Schamel

Toen mijn vader overleed, was hij al 24 jaar gestopt met roken. Dat voorkwam niet dat hij de laatste jaren van zijn leven te kampen had met een stevig longemfyseem. Steeds minder lucht kreeg hij, steeds minder energie had hij dus ook. (Echt, ik heb voor bijna alle verslavingen begrip – en vooral voor de moeite die het kost om ergens mee te stoppen, ook als je denkt dat je dat echt wilt – maar dat er nog mensen zijn die róken…?) Met het voortschrijden van zijn ziekte, nam de actieradius van mijn ouders drastisch af. De caravan werd verkocht, sporadisch vond er nog een vlieg- of busreis plaats naar Zuid-Europa – elke keer weer in de hoop dat de lucht daar wonderen zou doen voor de zuurstofopname van mijn vaders longen, met elke keer weer tegenvallend resultaat – tot ook dat niet meer kon. Op zich natuurlijk geen drama, maar voor mensen (en dat geldt dan vooral voor mijn vader zelf) die het reizen tot levensdoel bestempeld hadden, maakte het het leven wel wat beperkt.

Er kwamen nauwelijks nieuwe ervaringen meer bij. Het nieuws werd gevolgd, twee keer per week werd er een bezoekje gebracht aan de fysio, de wijkverpleegkundige kwam langs, zo nu en dan moesten ze naar de longarts, wel helemaal in Almelo, maar dat was het dan wel zo’n beetje. Wat restte, waren de herinneringen. En daar teerden ze op. Even kort door de bocht: de reizen die ze gemaakt hadden, die hadden het allemaal de moeite waard gemaakt. Zij waren daar blij mee, keken (en kijkt – mijn moeder) daar in dankbaarheid op terug (jaja, ik heb die calvinistische inslag niet van een vreemde); mij lijkt het een nogal schamel bestaan. Leven in je herinnering, om het leven nú een beetje acceptabel te maken.

Vriendin E liep afgelopen zondag de Mont Blanc Marathon. Haar vriend liep de vrijdag ervoor de 80 (inmiddels 85), die ik in 2013 zelf liep. Via sms heb ik die vrijdag contact met E. Zij is natuurlijk aan het supporteren, en wat contact met het ‘thuisfront’ is voor haar een welkome afleiding tijdens het soms lange wachten. Voor mij is het leuk om er op afstand toch een beetje bij te zijn. Ik ken E’s vriend niet, maar ik weet zo’n beetje wat hij achter de kiezen heeft, en, vooral, wat hij nog voor zijn kiezen krijgt. Dat schept een band.

Ik heb het goed, die vrijdag. Zit eindelijk weer eens met m’n kont in het gras bij m’n tentje. Lees veel – afwisselend in de stapel kranten die mijn moeder voor me bewaart en in Gerbrand Bakker’s Jasper en zijn knecht (zeer de moeite waard). Toch duik ik graag terug in de mooie herinneringen die ik heb aan toen, vier jaar geleden, mijn eerste echte bergloop. Het geeft een lekker gevoel om daaraan terug te denken. Wat een prachtervaring was dat. Ik lees na het weekend zelfs mijn eigen blogtekst over die dag nog eens terug (ik had toen nog geen weet van richtlijnen voor het aantal woorden in een blog, dus ik schreef onbekommerd lekker lange teksten), om het blije gevoel van toen weer op te roepen.

Schamel, zei ik? Ach, misschien is het tijd mijn oordeel te heroverwegen.

Geplaatst in bergen, hardlopen, kamperen | 2 reacties

Beginnen

Soms zou ik willen dat iemand mij elke week een opdracht zou geven. Een onderwerp zou aandragen, waarover ik dan een stukje moet schrijven, dat ik hier diezelfde week nog publiceer. Het is niet zo dat ik niets kan verzinnen om over te schrijven, maar de meeste onderwerpen die ik bedenk, verwerp ik weer net zo makkelijk. Of ik begin soms wel met schrijven, maar het wordt te houterig, en soms te academisch. Dan stop ik maar weer. Heel soms pak ik het onderwerp dan later nog op, en lukt het dan wél. Veel vaker doe ik niks, behalve dan columns, artikelen, essays uit de krant knippen, die iets bevatten waarbij ik denk aan te kunnen haken. Die krantenknipsels stapelen zich op, en belanden na een poosje vaak alsnog bij het oud papier. Of ze belanden in een mapje waar ik ook niet echt iets mee doe. Vet irritant kan het trouwens zijn, dat het een ander wél lukt om een goed leesbare en persoonlijke column te schrijven over nota bene míjn onderwerp. Waarom lukt mij dat niet?

