Fomo rerevisited, over competitie- en prestatiedrang

Eigenlijk heeft het totaal geen zin om dit stukje te schrijven – ik schreef het allemaal al eens (onder andere hier en later nog een paar keer) en er blijkt in al die jaren verdomd weinig veranderd te zijn. Natuurlijk, ik verliet niet al te lang na dat eerste stukje facebook, ik stopte wat later een paar jaar vrijwel helemaal met hardlopen en merkte dat de wereld niet verging, maar nu ik de lol van het lopen teruggevonden heb, blijk ik het nog steeds vreselijk lastig te vinden dat ik niet ongestraft kan doen wat ik zou willen. En vooral: niet kan doen wat anderen kunnen.

Ik wil strava niet de schuld geven. Toen ik vorig jaar een slim horloge kocht, zodat ik ook los van m’n telefoon iets met strava kon, koppelde ik dat niet meteen. Uit een soort lijfsbehoud – ik weet hoe verslavingsgevoelig ik ben en hoezeer fomo zich nestelt in elke cel van mijn zijn. Toch ging ik al vrij snel overstag. Gewoon eens kijken waar iedereen het altijd over heeft. En ja, natuurlijk vind ik het leuk – om te zien wat vrienden zoal doen, qua sporten, wat dingetjes uit te wisselen, en daarnaast ook om een paar mensen te volgen die van die vreselijk lange dingen doen. Inspirerend, als je het positief labelt. Ook onrust opwekkend, als je mij bent. Ik ben realistisch genoeg om te weten dat ik nooit aan de start zal staan van een Spartathlon of een Legends Trail. Gelukkig wíl ik dat ook helemaal niet. Hoewel ik daar wat die Legends Trail betreft niet helemaal zeker van ben 🙂 Maar als ik zie wat mensen in de voorbereiding op die lopen doen, dan heb ik al snel het gevoel dat dát het echte werk is, en dat ik maar een luie nietsnut ben. Een nachtje doorhalen met een clubje lopers in de Ardennen, op zondagmorgen vroeg om 3:00 uur starten om het Amsterdam-Rijnkanaal helemaal te volgen, en weer op tijd terug te zijn voor een sociale afspraak – dat soort werk. Ik moet er niet aan denken, maar tóch en toch.

Ik had bedacht na die 100km van afgelopen jaar om dit jaar dan toch eindelijk eens voor een 100-mijler te gaan. Die afstand heb ik nog nooit gelopen, en ja, daar schaam ik me een beetje voor (en nee, nergens voor nodig, dat snap ik ook wel). Maar nu ik plannen wil gaan maken, een race wil uitkiezen, bepalen wie ik zal vragen me te gaan begeleiden, trainingstechnisch gesproken (ik heb een schema nodig, en een paar ‘vreemde ogen’, en gezond verstand van iemand anders), word ik gedwongen tot een pas op de plaats, door een paar blessures. En ik wil niet al te braaf klinken, maar hoe frustrerend ook, het is goed dat ik teruggefloten word. Want dat dwingt me ook weer even een paar zaken te heroverwegen. Want ergens in mijn hoofd is er wel degelijk een stemmetje dat zegt: waarom wil je dit ook alweer allemaal? Kan je niet ook het plezier in het hardlopen houden zonder dit soort grote doelen na te streven?

In de Hoogtelijn een stukje van twee klimmers die een hele dag met een graatbeklimming bezig zijn en in de vroege avond de top bereiken. Ze maken zich op voor de afdaling die voor hen ligt, en passeren dan, vlak onder de top, een prachtige bivakplek. Daar kunnen ze ook blijven en de volgende ochtend op hun gemak afdalen. De auteur, Niek de Jonge, beschrijft het innerlijke conflict dat hij bij zichzelf waarneemt. “… omdat we qua tijd nog prima de afdaling kunnen inzetten. Geconditioneerd door de prestatiegedreven berichten in de klimmedia, waarbij alles almaar sneller, langer, moeilijker en hoger moet. Terwijl we langzaam de essentie van alles uit het oog verliezen. Want wat is nu belangrijker? […] aan de buitenwereld kunnen laten weten wat we allemaal wel niet in een dag hebben geklommen of gewoon genieten van het moment, van de natuur en van de op eigen kracht bereikte plek?”

Een van de stukjes van de spiegel die me wordt voorgehouden. Een ander stukje wordt gevormd door een loper van de club, laat ik haar Ans noemen, zo heet ze tenslotte. Ans liep anderhalve week geleden in Apeldoorn bij het midwinterfestijn de 25km in een mooie tijd. Mooi in de zin van: dat zou ik waarschijnlijk (nu) niet halen 🙂 De woensdag erna fiets ik naar de baan met, zoals vrijwel elke week, het voornemen het rustig aan te doen en aan te haken bij een groepje dat nét iets langzamer loopt dan ik normaal doe. Met m’n blessures lijkt me dat nu helemaal verstandig. Het mondt erin uit dat ik de eerste serie van het programma tussen dat iets langzamere groepje en mijn ‘eigen’ groepje in dwarrel, en dat ik vanaf de tweede serie toch weer bij het snellere groepje aanhaak (al kan ik ze niet allemaal bijhouden). Ans daarentegen, die toch echt minstens net zo snel, en waarschijnlijk sneller, kan lopen dan ik, loopt de hele training met een nóg iets langzamer groepje mee. Geen centje pijn. Hoe dóet ze dat? En waarom lukt mij dat nou niet? Die avond weinig last van die blessure (geïrriteerde pezen aanhechting bekkenrand) overigens, dat komt vrijdagmorgen pas als ik voor mezelf een rondje loop – ook weer in wat hoger tempo dan ik tegenwoordig meestal doe, want dat moet ik toch gewoon kunnen? Nee dus. Weer even terug bij af, qua blessure.

Een kleine, maar niet onbelangrijke scherf van de spiegel ontmoet ik in een wat andere setting. Ik spreek iemand die mij opvolgde in een bestuur waar ik eerder lid van was. Ik hoor dat ze die functie onlangs heeft overgedragen aan een ander en vraag ernaar. “Het is tijd dat ik naar binnen keer,” zegt ze, “en niet naar buiten.” De bijeenkomst begint, zodat we niet verder kunnen praten, maar ik denk: ja, dit sluit aan bij wat ik al even voel; ik kan soms wat wegdwalen van de innerlijke weg, terwijl mijn verlangen daar toch vooral naar uitgaat. Het hardlopen is daar niet debet aan uiteraard, dat kan ik gelukkig gewoon blijven doen, maar binnen dat hardlopen is het handig dat ik m’n beeld niet laat vertroebelen door mijn prestatiedrang. Waar heb ik in het afgelopen jaar nou het meest van genoten qua loperij? Dat was jammer genoeg niet de Adamellotrail, en ook niet de Trail Uewersauer, die ik in november liep. Het waren ook niet de verplichte lange trainingen – terwijl tegelijk wél dat trainingsschema met z’n ‘moetens’ en structuur me blij maakt. Maar dat kan misschien ook in een kortere variant. Al wil ik dan wel weer graag ook voor snelheid gaan, waar natuurlijk hetzelfde gevaar van prestatiedrang aan kleeft als aan lange afstanden.

Ik was vanmorgen voor de tweede keer bij Anneke, mijn nieuwe manueel therapeut. De vorige keer had ze groen licht gegeven om de marathon in Zuid-Limburg te lopen. Ik zou er niks mee kapot maken als ik zou hardlopen, zoiets zei ze. En omdat ik tijdens en na die marathon weinig last had, dacht ik dat ik wel weer alles gewoon zou kunnen doen zoals ik van plan was. Dat bleek een misvatting. Ik maak er dan misschien niet snel iets mee kapot, maar als ik het blijf overbelasten, gaat de pijn niet weg. Ik moet dus toch rust nemen. Liever andere sporten gaan doen dan lopen, en in elk geval (ook) minder lopen. En niet op tempo, voeg ik daar zelf aan toe. We hebben het over mijn fomo en over mijn competitiedrang. De voorbeelden die ik aandraag van andere lopers, die (ook in mijn ogen) vrij extreme dingen doen, bestempelt ze als ‘abnormaal’. En als ik sputter (ik houd niet van labels als normaal en abnormaal, want wie bepaalt in godsnaam de norm), zegt ze dat het niet echt gezond is. Ook daar kun je over twisten natuurlijk, maar oké, ik begrijp de boodschap.

Mijn plannen gaan even in de ijskast. Eerst herstellen, en ondertussen de spiegel blijven oppoetsen.

Geplaatst in hardlopen, identiteit, persoonlijk, twijfel | 3 reacties

Tussenfase

Ik zou dit weekend eigenlijk een ultra lopen in het zuiden van het land. Maar als die niet door (b)lijkt te gaan, en Renske inmiddels andere activiteiten heeft gepland, moet ik kiezen. Ik kan een andere ultra gaan lopen, in m’n eigen achtertuin. Mwah, ik word er niet héél enthousiast van, merk ik. Later blijkt dat ik in het zuiden weliswaar niet de ultra, maar wel de marathonroute kan gaan lopen. Ik regel zelfs dat ik, als gewenst, samen kan rijden, maar blijf desondanks twijfelen. Ik heb vrij tussen kerst en oud & nieuw, en heb ontzettend veel zin om die tijd ook écht vrij te zijn, dat wil zeggen: zonder afspraken. Boekje lezen en zo. Bovendien heb ik én nogal last van m’n hamstring (en een paar andere pijntjes) én lijk ik weer even een beetje disciplinemoe te zijn. Misschien niet eens zo’n slecht idee om het de rest van de maand (i.c. het jaar) even rustig aan te doen (al zegt er natuurlijk ook ergens in mijn hoofd een stemmetje: ‘smoesjes’).

Ik laat dus zowel de Veluwezoomtrail (achtertuin) als de ‘Vrienden van de SM-loop loop’ (Meerssen, Limburg) schieten. Naar het boshuis (waar ik deze week zit) neem ik natuurlijk wel loopspullen mee. Trail- én wegschoenen, rugzakje (voor eventueel iets langers) én startnummerband (voor je weet maar nooit). Op woensdag, eerste kerstdag, loop ik thuis nog een rondje door het bos. Donderdag ga ik naar Zwolle, vrijdag ben ik tegen de middag weer in het boshuis, en wil ik ’s middags nog wel iets doen. Mijn horloge signaleert al bijna vanaf moment van aanschaf dat ik weinig boven m’n anaerobe drempel loop, en geeft voor vandaag een sprintsuggestie: 3 x 3 x 15 seconden op hoog tempo (ingebed in een training van in totaal 55 minuten). Misschien is dat leuk om te doen. En nuttig. Sowieso niet gek om eens wat meer mogelijkheden van dat horloge te verkennen. (Best handig, merk ik, dat ie aftelt met piepjes en trilt op het moment dat ik daadwerkelijk bij een volgende stap in de training aankom.) Dat ik het tempo dat ie bepaald heeft voor de sprintjes bij lange na niet haal, vind ik eerder grappig dan frustrerend. Nou ja, ik vind het wel frustrerend dat ik niet sneller kan dan ik kan, maar ik zit zó ver af van het voorgeschreven tempo, dat het ook weer grappig is.

Zo’n training raakt aan mijn enthousiasme voor het kortere en snellere werk. Als ik zou moeten kiezen, ga ik voor het lange werk, maar als kiezen niet hoeft, zou ik ze graag willen combineren. Na die halve marathon in Doetinchem eind oktober (waar ik iets boven de 5′ per kilometer liep en voor m’n gevoel niet helemaal stuk ging) dacht ik: dan moet de 10 kilometer nu makkelijk weer onder de 50′ kunnen. En als de 10 kilometer makkelijk onder de 5’/km kan, moet de 5 kilometer makkelijk nóg wat sneller kunnen. Dat eerdergenoemde horloge geeft ook raceprognoses weer, en die bevestigen me in m’n optimisme. Of: maken me overmoedig.

Behalve die lange opties voor dit weekend, is er ook nog een korte. Een paar lopers van de club zijn enthousiast over de Dijkencross in Pannerden, hier niet al te ver vandaan. Ik weet dat Jan, met wie ik in Doetinchem de halve liep, hier vandaag 5 kilometer gaat lopen. Hij noemt het ‘een kneuterig loopje’, wat positief is. Ik heb nog nooit een wedstrijd van 5 kilometer gelopen bij mijn weten (al bedenk ik vanmorgen dat ik ooit de Beeckestijncross liep, die waarschijnlijk ook rond de 5 kilometer lang was – maar dat is heel lang geleden, en dat was een echte cross, terwijl van deze Dijkencross het enige cross-achtige element is dat er geen 0, maar wel 10 hoogtemeters bedwongen moeten worden; het is een volledig geasfalteerd parcours) en wil wel eens zien waar ik sta. Als streeftijd bepaal ik voor mezelf (en voor m’n horloge) 24 minuten. En dat terwijl ik weet dat de afstand ook nog wat langer dan 5 kilometer is 🙂 Optimist. Overmoedig type.

Ik slaap niet heel goed, en het horloge beweert dat dat komt door de ‘grote gebeurtenis’ die me vandaag te wachten staat – nou, denk het eigenlijk niet 🙂 Maar goed, ik moet wel vaak naar de wc, en dat zóu kunnen duiden op zenuwen, al voelt dat verder niet zo. Ik ben mooi op tijd bij de inschrijving en heb al snel een startnummer te pakken. Daarna nog wat gebruikelijke voorbereiddingetjes – startnummer bevestigen aan die bewuste band, donsjas en overbroek uit, een gelletje, wat water, nog maar eens naar de wc. Dan tref ik Jan en lopen we samen een stukje in. Ik heb vlak van tevoren m’n lange mouwen vervangen door korte, maar ga na het inlopen snel nog even naar binnen om het shirt met lange mouwen weer aan te trekken – brr. Jan en ik starten samen, maar we gaan ‘ieder voor zich’ lopen. Jan kan in principe sneller dan ik. De eerste meters lopen we mijn beoogde tempo, maar ik voel meteen dat deze snelheid heel moeilijk komt. Jan loopt bij me weg. Foei, wat een zware benen heb ik. Dat zegt niet alles, soms moet ik er gewoon even inkomen, en daar hoop ik nu ook op. Maar helaas, vandaag begint het zwaar, blijft het zwaar en eindigt het nog zwaarder. Ik krijg weinig lucht, loop te hoesten en te hijgen, en die benen, die benen… Na 3 kilometer kom ik serieus in de verleiding het bijltje erbij neer te gooien en te gaan wandelen. Maar dat is m’n eer natuurlijk toch te na – een zogenaamde ultraloper die nog geen 5 kilometer hardlopend kan afleggen 🙂 Het bordje ‘nog 1000 meter’ staat inderdaad keurig na een kilometer of 4 (op mijn horloge dan) – alleen een beetje jammer dat het vanaf daar nog zo’n 1250 meter tot de finish is. Al was ik er in zekere zin op voorbereid, het is toch even een mentaal tikje.

Lang verhaal kort: ik heb wel iets onder de 5’/km gelopen (maar in totaal wel boven de 25′, omdat het parcours dus langer dan 5 kilometer was, althans op sommige horloges, waaronder het mijne), maar het is me volslagen duidelijk dat ik dit tempo absoluut niet had kunnen volhouden op een wedstrijd van 10 kilometer. Het is dus helemaal niet gezegd dat ik zomaar weer even onder die grens van 50 minuten kan lopen. Op Strava schrijf ik over de loop: ‘een lesje realiteitszin’. En wat realiteitszin kan nooit kwaad. Denk ik. Aan de andere kant snap ik ook dat dit slechts een momentopname is, en dat ik nou niet bepaald gericht op snelheid train, dus dat het nou ook weer niet zó veel zegt. Hoewel – het zegt me dat ik een rustige marathon nog wel eens met relatief gemak uit m’n mouw kan schudden, maar dat ik voor snelle tijden toch wel serieus aan de bak moet. En hoe graag wil ik dat? En hoe goed valt het te combineren met lange berglopen, die ik sowieso wil (blijven) doen? Vragen die ik me niet voor het eerst stel 🙂

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

En weer verder

Dat stukje over de Adamellotrail móest er komen, voor ik verder kan met m’n blog – zo leek het. Er moet natuurlijk helemaal niks, maar moeten en willen liggen hier dichtbij elkaar, zo lijkt het. Of eerder: moeten uit noodzaak, niet moeten uit dwang. Ik had al meerdere pogingen gedaan, meerdere insteken gekozen, maar het wilde maar niet lukken. En gisteravond had ik in elk geval een begin, en kon ik daar ook een vervolg aan breien. Niet te kritisch zijn, dat helpt. Slapen was vervolgens wel een dingetje… Maar nu dat stukje er staat, mag ik wel weer wat meer samenvattend schrijven – zo een paar dingen die ik kennelijk ook nog kwijt wil, zonder dat ik er een lopend verhaal van maak. Dus: dit wordt even een hap-snapstukje zonder lijn.

Na de loop had ik nog een paar weken een stressreactie in mijn lijf. Ik dacht steeds: dit heb ik nooit eerder gehad, maar in feite had ik nooit eerder een horloge dat me dergelijke informatie gaf, dus ik weet helemaal niet of ik het eerder niet ook had. Ik werd er bijna wanhopig van. Hoge hartslag, en vooral ook terwijl ik sliep heel veel stress. Hoezo dan? Ik slááp verdorie gewoon. Wat ik ook merkte, is hoe zo iets meteen m’n schuldgevoel triggert – ik heb stress, dus ik doe kennelijk iets fout. Omdat ik het ook al had terwijl we nog in de bergen waren, grapte Ditta al dat ik misschien niet tegen (haar) gezelschap kan. Maar ik kan haar geruststellen, het hield ook aan toen ik weer gewoon rustig thuis was 🙂 En voor mijn eigen geruststelling stopte het ook zomaar weer, na 2 à 3 weken.

Het schrijven van een stukje over die loop was denk ik moeilijk omdat ik weinig echte highs & lows had onderweg. Ik heb beslist gezien hoe mooi de omgeving was, maar van euforie of ontroering was nauwelijks sprake. Aan de andere kant had ik het beslist zwaar, maar dat leverde geen grote innerlijke strijd op. Het gevoel was dus wat vlak, over het algemeen. Overigens staat er een filmpje op youtube waarin ik ‘optreed’ (even een gesprekje heb met iemand met microfoon), en daarin ben ik toch tamelijk enthousiast – zo heel vlak zal het toch niet permanent geweest zijn. Maar goed, hoe dan ook, het was wat het was. Ik had eerlijk gezegd ook wat moeite om tevreden te zijn na afloop. Ik schreef al: ik had gehoopt dat het wat makkelijker zou gaan. Maar ook: ik ben als 26e vrouw gefinisht, van de 36 (plus 11 DNF’s). Eerste vrouwen (meer dan) 10 uur sneller dan ik! Zij 14, ik 24 uur! Ja en? Wat kan het me schelen verdorie! Waarom kan ik nou toch niet gewoon blij zijn met wat ik gedaan heb? Ruim een week later, als ik thuis de uitslagen nog eens nader bekijk, zie ik wel dat ik überhaupt de oudste vrouw aan de start was. Kom op Schreuder, wat wil je nou toch. Wees blij, alsjeblieft. Maar onderweg heb ik ook een dubbel gevoel bij de aanmoedigingen die ik krijg. Zoals wel vaker bij deze lopen, heb ik het idee dat vrouwen nog nét even wat meer aanmoedigingen krijgen dan mannen. Al ben ik erg van mannen en vrouwen gelijk, die extra aanmoedigingen laat ik me graag aanleunen. Maar deze keer heb ik het idee dat ik nog wat extra ‘complimenti’ toebedeeld krijg, vanwege m’n grijze haren. En, ja sorry, het is superstom, ik weet het, maar ik vind dat haast een beetje beledigend. Alsof het zo bijzonder is dat ik dit op deze leeftijd nog doe. Maar waarom in vredesnaam zou ik dat niet doen of kunnen? Nou ja, daar zit duidelijk een gevoeligheidje waar ik mezelf nog niet eerder zo op heb betrapt.

Toen ik dat stukje gisteren het web op had gebonjourd, en wel voelde dat er een lichte ontevredenheid in doorklinkt, schoot door me heen: wat moet er dan gebeuren om wél tevreden te zijn? Vandaag kwam er een antwoord, in de vorm van een goed gelopen halve marathon (Doetinchem). Het zou eigenlijk een activiteit zijn met een redelijke afvaardiging van de club, maar uiteindelijk staan we er slechts met z’n drieën. Pieter trekt z’n eigen plan, maar Jan is niet van z’n voornemen af te brengen om samen te lopen. En dat gaat goed, we lopen een mooi, gelijkmatig tempo en ik heb niet het gevoel dat ik opgejut word (daar was ik een beetje bang voor). Toen ik het evenement in Garmin Connect zette, gaf ie als prognose > 1:52. Mijn streven was < 1:50 en de laatste weken zakte de prognose naar < 1:48. Het gevaar is wel dat ik dat dan natuurlijk ook op z’n minst wil halen, liefst zelfs verbeteren 🙂 Maar officieel bleef m’n streeftijd onder de 1:50, en 1:55 als tamelijk veilig plan b. De eerste kilometers gaan langzaam, door de drukte. Maar daarna tikken we de ene na de andere kilometer in rond de 5 minuten weg. Heel even denk ik: toch nog proberen die 1:45 te halen? Maar nee, dat is echt niet realistisch en ik wil óók nog een beetje lekker lopen. Het wordt inderdaad ook zo al toch wel zwaar, in de tweede helft. En de laatste kilometers nog een serieuze versnelling inzetten lijkt geen haalbare kaart (nog wel een kleintje). Finish na 1:46:24. En nu ben ik echt dik, heel dik tevreden. Gelukkig maar, het kan dus wél.

Goed, ik ben dus lekker bezig. Twee weken na de trail liep ik hier in Nederland alweer een marathon – een Funrunnerloopje, dus niet per se op snelheid, maar dat wil niet zeggen dat het niet de ene keer lekkerder gaat dan de andere. Dit was een heel lekkere. Aanstaande zaterdag in het Montferland weer eentje. En ik rijd in november een keer naar Luxemburg voor een trail. Best decadent, maar ik doe het gewoon. Heb er weer helemaal zin in!

Geplaatst in hardlopen, persoonlijk | 1 reactie

Een late terugblik

De tweede keer dat ik val, ga ik wat serieuzer door m’n rechterenkel dan de eerste keer. Ik heb heel even nodig om te voelen of het oké is, en om overeind te komen. Er komt me net een snelle 100 mijlloper achterop (2 uur later gestart dan wij, van de 100 km) die bezorgd vraagt of het gaat, en me maant ‘piano, piano’ te doen. Hartstikke aardig natuurlijk, maar ik merk dat ik me een beetje schaam en liever had gehad dat niemand getuige van m’n valpartij was geweest, dus ik maak niet echt contact en laat hem z’n pad vervolgen. Iets later, en stukken langzamer dan hij, ga ik hem achterna. Het is nog relatief vroeg in de race (al heb ik eigenlijk geen idee), en gelukkig is het ook meteen de laatste keer dat ik onderuit ga. Maar dat betekent niet dat het verder soepel loopt – vooral van het langzame, voorzichtige afdalen baal ik. De realiteit is: ik ben erg bang om te vallen en dat maakt het lopen er niet bepaald soepeler op. Een poos geleden gaf Kilian in een filmpje de tip (je kent ze wel, van die adviezen van een toploper voor ‘non elite runners’) om je voor te stellen dat je danst als je afdaalt, om op die manier soepel naar beneden te lopen. Eventueel kan je er zelfs muziek bij bedenken in je hoofd. Bij de tweede of derde afdaling tijdens de Adamellotrail denk ik aan dit advies, en de bijbehorende muziek komt meteen in mijn hoofd op en vergezelt me een groot deel van de rest van de tocht: ‘Dansen op de vulkaan’ natuurlijk 🙂 Al loop ik niet in vulkanisch gebergte voor zover ik weet, maar dat mag de pret niet drukken. Niet dat het een significant verschil maakt, maar als het dat niet doet, dan leidt het in elk geval af.

Ik ben om 7 uur gestart die morgen – uitgezwaaid door Ditta – en heb al wat hoogtemeters in de benen. De trail begint met een klim van 1600 hoogtemeters, en ik heb de mazzel dat ik op een bepaald moment bij een vrouw heb kunnen aanhaken die net wat sterker is dan ik, en door haar niet los te laten kom ik ook goed boven. Sneller dan verwacht. Na die klim hebben we in principe al een kwart van alle stijgende hoogtemeters te pakken, maar dat wil niet zeggen dat het daarna meevalt. Er volgen nog best veel klimmen variërend van 700 tot 1000 meter omhoog. In de derde klim heb ik nog een keer de mazzel dat ik kan aanhaken – toevallig bij de vriendin van de eerste vrouw, nét iets langzamer dan zij. Verder moet ik het in m’n uppie doen vandaag. Ik heb hooguit korte contactjes – met de vrijwilligers bij de verzorgingsposten natuurlijk, en tijdens het ingehaald worden soms, maar dan moet ik steevast zeggen dat ik geen Italiaans spreek. Leuk hoor, zo’n internationaal minder bekende loop (al is de organisatie erg trots op de ruim dertig nationaliteiten die ze dit jaar aan de start hebben), maar toch wel een beetje onhandig dat ik de taal niet spreek. In het Frans of in het Duits kan ik nog wel enige mate van smalltalk aan, in het Italiaans ben ik blij dat ik tot tien kan tellen en mijn eigen startnummer kan doorgeven, als dat niet direct zichtbaar is voor degenen die het opschrijven bij de controleposten. Niet genoeg voor een gesprekje, al schakelen sommige lopers natuurlijk, net als ik, over op Engels.

Er is voor de 100km (en plm 6400 mD+) een limiet van 31 uur. In het verleden zat ik meestal een paar uur onder de limiet bij de finish, en ik verwacht dat dat nu ook weer het geval zal zijn. Over de Verbier-Saint Bernard (dat jaar plm 105km lang) deed ik 28,5 uur. Toen waren de omstandigheden wel vrij pittig (het had heel veel geregend de week ervoor, dus we moesten veel modder doorglibberen), maar aan de andere kant ben ik nu wel 10 jaar ouder, en heb ik minder tijd gehad om me voor te bereiden. Ik denk dus dat ik er dit jaar ongeveer net zo lang over ga doen, maar vind het moeilijk in te schatten. Dat blijkt wel, want ik maak een veel te voorzichtige inschatting, met als gevolg dat ik Ditta bij de eerste post waar ik haar zou zien, misloop. Balen, voor ons allebei. Ik ben teleurgesteld omdat ik me erop verheugd had even een vertrouwd iemand bij me te hebben; zij baalt omdat ze net een heel pittig stuk met de auto omhoog (smal weggetje, laatste stuk onverhard, veel afdalende supporters, dus tegenliggers) heeft afgelegd, voor niks. Nou ja, pech. Een heel stuk verderop in de route lukt het gelukkig wel, en zien we elkaar. De bedoeling was dat ik dan ook dingen zou kunnen aanvullen, maar ik heb me weer eens niet aan mijn voorgenomen eetregime gehouden en heb nog genoeg gels en wat dies meer zij in m’n broekzakken en rugzak. Nou, ik steek nog een snickers uit de voorraad bij me, geloof ik. In theorie zou Ditta ’s avonds nog naar een post kunnen komen, maar we vinden allebei dat ze dat niet moet doen, zo in het donker over de bergweggetjes in onbekend gebied. Lijkt me niet echt een feest.

Als onze wegen zich gescheiden hebben, mag ik weer klimmen. Ik herinner me het begin van die klim, maar heb geen idee meer wat erna komt. Het loopt tegen de avond, maar donker is het nog niet. Wel begint het nogal fris te worden. Ik loop in korte broek en met blote armen – mijn losse armstukken heb ik in de stress van vóór de vakantie thuis laten liggen, heel handig. Als we bij een soort ‘tussenpost’ komen (controle startnummer, water geloof ik, vuurtje om de vrijwilligers warm te houden), ben ik zo verstandig toch maar even een thermoshirt (en jasje?) aan te trekken en ook mijn koplamp vast op m’n hoofd te zetten. Ik weet dat ik baal als ik daar straks weer apart voor moet stoppen. Een stuk verderop word ik ingehaald door een snelle loper die zegt dat hij de post nog voor het donker wil halen. Ik zeg dat hem dat wel gaat lukken. Gaat jou ook lukken, zegt hij. Nou, nee – ik kan best lang in het schemerdonker zonder lamp lopen, maar de post is wat verder weg dan de 2km die me bij de vorige post beloofd was, en de lamp moet bij mij toch echt aan.

Veel van de klimmen en afdalingen lopen een beetje in elkaar over, maar de volgende klim weet ik nog. De gebruikelijke lichtjes op ‘mijn’ helling van de lopers die voor me lopen, en aan de overkant van het dal de lichtjes van degenen die daar nog aan het afdalen zijn. Omdat de 100 mijl dus twee uur later gestart is dan wij, zijn dat er nog best veel. Maar ook: bij de col hebben ze langs het laatste stuk van het pad fakkels gezet – dat ziet er superwelkom uit, zorgzaam. Wat niet betekent dat het niet nog een takke-eind is. Ik heb het behoorlijk zwaar en kan alleen maar steeds bedenken dat ik het vooral heel rustig aan moet doen. De enige manier waarop ik er ga komen. Het is oké, ik heb niet de neiging om te stoppen of zo, maar ik heb het dus nogal zwaar. Sterker: ik kan me niet herinneren dat ik het ooit eerder zo zwaar heb gehad (al moet ik dan de [niet gefinishte] Echappée Belle even buiten beschouwing laten, die was van een andere categorie) – maar volgens Hannah vergeet je dat soort dingen gewoon, is een psychologisch dingetje. Die wetenschap maakt het nu alleen niet minder zwaar. De klim naar de fakkelcol is lang (er is zelfs, verder naar links, nog een verzorgingspost, in een museumpje, waarvan ik eerst denk: waarom gaan die lopers dáár nou helemaal heen? de col ligt toch rechts?) en de afdaling idem dito. Wat voor het eerst is voor me, is dat ik het gevoel heb dat ik echt móet slapen bij de volgende post. Ik ben zó vreselijk slaperig, trek het haast niet. Maar de volgende post is klein, heel vol en heel feestelijk – totaal ongeschikt om even je ogen te sluiten voor een klein dutje. Godzijdank geeft een vrijwilliger mijn buren een kopje espresso en vraagt ze of ik ook wil. Ja natuurlijk, heel graag! Die cafeïne redt me. Als ik weer op pad ga, overweeg ik nog heel kort of ik niet toch even langs het pad moet gaan liggen om m’n ogen even dicht te doen, maar ik heb nog steeds blote benen en daar is het toch echt wel te koud voor – lopend gaat het nét, maar om nou op de grond te gaan liggen…. En schoenen uit om nu nog, voor het laatste, wat vlakkere en lagere deel, een lange tight aan te doen, echt niet. De volgende post voorziet eigenlijk niet in koffie, maar die is dan weer in een officiële hut, en de hutmedewerker strijkt met de hand over haar hart en geeft me er toch een (na eerst te vragen wat voor koffie ik wil – en op mijn ‘espresso’ volgt een opgelucht ‘ah, un normale’). Ik bied aan ervoor te betalen, maar dat hoeft niet.

Goed, lang verhaal kort vanaf nu dan. Ik loop de race uit. Sneller dan van tevoren verwacht (24 uur en ruim 20 minuten), maar dat wil niet zeggen: goed. Ja, wel goed natuurlijk, want 100 kilometer lopen in de bergen is geen kattenpis, en ik heb de mazzel dat ik dat zomaar ‘even’ kan doen, hartstikke goed dus zelfs, maar ik had gehoopt dat het iets makkelijker zou gaan, dat ik lekkerder zou lopen – en misschien ook dat ik er meer van zou genieten. Dat zat er deze keer kennelijk niet in, maar komt een andere keer wel weer. Al voel ik de eerste weken na de race een lichte twijfel over zo’n volgende keer. Ik voel me goed en heb niks te klagen, maar ben diep gegaan. Laten we het daarop houden.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 4 reacties

Leeftijd

Het gebeurt nogal eens dat je mensen (vooral mannen, of is dat een vooroordeel?) hoort zeggen dat ze weliswaar zus en zo oud zijn, maar dat ze zich veel jonger voelen. Wat een onzin, denk ik dan. Ik ben nu 58 jaar (plus 10 maanden, plus een paar dagen, om precies te zijn), en, joh, laat dat nou precies zijn hoe oud ik me voel. Want kennelijk is dit hoe het voelt om 58 te zijn – ik zou toch immers niet weten hoe het ánders moet voelen? Ik heb alleen deze ervaring van 58 jaar oud zijn. Ik kan dan ook wat ongeduldig reageren als ik iemand een dergelijke uitspraak hoor doen.

Maar. Dus. Toen kocht ik een nieuw horloge. En dat horloge weet en meet van alles. Het ‘weet’ de gegevens die ik heb ingevoerd, waaronder m’n geboortedatum, lengte en (met enige regelmaat) gewicht. Het meet wat ik allemaal uitvoer op sportief gebied (mits ik het aanzet) en leidt daar van alles uit af. Het meet de duur en kwaliteit van m’n slaap (mits ik het omhoud ’s nachts). En ik had er nog maar net een paar trainingen mee gelopen (en een paar stukjes gefietst), toen ik ergens (in de app dan) ‘fitnessleeftijd’ tegenkwam, en naast m’n werkelijke leeftijd van 58 zag staan dat die zogenaamde fitnessleeftijd 54 was, maar dat het streven zou moeten zijn een fitnessleeftijd van 53. (Hoe bepaalt ie dat laatste trouwens? Wat is een ideaal verschil? Altijd 5 jaar jonger dan je daadwerkelijk bent? Of is dat relatief, en gaat het om grofweg 10% van je leeftijd? En vanaf welke leeftijd zou het gunstig zijn om jonger te zijn qua fitness dan qua kalender? Vanaf je 20e (het jaar waar vanaf hij zo’n leeftijd aangeeft) al?)

Hmm, dat vond ik toch wel leuk, en die 53 zou ik natuurlijk gaan halen als ik het horloge wat langer zou dragen. Het volgende dat ik hiervan weet, is dat ik al ónder die 53 zat – en direct stond er ook geen streefleeftijd meer bij. Op de 51 bleef ik een poosje hangen – daar zat ik op toen ik twee weken geleden in België zat. Die zaterdag liep ik de route van de Ohmtrail (de 55km-route – we sneden echter wat af en maakten er 48 van) met Renske en Hannah. Ging lekker. De volgende ochtend zat ik wat op m’n telefoon te pielen, natuurlijk even terug te kijken wat we gelopen hadden, en toen zag ik dat ik in één dag een half jaar jonger was geworden! Yes, dat gaat goed. Weliswaar voelde ik me op dat moment eerder 80 (hoewel: ik kan toch niet weten hoe dat voelt? 🙂 ), maar dit schoot lekker op voor prestatiegerichte Jacolien. Toen bleef het weer even op die 50,5 hangen, maar nadat ik afgelopen zondag een lange duurloop (waaronder de Dieren-Arnhemtrail) van 40km had gelopen, zag ik dat ik alwéér een half jaar jonger was geworden, zodat ie nu op 50 staat. Dat lijkt me een leeftijd om voorlopig tevreden mee te zijn – al ben ik benieuwd wat de lange lopen die ik de komende tijd op m’n programma heb staan nog voor effect hebben. En ben ik ook benieuwd hoe groot het verschil met je kalenderleeftijd maximaal kan zijn (kan ik misschien wel ergens opzoeken). 30 zal ik wel niet meer worden, vermoed ik.

