Diepgaan

Het is een marathon naar mijn hart, de Drents-Friese Woldmarathon bij Diever, maar mijn doel heb ik niet gehaald. Het zou de ultieme poging zijn om mijn pr van 3:47:02, dat ik vijf jaar geleden ‘vanuit het niets’ liep in Apeldoorn, nog eens te verbeteren. Nog steeds vind ik die 3:47 een heel mooie tijd, maar omdat ik denk dat ik in de afgelopen vijf jaar een betere, en snellere, loper ben geworden, denk ik dat er nog wel iets van af zou moeten kunnen. Al gaan de jaren natuurlijk ook tellen – sprak de oude dame.

Laurens suggereert Rotterdam, maar dat is natuurlijk geen optie. Een pr-poging wil ik graag doen, maar om daarvoor nou uren door een stád te gaan lopen, gaat me te ver. Nee, als het dit voorjaar moet gaan gebeuren, dan weet ik het wel. De Drents-Friese Woldmarathon staat al eeuwen op mijn lijstje, maar nooit komt ie goed uit. Dit jaar is er geen Limburgs Zwaarste meer, dat scheelt. En ik maak het marathonplan al aan het begin van m’n winterslaap, dus staat ie gewoon, en plan ik de rest eromheen. Dat betekent vooral: de verleiding weerstaan om aan andere lange loopjes mee te doen tot die tijd. Alleen de DCURbN slipt erdoorheen, maar die is dan ook al begin januari. Moet kunnen.

De trainingen gaan goed, al wordt het probleem met m’n hamstring steeds nijpender en wacht ik iets te lang met een bezoek aan de fysiotherapeut. Die doet wat hij kan in de paar weken die nog resten. In elk geval zijn de hamstrings volgens hem sterk genoeg om niet bang te hoeven zijn dat ik iets kapotloop. Ik train nog steeds op hartslag; vind de intensiteit pittig, maar de omvang is niet groot. Als ik m’n weektotalen zie, twijfel ik wel eens of ik wel genoeg doe, maar ik vind het heerlijk dat ik niet zo moe ben, en besluit niet op eigen houtje met het schema te gaan rommelen. Bovendien: die 50 kilometer langs het strand in januari ging verrassend lekker, en díe lange duurloop heb ik dan toch in elk geval in de benen, al is die voor het mooie dan misschien iets te lang geleden.

Met enkele tientallen lopers staan we achter de getrokken streep op het wegdek. Geen chip voor de tijdregistratie, vandaag is bruto gelijk aan netto. Veel zal het niet schelen, ook niet als je achteraan staat. Voor mijn doen sta ik echter tamelijk vooraan. Ik ben gefocust op mijn doel. Hoofddoel: een pr lopen. Subdoel: onder de 3:45. Stiekem sub-subdoel: richting de 3:40. Dat laatste nekt me vandaag, is een van de mogelijke analyses. Voor die 3:45 moet ik onder de 5:20 per kilometer blijven. In plaats van me daarop te richten, heeft zich in mijn hoofd het idee vastgezet dat 5:10 misschien ook wel kan. Dat kan inderdaad, maar geen 42 kilometer lang, en ook in het begin merk ik al dat het niet vanzelf gaat om het gemiddelde onder de 5:10 te houden. Maar als ik het niet probeer, dan gaat het zeker niet lukken. Ik ga ervoor.

Eerst twee rondjes in het dorp voor we de wijde wereld ingestuurd worden. Ik ben blij dat er mensen voor me lopen, want ik zie geen enkele aanwijzing hoe we moeten lopen. Dat kan nog wat worden vandaag. Maar zodra we het dorp verlaten hebben, blijken de markeringen voldoende aanwezig te zijn. Het gebied is schitterend, zoals ik al verwachtte, maar misschien nog wel mooier dan dat. Afwisselend, bos, wat opener terrein, vennetjes, een gebied dat lijkt op de duinen. De ondergrond is stevig – als het geen asfalt- of schelpenpaden zijn, is het stevige bosgrond. Vlak is het niet. Het ‘licht glooiend’ uit de omschrijving heb ik onderschat. Of heb ik de kracht in mijn benen overschat?