Ik weet het, het is niet verplicht om hier regelmatig iets te posten. Als ik niet wil, hoeft het niet. Maar het is die rare combinatie van juist heel graag willen en me er slecht toe kunnen zetten. Heeft iets te maken met die uitgestelde beloning. Vergelijk het met de papers die ik moest schrijven tijdens de studie. Natúúrlijk vond ik dat een ramp om te doen. Natúúrlijk greep ik elke vorm van afleiding dankbaar aan – en het was nog in de dagen van het onvolprezen facebook, dus afleiding te over. Maar desondanks leverde ik altijd op tijd mijn stuk in, en als het dan klaar was (én als goed genoeg beoordeeld door de docent, moet ik er eerlijkheidshalve bij zeggen), was de voldoening groot. Zo groot als misschien wel geen enkele andere activiteit mij voldoening kan schenken. Ego? De behoefte mezelf te bewijzen? Dat speelt vast een rol. Maar het heeft ook te maken met de behoefte mezelf uit te drukken in de wereld (of is dat hetzelfde?). Er zijn niet zoveel terreinen waarop ik het gevoel heb dat me dat lukt. Met boekhouden lukt het in elk geval niet echt…

Beginnen met een hardloopwedstrijdje is niet zo moeilijk. Meestal heb je je van tevoren al ingeschreven, je zorgt dat je op tijd op de startlocatie bent, begroet de nodige bekenden, speldt je startnummer op, iemand telt de tijd af, je schuifelt in de meute naar de startlijn en je begint hard te lopen. Of iets minder hard, afhankelijk van je ambities. Zo ging het ook afgelopen zaterdag bij de Vechtdaltrail in Ommen. Ik verwachtte Edwin daar te ontmoeten, maar die schitterde wegens een hardnekkige keelontsteking door afwezigheid. Wel ontmoette ik een paar anderen, die ik stuk voor stuk veel te lang niet gezien had. Mede-Haarlemmer Martine liep de 44 kilometer, en finishte daar mooi als tweede vrouw. Karien ging voor de 28 kilometer, en won deze afstand bij de vrouwen – maar dat kwam alleen maar doordat ze noodgedwongen bij een groepje bleef, omdat ze in haar eentje de linten niet kon volgen. Dat mensen niet denken dat het haar schuld was, dat ze zo hard liep, bedoel ik maar. Paula liep, net als ik, de 17 kilometer, en tot mijn plezier schoof ook Adriaan aan voor deze afstand. Die liet zich bovendien uitdagen om het loopje binnen 2 uur te finishen, blijkt achteraf.

Over de loop kan ik verder kort zijn: goede organisatie, heerlijke omgeving, mooie, smalle paadjes, te verwaarlozen aantal hoogtemeters op de korte afstand. Geen zware trail dus, maar dat kwam mij niet slecht uit. Ik liep lekker, ondanks een gevoelige hamstring. Niet te hard van stapel, maar ook niet al te langzaam. Heel tevreden met het resultaat. Voor herhaling vatbaar, deze – en dan volgende keer hopelijk gewoon de lange afstand.

vechtdaltrail1
(foto: Hans Spieker)

Nu ik eenmaal begonnen ben te schrijven, is er meer te zeggen. Deze tekst is echter al te lang. Stoppen is ook een kunst.

Geplaatst in hardlopen, identiteit, schrijven, twijfel | 7 reacties

Behoefte aan discipline (2)

Ik schreef dat discipline te maken heeft met uitgestelde beloning. Dat mag zo zijn, maar er zit ook een andere kant aan. Discipline heeft ook te maken met, en voelt zo lekker door, de illusie dat je controle hebt over je leven.

Ik heb de afgelopen maanden wat gedoe gehad met iemand uit mijn directe, fysieke, omgeving. Ik zie hoe verkrampt (in mijn ogen dan, hè) deze persoon met situaties omgaat, hoe moeilijk hij het vindt dat niet alles op zijn manier gaat, hoe moeilijk hij het vindt erop te vertrouwen dat het wel goed komt. Ik heb meermalen de neiging gevoeld om de aansporing die in, eh, de spiritueel-digitale wereld de laatste tijd rondwaart, naar hem door te sturen: “Relax, nothing is under control.”

Maar zoals nog altijd ‘wat je zegt, dat ben je zelluf’ geldt, zo geldt ook dat wat je een ander toewenst, je eigenlijk jezelf toewenst. Hoe goed ben ik er zelf eigenlijk in, om de controle los te laten? Of beter: hoe goed doorzie ik zelf eigenlijk dat ik die controle helemaal niet heb, dat het leven zichzelf leeft, hoe ik mij ook in allerlei bochten wring om het een bepaalde kant op te dwingen, hoeveel spanning ik daarbij ook in mijn lijf opbouw?

Een van mijn favoriete jan-van-delden-metaforen is die van de haai en de loodsvisjes. Die haai die zwemt gewoon lekker de kant op die hij gaat. Eromheen zwemmen allemaal kleine visjes, die beweren dat zij de haai sturen, zijn koers bepalen. Soms lijkt het alsof de haai precies doet wat de visjes zeggen – ik zou willen beweren dat dat vooral in tijden van geslaagde discipline zo is. Ik wil niet snoepen, ik wil doordeweeks geen alcohol drinken, ik wil sporten; en zie: ik snoep niet, ik drink doordeweeks geen alcohol en ik sport. Heb ik voor gezorgd! Maar de volgende dag snoep ik wél, en neem ik toch ook een glas wijn, of twee, of drie, al is het pas donderdag. Maar dat was niet wat ik wilde, toch? Wie heeft er dan voor gezorgd dat ik toch overstag ging? Ook ik?

Tuurlijk, ik heb mezelf ogenschijnlijk vrij aardig in de hand. Ik ga (voor zover ik weet) niet zwalkend over straat en ik heb, ondanks snoepbuien, een gezond gewicht. Dat is echter geen verdienste van mij, maar eerder een kwestie van mazzel. Alleen al de mazzel dat ik van sporten houd. Sport is niet alleen oorzaak van, maar ook een belangrijke motivatie voor gezondheid. Elke kilo extra moet je met je meeslepen, tenslotte. Maar ook het vermogen om geluksmomenten uit te stellen, om niet voor de korte-termijnbevrediging te gaan, maar door de eventuele pijn en onvrede van het moment heen te gaan voor een latere, ongewisse beloning, ook voor die mentale kracht hoef je jezelf niet op de borst te slaan. De een heeft er misschien wat meer van dan de ander, en op het ene moment heb je er meer van tot je beschikking dan op het andere. Ik kan er alleen maar met verbazing naar kijken, hoe ik de ene dag heel gedisciplineerd bezig ben, tevreden over mezelf ben, en de volgende dag de discipline volledig kwijt lijk te zijn, en mezelf daar vervolgens voor op m’n kop geef.

Relax jac, nothing is under control.

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, identiteit | 2 reacties

Behoefte aan discipline

Het verlangen naar zin vertaalt zich in een behoefte aan discipline. Of: de gevoelde afwezigheid van zin gaat gepaard met een gebrek aan discipline, dat kan ook.

Ik heb mij weleens laten ontvallen dat ik wel kan begrijpen dat iemand anorexia ontwikkelt. Dat betekent niet dat ik de ziekte bagatelliseer, noch dat ikzelf aanleg heb het te krijgen, maar wat ik begrijp, of denk te begrijpen, is hoe goed het voelt dat je de discipline hebt om niet te eten. Discipline voelt goed, geen discipline voelt slecht. Calvinistisch? Of menselijk? (Overigens, als ik de documentaire “Emma wil leven” zie, realiseer ik me dat het uiteindelijk óók weer veel discipline van een anorexiapatient vraagt om juist wél te gaan eten. Emma lukt het niet weer ‘normaal’ te gaan eten – erg triest om te zien.)

Een blessure helpt in deze tijden van lichte somberte niet. Als ik tegen mijn onvolprezen fysio verzucht dat ik denk dat ik nooit meer van die hamstring af kom, meent hij de moed erin te moeten houden door me op te dragen eerst maar eens twee weken helemaal niet hard te lopen, om daarna heel rustig de belasting weer op te bouwen. In die twee weken mag ik wel wandelen en fietsen, maar van de weeromstuit zak ik in een totale lethargie en beweeg ik me nog slechts om koffie te zetten, de koektrommel te pakken en naar en van de auto te lopen.

Oké, dit is natuurlijk zwaar overdreven, maar ik vond het zo fijn om dat woord ‘lethargie’ eens te kunnen gebruiken.

Feit ik dat ik niets sportiefs doe, en pas aan het eind van die twee weken een keer een serieuze wandeling maak. Ik mis het ritme van de trainingen, maar vind het tegelijkertijd best lekker om lui in mijn bed te kunnen blijven liggen en helemaal niks te hoeven. Best lekker, maar blij word ik er niet van. Blij word ik wel van het begin van mijn wederopbouwmissie: ’s morgens op tijd naar buiten, minuutjes dribbelen afgewisseld met wandelen, wat uitvalspassen en squats enzo. Inmiddels begint het lopen weer ergens op te lijken, is de pijn minder maar niet weg, en slinger ik heen en weer tussen optimisme en pessimisme over het ooit verdwijnen van de blessure. Maar in elk geval ga ik ’s morgens de deur weer uit voor een rondje, ook als ik er niet zoveel zin in heb. En bijna altijd is het lekker, ook als het niet geweldig gaat. Zo gaat dat met sporten. En met discipline, misschien wel.

Discipline heeft te maken met uitgestelde beloning, denk ik. Bij sporten lukt het me meestal vrij goed om te gaan voor het lekkere gevoel dat iets later komt, maar dat altijd groter is dan het lekkere van in je bed blijven liggen of op de bank blijven zitten. Bij snoepen en alcohol ga ik echter vaak voor de instantbevrediging. Zo’n periode waarin ik de verleidingen slecht kan weerstaan, duurt meestal een tijdje, tot de maat vol is, en dan word ik vanzelf weer wat strenger in de leer. Nu duurt de periode wat langer. Met als gevolg dat ik wel vijf kilo zwaarder ben dan vorig jaar rond deze tijd. Niet vreselijk erg, al wil ik er van die vijf graag weer drie kwijt, maar het voelt niet lekker. En dat heeft minder te maken met het buikje dat ontstaat dan met het gebrek aan discipline.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in hardlopen, identiteit | 4 reacties

Diepgaan

Het is een marathon naar mijn hart, de Drents-Friese Woldmarathon bij Diever, maar mijn doel heb ik niet gehaald. Het zou de ultieme poging zijn om mijn pr van 3:47:02, dat ik vijf jaar geleden ‘vanuit het niets’ liep in Apeldoorn, nog eens te verbeteren. Nog steeds vind ik die 3:47 een heel mooie tijd, maar omdat ik denk dat ik in de afgelopen vijf jaar een betere, en snellere, loper ben geworden, denk ik dat er nog wel iets van af zou moeten kunnen. Al gaan de jaren natuurlijk ook tellen – sprak de oude dame.

Laurens suggereert Rotterdam, maar dat is natuurlijk geen optie. Een pr-poging wil ik graag doen, maar om daarvoor nou uren door een stád te gaan lopen, gaat me te ver. Nee, als het dit voorjaar moet gaan gebeuren, dan weet ik het wel. De Drents-Friese Woldmarathon staat al eeuwen op mijn lijstje, maar nooit komt ie goed uit. Dit jaar is er geen Limburgs Zwaarste meer, dat scheelt. En ik maak het marathonplan al aan het begin van m’n winterslaap, dus staat ie gewoon, en plan ik de rest eromheen. Dat betekent vooral: de verleiding weerstaan om aan andere lange loopjes mee te doen tot die tijd. Alleen de DCURbN slipt erdoorheen, maar die is dan ook al begin januari. Moet kunnen.

De trainingen gaan goed, al wordt het probleem met m’n hamstring steeds nijpender en wacht ik iets te lang met een bezoek aan de fysiotherapeut. Die doet wat hij kan in de paar weken die nog resten. In elk geval zijn de hamstrings volgens hem sterk genoeg om niet bang te hoeven zijn dat ik iets kapotloop. Ik train nog steeds op hartslag; vind de intensiteit pittig, maar de omvang is niet groot. Als ik m’n weektotalen zie, twijfel ik wel eens of ik wel genoeg doe, maar ik vind het heerlijk dat ik niet zo moe ben, en besluit niet op eigen houtje met het schema te gaan rommelen. Bovendien: die 50 kilometer langs het strand in januari ging verrassend lekker, en díe lange duurloop heb ik dan toch in elk geval in de benen, al is die voor het mooie dan misschien iets te lang geleden.

Met enkele tientallen lopers staan we achter de getrokken streep op het wegdek. Geen chip voor de tijdregistratie, vandaag is bruto gelijk aan netto. Veel zal het niet schelen, ook niet als je achteraan staat. Voor mijn doen sta ik echter tamelijk vooraan. Ik ben gefocust op mijn doel. Hoofddoel: een pr lopen. Subdoel: onder de 3:45. Stiekem sub-subdoel: richting de 3:40. Dat laatste nekt me vandaag, is een van de mogelijke analyses. Voor die 3:45 moet ik onder de 5:20 per kilometer blijven. In plaats van me daarop te richten, heeft zich in mijn hoofd het idee vastgezet dat 5:10 misschien ook wel kan. Dat kan inderdaad, maar geen 42 kilometer lang, en ook in het begin merk ik al dat het niet vanzelf gaat om het gemiddelde onder de 5:10 te houden. Maar als ik het niet probeer, dan gaat het zeker niet lukken. Ik ga ervoor.

Eerst twee rondjes in het dorp voor we de wijde wereld ingestuurd worden. Ik ben blij dat er mensen voor me lopen, want ik zie geen enkele aanwijzing hoe we moeten lopen. Dat kan nog wat worden vandaag. Maar zodra we het dorp verlaten hebben, blijken de markeringen voldoende aanwezig te zijn. Het gebied is schitterend, zoals ik al verwachtte, maar misschien nog wel mooier dan dat. Afwisselend, bos, wat opener terrein, vennetjes, een gebied dat lijkt op de duinen. De ondergrond is stevig – als het geen asfalt- of schelpenpaden zijn, is het stevige bosgrond. Vlak is het niet. Het ‘licht glooiend’ uit de omschrijving heb ik onderschat. Of heb ik de kracht in mijn benen overschat?

De 5km-aanduidingen wijken in het begin nogal af van wat mijn horloge aangeeft. Het 10km-bordje kom ik tegen als ik nog maar nét de 9km op mijn horloge voorbij heb zien komen. O, wat hoop ik dat het bordje klopt en mijn horloge gewoon een krappe kilometer gemist heeft in het bos. Keep on dreaming. Het is warm. Op de open stukken waait het flink. Het voordeel van wind tegen is dat het afkoeling geeft, het nadeel is dat je tegenwind hebt. We lopen vol in de wind in dat duinachtige gebied. Heuveltje op, heuveltje af. Maar vooral heuveltje óp, lijkt het. Op 25 kilometer zakt de pap me in de benen en de moed me in de schoenen. Ik ga het niet redden, weet ik op dat moment. Zéker die 3:40 niet, en waarschijnlijk evenmin 3:45 of zelfs maar een pr. Maar ik ga niet opgeven, redden wat er te redden valt.

Ik blader mijn horloge door naar een volgend schermpje, waarop ik de afstand zie in plaats van mijn gemiddelde snelheid. Die laatste wil ik niet meer zien, dat is te demotiverend. Mijn actuele snelheid zie ik echter nog wel steeds als ik kijk, en tot mijn grote schrik zie ik zo nu en dan dat ik boven de 6 minuten per kilometer zit. Dzjie, dat ik verval heb, snap ik, dat voel ik ook maar al te duidelijk, maar zóveel verval? Wat is dit zwaar en wat is de verleiding groot om het tempo los te laten en naar het eind te sukkelen. Of even te wandelen. Maar ik weet dat ik daar spijt van zal krijgen. Het enige wat ik kan doen is volhouden en een zo goed mogelijke tijd neerzetten. Hier heb ik voor getraind, dit is misschien wel de laatste keer dat ik probeer een echt goede marathon te lopen, en van een beetje kapotgaan is nog nooit iemand slechter geworden. In het kapotgaan heb ik nog net oog voor de lammetjes – de eerste die ik dit voorjaar zie. Blijft schattig.

Dus. Ik hijg, ik zucht, ik kreun, inwendig vloek ik. Bij de posten stop ik voor cola en ik klaag mijn nood bij de vrijwilligers. Ik werk met de moed der wanhoop nog een gel naar binnen. Speel stuivertje wisselen met twee andere lopers, van wie er een met kramp worstelt. Ik ben niet de enige die het zwaar heeft. Ik hoop de laatste paar kilometers nog te kunnen versnellen, maar het zit er niet in. Ik loop op m’n max, dit is wat ik nog op kan brengen. Ik ben dood. Na 3 uur, 48 minuten en 47 seconden bereik ik de finish. Als eerste vrouw, dat dan weer wel. Ook leuk, dat gebeurt me niet iedere dag (maar om mijn prestatie in perspectief te zetten: het parcoursrecord bij de vrouwen ligt op 3 uur en 3 minuten). Ik neem het bijbehorende bosje bloemen graag aan, druk mijn lotgenoten de hand en ga aan de bouillon. Vegetarisch? Geen idee, doe mij nog maar een bekertje.

De rest van de dag en de dag erna voel ik me lichamelijk behoorlijk lamlendig. De teleurstelling heb ik tijdens het lopen al verwerkt. Dit was m’n laatste poging, denk ik zo. Pr’s moet ik maar op de kortere afstanden proberen te lopen. Deze marathon ga ik zeker vaker lopen, maar dan lekker op m’n dooie akkertje. Genietend van alles om me heen.

Ik liep een mooie tijd, vind ik zelf, maar niet zo mooi als ik gehoopt had. Misschien waren de omstandigheden er niet naar. Het parcours was zwaarder dan ik had verwacht. Het waaide, het was warmer dan ideaal voor mij is (mijn pr liep ik bij een temperatuur van ruim onder het vriespunt). Misschien heb ik te weinig omvang gelopen in de voorbereiding. Misschien komt het, zoals gezegd, doordat ik te ambitieus was en te hard van stapel ben gelopen.

Maar waarschijnlijk is de kwestie niet zozeer dat het deze keer slecht ging, maar meer dat het die vorige keer zomaar zo goed ging. In elk geval was dit wat erin zat, op deze heerlijke voorjaarsdag, in deze prachtige omgeving.

Geplaatst in hardlopen | 6 reacties

Verlangen naar zin (3)

Mochten er mensen zijn die zich zorgen over me maken naar aanleiding van mijn laatste blogjes: dat is nergens voor nodig. Ten eerste kan ik wel tegen een stootje, en ten tweede lijkt het ergste leed alweer geleden. Ik schrok er wel een beetje van, dat ik me zo lang achter elkaar zo down kon voelen, ik dacht dat ik dat stadium al lang geleden gepasseerd was en dat dit me niet meer zou overkomen. Ondertussen hield ik er echter heus wel vertrouwen in dat het weer voorbij zou gaan. Inmiddels nemen de dagen waarop ik me ‘normaal’ voel, weer de overhand.

Normaal? Normaal? Aha, betrapt. Ik kan mezelf er nog zo eh, overtuigend van proberen te overtuigen dat goede tijden en slechte tijden er allebei bij horen, en dat dus ook de slechte tijden er mogen zijn, maar stiekem beschouw ik de goede tijden toch als de norm. Ik dénk dat ik het gedeprimeerde gevoel accepteer, maar ik realiseer me dat mijn strategieën om ermee om te gaan (kortweg: bedenken en weten dat het weer voorbijgaat, mijn leed relativeren door me te vergelijken met anderen die veel ergere dingen meemaken, en bedenken dat zo’n depri-periode misschien wel goed voor me is, dat ik er iets van leer en er hopelijk beter, wijzer, gelukkiger uit zal komen) er allemaal blijk van geven dat ik die slechte tijden helemaal niet echt accepteer, maar ervan af wil. Nou ja, behalve misschien die laatste dan: ik wil het wel accepteren, maar dan moet het wél iets opleveren! Oké, natuurlijk is het ook wel heel menselijk om een voorkeur voor de goede, vrolijke tijden te hebben. Als je kunt kiezen, maar dat kun je nou eenmaal niet, dat is nou net het hele eieren eten.

Dan nog dit: moet ik eigenlijk wel over dit soort dingen schrijven en het op het wereldwijde web gooien? Je kwetsbaarheid laten zien, het klinkt mooi, maar geef ik me niet te veel bloot? Is dat niet ongemakkelijk voor de lezer, en zal het zich niet tegen me keren? Ik weet het niet.

Een paar dingen weet ik echter wél. Ik heb, zoals de meeste mensen en misschien wel iedereen, de neiging om de schijn op te houden dat het wel goed met me gaat, ook als ik me een periode wat minder voel. Ik wil niet graag zielig gevonden worden, of zwaar op de hand. Ook voel ik schaamte over ten minste één terrein in mijn leven waarop ik weinig succes heb. Ik doe dingen niet, uit angst voor afwijzing door anderen. Uit angst voor de schaamte. En dáár wil ik nou graag van af. F*ck wat een ander vindt van wat ik doe en hoe ik me gedraag.

Ik weet met al mijn rationele vermogens, dat je alleen gekwetst kunt worden wanneer je een beeld van jezelf hebt dat je aan de buitenwereld wilt laten zien. En dat je paradoxalerwijze juist in je totale naaktheid, wanneer je je op je allerkwetsbaarst toont, volkomen onkwetsbaar bent.

(wordt misschien nog vervolgd)

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, identiteit, twijfel | 2 reacties

Verlangen naar zin (2)

Als ik met een buurvrouw/vriendin praat over het besef van zinloosheid, en tegen haar zeg dat ik momenteel niet goed weet hoe daarmee om te gaan, zegt ze dat zij zich op dergelijke momenten focust op haar kinderen – haar doel is dat het met hen goed gaat. Ik kan me dat wel voorstellen, al zie ik dat zij daarmee een truc toepast die in wezen ook weer niet zóveel anders is dan mijn truc van mooie hardloopplannen maken.

Ik lees in Volkskrant Magazine (18.02.17) een artikel van Maartje Luif waarin ze schrijft over de consequenties van haar kinderloosheid. Zij beschrijft hoe vroegere gesprekken met een goede vriend haar raakten. Die vriend had de overtuiging dat zich níet voortplanten het meest zinloze was dat hij kon doen. Inmiddels is ze twaalf jaar verder en weet ze dat ze geen kinderen zal krijgen. De gesprekken met die vriend zingen nog steeds rond in haar hoofd, schrijft ze. “Want als hij gelijk heeft, dan is mijn kinderloze leven zinloos. En als hij ongelijk heeft, is de vraag wat dan wél de zin van het leven is aan de orde. In beide gevallen is de zin van het leven ver uit het zicht verdwenen.”

Ook ik heb geen kinderen. Zou ik mijn leven als zinvoller ervaren als ik ze wel had? Misschien. De voortplantingsdrift van de mensheid in z’n geheel lijkt me een natuurlijk gegeven, maar heeft daarmee het leven door kinderen te krijgen automatisch zin? En krijgt het leven van die kinderen dan ook weer (pas) zin door zich op hun beurt voort te planten? Wat ik me wél heel goed kan voorstellen, is dat je rol als ouder een plezierig duidelijke is, en dat je een zekere vervulling vindt in de zorg voor je kinderen. Gaat het dan toch weer over identiteit? De behoefte aan duidelijkheid over wie je bent en wat je rol is in dit leven?

Op een rol als moeder kan ik niet terugvallen. Wel ben ik dochter, dochter van een moeder die sinds een paar maanden weduwe is en sinds een paar dagen in het bezit van de diagnose dementie. Wij kinderen proberen zo goed en zo kwaad als het gaat voor haar te zorgen, maar we wonen geen van allen om de hoek. Het is lastig om te zien dat ze zich eenzaam voelt en hoe het haar, beetje bij beetje, meer moeite gaat kosten om voor zichzelf te zorgen. Moet ik niet gewoon bij haar intrekken en de zorg op me nemen? De vraag komt zo nu en dan voorbij. Geen goed idee, weet ik – niemand weet mijn irritatiezenuw zo perfect te vinden als die moeder van me. Áls ik het zou doen (wat dus niet het geval is), zou ik het niet alleen uit zorg om en voor haar doen, maar ook weer voor een deel uit behoefte aan een duidelijke rol voor mezelf. Dan hoef ik er weer een poosje niet over na te denken wat ik eigenlijk wil neerzetten in de wereld. Ook daarom: geen goed idee.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in identiteit, twijfel | 3 reacties