Van de kogel en de kerk

IMG_0008

Het heeft een paar jaar geduurd voor ik de beslissing durfde te nemen, maar nu gaat het dan toch echt gebeuren: weg uit de Randstad, weg uit mijn heerlijke huis. Wat ik voel, is een blije opwinding. Waar kom ik terecht? Nog onbekend. Zal het goed uitpakken? Vast en zeker.

(Voor wie toevallig net een leuke benedenwoning met ruime tuin in Haarlem zoekt, of wie het leuk vindt om te zien hoe ik nu woon – hoewel het niet altijd zo netjes opgeruimd is als op de foto’s – zie funda.)

Advertenties
Geplaatst in twijfel | 4 reacties

Terug. Vooruit.

Een terugblik na afloop van het jaar. Meestal doe ik er niet aan, maar nu voel ik een soort behoefte het te doen.

Qua lopen was 2017 niet een al te succesvol jaar voor me. Eind januari liep ik bij de Dutch Coast Ultra Run by Night vrij gemakkelijk 50 kilometer. Dat was mooi. Eind maart liep ik de Drents-Friese Woldmarathon, die een pr had moeten opleveren, maar dat niet deed. Daarna ging ik in ruststand, om een blessure, waar ik al anderhalf jaar last van had, de kans te geven op te hoepelen. In augustus mocht ik dan toch weer eens een 50 kilometer lopen van mezelf. Dat werd de Monnikentocht. Dat ging niet eens zo slecht, en mooi dat ik deze loop eindelijk af kan strepen van mijn lijstje. In september reed ik, met Jos, nog even naar de bergen, voor de Trail des Dents du Midi. Dat was gezellig, en lekker om even in de bergen te zijn, maar deze loop komt niet op mijn lijstje favorieten. Bovendien merkte ik dat ik zo’n hit&run-actie naar de Alpen (donderdag heen, zondag terug) niet zo geslaagd vind als ik het altijd vind klinken. In elk geval niet voor zo’n relatief korte loop als wij nu liepen. Beter in verhouding was dan de rit naar Drenthe, weer een maand later, die ik met Hannah maakte om de Indian Summer Ultra (102km) te lopen. Dit werd dan toch nog een heus succesje voor me. Nog nooit heb ik zo gemakkelijk een 100km uitgelopen als op deze dag. Beetje jammer alleen dat ik er ook weer een nieuw pijntje opliep, en later nóg weer een nieuwe (hoewel deze twee misschien verband met elkaar houden), zodat het de rest van het jaar opnieuw kwakkelen was.

Ook los van het lopen vond ik 2017 niet het gemakkelijkste jaar van mijn leven tot nu toe. Het overlijden van mijn vader eind 2016 heeft er nogal ingehakt. Allerlei aannames die ik deed over mezelf, kwamen op losse schroeven te staan. Nou ja, alles is vloeibaar, niets staat vast. Als het over een ander zou gaan, zou ik denken dat het juist wel goed is dat de boel een beetje opgeschud wordt, dus waarschijnlijk geldt dat laatste ook voor mijzelf. Al vind ik het niet eenvoudig. Ik denk vaak aan een metafoor van Jan van Delden: als een kind een nachtmerrie heeft, en je bent daar getuige van, dan zie je weliswaar dat het er in z’n dromen heftig aan toe gaat, maar je ziet ook in een oogopslag dat het volkomen veilig in z’n bed ligt. Zo is het in het ‘echt’ ook – hoe groot de drama’s van het leven ook lijken, je bent altijd veilig en er is nog nooit iets gebeurd. Klinkt waarschijnlijk abstract, maar ik weet behoorlijk zeker dat het waar is. Dus ik probeer óók mijzelf te zien als dat kind dat – hooguit – wat onrustig droomt.

Er valt meer over te zeggen, maar daarvoor is het nu niet het moment. Ik moet dan langer, harder, beter nadenken over een vorm die geschikt is voor hier. En het kan zijn dat ik het toch maar bewaar voor mijn papieren dagboek.

Lopen dan maar weer. Vooruit.

Een beetje tegen beter weten in misschien (vanwege blessures, maar ook vanwege andere voornemens die ik heb), heb ik me voor 2018 weer ingeschreven voor iets groots. Dat zit zo. Toen ik in 2013 de 80km bij de Mont Blanc had gelopen, kwam een poosje later op facebook de Tor des Géants in mijn tijdlijn voorbij. Dát is er nou een die ik heel graag ooit zou willen lopen. Ik stelde mij zo voor dat ik dan toch op z’n minst eerst een keer een 160km zou moeten hebben gefinishd. Van 80 naar 160 leek me een te grote stap. In 2014 liep ik de Trail Verbier Saint-Bernard (dat jaar wegens de slechte weersomstandigheden slechts 105km). In 2015 had ik de punten en schreef ik me in, maar werd ik uitgeloot voor de UTMB, en kocht ik later mijn huisje in het bos, en vond ik het niet verantwoord dan ook nog iets langs (en prijzigs) in de bergen te doen. In 2016 probeerde ik de Echappée Belle te slechten – dat was een gok, die te hoog gegrepen bleek voor me. In 2017 gooiden blessures (en financiën, en andere dingen aan mijn hoofd wellicht) roet in het eten. Het is, gezien de blessuregevoelige stand van zaken nu, niet heel logisch om te verwachten dat het in 2018 wel zal lukken, maar aan de andere kant: áls ik die ellendige Tor ooit wil lopen (want dat is nog steeds een droom van me), dan moet ik ook weer niet te lang wachten met die mezelf gestelde voorwaarde van een 160km-loop. Ik word er niet jonger op, tenslotte.

Dus. Ik ga ervoor.
(Eh, maar voor de duidelijkheid: voor de 160km in 2018 dus hè; die Tor moet nog even wachten.)

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, hardlopen | 8 reacties

Van feest naar frustratie (en vice versa)

Het weekend van de sneeuwval zit ik in Arnhem. Op vrijdagochtend ligt er een minilaagje, dat echter niet weet te voorkomen dat ik mijn rondje, net als een ander rondje op dinsdag, met hangen en wurgen doorkom. Dat belooft wat voor zondag, als ik eigenlijk maar weer eens een 30 kilometer wil proberen te lopen. Er staan voor de laatste (ruime) week van het jaar nog wat loopjes op de planning, en voor daarna nog een paar, zodat het me nuttig lijkt de kilometers zo zoetjes aan uit te gaan breiden.

