Uitlaten

Van dat dansen word ik hartstikke blij. Bijna elke keer ben ik na afloop nog zeker een uur in mezelf aan het verzuchten hoe lekker het wel niet was. Maar goed, laat ik eerlijk zijn: van die trainingen op de atletiekbaan in Haarlem werd ik óók hartstikke blij. Daarvan zat ik ook vier van de vijf keer op de fiets terug naar huis en later onder de douche te oh-en-ah-wat-was-het-lekker’en. Na een goede Middenduintraining idem dito. Er zijn verschillen, uiteraard, maar daar hoef ik nu niet op in te gaan. Een overeenkomst is het bewegen, moe worden, zweten, losgaan, me uitleven, de lol daarvan. Even nergens aan denken, gewoon maar doen. Het lijkt, bedacht ik, alsof ik een adhd-jacolientje in me heb dat het heerlijk vindt om met enige regelmaat uitgelaten te worden.

Ik loop weinig hard, maar wandel wel redelijk veel. Of in ieder geval: vaak. En soms ben ik zo vol van enthousiasme dat ik wil dansen, terwijl ik wandel. Ik laat m’n armen zo nu en dan even hun gang gaan, omdat ik het niet laten kan. En een keer ben ik een heuvel op gelopen om, een beetje verscholen achter de bomen, zomaar wat te gaan dansen. Maar hoewel ik vrij zeker wist dat niemand me zou zien, voelde ik me erg bekeken en stopte ik al weer snel. Toch een beetje gek, zo in je eentje in het bos gaan staan dansen.

Behalve dat drukkige jacolientje heb ik ogenschijnlijk ook een soort intellectueel j’tje in me. En dat is er eentje die vaak botst met het faalangstige j’tje, dat óók al om een plekje op de eerste rij vraagt. En ik weet steeds niet zo goed of (en waarom dan) ik die intellectuele kant nou per se moet neerzetten in de wereld, of ik er nou per se iets mee moet doen of zo. Ik kom uit een lekker calvinistisch nest, en volgens mij is het wel een bijbelse notie dat je de talenten die je hebt gekregen ook moet benutten. En inderdaad, het voelt vaak als een verspilling. Als ik nou toevallig dat vermogen heb gekregen, is het dan niet zonde dat ik er zo weinig mee doe?

Alleen: dat idee van móeten, van verspilling, van zonde, spreekt me niet erg aan. Het botst nogal met mijn relativerende aard. En ook met de spreuk van Shakespeare die hier al sinds jaar en dag mijn blog inleidt. Feitelijk het enige wat er hier echt toe doet overigens, die spreuk, wat mij betreft.

Tot mijn vreugde verruilde ik dit jaar het penningmeesterschap bij een (heel tof) bestuur, voor het medewerkerschap bij een (heel tof) tijdschrift. Ik mag daar de boekenrubriek coördineren, en schreef afgelopen week mijn eerste eigen recensie voor die rubriek. Ook daar werd ik blij van. Misschien wat minder uitgelaten blij dan van het sporten en dansen, maar toch: best blij. Terwijl nog niemand anders het gelezen heeft, dus om de bevestiging van de ander gaat het me hier, denk ik, niet per se (hoewel ijdele jacolientje me ook verre van vreemd is, hoor!).

En opeens bedacht ik: o ja, het hoeft misschien niet, maar dat intellectuele jacolientje wil óók, net als het drukke j’tje, gewoon worden uitgelaten, zo nu dan.

Geplaatst in identiteit, persoonlijk | 5 reacties

Controle. Teugels. Dans.

Men moet nog chaos in zich hebben om een dansende ster te kunnen baren.
(Nietzsche)

Het is misschien wel de chaos waar ik bang voor ben. Ik schreef hier al wel eens stukjes over discipline en mijn behoefte daaraan. Van een beetje discipline is nog nooit iemand slechter geworden, placht ik te zeggen. Hardlopen beantwoordde voor mij bij uitstek aan die behoefte aan discipline. Die vier trainingen per week bepaalden voor een belangrijk deel mijn weekritme. Soms moest ik me mijn bed uitschoppen om naar buiten te gaan, maar meestal had ik wel een doel voor ogen waardoor dat toch weer lukte. Ik vertelde mezelf dat ik dit écht leuk vond, ook als ik het even niet zo leuk vond. En natuurlijk vónd ik het ook leuk – lopen is heerlijk, en vooral de lange loopjes in de bergen behoren tot de mooiste ervaringen in mijn leven tot nu toe.

Steeds weer plannen maken voor een nieuw loopje, ergens, langer of korter, binnen of buiten Nederland. Ik realiseerde me wel dat dat in mijn geval een vlucht was, op z’n minst ten dele. Een vlucht uit de vage onvrede die ik vaak voel. Een gezonde vlucht, dat wel. Ik ken ook andere vormen van vluchten (snoepen, drinken, internet), maar anders dan die andere vormen, geeft lopen eigenlijk altijd een goed gevoel, ook achteraf.

Discipline is een manier waarop je de suggestie van controle over je leven in stand kunt houden. Ik kom er steeds meer achter hoe bang ik ben de controle los te laten, terwijl ik tegelijk kan voelen dat ik mezelf juist met die overmaat aan controle klein houd. Er brandt een vuur in me, maar ik vind het ingewikkeld om dat vuur de ruimte te geven. Er zo aan gewend om de teugels in handen te houden, ze soms misschien wat te laten vieren, maar nooit te veel, alles met mate en beheerst. Een relatie met iemand die zijn chaos wat minder onder controle hield/minder onderdrukte (doorhalen wat niet van toepassing is), leerde me al eerder hoe ik én de aantrekkingskracht daarvan kon voelen, én tegelijk doodsbang was voor de heftigheid die deze chaos met zich meebracht. De heftigheid bij die ander, maar natuurlijk indirect vooral voor de heftigheid die ook ik in me heb en die wakker geroepen werd door die ander.