De 5km-aanduidingen wijken in het begin nogal af van wat mijn horloge aangeeft. Het 10km-bordje kom ik tegen als ik nog maar nét de 9km op mijn horloge voorbij heb zien komen. O, wat hoop ik dat het bordje klopt en mijn horloge gewoon een krappe kilometer gemist heeft in het bos. Keep on dreaming. Het is warm. Op de open stukken waait het flink. Het voordeel van wind tegen is dat het afkoeling geeft, het nadeel is dat je tegenwind hebt. We lopen vol in de wind in dat duinachtige gebied. Heuveltje op, heuveltje af. Maar vooral heuveltje óp, lijkt het. Op 25 kilometer zakt de pap me in de benen en de moed me in de schoenen. Ik ga het niet redden, weet ik op dat moment. Zéker die 3:40 niet, en waarschijnlijk evenmin 3:45 of zelfs maar een pr. Maar ik ga niet opgeven, redden wat er te redden valt.

Ik blader mijn horloge door naar een volgend schermpje, waarop ik de afstand zie in plaats van mijn gemiddelde snelheid. Die laatste wil ik niet meer zien, dat is te demotiverend. Mijn actuele snelheid zie ik echter nog wel steeds als ik kijk, en tot mijn grote schrik zie ik zo nu en dan dat ik boven de 6 minuten per kilometer zit. Dzjie, dat ik verval heb, snap ik, dat voel ik ook maar al te duidelijk, maar zóveel verval? Wat is dit zwaar en wat is de verleiding groot om het tempo los te laten en naar het eind te sukkelen. Of even te wandelen. Maar ik weet dat ik daar spijt van zal krijgen. Het enige wat ik kan doen is volhouden en een zo goed mogelijke tijd neerzetten. Hier heb ik voor getraind, dit is misschien wel de laatste keer dat ik probeer een echt goede marathon te lopen, en van een beetje kapotgaan is nog nooit iemand slechter geworden. In het kapotgaan heb ik nog net oog voor de lammetjes – de eerste die ik dit voorjaar zie. Blijft schattig.

Dus. Ik hijg, ik zucht, ik kreun, inwendig vloek ik. Bij de posten stop ik voor cola en ik klaag mijn nood bij de vrijwilligers. Ik werk met de moed der wanhoop nog een gel naar binnen. Speel stuivertje wisselen met twee andere lopers, van wie er een met kramp worstelt. Ik ben niet de enige die het zwaar heeft. Ik hoop de laatste paar kilometers nog te kunnen versnellen, maar het zit er niet in. Ik loop op m’n max, dit is wat ik nog op kan brengen. Ik ben dood. Na 3 uur, 48 minuten en 47 seconden bereik ik de finish. Als eerste vrouw, dat dan weer wel. Ook leuk, dat gebeurt me niet iedere dag (maar om mijn prestatie in perspectief te zetten: het parcoursrecord bij de vrouwen ligt op 3 uur en 3 minuten). Ik neem het bijbehorende bosje bloemen graag aan, druk mijn lotgenoten de hand en ga aan de bouillon. Vegetarisch? Geen idee, doe mij nog maar een bekertje.

De rest van de dag en de dag erna voel ik me lichamelijk behoorlijk lamlendig. De teleurstelling heb ik tijdens het lopen al verwerkt. Dit was m’n laatste poging, denk ik zo. Pr’s moet ik maar op de kortere afstanden proberen te lopen. Deze marathon ga ik zeker vaker lopen, maar dan lekker op m’n dooie akkertje. Genietend van alles om me heen.

Ik liep een mooie tijd, vind ik zelf, maar niet zo mooi als ik gehoopt had. Misschien waren de omstandigheden er niet naar. Het parcours was zwaarder dan ik had verwacht. Het waaide, het was warmer dan ideaal voor mij is (mijn pr liep ik bij een temperatuur van ruim onder het vriespunt). Misschien heb ik te weinig omvang gelopen in de voorbereiding. Misschien komt het, zoals gezegd, doordat ik te ambitieus was en te hard van stapel ben gelopen.

Maar waarschijnlijk is de kwestie niet zozeer dat het deze keer slecht ging, maar meer dat het die vorige keer zomaar zo goed ging. In elk geval was dit wat erin zat, op deze heerlijke voorjaarsdag, in deze prachtige omgeving.