Op zondag ligt er een flink pak, en licht gespannen ga ik op pad. Eerst een stukje bos, dan wat asfalt naar en langs de Koningsweg. Met een laag sneeuw erop loopt asfalt toch net even iets anders, maar echt zwaar is het hier nog niet. Aan de andere kant van de snelweg loop ik het natuurgebied in, en ga ik al snel linksaf, richting Terletse Heide. Het is mijn plan om daar de Imboswandeling (www.tragepaden.nl) op te pikken, waarvan ik de route in m’n horloge heb staan, en die ik al een paar keer in tegengestelde richting heb gelopen.

Het loopt lekker zwaar, die dikke laag sneeuw op een toch al niet bepaald effen ondergrond. Nu heb je zwaar en zwaar. Afgelopen dinsdag en vrijdag liep ik geen zwaar parcours, maar liep het voor geen meter. Vandaag is het objectief zwaar, maar voel ik me sterk. Als ik me zo voel, geldt het adagium: zwaar = lekker. En dan heb ik het er nog niet eens over hoe mooi het is met die sneeuw. Dat er toch mensen bestaan die niet van sneeuw houden – onbegrijpelijk. Ik heb het goed naar mijn zin, dus. Ik merk alleen dat mijn been boven de enkel, en dan vooral aan de voorkant, een beetje stijf is. Dat is nieuw, maar dat loop ik er wel uit. Geen paniek.

Op de heide doe ik iets ongebruikelijks: ik stop om mijn telefoon te pakken en maak een paar foto’s. Een poging om iets van de magie van het moment vast te houden, te bewaren voor later. Geen mens te zien, de lucht is grijs, de foto’s zijn niet echt de moeite van het plaatsen waard. Mijn been voelt nog steeds stijf, vlak boven de enkel.

Na een kilometer of 15 realiseer ik me opeens: dit is geen stijfheid die ik er zo even uit loop, dit is gewoon ordinaire pijn. Wat is dít nu weer? Ik kniel op mijn rechterknie in de sneeuw, leg mijn voet plat op de grond, in de hoop dat ik de boel daardoor wat oprek en dat dat verlichting geeft. Ondertussen koel ik zo de scheen ook nog, voor je weet maar nooit. Het helpt misschien niet echt, maar ik doe het later nog een paar keer. Ik moet toch íets! Gek genoeg komt het geen moment in me op om de route in te korten – hoezo licht-autistische trekjes?

Op het Kerkepad (ik ben dan weer van de Imbosroute af, en dus op de terugweg naar huis) word ik achtervolgd door Edwin, maar de afstand tussen ons is te groot, ik heb geen idee van zijn aanwezigheid daar en dan struikelt ie ook nog over z’n veter. Hij loopt hier dwars door de plassen, lees ik later, maar ik probeer deze juist zo goed en zo kwaad als het gaat te ontwijken. Niet dat mijn schoenen niet allang doorweekt zijn, maar als m’n voeten eenmaal weer warm zijn, voel ik elke keer een enorme weerstand om dat koude water in te gaan. Net alsof de sneeuw waar ik doorheen ploeg minder koud is dan het water. Nou ja, minder nat dan waarschijnlijk toch.

Eenmaal weer op de Koningsweg volg ik eerst het onverharde pad. Ik word ingehaald door een fietser, ploegend en zwabberend door de sneeuw. Niet zo gek. Hoewel, eh, het is geen mountainbiker maar iemand op een racefiets. Wat doet die hier nou, met het fietspad een paar meter verder naar links? Verderop stap ik zelf over naar het fietspad, en denk ik dat ik het een beetje begrijp. Waarschijnlijk had hij op het onverharde pad met zijn dunne bandjes altijd nog wat meer grip dan op het spekgladde fietspad.

Als ik de A50 alweer ben overgestoken, kniel ik nog een keer neer in de sneeuw. Ik heb nu serieuze pijn aan mijn scheenbeen, en overweeg om wandelend verder te gaan. Nu pas bedenk ik dat ik beter de route had kunnen inkorten. Nou ja, it’s no use crying etc. Ik dribbel toch maar verder, heb weinig zin om nog ruim een half uur over het fietspad naar huis te wandelen. En ook: die voorgenomen 30km hè. Ik probeer de loper-met-rugzakje die me tegemoetkomt minstens zo opgewekt te groeten als hij mij doet. Tenslotte ben ik zelf ook een loper-met-(letterlijk)-rugzakje. Niks identiteitscrisis. Dat is wie ik ben. Toch?

De zorgen slaan toe. Heb ik nou shin splints? Daar heb ik nog nooit last van gehad, hoe kom ik daar nu dan opeens weer aan? Nou ja, lang verhaal kort: geen shin plints, maar wel heb ik een peesontsteking opgelopen. Rood, opgezwollen, pijnlijk. Duurt een poosje. Schijnt. Slecht doorbloed en zo, zo’n pees.

Goed. Fysio. Rustig weer beginnen wat te bewegen. Maar wat kan er terechtkomen van de plannen voor het eind van het jaar? De derdekerstdagloop bij Arnhem (het leek me wel aardig om eens iets georganiseerds te doen bij mijn tweede thuisstad) laat ik eenvoudig schieten. De SM-loop op 30 december valt gemakkelijk terug te brengen van de ultra (58km) naar de marathonafstand. Maar wat doe ik met het UPNLetje op 23 december? Bij zonsopgang starten in Hilversum (formeel het eindpunt van het UltraPad Nederland), bij zonsondergang finishen – hoewel de suggestie van Rhenen (na ruim 50km) als potentiële finish nogal, eh, overtuigend (dwingend?) is. Clubje lopers waar ik nogal op gesteld ben.

Kortom: ik wil dit UPNLetje niet graag missen. Maar ik snap ook wel dat 50km voor nu niet echt handig is. Op z’n zachtst gezegd nogal ambitieus. Op woensdag ben ik nog volkomen somber en bedenk ik dat ik helemaal moet afhaken. Maar op vrijdag loop ik alweer een stukje van ruim 5km met weinig pijn en besluit ik toch het eerste stuk mee te lopen. 20km moet gaan, bedenk ik. Na 25km staan organisator Han en Moniek met warme chocomel en koffie. En een auto, waar ik niet instap, al loop ik vanaf een kilometer of 17 met enige pijn. Ik heb op de een of andere manier bedacht dat wandelen geen kwaad kan, en ik wil graag bij de afterparty in Rhenen zijn. Ik loop dus min of meer hard tot de verzorgingspost, en vanaf dat punt wandel ik verder. Ik volg de route van de UPNL (vanaf hier tot Rhenen loopt die samen met de UHT) nog ruim 9km, en loop vanaf daar nog een kilometer of 6 naar Maarn – waar ik op de trein stap naar Rhenen (met dank aan Hannah voor de heldere, niet te missen, route-uitleg!).