Het is niet zo dat ik bewust besloten heb om te stoppen met de discipline van het lopen. Het is iets wat vanzelf gebeurde, en wat kennelijk past bij hoe de dingen in mijn leven nu gaan. Het lopen was te veel een moeten geworden, te veel iets waaraan ik me vastklampte. Als ik het lopen niet meer heb, wat dán? Nou, dan niks. Het leven gaat gewoon door. Ik merk hoe ik wil zeggen: “ik ben eigenlijk ook een hardloper hoor,” als ik andere hardlopers tegenkom terwijl ik aan het wandelen of fietsen ben; soms loop ik ’s morgens weer ‘gewoon’ een kort rondje, soms geniet ik daarvan, soms niet.

En ik ben gaan dansen. Dat wil ik eigenlijk mijn hele leven al, maar ik heb er nooit serieus een manier voor gezocht en gevonden om die wens tot leven te brengen. Nu doe ik dat wel. Ik kan daar iets in kwijt van het vuur dat ik voel, de chaos die ik onder alle beheersing toch in me heb. En het is een prachtige manier om te oefenen mijn eigen dans in dit leven te dansen, wat een ander daar ook van vindt.

Geplaatst in hardlopen, identiteit, persoonlijk | 10 reacties

Stijgende lijn, dalende lijn, loslaten

Het jaar begon zo goed. Qua lopen dan. Het befaamde nieuwjaarsloopje liep ik weliswaar maar voor de helft, maar dat was een bewuste keuze, waar ik zelfs achteraf maar nauwelijks spijt van had. In februari volgde een weekendje Sy, waar ik vanuit de good old Tukhut op zaterdag met Mart de marathonafstand weer eens aantikte, en op zondag nog een korter rondje vrij lekker hobbelde. Later die maand, en een maand daarna, liep ik beide Sjraveles in Zuid Limburg. Alleen al uit sociaal oogpunt was het de hoogste tijd dat ik me weer eens vertoonde bij een loopje van Willem en Annemarie, maar ook vond ik dat wel weer eens gewoon vijftig kilometer mocht lopen. En dat lukte. De eerste keer ging het zowaar wel dertig kilometer lang vrij aardig, en de tweede keer wel veertig. Dat ging de goede kant op.

Tijdens het weekend in Sy vertelde Mart dat ze eind april in de Vogezen zou gaan lopen, de Trail du Grand Ballon. Ze zal er met hun nieuwe vw-bus naartoe gaan en heeft nog ruimte. Ach wel ja joh. Maar dan wil ik wel de langste afstand lopen, zeventig kilometer, anders vind ik de reis-/looptijd niet echt in verhouding. Ik train werkelijk pruts voor zo’n loop, maar als ik nou in Castricum nog even de zestig ga doen, drie weken voor de Vogezenloop, dan zou de duur wel zo’n beetje in m’n benen moeten zitten. En aan hoogtemeters op zich ook geen gebrek in m’n nieuwe achtertuin, alleen loop ik er elke keer maar zo’n miserabel klein stukje…. Castricum wordt een soort ode aan de vriendschap. Ik loop met Hannah en Lisenka. Van hen heeft Hannah die dag topbenen (de voorbode voor een uiterst sterk gelopen Helipad, in hetzelfde weekend als dat waarin ik in de Vogezen ben), terwijl Lisenka (normaal sterker dan ik) die dag eens wat mindere benen heeft. We lopen het grootste deel samen, soms wat verder uit elkaar, maar houden elkaar min of meer in het zicht en finishen gezamenlijk. Voor mij geldt dat ik tussen de pakweg dertig en de vijftig kilometer volkomen stukzit, maar na een bezoek aan de dixie bij de post op vijftig zowaar opleef en de laatste twaalf kilometer vrij aardig weet te doorstaan. O ja, want de zestig is ruim 62, dat spreekt voor zich. Ik ben behoorlijk tevreden. Tot ik een paar dagen later maar eens opzoek hoe lang ik er eigenlijk de vorige keer over gedaan heb, alweer een paar jaar geleden (toen deels met trainer Henny samen). Shit, ik was toen wel drie kwartier sneller! Weliswaar twee kilometer korter, maar zelfs ik loop geen drie kwartier over twee kilometers. Getverderrie, wat is er toch met m’n snelheid gebeurd?

In de Vogezen had ik het oude gevoel weer te pakken. Weliswaar zint het gebrek aan snelheid me niet (opvallend is dat het me telkens tijdens het lopen geen moer interesseert, maar dat ik achteraf toch steeds een lichte – of minder lichte – onvrede voel over het resultaat), maar ik merk weer hoe fijn ik het afzien vind. Hoe vreselijk levend ik me kan voelen als de omstandigheden iets zwaarder zijn. Mooie sport is het.

Op de zondag na Hemelvaart staat de Ohmtrail op het programma. Eindelijk weer eens met Jos en John op pad. Maar dat weekend ben ik flink aan het klussen aan m’n boshuisje, het is razend gezellig met m’n familie (ook een soort van vriendschap), de voorspellingen beloven een temperatuur van boven de dertig graden; ik moet me losrukken, en waarvóór precies? Roteind rijden, lopen in de hitte. De nadelen wegen zwaarder dan de voordelen van het gezelschap, dat ik óók alweer veel te lang niet heb gezien. En de verf is nog niet op, en wat zou het mooi zijn als we op zondag nog zo ver mogelijk met de lange zijkant kunnen komen. Bijkomend voordeel is een onvoorzien avondje doorzakken met mijn zus. Ik hou best van discipline, maar hoe heerlijk is het niet om zo nu en dan de teugels te laten vieren.

Voor het weekend erna Edwin eindelijk maar weer eens gepolst wat zijn plannen zijn. Mooi, hij wil een kilometer of dertig op de vroege zondagmorgen en ik kan meelopen. Dertig is wat verder dan ik in gedachten heb, maar als ik afgelopen weekend vijftig van plan was, dan moet dertig nu toch ook kunnen. Al gaan de korte trainingen tussendoor belabberd, en heb ik benen van niks. Ik kan altijd nog eerder afhaken. Gelukkig laat bij Edwin, zoals hijzelf zegt, de kracht nog wat te wensen over, en wandelt hij gewoon vrolijk de hellingen op. Kijk, daar kan ik nog wat van leren. Ik wandel ook weleens omhoog, maar dat voelt bij mij steevast als falen. Als ik wandel, betekent dat dat hardlopen niet lukt. Nu ik met Edwin loop, kan ik me er moeiteloos aan overgeven. Heerlijk. Op deze manier loop ik de ruim 29 vrij makkelijk met hem mee. Edwin weet duidelijk de betere paadjes te vinden, maar zelfs al ontkomen we niet aan de Tunnekesweg (echt een rotpad, vind ik altijd, want lang en recht, en mul nog bovendien), ook daar krijg ik geen motivatieproblemen deze keer. Gezelschap helpt. Edwin concludeert dat ik (weer eens) voor niets heb lopen miepen over slechte benen en oh en ah en ach en wee. Zelf concludeer ik dat dit dan misschien het ei van Columbus is: ik moet gewoon nóg langzamer lopen dan ik altijd al doe. Deze conclusie houdt stand tijdens de nazit in Velp, tijdens het fietstochtje naar huis, tijdens de lunch, maar ’s middags stort ik alsnog, rustig tempo of niet, volkomen in. Wat dat toch is, dat ik na een duurloop steevast de rest van de dag geen knip voor de neus waard ben?

IMG_0543

Dinsdag en donderdag volgen nog gewone ochtendrondjes vanuit huis. Dinsdag niks aan de hand, maar donderdag ben ik de rest van de dag bijna ziek van vermoeidheid. En dat na tien kilometer lopen! Gek word ik ervan. Misschien heb ik iets onder de leden, misschien zijn het de naweeën van een stressvol verhuisjaar, misschien… weet ik veel. Ik kap ermee, vind er niks aan op deze manier. Kan de drive niet vinden, zelfs niet om naar de bergen te gaan van de zomer, de energie gaat een andere kant op dan die van het hardlopen, zo lijkt het.

Ik laat het even los. Loop nu al anderhalve week helemaal niet, en ik wacht tot de loopdrang vanzelf weer in me opkomt. Lopen is al best lang een houvast in m’n leven. Ik vind het eng om dat houvast los te laten – wat komt ervoor in de plaats? Kómt er wel iets voor in de plaats? Die angst om los te laten, zorgt voor een zekere verbetenheid. Verwar ik verbetenheid misschien met gedrevenheid? Misschien is het juist wel een goed teken dat ik het los kan laten. Betekent dat dat het eigenlijk best goed met me gaat, dat ik het lopen daar (op dit moment) niet per se voor nodig heb. Toch maakt het me onzeker. Vrienden verzekeren me dat ik zulke periodes vaker heb gehad, en dat er altijd weer een punt kwam waarop ik toch weer in beweging kwam. Oké, toch weer een soort van houvast. Maar ik zie wel welke kant het op beweegt. Alles is goed. Hoe dan ook.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 7 reacties

Valsspelen

Weer loop ik op zo’n hoogvlakte, en weer is de wind snijdend koud. Ik heb het hoogteprofiel globaal in mijn hoofd. Weet dat we vijf min of meer serieuze klimmen voor onze kiezen moeten krijgen vandaag, waarvan de laatste eindigt bij de finish. Ik heb ze niet geteld, maar neem aan dat dit nummer vier is, waarop ik loop te vechten. Ik val helemaal stil, er zit nauwelijks meer beweging in mijn benen, ik kom niet vooruit, lijkt het. Is het vermoeidheid? De kou? Opeens bedenk ik dat dit misschien zo’n moment is om een wonderkauwgum te pakken – een poos geleden heb ik van Ellen een pakje kauwgums met een flinke shot cafeïne gekregen, daarvan heb ik er ook vandaag eentje grijpklaar in een vakje zitten. Voor in geval van nood. Twee of drie keer eerder tijdens een loopje pakte ik er een op een moment waarop ik erdoorheen zat, dat leek vrij aardig te werken. Of de kauwgum volgens de WADA door de beugel kan, is maar de vraag, maar ach, winnen doe ik toch niet. Een beetje als valsspelen voelt het wel.

De vraag is waarom ik het eigenlijk doe, want ik ga er helemaal van uit dat ik bij de volgende post uit de race zal worden gehaald. Vanaf de eerste post (tevens cut-off) loop ik al tegen de limiet aan, en ik bouw geen greintje reserve op tijdens het vervolg van de race. Over de etappe van 11km waar ik nu in zit (tussen 41 en 52km, grofweg), mag ik 2 uur doen. 5,5km/u dus, wat ongeveer gelijk is aan (nee, iets sneller is dan) de gemiddelde snelheid die je over de hele race gerekend moet hebben, om binnen de limiet van 13 uur te finishen. Klinkt redelijk, maar niet als je weet dat voor de laatste twee etappes dan een snelheid van gemiddeld 4,5km/u genoeg is om op tijd de finish te halen. Zoals ook bij de Dolomiti di Brenta bleek, houden organisatoren kennelijk rekening met lopers die erger instorten op het laatst dan ik (meestal) doe. Daardoor zijn de tussentijdse limieten soms een stuk strakker dan de eindlimiet. Snap ik wel, maar mij levert het onderweg wel onnodige stress op. Dat wou ik maar even gezegd hebben.

Waar ben ik? Nou, in de Vogezen. En het is winter. En daar heb ik onvoldoende rekening mee gehouden, net als met het bergkarakter van de Vogezen. Hoogste punt van de wedstrijd twaalfhonderd-nog-wat meter? Pff, waar hébben we het over? Ik zie mezelf nog voor me, bij de la waar ik m’n regenbroek (dat wel) en een paar waterdichte foedraals uit pak. Even heb ik mijn handschoenen in mijn handen, maar nee joh, het is al bijna zomer. Met het warme paasweekend in gedachten (hoewel in het Groningse landschap toen ook rijp op het gras lag tijdens mijn vroege ochtendloopje, en ik het behoorlijk koud had met m’n blote armen en benen, bedenk ik nu), kan ik me werkelijk niet voorstellen dat ik handschoenen nodig zal hebben. Aan een dikke slaapzak dénk ik niet eens. Het is maar goed dat ik met Ellen en Mart op stap ben. En met de bus van Mart, waarin niet alleen zomaar een kussen voor mij ligt, maar ook een extra donzen slaapzak, die ervoor zorgt dat ik het de eerste nacht in m’n tentje nog net behaaglijk heb. Bijna behaaglijk dan.

De start van de Trail du Grand Ballon 70km is om 6 uur. Mart gaat voor de 48km en start een uurtje later. Start en finish zijn hoog. En hoog betekent koud. Toen we ons startnummer haalden op vrijdag, zagen we her en der nog plukken sneeuw liggen. Die smelt hier niet zomaar weg. Het waait en het miezert. Ik heb zoveel mogelijk kleren aangetrokken, ook het thermoshirt dat ik eigenlijk in m’n rugzak zou meenemen voor als ik door wat voor oorzaak dan ook uit zou vallen. We stijgen nog een klein stukje, en dan volgt een lange afdaling. Zodra we de beschutting van het bos inlopen, is de temperatuur prima te doen en vraag ik me af of ik niet veel te veel kleren aan heb. Ik voel me belabberd. Heb veel te veel gegeten bij het ontbijt, en heb last van m’n darmen. Nu al. De Antwerpse buurjongen van de camping vindt het kennelijk gezellig om dit eerste stuk met mij op te lopen, en dat vind ik op zichzelf prima, ware het niet dat hij daarbij ook steeds wil praten. Dat betekent dat ik antwoord moet geven, maar daarvoor moet ik hem telkens eerst vragen te herhalen wat hij zei, want ik versta hem slecht. Vermoeiend. Ik moet de bosjes in en wens hem succes.

Beneden aangekomen heb ik het bloedheet, en allerlei mensen staan er even stil om wat dingen te reorganiseren. De buurjongen is me inmiddels voorbijgekomen met blote armen – dat ziet er aanlokkelijk uit. Ook ik stop om kleren uit te trekken. Aanvankelijk alleen m’n regenjas, maar joh, weet je wat? Ik trek ook m’n thermoshirt onder de rest uit. Als ik daar zo sta met m’n blote armen, vind ik dat toch wel wat fris, dus ga ik op zoek naar de armstukken. Het kost allemaal wat tijd, maar alles voor een aangename loop. Ik kom er ook nog achter dat m’n ene flesje sportdrank beschadigd is bij een val uit m’n rugzak, en zo goed als leeg is – vandaar m’n natte kont. Ik drink de laatste slok, en loop meteen naar een container om het flesje weg te gooien. Ondertussen is iedereen allang weer op pad, en ik vertrek als laatste. Kilometerslang loop ik in m’n eentje, helemaal achteraan. (Denk ik – later blijkt dat er iemand achter me zit die fout gelopen is en 6km heeft omgelopen, maar daar merk ik uiteraard weinig van.) En met m’n darmen gaat het echt niet goed, dus ik moet ook nog tijd maken voor de bosjes. Ik weet niet hoor, maar gaat dit wel goed?

Gelukkig ontgaat het me niet dat de route erg mooi is. Al voel ik me niet top, ik kan toch wel genieten van waar ik loop, en van het simpele feit dát ik loop. Prima loopweertje ook. En omdat ik in dit stadium nog geen weet heb van de tussentijdse cut-offs, loop ik ook niet tegen de klok te strijden. Ik ga er maar van uit dat ik vanzelf weer wat mensen achterop zal lopen. En inderdaad, vlak voor de eerste verzorgingspost (17km) ben ik weer een paar lopers voorbijgegaan. Overigens halen ook de koplopers van de 48km me hier in. Wat een snelheid, die gasten! De volgende post is een waterpost. Niet interessant en ik loop door, kijk alleen even snel hoe het zit met de tijd. Net als bij de eerste post heb ik een kwartier speling, dus ik bouw niks extra’s op. Ik begin te denken dat de weersvoorspellingen er vreselijk naast gezeten hebben en een veel te somber beeld gegeven hebben. De wind maakt het koud op de hoogtes, maar verder is het perfect loopweer. Niet te warm, waar ik een bloedhekel aan heb, en droog. Maar helaas, om kwart over elf blijken de voorspellingen er toch ook weer niet zó ver naast te zitten, en begint het te regenen. En het blijft voorlopig regenen.

Ik kan me niet herinneren waar en wanneer ik stop om mijn regenjas aan te trekken, maar moet dat op enig moment gedaan hebben. Ik zit nu in een fase van de race waarbij ik regelmatig dezelfde mensen voorbijga of door hen word ingehaald. Sommige van die mensen hebben veel lol. Ik gun hun dat, maar zou willen dat ze daar wat minder lawaai bij zouden maken. Van een paar anderen zie ik aan de manier van lopen dat ze er weinig plezier meer in hebben. Toch lopen ze per saldo altijd nog sneller dan ik. Maar bij de volgende post stappen ze uit, dat heb ik dus goed gezien. Ik voel me inmiddels behoorlijk oncomfortabel – nat, koud. Moe waarschijnlijk ook. Maar ik doe bij de post wat ik moet doen, en vertrek weer. Maar hé, vlak achter de post staat een VW-bus met een kenteken dat me wel heel bekend voorkomt. Dat moeten Mart en Ellen zijn. Zitten ze in de bus? Net als ik me dat afvraag, hoor ik mijn naam achter me roepen. Mart. Zij voelde zich zo ziek dat ze na een paar kilometer al is uitgestapt, en ze komen nu mij supporteren. Wilden me tegemoet lopen, maar zijn daarbij verkeerd gelopen. Superlief, maar meteen breek ik. Moet huilen. Heel even. Toch best wel moe en koud, denk ik. Ze bieden me droge, en vooral ook warmere, kleren aan. Daar heb ik eigenlijk geen tijd voor, maar tegelijk weet ik dat ik gek ben als ik me nu niet verkleed. Ook al is het een beetje valsspelen, omdat ik zelf geen slimme keuzes heb gemaakt en nu gebruikmaak van anderen. Ik begin op straat m’n jas uit te trekken, waarschijnlijk weet ik intuïtief dat het niet té behaaglijk moet zijn, omdat ik dan misschien de handdoek in de ring gooi, maar snap ook wel dat het nu stom is om niet even lekker in de bus, uit de wind te gaan zitten bij het verkleden. Het kost moeite de droge kleren over mijn natte lijf aan te trekken, maar het lukt. Heerlijk. Maar nu moet ik gaan hoor!

Het volgende stuk is even een ellendig deel. Op zich geen lelijk pad, maar het loopt vlak boven de weg, de Route des Crêtes, waar regelmatig een auto langsrijdt. Ook maak ik hier een smak. De tweede pas vandaag, maar deze keer wel met een kapotte knie en een kapotte broek tot gevolg. Natuurlijk heb ik m’n favoriete tight aan, dus balen, maar ik ben allang blij dat m’n stokken nog heel zijn. Ergens verlaten we dat pad langs de weg. En bij een meer, verderop, steken we de weg over. Er komt net een auto aan – de chauffeur laat mij voorgaan. Een gefinishte loper, hij wenst me succes. Drie stappen verder: weer tranen. Heel even. Een vriendelijk woord, meer is daar niet voor nodig.

Regen gaat over in hagel, hagel in sneeuw. Ik stijg en het pad gaat weer zo’n hoogvlakte over. Een soort alpenwei, maar hier steken daar geen hoge toppen bovenuit, dit ís het. En het voelt verdomd alpien, moet ik zeggen. Zeker onder deze omstandigheden. Ik val stil, mijn benen willen niet meer. Ik weet dat de tijd voor deze etappe krap is voor me, zeker nu ik bij de vorige post ook nog tijd ‘verloren’ heb door me om te kleden. Waarschijnlijk zal ik bij de volgende post uit de race gehaald worden en al is dat niet bepaald wat ik me er van tevoren bij heb voorgesteld, en al weet ik dat ik het als een afgang zal ervaren, echt rouwig kan ik er niet om zijn. Zélf beslissen om uit te stappen, zal ik niet doen, maar als ik de limieten niet haal, tja, dan is het overmacht. Goed excuus wel.

Toch neem ik zo’n kauwgum. Kennelijk heb ik me er nog niet helemaal bij neergelegd. Of ik heb zo’n behoefte aan een oppepper, dat ik het niet laten kan. Het sneeuwt nu gestaag, dikke vlokken. Ik moet huilen en lachen tegelijk. Het huilen zal er wel iets mee te maken hebben dat ik leeg ben, en verkleumd. Maar ik moet ook lachen, omdat ik godbetert eind april ergens buiten in de sneeuw loop te lopen. Hoe levend kun je je voelen! Ik zit er best wel doorheen, maar tegelijk is dit het allermooiste wat er is. Bij de post word ik opgevangen door Ellen en Mart. Ik ben op tijd, en moet dus door. Shit. Maar eerst warme bouillon. En chips. Zalig. Mart assisteert bij het pakken van mijn beker uit de rugzak en vraagt wat ik wil – ideaal. Altijd van gedroomd, dat soort hulp bij verzorgingsposten. Bij nader inzien, valsspelen of niet, toch ook nog proberen of ik de handschoenen van Ellen pas, want die stokken zijn best koud aan de handen. Ook dat lukt. Nu staat niets mijn finish nog in de weg.

ef3f4409-b912-44a8-827b-b28293f4ff25De volgende etappe loopt naar beneden. Ik kom nu weer wat meer mensen tegen, en hèhè, een vrouw! Die heb ik sinds die eerste afdaling vanmorgen niet meer gezien. Ik dribbel naar beneden, zij wandelt. Dat maakt dat ik uiteindelijk niet als laatste, maar als een-na-laatste vrouw finish. En als bijna-laatste deelnemer überhaupt, maar dat terzijde. Dankzij mijn dribbel heb ik bij de volgende post opeens drie kwartier speling opgebouwd. Dat bedoel ik dus. Vanaf daar gaat het weer omhoog, en dat gaat iets minder makkelijk. Omhoog betekent ook dat de regen weer overgaat in eerst hagel, daarna sneeuw. Al heb ik onderweg meermalen bedacht dat ik elk gevoel van competitie los moest laten, toch probeer ik, totaal misplaatst, mijn vriendelijke achtervolger voor te blijven. Jammer, want ik kom er pas de volgende dag, dankzij de uitslagen, achter dat ik hem had moeten herkennen – ik heb na ons beider mislukte Echappée Belle nota bene nog met hem zitten ontbijten (sorry Hans, mocht je dit lezen – ik had het leuk gevonden je te spreken, maar ik heb je simpelweg niet herkend, te veel met mijn eigen sores bezig vermoedelijk). Het laatste trapje omhoog naar de finish móet ik hardlopend nemen. Iets van triomf voel ik wel en wil ik ook laten zien. Nou ja, blijdschap toch in elk geval. Ellen en Mart wachten me op en nemen foto’s. Zij hebben het kouder dan ik. Dank, dank, dank voor jullie support meiden!

Mijn god, wat een mooie loop en wat een schitterende dag. Maar wat moest ik afzien.

304c5bd9-24f6-4d16-beac-e0dd78e6d697

Geplaatst in bergen, hardlopen, kamperen | 11 reacties

Verzet en vertrouwen

Toen mijn vader overleed, toonde mijn moeder al een poosje tekenen van dementie. We keken er niet van op – mijn oma had het ook, en mijn moeder lijkt nogal op haar moeder. Ellendig is het wel.

Mijn moeder is geen gemakkelijke vrouw, al denkt ze daar zelf anders over. Nooit geweest, vind ik met terugwerkende kracht. Haar ziekte versterkt dat. Het is vaak lastig om nog de lieve moeder te zien die ze óók was, een hartelijke vrouw met belangstelling en zorg voor anderen.

Een van de eerste signalen van haar ziekte was haar angst voor veranderingen. De reizen die mijn vader nog steeds graag wilde maken, kwamen er niet meer van. Zelfs niet als ze naar bekend gebied zouden gaan. Mijn vader werd steeds zieker (hij had longemfyseem – wie wil er nog een sigaret?) en ze verzorgde hem (bijna) zonder te klagen, maar als bijvoorbeeld een bed in de woonkamer ter sprake kwam, zodat hij zich niet langer de trap hoefde op te slepen, verzette ze zich fel. Als dát gebeurde, zou ze vertrekken. Met verbazing keek ik ernaar. Om wie ging het hier nu?

Ook nu het om de zorg voor haarzelf gaat, verzet ze zich. Niet altijd, soms accepteert ze, toont ze zich zelfs dankbaar, maar net zo vaak wijst ze hulp van de hand. Hulp van vreemden of van haar kinderen, daar zit nog wel wat verschil tussen. Een van de trekjes die ik niet zo leuk vind, is haar argwaan. Maak je borst maar nat, als je met de beste bedoelingen elke week haar huis wilt komen schoonmaken – in het beste geval accepteert ze je en drinkt ze gezellig een kop koffie met je, in het slechtste verdenkt ze je ervan dat je van alles achteroverdrukt, tot de krant aan toe. Dat het zo nu en dan een poosje goed gaat, biedt geen enkele garantie voor de week erop.

Langzaam maar zeker zorgt ze steeds minder voor zichzelf. Dat de groente ligt te verpieteren in de schuur, dat er steeds vaker een restje eten staat met een mooi laagje schimmel erop, daar raakten we al aan gewend. Maar opeens is de koelkast leeg als we komen, staat er zelfs geen karnemelk meer – normaal altijd ruim voorradig. Ik heb inzage in haar financiën, en inderdaad: er wordt tussendoor niet meer gepind. Zelf denkt ze dat ze nog steeds haar eigen boodschappen haalt. Een van de terugkerende mededelingen (best irritant, die eeuwige herhalingen) is dat ze nu gewoon naar de jumbo (vlakbij) gaat, en niet meer naar de ah (een stuk verder fietsen). Hoe reageer je daarop? De ene keer kan ik het niet laten haar te corrigeren (je dóet helemaal geen boodschappen meer), een andere keer kan ik het rustig laten gaan…

Het moment zit eraan te komen dat het niet langer gaat, zij in haar eentje thuis. Met mijn zus bezoek ik een verpleeghuis waarvan wij denken dat mijn moeder er goed terecht zou kunnen. Wat centraler gelegen voor ons vieren, en in de woonplaats van mijn oudste zus, zodat bezoekjes wat makkelijker te regelen zijn. Maar wat een stap zeg. Nu stapt mijn moeder nog regelmatig op de fiets, ‘even naar de Regge.’ Op een nieuwe plek zit dat er niet meer in. Niet alleen vanwege het risico op verdwalen, maar in zo’n verpleeghuis komt ze op een gesloten afdeling. Ach mama. Maar de vraag is hoe lang ze thuis nog op de fiets kan stappen. Een paar keer ís ze de weg al kwijtgeraakt. En wanneer wordt ze een gevaar – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen? Andere weggebruikers? De buren?

Om in een verpleeghuis te kunnen worden opgenomen, is een indicatie nodig. Daar moet zijzelf voor tekenen. Dat weigert ze natuurlijk. Donders goed in de gaten dat dat betekent dat ze haar huis uit zal moeten, ze is niet gek. In het besef dat we geen ijzer met handen kunnen breken, kijken we het nog maar even aan. Ik zoek op wat het alternatief is: haar met een rechterlijke machtiging uit het huis laten zetten. Geen vrolijkstemmend vooruitzicht. Hopen dat het zo ver niet zal komen.

Ze gaat verder achteruit. Heeft naast haar dementie veel pijn door een versleten heup. Soms is het verzet minder aanwezig. Mijn zus rijdt met haar langs het verpleeghuis waar we hebben gekeken. Eigenlijk is ze niet eens heel anti. Misschien is nu de tijd rijp? Het weekend erop ben ik bij haar. Ik heb een machtigingsformulier voor een WLZ-aanvraag bij me (wet langdurige zorg). Houd een vaag verhaal over een ander potje waaruit de zorg gefinancierd gaat worden, en verwijs naar het feit dat ze me ook gemachtigd heeft voor haar bankzaken. Niet onwaar, maar wat voel ik me een verrader. Trouwhartig zet ze haar handtekening. Opzet gelukt. Beter zo, maar het doet pijn. Wat doen we haar aan?

Door omstandigheden ben ik een paar dagen later weer bij haar. ’s Morgens vroeg vraag ik haar hoe het gaat. Ach, ze weet het niet goed. Zo zonder papa, ze heeft vervelende gedachten. Ze grijpt naar haar hoofd. Weet maar al te goed dat het niet meer zo functioneert als het deed. Ach mama.

Geplaatst in persoonlijk | 8 reacties

Op en neer

Ik word wreed gewekt door de wekker. Zondag duurloopdag. Ik hoef niet heel ver vandaag, dat is het probleem niet. Zelfs de regen die ik hoor stromen, is het probleem niet. Maar ik ben moe en wil blijven liggen. Een kwartier lang gaat het in mijn hoofd heen en weer tussen ‘ik mag best nog een uurtje blijven liggen, lopen kan straks ook nog’ en ‘kom op jac, je bent al veel later dan je van plan was en als je er nu uitgaat, heb je na het lopen ook nog iets aan je dag.’ Oké, oké, toe maar dan. Wat een hobby. Gelukkig heb ik altijd Léonie om op dit soort momenten op terug te grijpen. Zij loopt momenteel op sommige werkdagen voor het ontbijt al een marathon, en komt aan 200km per week. Kom ik aan met m’n weekomvang van 50km (mét enige moeite). Niet zeuren dus.

De iets minder korte duurloopjes (minder kort dan doordeweeks, bedoel ik) in m’n eentje zijn de laatste weken geen onverdeeld genoegen. Ik heb van tevoren weinig concrete plannen, hooguit een afstand of tijd die ik ongeveer wil lopen, en een richting die ik uit wil gaan. Ben verder wat aan het zwerven, de omgeving wat aan het verkennen en kom steeds uit op een mix van bekend en onbekend. Steeds meer bekend. Het is niet zo dat het niet mooi is, maar heel vaak zitten er toch wat van die rechte, saaie paden bij. En natuurlijk heeft het er meer mee te maken dat het lopen gewoon niet zo superlekker gaat, waardoor ik me tijdens zo’n duurloop soms tamelijk ongelukkig kan voelen, maar in mijn hoofd hebben het rotgevoel door het lopen en de omgeving zich aan elkaar gekoppeld. Iets met verbindingen tussen neuronen of zo. En dat terwijl ik met mijn korte rondjes vlakbij huis eigenlijk nogal tevreden ben. Niet dat die loopjes altijd wél lekker gaan, maar dan nog duren ze in elk geval niet heel lang. En de omgeving hier vlakbij is zo mooi als ik me maar kan wensen.

Voor vandaag heb ik een oplossing bedacht. Ik ga gewoon mijn allerfavorietste korte rondje twee keer doen. Er zitten lekker veel hoogtemeters in dat rondje, en ik heb voor de grap al weleens tegen vrienden gezegd dat ik bij wijze van lange duurloop eigenlijk dat rondje een aantal keer achter elkaar zou moeten lopen. Gekkigheid natuurlijk, maar vandaag hoef ik dus maar kort, en probeer ik het gewoon een keer uit. Blijf ik lekker dichtbij huis, lekker vertrouwd.

De regen is gestopt, en terwijl ik ontbijt, begint de zon zelfs te schijnen. Het moet niet gekker worden. Ik ervaar enige onrust, had allang buiten moeten zijn. Het lekkere van hier wonen, is dat ik niet eerst op de fiets naar de duinen hoef om in een mooie omgeving te kunnen lopen. Het is de straat uit, en dan kan ik direct via een onverhard pad langs wat volkstuintjes, en even later aan de andere kant van de weg ga ik het bos in.  In dit eerste stuk zie ik regelmatig wild. Vorige week nog drie joekels van donkergrijze zwijnen met een hele sleep lichtbeige kleintjes. En eerder deze week bleef ik stilstaan om te kijken naar twee herten die waren opgeschrikt door mijn aanwezigheid en iets verderop tussen de bomen waren blijven staan. Terwijl ik daar al even stond, kwam er opeens vlak voor me een wild zwijn overeind. Oeps, die had ik niet gezien, even opletten wat ie doet. Gelukkig, hij kiest het hazenpad. Vandaag ben ik natuurlijk te laat voor wild, maar gelukkig zijn er altijd nog de vogels met hun blije gezang. En de zon schijnt – al vond ik de regen van de week niet erg, dit onverwacht mooie weer opeens ervaar ik wel degelijk als een cadeautje.

Er zitten een paar venijnige hellingen in het rondje, zeker nu ik het tegenwoordig uitbreid met een slinger over de Posbank. Ik vind het lekker, merk ik, dat ik precies weet wat er nog komen gaat. Op het stukje buiten het hek is het druk met hondenuitlaters. Bijna iedereen hier heeft een hond, lijkt het wel. Ik ben geen liefhebber van honden, maar ik merk dat ik me er vanzelf iets anders tegenover ga verhouden. Ik moet wel, anders blijf ik steeds in verzet tegen iets wat er nu eenmaal is. Zonde van m’n energie. Al had ik nog steeds liever dat ze er niet waren. Maar los van de hondenbezitters, op dit ene stukje, is het nog rustig in het bos. Op de heide kom ik een andere hardloper tegen. Ik ben aan het ploeteren naar boven, het lopen gaat niet makkelijk, maar ik vind het geen straf.

Ook in het tweede rondje niet. Inmiddels is de lucht betrokken, en valt er zo nu en dan een buitje, afgewisseld met felle opklaringen. Heerlijk weer. Een buizerd vliegt voor me op en gaat vlakbij op een tak zitten. Blijft een machtig gezicht, al ben ik, sinds ik verhalen hoorde over agressieve buizerds, een beetje op mijn hoede voor ze. Vlak daarna een eekhoorntje dat het pad oversteekt. Ah, schattig. Prima, te laat voor groot wild, maar genoeg te zien. Een stuk verderop echter toch nog een hert. Oké joh, ik was toch al blij, maar jij mag er ook nog bij.

Nog een keer de bekende paden. Op de Posbank gaat het nog wat moeizamer dan in het eerste rondje. Maar ik weet dat ik nog maar heel eventjes hoef vol te houden – aan het eind van het stuk over de heide kom ik bij Koepel de Kaap (dat vind ik nou elke keer zo’n leuke naam), en vanaf daar gaat het in grote lijnen naar beneden. Ik doe net of ik niet vreselijk aan het sjokken ben de hele tijd, en probeer me te gedragen als een echte hardloper. Naar beneden voelt het alsof dat redelijk lukt, zodra ik weer een stukje naar boven moet, komt de ploeteraar weer tevoorschijn. Het gemiddelde tempo blijkt achteraf laag. Het geeft niet, ik heb lekker gelopen. Mooie route ook. Prachtig gebied.

Geplaatst in hardlopen | 7 reacties

Pijn

IMG_0458

Het laatste stuk voor ik bij het Herikhuizerveld (zeg maar de Posbank) kom, is het zwaarste deel van dit rondje. Het pad gaat hier steil omhoog, en met de sneeuw van vorige week lukte het me niet hier te blijven hardlopen. Ook op andere momenten komt het voor dat mijn benen zo slecht zijn, dat ik niet anders dan wandelend omhoog kom. Vandaag blijf ik hardlopen. Nou ja, dribbelen dan. Ik denk terug aan Middenduin, waar ik regelmatig een intervaltraining afwerkte – op basis van de schema’s van eerst Henny, en later Laurens. Gefocust op mijn hartslag – die moest hoog genoeg zijn – en in mijn hoofd het rijtje minuten inspanning-rust repeterend – in de schema’s van Laurens soms geen sinecure, omdat elke logica aan dat rijtje leek te ontbreken. Kapot ging ik er, steevast kapot.

Vandaag zijn mijn benen dus goed genoeg om te blijven dribbelen, maar het is niet zo dat ik de spirit heb om een beetje meer tempo te maken, zo’n hellinkje op. Zoals ik ‘vroegah’ in Middenduin wél deed. Het lijkt erop dat ik daarvoor toch echt een schema nodig heb, en een trainer aan wie ik verantwoording moet afleggen – ook al zit dat laatste alleen in mijn hoofd. Ik ben bang voor de pijn die sneller lopen doet. Ik ben al maanden bezig ‘het lopen weer op te pakken,’ en zolang dat zo is, mag ik van mezelf een beetje sloom voor me uit blijven lopen. Ik zoek de pijn niet op. Zoals gezegd: ik ben er een beetje bang voor. Zelfs tot de minuutjes versnellen tijdens de lange duurlopen kan ik me niet zetten, terwijl die nou ook weer niet zó vreselijk inspannend zijn. Tijdens het nieuwjaarsloopje met vrienden haak ik halverwege af, hoewel die eerste helft eigenlijk helemaal niet zo slecht gaat. Maar ik ben simpelweg te bang dat dat om zal slaan in de tweede helft, en dat het dan zwoegen wordt.

Het gekke is dat ik juist de mooiste herinneringen koester aan alles wat ik gedaan heb wat fysiek serieus zwaar voor me was, en in dat opzicht pijn deed. No pain, no gain. Nooit voel je je zo levend als wanneer je je inspant en het zwaar hebt. Vechten met jezelf en met de elementen. Oké, die pijn op zichzelf is misschien niet per se een genoegen, maar de beloning is vrijwel altijd groot. Ik kan zo verlangen naar juist dat diepgaan, dat gevoel van ten volle te leven. Hoe doen mensen dat die niet sporten, vraag ik me af. Zouden die dat gevoel ook kennen? Zeker, lekker ontspannen in de sauna of op het strand is ook heerlijk, maar dat kan toch nooit zo bevredigend zijn als knettermoe worden in de buitenlucht.

Een deel van mij verlangt niet alleen naar diepgaan in sportactiviteiten, maar ook naar een spartaans leven over all. Waar heb je al die luxe voor nodig? Het lijkt me zo bevredigend om het leven terug te brengen tot z’n pure eenvoud. Maar ondertussen heb ik toch weer een ‘echt’ en (voor mij) best groot huis gekocht, in plaats van me te vestigen in mijn boshuisje, douche ik me warm terwijl dat ook best koud kan, ben ik blij dat de cv het doet, en koop ik toch maar weer een andere auto, nu mijn vorige de geest gegeven heeft. Allemaal niet per se nodig, maar comfort en  gemak trekken dus óók, en kennelijk nog net wat harder dan het verlangen naar dat spartaanse. Hoe jammer ik dat ook kan vinden. Hoe teleurstellend ook een beetje, van mezelf. Slappe hap, zegt mijn strenge ik.

Het mag allemaal. De uitkomst is natuurlijk weer (saai!) dat het én én kan en mag, en niet óf óf hoeft te zijn. Het juiste midden van good old Aristoteles. Ik kan alleen maar hopen dat ik die meer spartaanse kant, de kant van de inspanning, de kant van de discipline, waarbij de beloning vaak pas achteraf komt, dat ik die kant nooit helemaal kwijtraak. En dat het niet lang meer zal duren voor ik de pijn tijdens de hardlooptrainingen weer durf op te zoeken. Voor ik van vadsigheid niet meer van de bank kan komen.

Geplaatst in hardlopen | 10 reacties