Over dat prestatiegerichte. Ik moet hier wel een beetje mee uitkijken. Mijn VO2max en m’n zogeheten ‘endurancescore’ zijn geweldig – afgezet tegen de vrouwen in mijn (echte) leeftijdscategorie. Mooi, maar ik wil me eigenlijk ook kunnen meten met jongere vrouwen 🙂 En qua ‘hillscore’ zit ik níet in de allerhoogste categorie (complimenten voor de Garmin, want het klopt dat ik geen al te beste klimmer ben), en dat irriteert me dan toch (vooral als die score met een of twee punten daalt, terwijl ik toch zo m’n best doe – ahhh, zielig). Maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat ik er chagrijnig van word als ik niet steeds, liefst elke dag, beter, sneller, sterker, lichter en jonger word. Balans bewaren dus maar weer, zoals bij alles. Dat lukt wel hoor – de enorme focus op de cijfertjes zakt alweer wat weg, merk ik, nu de nieuwigheid er een beetje af is. En ik geniet vooral van het lopen zelf, bepaald niet alleen van het resultaat.

Vandaag en morgen zal ik in elk geval niet jonger worden – er staat rust in m’n trainingsschema.

Geplaatst in hardlopen, persoonlijk | 2 reacties

Volgend jaar 12

Het mag wel in de krant, maar ik heb een voedingsplan, soort van. Zomaar uit mijn mouw geschud toen ik op dinsdagavond naar huis terugfietste vanuit Dieren. Minimaal om de twee rondjes moet ik iets eten. Na twee rondjes iets van mezelf, na vier rondjes stop ik bij de verzorgingspost om wat vast voedsel te eten en vooral ook cola te drinken. Daarna weer na twee rondjes een gel of iets dergelijks, en vervolgens (na acht rondjes in totaal dus) weer even stoppen bij de verzorgingspost, plus mijn eigen voorraden aanvullen. Daarna mag ik wat vaker stoppen, vind ik. Het is niet zo dat ik nou ook precies uitreken hoeveel koolhydraten ik dan per uur binnenkrijg – ik heb geen idee hoeveel er in al die spullen zitten ook – maar ik ben al dik tevreden over mezelf. Nu ik er nog eens over nadenk, heb ik ook bij de twee eerdere races die uit rondjes bestonden (6 uur op de baan in Heerde en 50 kilometer in het Amsterdamse Bos) best gedisciplineerd gegeten en gedronken. Kennelijk vind ik een aantal rondjes dwingender dan tijdsduur, want bij een gewone race lukt het me nooit om ook maar een plan te maken, laat staan me ergens aan te houden. Maar daar komt vanaf nu verandering in! Het tijdperk van ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ en ‘ik doe maar wat’ is nu definitief voorbij. Ik heb gels met en zonder magnesium ingeslagen, ik heb zelfs voor het eerst van m’n leven elektrolyten gekocht! Geen idee wat het zijn, maar het schijnt dat je niet zonder kunt, als je jezelf als sporter ook maar een béétje serieus neemt 🙂

De start van de 8-uursloop op de VAM-berg is om 13 uur. De 12- en de 4-uurslopers zijn om 9 uur al gestart. Het rondje is ongeveer 3,3 kilometer (volgens m’n gloednieuwe Garmin wel bijna 3,5 – hij is royaler dan de Suunto, viel me ook eerder al op), en heeft ongeveer 100 hoogtemeters (ook die rekent de Garmin wat ruimer). De berg zelf is 48 meter hoog – stel dat we beneden ‘in het dal’ (ja, lach er maar om) op zeeniveau zitten, dan lopen we in een rondje dus twee keer die berg op en neer. Voor de start eet ik nog snel een paar gewone (nou ja, witte dan, met het oog op de darmen) boterhammen, én giet ik zo’n modernistisch buisje elektrolyten naar binnen. Oké, dan moet het maar wezen. Altijd weer spannend, de start van een wedstrijd. Als je maar eenmaal bezig bent, dan gaat het wel. Of gaat het niet, maar de spanning is dan wel weg.

Mijn doel is om minimaal zestien rondjes te lopen. Twee per uur dus – dat zou haalbaar moeten zijn, maar met die hoogtemeters lijkt veel meer me niet realistisch. Ik schrik toch wel een beetje als Gerik me mailt dat ik, om het loopje mee te mogen laten tellen voor de 100 marathon club (100mcnl) ook wel die zestien rondjes móet lopen. Althans: hij mailt me de minimale afstand, die op hetzelfde neerkomt. Ik denk eigenlijk dat hij daarmee de impact van die hoogtemeters wat onderschat, maar dat terzijde. Het is tenminste een heel wat strengere limiet dan de 6 uur op een vlakke marathon, die hij, als personificatie van de 100mcnl, momenteel hanteert. Maar goed, dat is verder niet zo belangrijk.

Ik ga lekker, heel veel meer heb ik er eigenlijk niet over te zeggen. Soms loop je even in de drukte, soms weer een poosje in je uppie. Op de berg lopen we in het begin in de zon, en later ook weer een poos. Mij al snel te warm, maar gelukkig krijg je soms ook een frisse bries te pakken. De route gaat een beetje op en neer. Soms is de stijging zo flauw dat je kan blijven hardlopen, soms moet ik toch echt wandelen. Mijn stokken heb ik vergeten – heel lang denk ik dat ik er ook eerder mee verlegen zou hebben gezeten dan dat ik er nu om verlegen zit, maar in rondje 15 of zo betrap ik me op de gedachte dat ik nú toch wel graag stokken had gehad om me dat ellendige klimmetje op te helpen. Beneden lopen we deels in het bos, is de grond wat vochtig, en is het terrein lichtelijk glooiend, met hier en daar een klein, iets pittiger bultje. Ik blijf hier de bultjes hardlopend op gaan, tot ik, in rondje 13 geloof ik, opeens opmerk dat ik ergens ga wandelen waar ik tot dan toe steeds hardlopend omhoog was gegaan. Grappig, ik heb dat niet bewust besloten. In rondje 14 doe ik het heuveltje nog een keer hardlopend, maar daarna is de fut eruit en wandel ik.

Het eten gaat goed. Alleen neem ik na zes rondjes een gezonde bio-reep van mezelf. Niet alleen krijg ik ‘m wat moeilijk weg, ook realiseer ik me een poosje later dat er waarschijnlijk geen suiker in zit. Pap in de benen in rondje zeven of acht. Daarna snel weer van die lekker snelle koolhydraten aanvullen! En na rondje acht nog zo’n buisje elektrolyten – niet alleen omdat ik me dat nu eenmaal had voorgenomen, maar ook omdat m’n hamstring opspeelt. Dat laatste blijft ie doen, maar het blijft behapbaar.

In de eerste 4 uur loop ik ruim negen rondjes. Dan begin ik natuurlijk toch te denken dat achttien stuks er misschien wel in moeten zitten. Maar niet lang daarna ga ik op de spaarstand lopen. Ben bang dat ik me opblaas, en met name in het vlakkere, lage deel neem ik een heel rustig joggingtempo aan. Die wat steilere stukken gaan sowieso al langzaam. Toch denk ik nog een poosje dat ik er wel achttien zal halen. Tot ik me, na rondje vijftien, realiseer dat ik voor de laatste rondjes per stuk gewoon een half uur nodig had 😦 En ik heb nog iets van vijf kwartier te gaan, dus dan zijn drie rondjes niet zo heel realistisch. Desondanks breng ik in rondje zestien de vaart er weer even in – het is tenslotte ook niet zo erg als ik me nu nog over de kop loop, de wedstrijd is toch nagenoeg voorbij. Ik finish dat rondje als het laatste uur is ingegaan, dus ik ‘mag’ ermee afsluiten (als je niet in het laatste uur je laatste rondje finisht, heb je een dnf te pakken), maar dat wil ik natuurlijk niet. Ik heb nog ruim de tijd voor nog een extra rondje – die achttien zitten er dan misschien niet in, maar zeventien is ook een heel mooi aantal (een priemgetal bovendien, maar dat bedenk ik nu pas). Ik ben, zoals wel vaker, verrast over hoe gemakkelijk het allemaal gaat. Die tijd verstrijkt gewoon, en nooit wordt het serieus ploeteren. Dat is heus ook vaak anders hoor, begrijp me niet verkeerd, maar als het lekker loopt, dan lijkt het zó vanzelfsprekend dat je gewoon maar door kan gaan, ik vind het elke keer weer een klein wonder. Ik krijg weer vertrouwen in mezelf voor wat betreft die gewenste lange bergloop. Op de een of andere manier ligt het me, dat doorgaan, steeds maar doorgaan. En het maakt me blij, niet onbelangrijk.

Om twintig voor negen ’s avonds finish ik m’n zeventiende rondje, en daarmee mijn race. Ik koop een ijskoud 0%-biertje. Verrukkelijk. Ik klap voor de mensen die nog binnendruppelen. Bob van der Weg, die ik in geen eeuwen gezien heb (zo lang dat ik even niet op zijn naam kom), komt bij me zitten en we praten wat over eerder en nu. Hij loopt niet meer veel hard, vertelt ie, maar liep vandaag toch een flinke afstand in zijn 12-uursrace. Ik ben 2e vrouw geworden op mijn ‘afstand’, en er is een officiële prijsuitreiking. Ik ben er blij mee, al is dat minder met de prijs dan met de bevestiging dat het goed gaat, dat lange lopen van me. Ik zal niet de oudste loper zijn geweest, maar ik denk wel de oudste met een prijs, als ik de verschillende podiumfoto’s bekijk 🙂 Luca, die ik ook bij de Hart van Drenthe heb ontmoet (ze maakte daar haar ultradebuut en werd meteen eerste vrouw op de 50 kilometer), had vandaag de hele tijd last van haar maag en stopte daarom met eten, maar liep toch nog zestien rondjes. Petje af. En ze maakte foto’s van de prijsuitreiking van mijn onderdeel (dank je Luca!).


Ik slaap die nacht in Zwolle. Eet in de auto nog een broodje kaas, en in Zwolle wat soep. En drink er een biertje. Ik slaap door de vermoeidheid niet top, en word de volgende morgen (op mijn verzoek) ruw gewekt uit een droom, om te gaan zwemmen met zus- en zwagerlief. Mijn eerste reactie is: NEE! Maar gelukkig ga ik toch: heerlijk en zalig in het water. Verder heb ik vooral de hele dag honger – ik kan wel blíjven eten, en doe dat ook maar.

Ondanks de spierpijn weet ik: volgend jaar weer, maar dan 12 uur.

Geplaatst in hardlopen | 6 reacties

Gretig met verstand

Ik heb er zin in, dat moge duidelijk zijn. ‘Hongerig,’ noemt Renske het. ‘Gretig,’ zeg ikzelf. Mijn plannen zijn vrij wild voor een herintredende loper. Té wild? Ik vind het moeilijk in te schatten. Wild genoeg om ze hier nauwelijks te durven delen – bang dat er niks van terecht zal komen. Bang dat ik me dan zal schamen, hoewel ik ook wel snap dat dat nergens voor nodig zou zijn. Er ligt standaard een lijst met mogelijke loopjes voor de komende maanden naast me op de bank. De meeste daarvan zal ik aan me voorbij laten gaan, het zijn er veel te veel en ze vallen soms ook nog samen, maar ik kijk er regelmatig verlangend naar, me verheugend op misschien en wie weet.

Ik wil graag weer de bergen in voor een lange loop. Maar wat is lang? Dat lijkt tegenwoordig voor mij toch wel een kilometer of 100 te moeten zijn. Oké, in het verleden kon ik dat kennelijk, dus ik heb geen reden te denken dat ik het nu niet meer zou kunnen. Nou, echt? Is dat zo? Genoeg reden, zou ik zo zeggen. Ten eerste heb ik weliswaar zeven keer de 100 kilometer aangetikt, maar daarvan waren er vier in Nederland en een in de Eifel (nou was die laatste iets langer en op een andere manier weer zwaar, maar dat even terzijde). En van de twee in de bergen, was een de Zugspitz Ultratrail, en die heeft dan verhoudingsgewijs weer iets minder hoogtemeters. Ten tweede ben ik dus aan het herintreden, en loop ik pas weer sinds begin dit jaar soms eens een marathon, soms iets langer – en heb ik nog niet verder dan 50 kilometer gelopen. Ten derde ben ik maar liefst tien jaar ouder dan toen ik de Trail VSB liep – die ándere bergloop van ruim 100 kilometer die ik finishte.

Vroeger was er meestal iemand anders met een plan. Jos, Edwin, Hannah. Daar haakte ik dan bij aan. Dat scheelde een boel keuzestress. Nu opperen Hannah, Renske, Ernst Jan en consorten nog steeds met regelmaat een plannetje, waar ik bij aan kan haken als ik dat wil, maar dat zijn geen plannen voor georganiseerde loopjes-met-startnummer. En niet per se voor een 100 kilometer in de bergen. Of wat korter voor mijn part. Ik moet zelf uitzoeken wat ik wil gaan doen. Is prima, maar hoe doe je dat ook alweer allemaal? Ja, ik weet het: internet – ik ken het bestaan ervan, dankuwel. Maar mijn god, wat is er allemaal veranderd in de afgelopen jaren? Vroeger (ik word duidelijk oud) wist ik precies hoeveel punten ik nodig had voor een UTMB-loopje, dat wil zeggen: voor de UTMB zelf vooral (één keer had ik er genoeg, ingeschreven, maar uitgeloot), maar nu zijn er niet alleen ik weet niet hoeveel loopjes ‘by UTMB’, die ogenschijnlijk niks met de UTMB zélf van doen hebben (en over de vraag of ik daar überhaupt wel aan mee wil doen, principetechnisch gesproken, breek ik me voorlopig het hoofd maar niet), maar ook duizelt het me met al die ITRA-punten en UTMB-indexen. En het spijt me als ik nu niet de juiste terminologie gebruik. Het is ook een kwestie van gebrek aan geduld – ik heb helemaal niet zo’n zin om me erin te verdiepen. Wel ben ik al een paar keer enthousiast geworden voor een mogelijk loopje, en ontdek ik dan dat ik de afgelopen jaren beter geen loopsabbatical had kunnen nemen – ik mag niet meedoen, omdat ik in de afgelopen jaren geen score heb behaald (en of dat nou om ITRA- of om UTMB-punten gaat, ik weet het alweer niet meer).

O ja, want er waren wel wat bekenden (van het nieuwjaarsloopje) die een trail gaan doen die ik eventueel ook wel zou willen doen: de Gross Glockner ultra. Dus ik die opzoeken, maar daar mag ik helemaal niet aan meedoen! Omdat ik de afgelopen paar jaar niks gedaan heb waar ik punten mee had kunnen verdienen. Nou ja zeg – voel ik me toch wat beledigd.

Nou ja, goed, lang verhaal kort. (‘Om een lang verhaal kort te maken’, corrigeerde ik een paar jaar geleden nog automatisch – nu niet meer. Zie! Ik ga heus wel met m’n tijd mee.) Gelukkig wil ik per se de tweede week van september naar Jan van Delden, in de Dordogne. En wil ik daarna wel naar de Alpen rijden (wat weliswaar een klote-eind is, maar goed, het schijnt dat ik een hobby heb), maar liever niet helemaal naar huis en eerder of later speciaal voor een loopje naar de Alpen en terug. Dat beperkt feitelijk de mogelijkheden tot het weekend van 21/22 september. Ik kan niet zoveel vinden wat past. Eigenlijk alleen de Adamello Ultra Trail. 100 kilometer. Ik voel de gretigheid, het enthousiasme, het verlangen, de zin. En tegelijk: help! In m’n eentje die kant op. In m’n eentje naar het startvak. Ik heb het vaker gedaan, ik weet dat ik het prima kan, maar heb ik er zin in? Maar dan vooral: is het realistisch, te denken dat ik zo’n race uit kan lopen? Waarop baseer ik m’n vertrouwen eigenlijk? Oké, mentaal zit het tot nu toe meestal wel goed. Fysiek tot nu toe ook wel, maar hoe zit dat nú eigenlijk? Heb ik niet veel minder lange afstanden in de benen dan destijds? Kan ik me hier nog op voorbereiden in de maanden die resteren?

Ik had al bedacht dat ik op 25 mei de VAM-berg zou gaan bedwingen – proberen in 8 uur (4 of 12 uur kan ook) zoveel mogelijk rondjes van 3,3 kilometer en plm 90 hoogtemeters te lopen. Toen Winfried na de finish van Hart van Drenthe over die VAM-berg begon, dacht en zei ik overigens: ‘no way, dat ga ik echt niet doen’. Later begon het repetitieve (mentale training) me toch weer te trekken. En die hoogtemeters kunnen sowieso geen kwaad – want wat ben ik voor een wannabe-bergloper toch een beroerd klimmer! Het daadwerkelijk inschrijven stel ik overigens uit, dat dan weer wel. (Ook dat is een verschil met ‘vroeger’: ik wacht nu steeds zo lang mogelijk met inschrijven – alsof ik zelf niet kan geloven dat ik het echt wil.)

Oké, stel dat ik die 100 kilometer in Noord-Italië daadwerkelijk wil gaan lopen, wat is er dan nog meer nodig? De ultra-/trailkalenders maar weer eens raadplegen. Je zou zeggen: keuze genoeg, maar veel valt af. Dan: de Ohmtrail 80 kilometer, eerste weekend van juni. Ik zit het twééde weekend van juni in die omgeving met Renske, Ernst Jan en Hannah, met het plan om dan op eigen houtje de route van de Ohmtrail te lopen (55 kilometer, neem ik aan). Ik heb die week toevallig al vrij genomen van m’n werk-in-loondienst; m’n freelancewerk, ach, nou ja, dat komt bijna nóóit goed uit om daar vrij van te nemen, en wat een ontzettend lekker idee om daar een weekje vakantie te houden (op de camping bij Stoumont, waar ik afgelopen zomer een dagje doorbracht en m’n mooie bril verloor) en oké, jaha, maar 80 kilometer? Opeens vliegt het me aan – wat een eind. Ik herinner me de Ardennes Mega Trail, waar ik de 54 liep, en ik zó blij was dat ik niet de 90 hoefde te lopen. Pff, kan ik dit wel, dat is de vraag. En de volgende: kan ik het wel als ik de week ervoor 8 uur ga proberen een ‘berg’ in Drenthe te bedwingen? Moet ik die RFR-race dan niet terugbrengen naar 4 uur? Wat is wijsheid?

Nou, zo dus. Er zijn veel momenten waarop ik denk: ik heb een trainer nodig die met me meedenkt.

Geplaatst in hardlopen | 11 reacties

Hart van Drenthe

Er is twijfel om me in te schrijven. Ingeklemd tussen twee (lange) weekenden kamperen met ook andere bezigheden, is het weekend van de loop niet ideaal voor me en ik weet al dat ik op enig moment spijt ga krijgen als ik me inschrijf. Maar ja, ik heb wel vaker van tevoren spijt dat ik me ergens voor heb aangemeld, en meestal ben ik dan achteraf toch blij dat ik het gedaan heb. En kennelijk heb ik, na die 50 kilometer met Renske en Hannah laatst, zin om dezelfde afstand ook weer eens in een wat officiëlere setting af te leggen en me te meten met de kilometers, met anderen, en vooral met mezelf. Dus besluit ik het gewoon maar te doen.

Spijt heb ik inderdaad – als haren op mijn hoofd. Op de dag ervoor dan. Ik werk tot half acht ’s avonds, het is een drukke dag en ik ben werkelijk gesloopt. Even, heel even, speelt de gedachte door m’n hoofd dat ik ook níet kan gaan. Jammer van het inschrijfgeld, maar dat ben ik toch al kwijt, of ik nou wel of niet ga. Maar ik laat de gedachte niet landen – weet best dat ik nog altijd meer spijt zal hebben als ik niet ga dan als ik wel ga. Dit was te voorzien. Even doorbijten en gewoon die wekker zetten. Nait soez’n – al is dat geen Drents, maar Gronings.

Het is bijna twee uur rijden voor me, naar dat hart van Drenthe (de start is bij Ellertshaar – wie kent het niet). Gelukkig start de race pas om 10 uur, zodat ik ook weer niet helemáál midden in de nacht m’n bed uit hoef. Wel moet ik ’s morgens vroeg alles nog pakken, brood klaarmaken en zo, en vooral goed nadenken: wat neem je ook alweer allemaal mee tijdens zo’n georganiseerde trail? Genoeg te eten en drinken, maar ook weer niet overdreven veel, want verzorgingsposten onderweg. Onderweg in de auto twijfel ik nog wat verder. Waarom Drenthe, waarom zo’n eind rijden, waarom inschrijfgeld betalen voor een loopje dat je makkelijk genoeg ook zelf kan organiseren? 

Nou, omdat Drenthe prachtig is, daar kwam ik weer achter. En omdat Winfried Bats, van RunForestRun (RFR), binnen die mooie omgeving een eveneens mooie route weet uit te zetten. Omdat de sfeer tijdens zulke loopjes vrijwel zonder uitzondering goed is. Omdat het fijn is om met andere lopers onderweg te zijn, met lopers met wie je het plezier van het buiten zijn deelt, van dat maffe lange lopen in de natuur, met lopers die het belang van wat ze aan het doen zijn weten te relativeren. Ik heb bij RFR nog maar één keer eerder gelopen, en wel in 2017 (dat heb ik natuurlijk even moeten opzoeken), bij de Indian Summer Ultra (ISU). Daar bewaar ik goede herinneringen aan (niet in de laatste plaats omdat het lopen lekker ging), maar toch is het er sindsdien niet meer van gekomen om nog eens te gaan. Ik won er een startbewijs voor de ISU het volgende jaar, en was van plan om toen de langste afstand (127 km) te gaan lopen, maar ik verhuisde dat jaar, en, nou ja, het kwam er dus niet meer van. Net als van heel veel andere loopjes die ik éigenlijk ooit zou hebben willen lopen (zei er iemand: ‘Tor’?).

Het gedeelte tussen de aankomst bij de start en de start zelf is even wat zoeken in mijn allenigheid. Het lijkt alsof iedereen wel iemand kent, en alsof ik de enige ben die hier in mijn uppie is. Maar daar kan ik me inmiddels redelijk aan overgeven en ik vind er mijn weg wel in, zodat ik me nog redelijk comfortabel voel. Vlak voor de start nóg maar een keer naar de wc en dan naar het startvak. Daar word ik aangesproken – Johan Wander, zo’n ultraloper die ik járen niet gezien heb; grappig, we herkennen elkaar direct. Praten even, uiteraard. De start is individueel: elk startnummer wordt afzonderlijk gescand. Geen haast, geen stress. En meteen is het lekker. Mooie bospaadjes, een rustig tempo zoekend, geen twijfel meer.

Jammer alleen dat het mondstuk van m’n waterzak lekt. Ontdek ik voor de start, maar pas tijdens het lopen merk ik dat de oplossing die ik ervoor gevonden denk te hebben niet werkt: hoe hard ik ook zuig, ik krijg er geen water uit. Nogal gerommel en gehannes zo tijdens het lopen, om toch wat te kunnen drinken, en ik weet wat me te doen staat bij de eerste verzorgingspost. Op die post (na ruim 8,5 kilometer) ben ik dus een poosje bezig de boel te herschikken. Probeer er ook nog wat te drinken en te eten. Vergeet m’n t-shirt uit te trekken – waar ik een hemdje onder draag, met het oog op de voorspelde warmte. Jammer, want het is inderdaad warm, ik vind het op de een of andere manier jammer van de tijd om er alsnog voor te stoppen, en de tweede post is pas 16 kilometer verderop. Gelukkig lopen we soms stevig tegen de wind in, wat aangenaam verkoelt. Ergens tussen de eerste en tweede post loop ik voor de tweede keer een (jonge) man en vrouw voorbij, die om de paar kilometer (een paar?) honderd meter wandelen. Ze sluiten bij me aan en we raken (pas een poos later) in gesprek. Ook nog met een andere loper, maar die loopt de 43 en onze paden scheiden na een tijdje. Maite en Haldor (zo heten ze) volgen mij een poos, maar ik voel dat ze sneller kunnen. De laatste kilometers voor post 2 gaan zij voorop en probeer ik hen bij te houden. Niet iets wat ik al te lang moet proberen vol te houden. In dat stukje ook een paar heuveltjes – de enige paar hoogtemeters van de route, waarschijnlijk (m’n horloge geeft er maar liefst 10 aan 🙂 ).

Bij de post dan toch dat t-shirt uit. En er is cola, godzijdank. Genoeg cola, verzekeren de vrijwilligers me, zodat ik zonder schuldgevoel twee bekertjes kan nemen. Plus het nodige snaaiwerk. Drenthe is geen Friesland, maar sûkerbôle serveren ze ook hier. In m’n eentje ga ik verder. Een loper komt van de andere kant – die had de post gemist en is alsnog op weg. Later spreek ik een loper die post 2 helemáál gemist heeft. Die heeft volgens mij een stukje afgesneden dus, maar goed, who cares. Ik krijg nu de lekkerste kilometers van de hele trail. Ik loop een kilometer of 10 per uur, en het voelt als een heerlijk tempo, dat ik nog úren vol kan houden. Dat gevoel is bedrieglijk. Ik krijg last van m’n darmen, en het lopen gaat meteen ook niet meer zo florissant. Ook niet nadat ik de bosjes heb opgezocht. Ik tel de laatste kilometers tot post 3 af en echt opschieten doet het niet voor m’n gevoel.

Bij de post tref ik Maite en Haldor opnieuw. Ook twee andere jonge vrouwen, voor wie het, net als voor Maite, het ultradebuut is. Al kletsend vinden zij hun weg. Sterke types. Maite en Haldor lopen voor me uit, en als zij wandelen, haal ik ze weer in. Als zij mij vervolgens weer voorbijgaan, merk ik dat ik nét een tikkeltje begin te versnellen om ze bij te houden. Ho stop, niet doen – daar is de resterende afstand tot de finish nog net iets te lang voor. Goed blijven voelen wat een comfortabel tempo voor me is. Post 4 is op 42 kilometer. Maite besluit hier te stoppen. Ze heeft last van haar knie en wil het risico niet nemen dat ze iets kapotloopt. Haldor stelt mij voor om samen naar de finish te lopen. Dat wil ik wel, maar ik ben wel bang dat ik dan mijn tempo aan ga passen en net iets sneller loop dan handig is voor me. We gaan het toch proberen. Ik waarschuw ook dat ik het praatwerk misschien aan hem zal overlaten. Het is leuk, en ik ben blij met zijn gezelschap. Het voelt niet eens alsof het zo slecht gaat, maar op een bepaald moment ga ik wel onderuit. Ik val enigszins hard, plat voorover, maar ik voel direct dat er niks ernstigs aan de hand is. Tot mijn frustratie ga ik in de (kilo)meters die volgen nóg drie keer onderuit. En dat terwijl ik na twee keer op de grond echt best wel bewust en geconcentreerd aan het lopen ben. Denk ik. Gelukkig worden de valpartijen steeds zachter. De laatste keer ga ik als het ware gewoon lekker in het zachte mos liggen – kennelijk ben ik een beetje moe 🙂 Haldor stelt voor dat ik misschien beter voorop kan gaan lopen en geeft me bovendien een dextrootje. En inderdaad: vanaf dat moment blijf ik overeind.

We krijgen nog een prachtige doorwading van een ven. Heerlijk, dat koude water aan de benen. En ook mooi, en lollig – een bevestiging van het speelse karakter van zo’n trail. Snel even wat zand en zweet wegspoelen. Maar stiekem ben ik ook simpelweg blij dat het betekent dat we even niet hardlopen, maar een legitiem excuus hebben om een stukje te wandelen. Daarna is het niet ver meer naar de finish. Na 5 uur en 46 minuten scant Winfried m’n startnummer opnieuw. Daar ben ik dik tevreden mee. De twee jonge vrouwen zijn dan al binnen en zijn eerste en tweede geworden. Maite is er ook – zij staat in de uitslagen bovenaan, maar is dus op 42 kilometer uitgestapt. Dat betekent dat ik derde vrouw geworden ben (van de maar liefst negen gestarte vrouwen, om het even in perspectief te plaatsen 🙂 ). Vind ik toch leuk, moet ik bekennen. We praten nog een poosje na, ik douche me op de camping (met koud water, want aan een muntje heb ik dan weer niet gedacht), eet een ijsje en rijd in opperbeste stemming het eind weer terug naar huis. Daar duik ik héél vroeg m’n bed in.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Ongemak: opzoeken of vermijden?

Ik schaam me haast een beetje dat ik eerder zat te miepen over het gravel van de atletiekbaan in Dieren, over hoe zwaar het lopen op gravel wel niet is, vergeleken met tartan. Ik bekeek op youtube hoe een Deense jongeman zich voorbereidt op een ironman op Antarctica, en hoe hij die uiteindelijk ook voltooit. Ik weet niet hoe lang zwemmen in gruwelijk koud water, fietsen in de sneeuw – vallen, opstaan, vallen, weer opstaan, weer vallen, ad infinitum, alleen komt aan dat oneindige in dit geval na tweehonderd kilometer dan tóch een einde –, en daarna nog een marathonnetje hardlopen in diezelfde sneeuw – rondjes, want anders veel te gevaarlijk. Behoorlijk indrukwekkend, deze mate van afzien. In de periode van voorbereiding is hij een poos op zoek naar een sponsor. Als hij die niet vindt, sluit hij een lening af om de operatie zelf te bekostigen, want het niet door laten gaan is geen optie. Dan meldt zich alsnog een sponsor – de mensen van een organisatie met de naam Yes Theory, eigenaar van het merk Seek Discomfort (hoe die verhouding precies zit, weet ik niet en is ook niet zo relevant). Wat die Deense variant op ‘onze’ iceman daar op Antarctica doet, gaat mij natuurlijk veel te ver (hoe geboeid ik ook naar de reportage kijk), maar door dat ‘seek discomfort’ bedenk ik wel: wat klaag ik nou toch eigenlijk over een atletiekbaan met een wat zwaardere ondergrond dan ik gewend was? Ik beweer toch juist trails te willen lopen, wil de bergen weer in, dan is dat beetje extra ongemak, een beetje extra zwaarte, toch juist welkom? Laat ik, in plaats van te mopperen, juist blij zijn met deze gratis kans om nog net even iets sterker te worden.

Helemaal los hiervan, zegt een paar maanden later de snelste loper van de vereniging tegen me dat het hem opvalt dat iedereen altijd zo moppert op lopen door dat mulle zand, maar dat je daar nou juist heel sterk van wordt. Juist ja, ik weet wel iemand die zich daar aangesproken door mag voelen 🙂 (mul zand: grrrh!). Tijd dus voor een mindshift.

In de visie van dat genoemde merk staat te lezen: “Seeking discomfort is the gateway to a fulfilling life.” Nou ja, oké, dat is me wel wat te stellig en algemeen geldend geformuleerd, ik probeer het altijd maar een beetje bij mezelf te houden, maar ik herken hier zeker iets in. Het blijft gek, dat je je juist lekker voelt als het ongemakkelijk (geweest) is, als je het zwaar hebt gehad, als je hebt moeten afzien – of zelfs als je daar nog mee bezig bent. Al blijft het ingewikkeld er meer in het algemeen dingen over te zeggen; voor je het weet, doe je de nodige moralistische uitspraken, en aan moralisme heb ik een broertje dood.

Een thema blijft voor mij de wonderlijkheid van het verlangen naar dat ongemak en tegelijk de angst voor hetzelfde ongemak. Ik kan zo terugverlangen naar die lange wedstrijden in de bergen, en ik kan haast ontroerd raken bij de gedachte aan het gevoel dat je niet meer kan, en dat je dan tegelijkertijd geen enkele twijfel hebt dat je toch door zal gaan (en dat dan ook zal blijken te kunnen). Van dat gevoel ving ik bij de Jutbergtrail al weer even een oppervlakkige glimp op. Ontroering als ik Jasmin Paris hoor en zie vertellen over haar laatste kilometer tijdens de Barkley’s. Dat ze zich (dan pas) realiseert dat ze het feitelijk niet kan halen, dat ze niet meer kán, dat ze dit tempo niet kan vasthouden, en dan tegen zichzelf zegt: dan moet je dus versnellen. En dat dan kennelijk ook nog ergens vandaan weet te halen, zodat ze uiteindelijk met 99 seconden reserve (op de limiet van 60 uur) haar hand op de yellow gate legt.

Ik verlang naar de lange wedstrijden, en als Renske dan een suggestie doet voor een loopje in België in het pinksterweekend, en ik zoek dat loopje op, denk ik: néé, honderd kilometer? Dat kan ik niet, wil ik niet, durf ik niet, daar ben ik niet aan toe. Weet je wel hoe lang je daarover doet? Weet je wel hoe kapot je dan gaat? En hoe lang je dan moet volhouden, doorgaan, steeds maar doorgaan? Ergens wil ik het wel, maar over dat durven ben ik nog niet zo zeker.

Een ander filmpje dat ik bekijk, is van een groep lopers die een meerdaags programma lopen ergens in het Verenigd Koninkrijk (Wales? Cornwall?). Een soort etappeloop, maar dan meerdere keren dezelfde route. Ik ben de details vergeten, maar het lijkt in een soort therapeutische setting plaats te vinden. Een van de lopers heeft het tijdens een interview ook over de zegeningen van ongemak opzoeken, en hij zegt daarover dat het erom gaat de grens te bewaken tussen ‘discomfort and self-punishment’. Dit is een onderwerp dat in mijn vaste loopgroepje ook weleens ter sprake komt. Straf je jezelf door die lange lopen te ‘moeten’ lopen? Straf je jezelf door niet uit te ‘mogen’ stappen tijdens een wedstrijd (of training)? Ben je dus lief voor jezelf als je níet hoeft door te zetten, als je wél mag uitstappen? Zo lijkt het oppervlakkig gesproken misschien wel, maar dat is beslist niet het hele verhaal. Misschien heeft het simpelweg te maken met uitgesteld geluk. Stoppen levert onmiddellijk een lekker gevoel, opluchting, maar doorzetten levert op langere termijn mogelijk een groter (en langduriger) geluksgevoel. En al heeft het ego daar denk ik wel iets mee te maken (trots op de prestatie die je geleverd hebt), is ook dát weer niet het hele verhaal, volgens mij. Is het dan puur iets fysiologisch, dat diepgaan zoveel bevrediging oplevert (endorfine, dopamine)? Of heeft het ermee te maken dat je voelt en merkt dat je zoveel aankan, dat je voelt dat je je mogelijkheden en kracht aanspreekt? (Maar ja, zou Rutger Bregman misschien zeggen: zou je daar dan niet beter iets mee kunnen doen waar de maatschappij iets aan heeft, in plaats van domweg een rondje te gaan rennen – of voor zijn part vijf rondjes ergens door een park in Tennessee?)

Ik weet het allemaal niet, het zal vast een combinatie van dingen zijn. Misschien lees of hoor ik nog eens iets waarvan ik denk: ja, dát is het helemaal. In elk geval ben ik voorlopig blij dat ik loop.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Ultra

Zo kan het eruitzien met ruim 50 kilometer in de benen en in goed gezelschap. Een welbestede zondag, ik kan niet anders zeggen.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties