijd te lopen. Het is de laatste serieuze training voor de 80km bij de Mont Blanc, die ik over een paar weken zal lopen. Rennende Raadsman Rob stelt zich aan mij voor, en we praten even met elkaar, voornamelijk over het MST-reisje naar Chamonix waarvan hij initiatiefnemer is. Omdat ik uiteindelijk in mijn eentje in Chamonix zal zitten (al mijn gezellige medelopers zijn afgehaakt, de deserteurs), hoop ik in het weekend na mijn loop wat te kunnen socializen met de MST-ers.

Vlak voor de start zegt Nicole nog tegen me dat het hier wellicht handig is om wat sneller weg te gaan dan je normaal gesproken zou doen, omdat je anders na een kilometer meteen vast staat in een file, maar omdat ik geen haast heb vandaag, neem ik dat advies voor kennisgeving aan en doe er verder niets mee. Ik start rustig, en loop direct al bijna achteraan. Inderdaad staan we al snel stil – geen file vanwege een steile helling omhoog, maar vanwege een paar bomen die over het pad zijn gevallen en waar de lopers overheen moeten stappen (of klauteren, als ze korte benen hebben). Daar sta ik nog bij Edwin, maar zodra we weer kunnen hardlopen, loopt hij bij mij weg. Ik heb er vrede mee dat ik (alweer!) de laatste ben van ons groepje, en heb mij stellig voorgenomen mij het plezier niet te laten bederven door me te vergelijken met wat de rest doet.

Bij La Grimace dacht ik te merken dat ik een relatief sterke daler ben, maar vandaag merk ik dat die relatieve kracht is voorbehouden aan het afdalen over relatief droge hellingen. Bij gladheid ben ik bepaald geen held, merk ik. En glad is het – op veel hellingen althans. Ik herinner me een grashelling tussen de bremstruiken door – zo op het oog weinig spectaculair, maar ik daal af als een oude juffrouw, doodsbang om te vallen, lijkt het wel. Ik ben vandaag weinig trittsicher – verbeeld ik het me maar, of hangt dat samen met het niet helemaal lekker in mijn vel zitten? Gelukkig ben ik nog wel gewoon schwindelfrei – tenminste, dat hoop ik maar.

Als eigenlijk altijd bij dit soort loopjes, is de verzorging uitstekend en wordt deze geregeld door aardige en grappige mensen. Vandaag ben ik evenwel niet erg in de gelegenheid een beetje normaal met hen te communiceren, want hun kennis van het Vlaams/Nederlands is zeer beperkt, en de mijne van het Frans lijkt wel tot nul gereduceerd. Wat is er aan de hand? Nou ja, ik lach maar vriendelijk en we vinden elkaar toch wel leuk en aardig, denk ik maar. Zoiets dan. Voor zover het er iets toe doet. En ‘merci’ lukt me nog net.

Na een kilometer of 17 (gokje) krijgen we het deel van het parcours waar ik me over heb zitten te verlekkeren bij het zien van de filmpjes. Een dal waar een klein stroompje doorheen loopt (nee, dat heet niet de Ohm, maar iets met een N, geloof ik), waar je dan weer links, dan weer rechts van loopt, en waar je tal van bruggetjes over moet steken, die bestaan uit een in de lengte doorgezaagde boomstam – ze zijn dan nog wel zo aardig geweest die met de vlakke kant naar boven neer te leggen. Soms zit er een gammele leuning naast die boomstam, dat voelt een soort van veilig, maar vaker ontbreekt zo’n leuning. Ook hier weer voel ik mij buitengewoon truttig en verre van stoer, maar er zijn er een paar bij die ik echt voetje voor voetje oversteek. Misschien toch niet helemaal voor niets, blijkt als ik na het laatste bruggetje een strompelende loper voorbijsteek, die ik niet herken, tot hij mijn naam noemt. Dat blijkt de Raadsman te zijn, die van een van de bruggetjes is gevallen en nogal ongelukkig op zijn rug is terechtgekomen. Hardlopen doet hem te veel pijn, dus hij gaat wandelend verder naar de tweede verzorgingspost, in de hoop dat hij daar een lift naar de finish kan krijgen. Ik wandel een klein stukje met hem mee, en dring hem een ibuprofen op, die na wat aanvankelijk tegensputteren in dank wordt aanvaard.