Geplaatst in hardlopen | 6 reacties

Verlangen naar zin (3)

Mochten er mensen zijn die zich zorgen over me maken naar aanleiding van mijn laatste blogjes: dat is nergens voor nodig. Ten eerste kan ik wel tegen een stootje, en ten tweede lijkt het ergste leed alweer geleden. Ik schrok er wel een beetje van, dat ik me zo lang achter elkaar zo down kon voelen, ik dacht dat ik dat stadium al lang geleden gepasseerd was en dat dit me niet meer zou overkomen. Ondertussen hield ik er echter heus wel vertrouwen in dat het weer voorbij zou gaan. Inmiddels nemen de dagen waarop ik me ‘normaal’ voel, weer de overhand.

Normaal? Normaal? Aha, betrapt. Ik kan mezelf er nog zo eh, overtuigend van proberen te overtuigen dat goede tijden en slechte tijden er allebei bij horen, en dat dus ook de slechte tijden er mogen zijn, maar stiekem beschouw ik de goede tijden toch als de norm. Ik dénk dat ik het gedeprimeerde gevoel accepteer, maar ik realiseer me dat mijn strategieën om ermee om te gaan (kortweg: bedenken en weten dat het weer voorbijgaat, mijn leed relativeren door me te vergelijken met anderen die veel ergere dingen meemaken, en bedenken dat zo’n depri-periode misschien wel goed voor me is, dat ik er iets van leer en er hopelijk beter, wijzer, gelukkiger uit zal komen) er allemaal blijk van geven dat ik die slechte tijden helemaal niet echt accepteer, maar ervan af wil. Nou ja, behalve misschien die laatste dan: ik wil het wel accepteren, maar dan moet het wél iets opleveren! Oké, natuurlijk is het ook wel heel menselijk om een voorkeur voor de goede, vrolijke tijden te hebben. Als je kunt kiezen, maar dat kun je nou eenmaal niet, dat is nou net het hele eieren eten.

Dan nog dit: moet ik eigenlijk wel over dit soort dingen schrijven en het op het wereldwijde web gooien? Je kwetsbaarheid laten zien, het klinkt mooi, maar geef ik me niet te veel bloot? Is dat niet ongemakkelijk voor de lezer, en zal het zich niet tegen me keren? Ik weet het niet.

Een paar dingen weet ik echter wél. Ik heb, zoals de meeste mensen en misschien wel iedereen, de neiging om de schijn op te houden dat het wel goed met me gaat, ook als ik me een periode wat minder voel. Ik wil niet graag zielig gevonden worden, of zwaar op de hand. Ook voel ik schaamte over ten minste één terrein in mijn leven waarop ik weinig succes heb. Ik doe dingen niet, uit angst voor afwijzing door anderen. Uit angst voor de schaamte. En dáár wil ik nou graag van af. F*ck wat een ander vindt van wat ik doe en hoe ik me gedraag.

Ik weet met al mijn rationele vermogens, dat je alleen gekwetst kunt worden wanneer je een beeld van jezelf hebt dat je aan de buitenwereld wilt laten zien. En dat je paradoxalerwijze juist in je totale naaktheid, wanneer je je op je allerkwetsbaarst toont, volkomen onkwetsbaar bent.

(wordt misschien nog vervolgd)

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, identiteit, twijfel | 2 reacties

Verlangen naar zin (2)

Als ik met een buurvrouw/vriendin praat over het besef van zinloosheid, en tegen haar zeg dat ik momenteel niet goed weet hoe daarmee om te gaan, zegt ze dat zij zich op dergelijke momenten focust op haar kinderen – haar doel is dat het met hen goed gaat. Ik kan me dat wel voorstellen, al zie ik dat zij daarmee een truc toepast die in wezen ook weer niet zóveel anders is dan mijn truc van mooie hardloopplannen maken.

Ik lees in Volkskrant Magazine (18.02.17) een artikel van Maartje Luif waarin ze schrijft over de consequenties van haar kinderloosheid. Zij beschrijft hoe vroegere gesprekken met een goede vriend haar raakten. Die vriend had de overtuiging dat zich níet voortplanten het meest zinloze was dat hij kon doen. Inmiddels is ze twaalf jaar verder en weet ze dat ze geen kinderen zal krijgen. De gesprekken met die vriend zingen nog steeds rond in haar hoofd, schrijft ze. “Want als hij gelijk heeft, dan is mijn kinderloze leven zinloos. En als hij ongelijk heeft, is de vraag wat dan wél de zin van het leven is aan de orde. In beide gevallen is de zin van het leven ver uit het zicht verdwenen.”