Pas als ik in Rhenen uit de trein stap, realiseer ik me dat dit waarschijnlijk een behoorlijk stomme actie was. Wow, wat doet dát zeer!

Nou ja, wederom lang verhaal kort: been nog dikker en pijnlijker dan twee weken geleden, na de sneeuw. Terug bij af, dus. Derdekerstdagloop is überhaupt geen optie meer, maar ook de SM-loop zeg ik maar direct af. Beetje uit zelfbescherming – als ik dit niet meteen beslis, dan blijf ik tot het laatste moment aarzelen. Schiet niet op. Maar na de eerste pijnlijke dagen, merk ik dat ik toch niet helemaal terug bij af ben. Been blijft dik, blijft ook wel pijnlijk, maar de pijn zakt veel sneller weg dan eerst. Dus ik heb toch weer hoop. Op de 27e loop ik 3km hard. De dag erna wandel ik 12km. En op vrijdag de 29e loop ik alweer 10km. Niet geheel pijnvrij, maar het is te doen. Oudejaarsdag: 15km. Loopt voor geen meter, maar dat heeft niets met enige blessure te maken. Nu rustig opbouwen, en op naar het volgende feestje. 13 januari: nieuwjaarsloopje Wezep-Putten.

Gelukkig nieuwjaar!

 

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Alle dagen feest

Het kan niet alle dagen feest zijn.

Waarom niet eigenlijk?

De dag na de UHT ben ik de hele tijd met de pijnlijke rechtervoet in de weer. Rekken, strekken, rollen, masseren etcetera ad infinitum. Het móet overgaan, en wel nu meteen. Op dinsdagavond ga ik naar de baan – wegens een vergadering op woensdag een dag te vroeg. Ik geef mezelf de strikte opdracht om het hoofdprogramma te skippen wanneer ik tijdens het voorprogramma te veel last heb. Maar ik voel de voet nauwelijks, en loop een stuk lekkerder dan een week eerder. Niet snel, maar dat zij maar zo.

Op donderdagochtend ga ik met tegenzin de deur uit voor een rondje, en nu heb ik opeens wél weer last. Ik loop een minirondje, waarbij ik ook nog twee wandelstukken inlas. Wel een mooie gelegenheid om weer wat uitvalspassen en squats te doen, en me bij een bankje een paar keer op te drukken.

Op zaterdag moet ik mezelf werkelijk m’n bed uit schóppen om te gaan lopen. Eenmaal buiten, blijkt het behoorlijk lekker. Ik ben van plan om weer eens elke zesde minuut te versnellen, want het wordt tijd dat ik weer iets aan mijn tempo ga doen. Bij de zesde minuut is mijn hartslag nog torenhoog, dus die hoeft niet. De twaalfde minuut ontgaat me. Als dan ook de achttiende aan me voorbijgegaan is zonder dat ik het in de gaten had, laat ik het idee van minuutjes versnellen maar los. Ik loop niet snel, maar voel nauwelijks een pijntje en ben weer eens blij dat ik de tegenzin heb overwonnen. Zó voorspelbaar.

Op dinsdag een iets langer rondje. Ik ben niet heel fit, en vind het zwaar, maar dat kan ook komen doordat ik net iets sneller loop dan ik eigenlijk doorheb. Ik geniet van de dageraad, het Spaarne, de Ringvaart, het polderlandschap, de molens, de wolkenlucht. Die hagelbui op het laatst had dan weer niet per se gehoeven.

Op woensdagavond een aangenaam zware training op de baan. Wat vind ik dat toch leuk, en wat ben ik blij met Jan als trainer! Alles gaat up-tempo, de oefeningen volgen elkaar zonder tussenpauzes op, en de pauzes van het hoofdprogramma duren kort, óf worden opgevuld met nog een paar krachtoefeningen. Yes! M’n voet lijkt nu helemaal hersteld te zijn, ook buiten het hardlopen om voel ik niks meer, ook geen vage zeurpijn. Alleen voel ik nu m’n hamstring weer, en de hiel nog steeds (de laatste ook al sinds de ISU), maar dat beschouw ik maar als een waarschuwing om m’n oefeningen weer wat trouwer te gaan doen – daar zit alweer een poosje de klad in.

Op vrijdag wéér met tegenzin m’n bed uit. De wekker is allang afgelopen, de tijd tikt weg. Ik wíl niet! Tijd voor een goed gesprek. Natuurlijk wil je dit wel, Schreuder, je hebt toch zulke grootse plannen voor volgend jaar? Dan moet je trainen, dat weet je, en van een beetje sportdiscipline is nog nooit iemand slechter geworden. Uiteindelijk word je er blij van. Oké, oké, gaan we weer. Het is verrotte koud, het is mistig en heeft gevroren. Een prachtig landschap dus. Het gaat niet van harte, m’n hartslag is hoog, het tempo niet – al doe ik nu wél die minuutjes versnellen. Ik word er niet superblij van, maar ben tevreden over mezelf.

Op zondag (vandaag) staat de Sinterklaasloop bij AV Suomi op m’n programma. Ik wilde eigenlijk Voornes Duintrail doen, maar wachtte te lang met inschrijven, en toen die voet zo tegensputterde tussen Rhenen en Driebergen, dacht ik dat het maar goed was ook, dat ik begin december nog geen 44 kilometer hoefde te lopen. Door omstandigheden zit ik het weekend ‘vast’ in Haarlem (ik ben al in geen eeuwen in Arnhem geweest), en ik denk dat meedoen aan een wedstrijd de pijn zal verzachten. Er is dit weekend jammer genoeg geen crossje in de buurt, maar de Sinterklaasloop dus wel. Ik kies voor de 10 kilometer – zou ook weleens een 5km-wedstrijd willen doen, maar dat doe ik dan liever een keer als ik echt in vorm ben en denk een goede tijd te kunnen lopen. Bovendien: 5 kilometer is wel héél erg kort. Ik weet dat ik niet al te fit ben. Ben wat verkouden (wie niet), maar zit vooral qua trainingsopbouw een beetje in een niemandsland, en laat de teugels voor wat betreft het consumeren van niet per se heel gezonde dingen de laatste tijd wel erg soepeltjes vieren. Goed, genoeg excuses dus, en in de richting van m’n pr-tijd hoeft beslist niet, maar binnen de 50 minuten verwacht ik toch wel binnen te zijn. En voor mezelf trek ik daar nog een minuutje van af.

Het is wat druilerig weer, fris, maar niet koud. Perfect loopweer dus, al ben ik voor zo’n korte wedstrijd iets te warm gekleed met een lange broek en een shirt met lange mouwen. Ik probeer het tempo onder de 5 minuten per kilometer te houden, en geloof dat dat meestal wel lukt. Bij de eerste kilometerbordjes valt me al op dat ik net iets meer afstand op mijn Suunto heb staan. De route loopt al snel naar de duinen, we volgen het fietspad langs de rand, naar het zuiden. Lekkere omgeving, bossig. Het enige wat ik eigenlijk doe, is bij de kilometerbordjes kijken of ik gemiddeld nog onder die 5 minuten zit. Dat is steevast het geval, maar ik zie ook dat ik op dat schema niet echt uitloop. Er loopt een dame een stuk voor me, die ik kilometerslang in het vizier houd. In het begin verwacht ik nog dat ik haar in de eindfase wel in zal halen (ben ik nou iemand van de lange adem of niet?), maar na een kilometer of 7 realiseer ik me dat dat een illusie is. Ik kom wel iets dichterbij, maar ze verslapt niet of nauwelijks, en ik ben niet in staat om te versnellen. Op het laatst mogen we nog een (krap) rondje op de baan. Iets voor de finish zie ik de klok al op 49:00 springen – dat is natuurlijk bruto, dus ik heb nog hoop… maar nee, 49:07 geeft mijn horloge aan. Bij een afstand van 10,11 kilometer, dat dan weer wel. Omdat ik mijn klokje iets voor de start al indrukte, hoop ik nog dat in de officiële uitslag wél een tijd van net onder de 49 minuten te zien is, maar gek genoeg sta ik met een tijd van ruim 52 minuten in de uitslag. Ruimschoots na de Bianca, die ik de hele tijd aangemoedigd hoorde worden en die toch echt een stukje na mij finishte. Nou ja, een mooie oefening weer om te weten dat het er niet om gaat hoe snel ánderen denken dat je gelopen hebt, maar om hoe snel je zelf weet dat je gelopen hebt. En zelfs dat is volslagen onbelangrijk. (Bovendien zie ik dat Johan Neve, die tweede werd, met een tijd van ruim 59 minuten in de uitslagen staat – terwijl hij 5 kilometer liep! Dan valt het bij mij nog wel mee.) (Update: later blijkt dat er bij de organisatie iets fout is gegaan – chip- en startnummers matchten niet met elkaar. Mijn nettotijd: 49:00! Grr 😉 )

Zo. Nou. Vanwaar de titel? Geen idee eigenlijk. Laten we het erop houden dat ik blij ben dat ik loop.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Bald himmelhoch jauchzend…

In de euforie over en na de ISU, verschijnt al snel een bestandje ‘loopkalender jac 2018’ naast de 2017-versie op mijn bureaublad. Het lijkt goed te gaan, en ik mag dus plannen maken. Fijner dan het 2018-excelletje invullen, vind ik het nog om de resterende weekenden van 2017 op een A4’tje onder elkaar te zetten, gewoon met een pen. Te beginnen met alle niet-loopactiviteiten die al vaststaan, die markeer ik met geel, en bij alle andere weekenddagen schrijf ik potentiële loopjes, die ik met roze markeer. De trail- en ultrakalenders worden weer eens gefrequenteerd – zalig!

Maar. Er is een maar. In de laatste 20 kilometers van de ISU kreeg ik wat last van mijn rechtervoet. Te strakke veters, oordeelde ik, en ik veterde mijn schoen wat losser. Na de loop was de voet wat dik, maar na een paar dagen was hij weer tot normale proporties geslonken. De pijn was niet heftig, maar ging ook niet weg. Een ontsteking? Ik deed een poging met ibuprofen en een icepack, maar zonder resultaat. Gek werd ik ervan. Is dit nu wat ze bedoelen met ‘de ouderdom komt met gebreken?’ Lijkt het eindelijk goed te gaan met hamstring en bil, krijg ik dit weer. Houdt het nog een keer op? Na dik twee weken toch maar eens langs Jan Willem. De voet was stijf, concludeerde hij, maar verder leek er weinig aan de hand. Een beetje overbelaste pezen. Hij mobiliseerde en manipuleerde, en stuurde me, gerustgesteld en wel, de deur weer uit.

En warempel, het ging de goede kant op. Ik liep weer wat vaker, ik rekte, ik masseerde, ik voelde nog steeds wel iets, maar het was duidelijk minder pijnlijk dan in de eerste weken. Nog even, en ik zou ervan af zijn.

Er verschenen steeds meer loopjes in de planning, al liet ik er een paar op de korte termijn noodgedwongen toch schieten – uit voorzichtigheid, en soms omdat de inschrijving opeens al gesloten bleek. Maar vanaf eind december tot en met eind februari mag ik weer lekker aan de bak en ik heb er ernstig veel zin in.

Tot ik vandaag de UHT loop, samen met Jos, en de eerste kilometers ook met Ellen. Tot een kilometer of 16, 17, gaat het goed, al voel ik de voet wel. Maar dan krijg ik een stekende pijn in de wreef. Ik moet stoppen, schoen uit, rekken, masseren, en dan gaat het weer een poosje goed. Ik doe de veters zo los dat ik bijna zo m’n schoen uit kan stappen, ook dat lijkt een beetje te helpen. De steken komen een paar keer terug, maar ook zijn er hele stukken dat de pijn goed te doen is. Maar het is wel duidelijk dat het probleem nog niet achter de rug is. Ik begrijp het niet – wat kan er nou toch aan de hand zijn?

Om nou te zeggen dat ik ‘zum Tode betrübt’ ben, gaat wat ver, maar het maakt me onzeker. En een beetje somber. Niet voor het eerst realiseer ik me hoezeer ik het hardlopen nodig heb om me lekker te voelen. Oké dan: nodig líjk te hebben.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 3 reacties

Drenthe doet wat met je

Ik heb de deurkruk al in mijn handen, als Jan-Willem, mijn onvolprezen fysio, me vraagt of ik nog plannen heb voor de komende tijd. Ik voel me betrapt, en dat is me kennelijk aan te zien, want hij heeft meteen door dat het antwoord ‘ja’ moet zijn. Blessure of geen blessure, ik wil toch nog graag een loop van 100 kilometer doen in 2017. Door een langdurige hamstring-/bilblessure, of eigenlijk: vanwege het voornemen er nu eindelijk werk van te maken om van die blessure af te komen, heb ik weinig lange afstanden gelopen dit jaar. In januari liep ik een 50 kilometer, in maart een marathon, daarna 5 maanden niets (langs), eind augustus weer 50 kilometer en in september dan nog een 57 in de bergen. Dat laatste vraagt een heel andere manier van lopen – want bergop vrijwel alleen maar wandelen – maar heeft als voordeel dat je wel lang onderweg bent voor relatief weinig kilometers. En dan nu een 100 kilometer. 102,4 om precies te zijn. Is het verstandig? Geen idee.

Op het menu staat de Indian Summer Ultratrail – vooral omdat Hannah die ook gaat doen, ikzelf ben afgehaakt bij een ander gezamenlijk plannetje, en we het toch fijn vinden weer eens samen te lopen. En, detail, het lijkt me trouwens wel een leuke loop ook. “Waar begin je aan?” appt Matthew, “100 min of meer vlakke kilometers.” Inderdaad ja, waar begin ik aan?

Net als veel andere lopers zetten we op vrijdag onze tentjes op op de camping waar ook start en finish zijn, in Rolde. Lekker makkelijk. De weersvoorspellingen waren niet top, maar dat het vanaf ergens in de middag non stop zou blijven regenen, hadden we nou ook weer niet verwacht. Ik ben een groot kampeerliefhebber, maar moet toegeven dat op deze manier kamperen toch wat minder romantisch is. Ik kook mijn potje pasta nog onder de tarp van Hannah, maar vlucht daarna snel de kantine in voor een kop thee. Het regent gestaag. Soms hoost het even. Ergens in de loop van de nacht wordt het droog. De laatste keer dat ik m’n tent uit ga om te plassen, is er opeens een heldere sterrenhemel, met hoofdrollen voor de Grote Beer en Orion (nou ja, dat zijn toevallig zo ongeveer de enige sterrenbeelden die ik ken). Bosuilen jagen in de verte.

Wat een luxe om op 10 seconden lopen van de start te overnachten. De start is om 6 uur, mijn wekker loopt af om kwart voor 5, en dan nog heb ik ruim de tijd. Anderen zijn om 2 uur vertrokken vanuit Zeeland, hoor ik later. Het gebruikelijke gedrentel voor de start, begroeten van een paar bekenden, verder wat in mezelf gekeerd voelen dat ik helemaal geen zin heb. Nooit het fijnste onderdeel van een wedstrijd, maar als we eenmaal lopen, komt het allemaal wel weer goed. De etappes zijn lang vandaag, langer dan ik van loopjes in Nederland gewend ben. Alleen de laatste (van de 5 die ik er loop) is korter dan 20 kilometer, de rest is allemaal iets langer.

We lopen al snel het Balloërveld in. Het mag dan donker zijn, maar dat wil niet zeggen dat het niet mooi is. Het heeft iets magisch, zo in het donker in de natuur. Een lekker veilig gevoel ook, op deze manier, met al die andere lopers om je heen. Hannah en ik praten wat bij met Jannet – hoewel: zo spraakzaam ben ik niet op dit moment, dus ik laat het praten graag aan anderen over. Groepjes vormen zich, en lossen ook vanzelf weer op. Mijn lichaam stribbelt nog wat tegen. De benen moeten er nog een beetje inkomen, mijn maag lijkt het ontbijt er graag weer uit te willen werken (dat blijft de hele dag zo – zodra ik iets gegeten heb, wat toch wel handig is om te doen zo nu en dan, begin ik het op te boeren), en mijn darmen, nou ja, mijn darmen… stelletje ellendelingen zijn het. De markering is geweldig, toch lukt het ons om een keer het grote pad naar links te volgen, waar we rechtdoor een smal paadje in hadden gemoeten. We zijn de enigen niet die ons op dat punt vergissen. Ons levert dat een bonus op van, naar schatting, 800 meter. Niet lang daarna zijn we bij de eerste verzorgingspost. Mooi, de kop is eraf.

We gaan snel weer door. In mijn hoofd lopen de bospaden, de heidevelden, de Drentsche Aa (of hebben we nog meer riviertjes gezien?), de vennetjes en vooral, dat vooral, de kleddernatte modderstukken een beetje door elkaar heen. Van dit stuk weet ik me dan ook niet meer zoveel specifieks te herinneren. Mijn benen hebben zich er inmiddels bij neergelegd dat het weer zo’n dag schijnt te moeten worden, en gedragen zich voorbeeldig. Bijna voorbeeldig, want een paar keer ga ik op mijn snufferd, waarvan de tweede keer pal in een modderplas. We zijn net bij een soort recreatieboerderij, als Hannah zegt dat ze gaat plassen. Huh, hier? Maar zij heeft gezien wat ik niet heb gezien: er zijn toiletten! Ha, komt dat even goed uit. Vanwege de mopperende darmen, maar ook kan ik mooi even mijn smerige modderhanden wassen. Als we weer opstarten, zie ik in de verte voor ons Jannet lopen. Die zien we na de finish pas weer terug. Nog een paar kilometer, en we zijn bij de tweede post. Cola! Bouillon! En ook verder zout en zoet door elkaar. Ook staan hier wat estafettelopers die we nog kennen van de eerste etappe. Gezellig. Dat blijft bij elke post zo.

Hannah en ik hebben in de aanloop naar vandaag tegen elkaar op zitten bieden wie van ons het slechtst zou zijn voorbereid op deze 100 kilometer (Hannah heeft zich weliswaar ingeschreven voor de 127, lang geleden, maar is allang niet meer van plan om te proberen die ook daadwerkelijk te lopen). Ik vind dat ik het hele jaar heel weinig gedaan heb, Hannah heeft vooral de laatste maanden voor haar gevoel weinig gedaan. Oké, in de derde etappe begint het erop te lijken dat zij deze battle wint. Ik loop grote stukken voorop. Elke keer wanneer we op een breder pad komen, houd ik me in, zodat Hannah naast me kan komen, maar ze blijft achter me lopen. Wat is er aan de hand? Dit ben ik niet gewend. Bijna altijd loop ik achter haar aan te ploeteren, maar vandaag lijken de rollen omgedraaid. Ik loop verrassend lekker, en heb zelfs het gevoel dat ik wel wat sneller zou kunnen. De derde post is op 65 kilometer. Hier liggen onze gearbags – de rode tasjes met de provincieslogan: “Drenthe doet wat met je.” Ik heb in mijn tas onder andere een paar droge sokken, en als ik mijn smerige en doorweekte schoenen en sokken uittrek, zie ik dat Drenthe in elk geval iets met mijn voeten doet. Het ziet er natuurlijk allemaal niet zo fris en fraai uit, maar goed, ook al heb ik wat pijn zo hier en daar, en een hele zwik blaren, zoals achteraf blijkt, ze doen het toch maar weer mooi!

Hannah bekijkt per post of ze doorgaat of stopt. Hier besluit ze om in elk geval door te gaan naar post 4, maar wat langzamer te gaan lopen en mogelijk meer te wandelen. We spreken af dat ik mijn eigen tempo ga lopen. Nog lang blijft ze niet ver achter me lopen, en als ik nog maar eens de bosjes induik, loopt ze me weer voorbij. Daarna kunnen we nog een stukje samen oplopen, voor ik definitief wat op haar uitloop. Het gaat heerlijk, werkelijk waar. Ik geniet met volle teugen – niet alleen van het lopen, en het lichaam dat het zo goed doet, maar ook van de omgeving en van de route. Het is prachtig, de hele dag al. Vrijwel geen asfalt, heel veel smalle paadjes, zoveel afwisseling in omgeving en ondergrond. Die herfstkleuren! Ik ben echt niet voor het eerst in Drenthe, maar ben toch nog aangenaam verrast. Ik vind eigenlijk álles mooi. En we boffen dan ook nog eens enorm met het weer. Vanmorgen heeft het eventjes geregend, een half uurtje of zo, maar verder is het droog en ’s middags komt de zon er zelfs zo nu en dan door. Wat een genot. Nou ja, tot een kilometer of 80 dan. Dan begin ik toch wel te merken dat het lichaam dit een beetje ontwend is. Of misschien ís het ook gewoon best ver.

Stijfjes arriveer ik bij de laatste post, het natuurkampeerterrein Borger, op 85 kilometer. Weer eet en drink ik van alles door elkaar. Onderweg eten gaat moeizaam, maar bij de posten lukt het gelukkig goed. Ik krijg een warme pannenkoek, en voor de niet-vega’s zijn er ook knakworstjes. De sfeer is er gezellig, maar ik ben toch vooral met mezelf bezig nu. Ik krijg twee magnesiumtabletten van een estafetteloper (v) – of het het lopen in die laatste etappe ten goede komt, kan ik niet zeggen, maar ik heb achteraf niet heel ernstige spierpijn; wie weet, heeft het geholpen. Een van de fotografen vindt dat ik te lang bij de post blijf hangen, als ik nog maar 17 kilometer hoef te lopen. Wat? Maar ik ben er net! Toch trek ik het me aan, en ik zet me maar weer in beweging. Ik hoop zo ver mogelijk te komen bij daglicht.

De laatste etappe kent nog wat uitdagingen. De eerste is een stuk van het mountainbikeparcours van Gieten. Grrrmpf. Normaal zou ik dit leuk vinden, maar nu weet ik het niet helemaal op waarde te schatten. Zelfs wandelend lukt het me niet mijn voeten hoog genoeg op te tillen, en ik struikel dan ook geregeld. De nog frisse estafettelopers die mij hier inhalen, rennen al kletsend de heuveltjes op. Zij wel. Ik wandel omhoog, volg braaf alle lusjes en weersta de verleiding om iets af te snijden. Eeuwige calvinist. Er volgen wat stukken waar de markering opeens wat minder royaal lijkt te zijn aangebracht. De herfstkleuren en de invallende schemering maken het ook wat lastig om de oranje lintjes te zien hangen. Eerder dan strikt genomen nodig is, doe ik mijn koplamp weer aan, omdat de reflectie makkelijker te zien is dan het oranje. De volgende uitdaging is een knollenveld (bij anderen lees ik dat het een aardappelveld is – ik herken de witte uitsteeksels niet als zodanig). Sorry voor m’n taalgebruik, maar wat een klotestuk! En dan moeten we ook nog een greppel zien over te steken. In dit stadium! Ja hallo zeg, weet je wel hoe moe ik ben?! De verkeersregelaars die aan het eind van het knollenveld bij de weg de niet aanwezige auto’s staan tegen te houden, zijn zich van geen kwaad bewust en ik val hen maar niet lastig met mijn gemopper. Ik doe het mezelf aan, tenslotte. Altijd blijven lachen.

Goed, wat verder nog? Drie (3!) overstaphekken. Uiterst langzaam hijs ik mezelf omhoog, uiterst langzaam laat ik me weer zakken. De lichaamscoördinatie is niet optimaal. Mijn gps-ontvangst staat op eens per 60 seconden, wat maakt dat de geregistreerde kilometers te laag zijn (maar de batterij het wel tot het eind toe volhoudt). Elke keer probeer ik weer een inschatting te maken van het resterende aantal kilometers. Het duurt eindeloos (maar dan ook echt eindeloos) voor ik het bordje 100km passeer. Mijn gevoel is een rare mengeling van het veel te zwaar vinden, het stiekem ook wel gaaf vinden om zo in mijn eentje in het donker door het bos te dwalen (de nu weer geweldige markering helpt daarbij enorm), en toch ook tevreden over mezelf zijn dat ik blijf dribbelen. Geen moment kom ik in de verleiding om te gaan wandelen, al is dat dan ook alleen maar omdat deze lijdensweg dan nóg langer duurt. De laatste 2,4 kilometers lijken er minstens 5, maar zelfs daar komt uiteindelijk een eind aan. Ik finish mooi binnen de 14 uur, wat ik van tevoren als een hopelijk haalbare tijd had ingeschat. Officieel ben ik tweede vrouw op deze afstand (de échte tweede vrouw stond ingeschreven voor de 127 kilometer en doet daarom niet mee voor de prijzen – over Leonie Ton heb ik het maar niet), zodat ik naast winnares Jannet Lange op het podium beland, dat overkomt me ook niet elke dag. Ik krijg een startbewijs voor volgend jaar – kijk, dat komt nou goed uit, want ik wil hier graag nog een keer lopen.

Hannah is inmiddels ook alweer een poosje binnen, en oogt aanmerkelijk fitter dan ik me voel. Maar hoe kapot ik ook ben, man man man wat ben ik blij. Wat een mooie tocht, wat een mooie dag. Wat is het toch een schitterend spelletje, dat maffe geloop, en wat voel ik me bevoorrecht dat ik dit kan doen. Was het verstandig? Geen idee. Alles doet pijn, maar ik voel me gelukkig.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 17 reacties

Trail des Dents du Midi

Er is bouillon en thee, bij de eerste post, maar ik vraag of ze misschien ook koffie hebben. Een andere loper vindt me kennelijk te veeleisend, en begint over warme chocomel. Weet hij veel. Ik heb gewoon wat hoofdpijn door cafeïnetekort. Cola helpt een beetje, maar niet genoeg. Straks maar een koffiegel, nu kan mijn maag de gedachte aan die mierzoete troep nog niet verdragen.

Bij de tent vanmorgen was het te koud, te vroeg, te veel gedoe, om koffie te maken. Thee leek verstandiger, makkelijker ook. Ik vind het al heel wat dat ik keurig netjes ontbeten heb. Het valt niet mee om om kwart voor vier uit het behaaglijke dons van m’n winterslaapzak te kruipen. Het lijkt logischer om het dikke thermoshirt aan te trekken, dat in m’n looprugzak zit voor in geval van nood, dan het dunne ‘stay cool’ hemdje dat klaarligt. Toch pas ik m’n kledingplan niet aan. Liever een beetje koud bij de start, dan na een paar kilometer al lopen puffen en moeten stoppen om iets uit te trekken. Over het dunne hemdje gaat een ook al dun t-shirt, en mijn armen bedek ik met de losse armstukken. Alleen even voor het begin hè, die gaan natuurlijk al snel naar beneden. Is het idee.

20170914_175418

Donderdagavond, kort na onze aankomst. Je ziet het niet, maar het is lange-onderbroekenweer.

We moeten de voorruit krabben. Ik vind dat wel wat hebben. Over cool gesproken. Jos is iets minder kampeerderig dan ik, en is misschien wat minder enthousiast over het ongemak dat de combinatie kamperen en kou met zich meebrengt. Gelukkig heeft ook hij wél een goede slaapzak, zodat de nachten prima te doen zijn. Ook het verwarmde toiletgebouw werkt mee. We zijn uit voorzichtigheid veel te vroeg in het dorp (Champéry, aan de Zwitserse kant van Portes du Soleil). Startnummeruitgifte, materiaalcontrole – het kost bij nader inzien allemaal niet zo veel tijd. Ik had makkelijk een half uur langer in die lekkere slaapzak kunnen blijven liggen. Of koffie kunnen zetten. Het ongemak van bijna een uur kleumend drentelen in de buurt van een startvak, vind ik persoonlijk dan weer wat minder charmant. Of cool. Ik heb m’n regenjas aangetrokken, om nog een béétje warm te blijven. Voor de start stop ik die wel weer weg. In de zakken vind ik een paar oude fleecewanten die ik al een poosje kwijt was. Loop ik daar ook nog voor niks mee te sjouwen, want in mijn rugzak zitten natuurlijk ook al handschoenen. Alsof die rugzak niet al vol genoeg zit.

IMG-20170902-WA0001

Dit zijn Jos en ik voor de start van de Hastrail, twee weken eerder. Toen was zo’n stay-cool hemdje wel op z’n plek. (Foto: Bas de Boer)

Na de eerste paar, net niet helemaal vlakke, kilometers, mogen we door een bos omhoog. “Regular, but rather steep,” zegt het roadbook. Dat steile valt wel mee. Ik kan Jos niet bijhouden, maar houd hem wel in het zicht, min of meer. Hoger gekomen is het gras berijpt, en het pad zo hier en daar ook bevroren, en dus glad. Attention! Ik bedenk dat dit fijn is: dat je wel voelt dat het koud is, maar dat je het zelf niet koud hebt. Maar het is op het randje, moet ik bekennen. Een iets warmere kledingkeuze was op z’n plaats geweest. Het is prachtig helder weer, maar de zon komt nog niet boven de bergen uit. Bij de post dus geen koffie, wel even de steentjes uit m’n schoenen schudden. En samen weer op pad. Nog een klein stukje omhoog, dan mogen we lang afdalen. Eindelijk lopen we in de zon – heel even, dan duiken we de schaduw weer in. Jos verdwijnt achter een paar grote rotsblokken voor een sanitaire stop. Ik loop verder. Moet ook, maar heb daar een eigen plek voor nodig. En misschien gaat het wel over. Maar nee. Als we weer in het bos lopen, zoek en vind ik een goed plekje, en zie vanaf daar na een paar minuten Jos passeren. Ik ga erachteraan. Vind dat ik best snel afdaal, maar de meeste anderen – onder wie Jos – dalen nog wat sneller. Ik heb het nu warm. De armstukken zijn naar beneden en hangen op mijn polsen, de lange broek voelt onaangenaam. Bij de volgende post verkleden?

In Vérossaz (25km) duurt het even voor ik Jos gevonden heb. Hij staat wat opzij zijn korte broek aan te trekken. Mooi, doe ik dat ook. Tot nu toe gaat het goed. Tijdens de afdaling moet ik even denken aan de Echappée Belle vorig jaar – no way dat je daar zo’n tijd achter elkaar gewoon kon hardlopen. Ik niet althans. Niet te vergelijken. Ik dwing mezelf een koffiegel te nemen. De koffiesmaak is lekker, de cafeïne verdrijft inderdaad de lichte hoofdpijn, maar verder? Zoete drab. Het is sowieso weer zo’n dag waarop ik met bijna al het eten dat ik heb meegenomen arriveer bij de finish. Het verse brood met kaas (wat hebben ze daar in Wallis lekkere kaas!) bij de posten smaakt me veel beter dan al die zoetigheid.

Weer gaan Jos en ik samen op pad. Nog een stuk of acht eenvoudige kilometers, daarna krijgen we een lange, en naar het schijnt steile, klim voor onze kiezen. Een poosje ben ik blij met mijn blotebenenactie. Veel lekkerder dan die lange broek. Al vrij snel heb ik echter door dat het misschien wel lekker is, maar nou ook weer niet per se nodig was. Eigenlijk is het nog steeds behoorlijk fris. In het mooie oude dorpje Mex is gelukkig een waterpunt, want ik heb vergeten bij te vullen in Vérossaz. Ik maak een flesje sportdrank aan en moet een beetje doorlopen om Jos weer bij te halen. Stukje stijgend asfalt, net te steil om hard te lopen. Stiekem vind ik dit misschien nog wel het lekkerst. Waarom ga ik niet gewoon de vierdaagse lopen of zo? We verlaten het asfalt, nog een klein stukje dalen, en dan mogen we een paar uur aan de bak om op de Col du Jorat te komen. Gestaag stijgend gaat het omhoog. Hier komen ons de eerste wedstrijdlopers, die 3 uur later zijn gestart dan wij, voorbij. Het verschil in snelheid is groot. Toch kan ook ik hier wat mensen inhalen – niet doordat ik zo snel ben, maar doordat ik dat gestage omhooglopen wel redelijk lang kan volhouden. De losse mouwen zijn allang weer omhooggeschoven, en ik heb inmiddels ronduit spijt van mijn broekwissel. Het eerste wat ik doe als ik bij de post van Salanfe ben (een paar honderd meter onder de col, bij een groot stuwmeer), is die lange broek weer aantrekken. Een mooie gelegenheid om ook weer even de rotsteentjes uit mijn schoenen te schudden. Jammer genoeg trek ik hier ook mijn rugzak kapot, en vergeet ik nota bene wéér om water bij te vullen. Of denk ik dat het niet nodig is? Ik merk na vertrek al snel dat mijn waterzak leeg is. Ik heb nog een half flesje sportdrank.

Gelukkig is de volgende en laatste klim een eitje. Toch? Eerst kost het stuk langs het meer me al veel moeite. Mijn benen lijken te willen onderstrepen wat ik al zo vaak bedacht heb: eigenlijk kan ik dat helemaal niet, hardlopen. Ze willen niet meer, hebben zo hun best gedaan om me boven op die col te brengen, maar nu zijn ze er een beetje klaar mee. Ik ben blij als we weer omhoog mogen, zodat ik over kan gaan op wandelen. Die blijdschap is van korte duur – ik ben, geloof ik, een beetje moe. Jos ook. Gedeelde smart. Die lange broek was een goed idee, maar er staat hier zo’n venijnig koude wind dat we stoppen om onze regenjassen aan te trekken. Jos is zo verstandig om ook een gel te nemen, maar ik zie dat niet zitten – ook al niet omdat ik geen water meer heb om hem mee weg te spoelen. Ik heb nog een halve cliffbar – die eet ik later wel op. Ik loop weer een beetje bij Jos weg; wil hier niet stilstaan, of inhouden. Moet alle zeilen bijzetten om niet te veel af te koelen. Het sneeuwt licht. Nadat ik mijn regenjas aangetrokken heb, bedenk ik al vrij snel dat ik ook mijn handschoenen had moeten pakken. Maar verdorie, die zitten helemaal onder in mijn rugzak, keurig in een waterdichte zak, bij dat warme thermoshirt. Daar heb ik nou echt geen zin in, om die te pakken. Dan bedenk ik dat ik die oude fleecewanten vanmorgen in mijn zakken vond. Mazzel! Ik moet een beetje wurmen om mijn handen door de polslussen te krijgen met die dingen aan, en ze zijn wat onhandig bij het een stukje opentrekken (in de luwte) en weer helemaal dichttrekken (vol in de wind) van de rits van mijn jas, maar ik houd lekker warme handen.

20170915_084316

De foto is van vrijdagmorgen, het uitzicht vanaf onze kampeerplek.

Oké, het lopen gaat dan misschien niet helemaal meer van harte, maar dit is wel het leukste deel van de route. Eindelijk niet meer het uitzicht over zo’n breed dal, maar gewoon omgeven door de bergen. Als ik zou kunnen kiezen, zou ik altijd voor mooi, helder en droog weer kiezen, maar nu de omstandigheden iets minder aangenaam zijn, vind ik juist dát weer leuk. Echter, of zo. Stoerder. Net als dat kamperen met kou. De Susanfe-pas is het hoogste punt van de tocht, op ± 2500 meter. Er is geen uitzicht om van te genieten, en echt behaaglijk is het ook al niet, dus ik loop snel door. In de afdaling begin ik pas echt te merken dat ik door mijn energie heen ben. Ik glijd een keer uit in de modder, ik begin wat te struikelen en te zwikken. Een veeg teken. Regelmatig moet ik even aan de kant om een wedstrijdloper voorbij te laten gaan. De vele (erg vele) wandelaars die omhoog komen, doen op hun beurt juist weer een stap voor mij opzij. Iedereen moedigt ons, hardlopers (nou ja…) aan. De Pas d’Encel is afgezekerd met een ketting en vergt wat klauterwerk. De ketting laat ik links hangen – ik heb liever gewoon rots onder m’n handen. Als het droog zou zijn, zou ik hier iets meer van genieten dan ik doe van deze nattigheid. De snelle jongens (v/m) springen hier met benijdenswaardig gemak naar beneden, maar ik ben allang blij dat ik geen angst voel in dergelijke passages.

Bij de laatste post komt Jos aanlopen als ik net zo’n beetje weer weg wil gaan. Hij snaait heel snel wat en opnieuw vertrekken we samen. Dit afdalen kan Jos sneller dan ik (hardlopen, hè), maar hij wil bij mij blijven om samen te finishen. Dat is fijn. Mijn bovenbenen zijn pijnlijk genoeg om weinig tempo meer te kunnen maken, al is het parcours nu niet lastig meer. We komen uit vlakbij de camping, en voorbij de stoeltjeslift gaat het pad een stukje omhoog. Hè hè, gelukkig weer even wandelen. De laatste kilometer gaat door het dorp, en die moet natuurlijk wél hardlopend worden afgelegd. Al is het alleen al vanwege alle mensen die ons aanmoedigen. Het is een en al drukte en gezelligheid in Champéry. Jos en ik gaan gezamenlijk de finish over na 11 uur en 21 minuten.

Ik heb het warm in mijn regenjas.

20170918_193530

Ik begreep de aardige meneer die de medaille overhandigde niet helemaal, maar dénk dat je ook op deze manier alle zeven toppen kunt verzamelen.

Geplaatst in bergen, hardlopen, kamperen | 9 reacties