En ondertussen regent het. Soms lijkt het even bijna droog te worden, maar gelukkig blijft het bij schijn, en hoost het even later gewoon weer. Lopen in een hemdje kan nét; echt warm is het niet. Inmiddels lijk ik weer wat steviger op mijn benen te staan, en tot mijn vreugde kan ik in sommige afdalingen toch weer lekker doorlopen. Na 27 kilometer volgt er echter nog een afdaling die behoorlijk steil is en onwaarschijnlijk glad. Weer ga ik als een tutje naar beneden, hardop lachend – waarschijnlijk uit een combi van stress en plezier. Ik wil vooral heel erg niet vallen, merk ik, al loop ik hier weinig meer risico dan op ontzettend smerig worden. De twee mannen die een stukje beneden mij lopen te glibberen, kijken verstoord omhoog. Ik groet hen vriendelijk in het voorbijgaan, en ga vrolijk door met mijn domme gegiechel.

Dan volgt een vrij lange helling omhoog. Ik merk ook vandaag weer dat ik geneigd ben om te gaan wandelen als mensen om mij heen wandelen. Ik ben dan acuut bang dat ik mezelf over de kop loop, als ik blijf hardlopen. Op deze helling zie ik ook weer mensen wandelen, en dus wandel ook ik. Maar wacht, ik zie ook een man rennen, en opeens vraag ik me af waarvoor ik me in vredesnaam aan het sparen ben. Het is nog maar zes kilometer, kom op zeg! Ik zet er een beetje de sokken in, en ben competitief genoeg om in die resterende kilometers de een na de ander ‘op te rapen,’ zoals dat zo vriendelijk heet. Soms zijn de mensen die ik opraap wandelaars, overigens – voor het klassement levert dat weinig op, laat staan voor het eergevoel…

Ik blijk nog wel wat energie over te hebben, en ik dender lekker door. Vlak voor de finish loop ik Julia achterop. Die vindt het wel wat om samen te finishen, maar zet zo’n eindspurt in dat ik haar ternauwernood (nou, eigenlijk vooral net níet) kan bijhouden. Duidelijk een snellere loper. Na de finish staan daar twee gevallen mannen – behalve de Raadsman ook Tom, eveneens een MST-MBM’er. Het lijkt erop dat het leed bij beiden te overzien is en dat zij gewoon zullen kunnen starten op de MBM. Verder hangen er buiten vooral veel vlezige barbecuegeuren, niet helemaal mijn kop thee. Edwin, Paul en Stella komen net naar buiten om naar de camping te gaan en zich te gaan douchen. Ik loop eerst de trap op om binnen iets te gaan eten, maar bedenk dan dat ik beter achter hen aan kan gaan, zodat ik in elk geval zeker weet dat de auto open is om mijn spullen te pakken. Niet zo gezellig, maar het zij zo.

Die gezelligheid halen we in klein gezelschap nog even in na de douche, in het campingcafé. Had ik al gezegd dat die camping bij Aywaille een echte aanrader is, ook al sta je een beetje hutje mutje op elkaar? Nou, die camping is dus een echte aanrader. Mooi terrein, goed sanitair, lekker eten en drinken, ontspannen en grappige bediening. En vlak naast de start en finish, dat ook nog eens.

O ja, en ik heb nu voor de tweede keer een ‘wedstrijd’ heel ontspannen en lekker gelopen, en heb daar tijdens het lopen volop van genoten, maar voor de tweede keer ook voel ik toch een lichte deceptie na afloop. Of dat nu komt doordat er toch, hoe je het ook wendt of keert, een wedstrijdelement in zit en ik daar dan niet zo goed in scoor als ik wel zou willen, of dat het komt doordat ik voor mijn gevoel niet alles heb gegeven wat ik in mij heb, ik weet het niet. Vreemd vind ik het wel dat ik een dergelijk gevoel helemaal niet had toen ik, bijvoorbeeld, van Haarlem naar Castricum liep (45 kilometer) en daar veel langer over deed dan ik van tevoren had verwacht. Ik bedenk het van tevoren niet, maar merk het achteraf wel, dat ik een wat tweeslachtige houding heb tegenover het lopen van een wedstrijd als training. Daar heb ik nog wat in uit te vechten met mijzelf.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in hardlopen, kamperen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s