Ook ik heb geen kinderen. Zou ik mijn leven als zinvoller ervaren als ik ze wel had? Misschien. De voortplantingsdrift van de mensheid in z’n geheel lijkt me een natuurlijk gegeven, maar heeft daarmee het leven door kinderen te krijgen automatisch zin? En krijgt het leven van die kinderen dan ook weer (pas) zin door zich op hun beurt voort te planten? Wat ik me wél heel goed kan voorstellen, is dat je rol als ouder een plezierig duidelijke is, en dat je een zekere vervulling vindt in de zorg voor je kinderen. Gaat het dan toch weer over identiteit? De behoefte aan duidelijkheid over wie je bent en wat je rol is in dit leven?

Op een rol als moeder kan ik niet terugvallen. Wel ben ik dochter, dochter van een moeder die sinds een paar maanden weduwe is en sinds een paar dagen in het bezit van de diagnose dementie. Wij kinderen proberen zo goed en zo kwaad als het gaat voor haar te zorgen, maar we wonen geen van allen om de hoek. Het is lastig om te zien dat ze zich eenzaam voelt en hoe het haar, beetje bij beetje, meer moeite gaat kosten om voor zichzelf te zorgen. Moet ik niet gewoon bij haar intrekken en de zorg op me nemen? De vraag komt zo nu en dan voorbij. Geen goed idee, weet ik – niemand weet mijn irritatiezenuw zo perfect te vinden als die moeder van me. Áls ik het zou doen (wat dus niet het geval is), zou ik het niet alleen uit zorg om en voor haar doen, maar ook weer voor een deel uit behoefte aan een duidelijke rol voor mezelf. Dan hoef ik er weer een poosje niet over na te denken wat ik eigenlijk wil neerzetten in de wereld. Ook daarom: geen goed idee.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in identiteit, twijfel | 3 reacties

Verlangen naar zin (1)

Ik verlang naar een doel, iets van richting. Dat komt: het loopt niet zo lekker, de laatste tijd. Ja, behalve het lopen dan, dat loopt heerlijk. Ik weet natuurlijk best dat al dat gehardloop op z’n minst voor een deel dient om het gemis aan vervulling op andere vlakken te compenseren (ik spreek uiteraard alleen voor mezelf) – maar terwijl het daar de afgelopen jaren in afwisselend meer of mindere mate in leek te slagen, lijkt het nu al geruime tijd hopeloos ontoereikend te zijn.

Als ik een stukje terugkijk in mijn leven, zie ik een golfbeweging. Een jaar of twintig geleden werkte ik bij een accountantskantoor. Hoewel dat kantoor en de collega’s best oké waren, vond ik het niet leuk. Toen ging ik op schaatsles. Dat vond ik wél leuk. Na een poosje was ik een keer of vier per week op de ijsbaan te vinden. In de winter dan. Wat ik verder deed? Klimmen. Ook dat was leuk, erg leuk. Niet in de laatste plaats dankzij de groep mensen met wie ik het deed. Het sporten en de vele sociale en actieve weekendjes en weken weg, gaven me voldoende bevrediging om dan maar voor lief te nemen dat ik mijn werk niet leuk vond. Ik leefde voor iets anders.

Dat werkte een paar jaar vrij goed, maar toen stak de onvrede, die al die tijd sluimerde, de kop op en moest er weer iets gebeuren. Ik moest iets met m’n hoofd doen, daar verlangde ik nu naar. Ik schreef me in voor een tweejarige cursus ‘Wijsbegeerte en Spiritualiteit’ aan de VU. Een goede stap. Van cursist werd ik een enthousiaste filosofiestudent. De vakken boeiden me, en wat was het heerlijk om mijn hersenen eindelijk weer eens serieus te laten kraken. Natuurlijk bleef ik sporten, dat was en is een onmisbaar deel van mijn leven, maar sporten hoefde niet meer te compenseren wat ik elders miste.

Tot ik in m’n master zat. Ik maakte een aantal onhandige keuzes, en het afstudeertraject werd een crime. Wat een verspilling. Ik had het enorme voorrecht te mogen en kunnen studeren (zoals hardloopvriendin Martine me onder ogen bracht, toen ik weer eens besloten had te stoppen met die k*-scriptie), ik deed de allermooiste studie die er bestaat, maar was de lol in wat ik deed volkomen kwijt. Ik bestudeerde een vervelende filosoof, kreeg het onderwerp dat me in wezen zo aansprak – abstractie versus intuïtie – maar niet in m’n vingers, had een begeleider die mijn onzekerheid flink wist te stimuleren, en leverde uiteindelijk een matige en oninteressante scriptie af. Weinig bevredigend, dat moge duidelijk zijn.

Geen wonder dat ik in deze periode weer enig fanatisme ontwikkelde op sportgebied. Schaatsen en klimmen hadden inmiddels allang plaatsgemaakt voor hardlopen, marathons werden ultra’s, naast wegwedstrijden kwamen er trails en, het allermooiste, berglopen. Elke keer weer dook ik in de trail- en ultrakalenders, legde ze naast mijn schema, en oh, dat heerlijke gevoel als er een match was! Scriptietechnisch gesproken was het misschien niet handig, maar ik had het meer dan nodig voor mijn geestelijk welbevinden, hield ik mezelf voor.

Nu lijkt het wondermiddel voorlopig weer uitgewerkt te zijn. Sport is heerlijk, sport moet, sport doet me goed, maar het is niet genoeg om me de dip van het lijf te houden. De winterdip is dieper en duurt langer dan anders. Alles wankelt, niets is zeker. Ik worstel. Ik verlang naar een doel, iets van richting.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 9 reacties

Lofzang

Het schijnt dat er mensen bestaan die niet van hardlopen houden. Het is mij een raadsel hoe dat kan.

Er zijn ook mensen die wel van hardlopen houden, maar dan weer niet van op de baan lopen. Ik mag sommige van hen zelfs tot mijn vrienden rekenen (ja Edwin, ik bedoel oa jou). Ze weten niet wat ze missen.

Wat weer een heerlijke training vanavond. Een lekker pittig voorprogramma, met de nadruk op kracht, en op mooi rechtop blijven lopen, ook als je zware benen krijgt. Een trainer met visie. Een groep lopers die er lol in hebben. En dan een hoofdprogramma van vijf keer 1200 meter. Aardig tempo.

Beetje wind, beetje regen, beetje kou.

Als je dáár niet blij van wordt…

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Oefenstof

De materie is me niet bepaald welgezind, de laatste maanden. Of moet ik misschien dieper kijken, en is de materie me juist zeer welgezind? Zoals Dreverhaven uiteindelijk al die tijd het beste voor blijkt te hebben gehad met Katadreuffe?

Het begint met een auto. Er kwam, kort voor de zomer, eindelijk een nieuwe. Een nieuwe oude dan natuurlijk. Niet zo’n kek modelletje misschien, maar een keurig onderhouden exemplaar en een verstandige koop, denk ik. Een paar maanden later word ik aangereden. Ik blijf relaxt. Tot ik de term ‘total loss’ voorbij hoor komen. Aanvankelijk reageer ik ook daar nog lacherig op, maar wanneer die term wel degelijk op mijn auto blijkt te slaan, verandert mijn lach in die van een boer met kiespijn. Weer op zoek naar een andere. Het wordt er een met een iets vlotter uiterlijk, iets vlotter rijdend ook. Maar het is een wat minder verstandige koop, vrees ik. Al snel gaat er een controlelampje branden. Katalysator vervangen. Vervolgens breekt de rechtervoorveer, en neemt daarbij de (een) ABS-sensor in z’n val mee. Eén veer vervangen = twee veren vervangen. Twee veren vervangen + een nieuwe ABS-sensor = veel geld. Niet over nadenken. Afrekenen en hup, weg ermee.

In Arnhem heb ik non stop problemen met het water. Aftappertje warm water lek. Vervangen is geen grote klus. Als de waterdruk er weer op gezet wordt, blijkt echter ook de geiser te lekken. Niet een koppeling helaas, maar de generator. De man die het aftappertje verving, waagt zich hier niet aan. Ik doe het er al een poosje zonder warm water, en ga daar dan nog maar een poosje mee door.

Dan houdt in Haarlem de cv-ketel ermee op. Ook daar even geen warm water dus, en ook geen verwarming. Gelukkig heb ik een paar dagen eerder, in de trein van Castricum naar Den Helder, net Christiaan gesproken over diens opleiding bij Iceman Wim Hof. Christiaan mag zich nu instructeur noemen in de Wim-Hofmethode. Ik ben geen held, maar wel geïnteresseerd. Heb me toevallig net een paar weken eerder na het hardlopen door een paar medelopers laten verleiden om, net als zij, een duik te nemen in het Vogelmeer. Watertemperatuur net iets boven nul. Aiaiai, dat valt niet mee; ik weet niet hoe snel ik het water weer uit moet komen. Maar dat schijn je dus te kunnen trainen. Ik beschouw de drie dagen in een onverwarmd huis als een beginnetje, net als de koude douche na het hardlopen (nogmaals: ik ben geen held – ik zeep me in, zet dan pas de douchekraan open en spoel me heel snel af). Ik moet nog iets doen met m’n ademhaling, weet ik, maar dat deel van de training bewaar ik voor later.

Dan kom ik weer in Arnhem, waar ik dan weliswaar nog steeds geen warm water heb, maar waar de kachel het wel doet, voor zover ik weet. Inderdaad, die doet het, maar als ik de afsluitkraan van het koude water opendraai, hoor ik water stromen onder de caravan. Snel dicht dus maar weer. Gelukkig heb ik nog een buitenkraan. Die doet het ook en er is niks gesprongen. Emmer vullen, en ook de fluitketel en de waterflesjes die ik heb staan. Loodgieter bellen. De loodgieter die me eerder een keer flink heeft afgezet en die ik daarom eigenlijk niet meer wilde inschakelen. Maar hij kent de situatie en is niet te beroerd om onder de caravan te kruipen. Hij kan pas maandag komen. Weer een weekendje kamperen, qua water halen en zo. Niet erg, ik vind het wel een sport.

Kijk, dat zijn dan nog wel grappige dingen. Bijna net als de basaltblokken die, als strekdam, het strand zo hier en daar onderbreken tijdens de DCURbN. Het lijken lastige hindernissen. Bij de eerste neig ik tot wandelen. Oei, eng: oneffen en waarschijnlijk nog glad ook. Maar ik corrigeer mezelf meteen. Die blokken vormen juist kleine doch fijne mogelijkheden om te trainen voor in de rotsen. Rustig hardlopend erover dus. Leuke hobby is het toch.

Maar het geld, jongens, het geld. Die loodgieter ligt alweer uren onder de caravan. Niet over piekeren, ik heb het nog, ik kan het nog betalen, pech, klaar. Maar pfff, de euro’s vliegen er in een paar maanden tijd met wel een heleboel tegelijk uit. Een prachtige oefening om hier relaxt in te blijven ja. Een besef van overvloed te behouden, of anders wel het besef dat het niet om geld draait in het leven. Maar ik vind dat ik wel weer even genoeg getraind heb. Lief universum: mag het een onsje minder met dat oefenmateriaal? Alsjeblieft?

Geplaatst in hardlopen, kamperen | Een reactie plaatsen

Een nachtje doorhalen

Ik heb het beloofd, min of meer, al is het maar aan mijzelf. Eindelijk weer eens een blog schrijven, al is het maar over hardlopen. En er is een directe aanleiding – ik liep weer eens een georganiseerd loopje. Afgelopen nacht. Over het strand nog wel. Ik, die niet van zand houd, meer van het bos dan van de zee ben.

De Dutch Coast Ultra Run by Night, en dan de wintereditie, staat al jaren op mijn lijstje, en al jaren ben ik blij dat hij ook deze keer weer niet past in de plannen die ik heb. Of bij mijn lichamelijke gesteldheid van dat moment. Whatever. Maar als Jos begin januari voorstelt deze samen te gaan lopen, kan ik zo snel geen goed excuus verzinnen om daar niet ja tegen te zeggen. Misschien moet het er deze keer maar eens van komen. Al is het maar om ‘m te kunnen schrappen van mijn lijstje.

Veel bekende namen op de startlijst. Ik maak me zorgen dat een uur voor de start in Den Helder te kort zal zijn om alle bekenden op z’n minst te begroeten en liefst ook even te spreken. Gelukkig ontmoeten we de meeste al op het station van Castricum, en biedt de treinreis tijd om met een paar van hen wat uitgebreider te praten. Het uur voor de start duurt vervolgens lang. Het is bloedheet in het hotel en als er een vrouw naast me komt staan die geen jas aan heeft, beslis ik op het laatste moment om het er ook op te gokken en mijn jas uit te trekken. Hij past er nog nét bij in mijn rugzak – Jos moet me even helpen om de rits dicht te kunnen krijgen. Ik heb idioot veel bij me, ben voorbereid op veel kouder weer dan het uiteindelijk blijkt te zijn. Toch heb ik daar geen spijt van, ik houd rekening met geval van nood. Als ik uit moet stappen, om welke reden dan ook, weet ik mezelf vast wel warm te houden door me in m’n reddingsdeken te wikkelen, maar ik trek liever mijn donsjas aan. En de verplichte twee liter water/sportdrank drink ik, tegen de verwachting in, bijna helemaal op. Maar het is een zware bult op mijn rug, dat is waar.

Jos en ik lopen samen, is de afspraak. En met wie we verder nog samenlopen, zullen we onderweg wel zien. Dat is niet met Christiaan – die zijn we meteen na de start al kwijt. Wij blijven bij Renske en Lisenka in de buurt, die voor de 100 kilometer gaan (Jos en ik stoppen na 50). Jonathan loopt tijdens het eerste stuk een tijd met ons mee, ik zie mijn neef, Klaas, zo nu en dan opduiken en loop een stukje met hem samen (dat is lang geleden!). We lopen in een groepje, met voorin Dick en Angela. Mooi rustig tempo, maar Lisenka gaat er voorbij en Jos volgt. Dilemma. Ik heb er slechte ervaringen mee om Dick en Angela voorbij te gaan (Winschoten). Bang dat ik ook deze keer weer overmoedig ben. Maar ik wil bij mijn loopvrienden blijven, en haast mij achter hen aan.

Het lopen gaat makkelijk. Het strand ligt er goed bij en de wind is tegen, matig van kracht. Ik vind het wel lekker, zo tegen de wind in. Na de kou van de afgelopen weken lijkt de wind nu bijna zwoel. Blij dat ik zonder jas loop. De handschoenen gaan telkens uit en dan toch maar weer een poosje aan. Op het punt, na ruim 30 kilometer, waar we even door het water moeten, en daarna een stukje door het mulle zand wandelen, krijg ik het koud aan mijn hoofd, en doe ik de capuchon van mijn loopshirt op. Na een tijd irriteert me dat dan weer, en het laatste stuk loop ik weer blootshoofds. We lopen met z’n vieren. Soms een tijdje een andere loper in de buurt. Al een hele tijd wordt alleen nog het hoogstnoodzakelijke gezegd. Heerlijk. We naderen Egmond. We naderen Egmond heel lang. Het komt maar niet dichterbij. Hopeloos. Toch loop ik nog steeds lekker. Jos heeft al een dipje achter de rug, maar bij mij blijft die vooralsnog uit.

Het is bijna hoogwater, en het stuk strand dat nog goed beloopbaar is, bevindt zich elders op de wereld, niet langer tussen Egmond en Castricum in elk geval. Dat is wel goed voor het betere zeegevoel. Smal strandje, je kunt niet anders dan vlak langs of door het water lopen. Die golven, hun eeuwige beweging, het eeuwige geruis. Er is geen maan, we moeten het doen met de sterren. Ik krijg het zwaar nu, de fut is er na 45 kilometer wel een beetje uit. Jos bijt door, en ik probeer hem zo goed mogelijk te volgen. We wachten nog even op Renske en Lisenka, maar die wandelen de laatste kilometers tot de Deining. Zij mogen daarna nog een stukje, en sparen zich. Gaan jullie maar. Wij gaan. Op naar de finish. Die bereiken we na zes uur en een paar minuten. Sneller dan ik had verwacht. Makkelijker dan ik had verwacht. Leuker dan ik had verwacht. Geweldig loopje eigenlijk, zeker qua sfeer.

Jammer, kan ik ‘m toch niet schrappen van m’n lijstje.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties