Verzet en vertrouwen

Toen mijn vader overleed, toonde mijn moeder al een poosje tekenen van dementie. We keken er niet van op – mijn oma had het ook, en mijn moeder lijkt nogal op haar moeder. Ellendig is het wel.

Mijn moeder is geen gemakkelijke vrouw, al denkt ze daar zelf anders over. Nooit geweest, vind ik met terugwerkende kracht. Haar ziekte versterkt dat. Het is vaak lastig om nog de lieve moeder te zien die ze óók was, een hartelijke vrouw met belangstelling en zorg voor anderen.

Een van de eerste signalen van haar ziekte was haar angst voor veranderingen. De reizen die mijn vader nog steeds graag wilde maken, kwamen er niet meer van. Zelfs niet als ze naar bekend gebied zouden gaan. Mijn vader werd steeds zieker (hij had longemfyseem – wie wil er nog een sigaret?) en ze verzorgde hem (bijna) zonder te klagen, maar als bijvoorbeeld een bed in de woonkamer ter sprake kwam, zodat hij zich niet langer de trap hoefde op te slepen, verzette ze zich fel. Als dát gebeurde, zou ze vertrekken. Met verbazing keek ik ernaar. Om wie ging het hier nu?

Ook nu het om de zorg voor haarzelf gaat, verzet ze zich. Niet altijd, soms accepteert ze, toont ze zich zelfs dankbaar, maar net zo vaak wijst ze hulp van de hand. Hulp van vreemden of van haar kinderen, daar zit nog wel wat verschil tussen. Een van de trekjes die ik niet zo leuk vind, is haar argwaan. Maak je borst maar nat, als je met de beste bedoelingen elke week haar huis wilt komen schoonmaken – in het beste geval accepteert ze je en drinkt ze gezellig een kop koffie met je, in het slechtste verdenkt ze je ervan dat je van alles achteroverdrukt, tot de krant aan toe. Dat het zo nu en dan een poosje goed gaat, biedt geen enkele garantie voor de week erop.

Langzaam maar zeker zorgt ze steeds minder voor zichzelf. Dat de groente ligt te verpieteren in de schuur, dat er steeds vaker een restje eten staat met een mooi laagje schimmel erop, daar raakten we al aan gewend. Maar opeens is de koelkast leeg als we komen, staat er zelfs geen karnemelk meer – normaal altijd ruim voorradig. Ik heb inzage in haar financiën, en inderdaad: er wordt tussendoor niet meer gepind. Zelf denkt ze dat ze nog steeds haar eigen boodschappen haalt. Een van de terugkerende mededelingen (best irritant, die eeuwige herhalingen) is dat ze nu gewoon naar de jumbo (vlakbij) gaat, en niet meer naar de ah (een stuk verder fietsen). Hoe reageer je daarop? De ene keer kan ik het niet laten haar te corrigeren (je dóet helemaal geen boodschappen meer), een andere keer kan ik het rustig laten gaan…

Het moment zit eraan te komen dat het niet langer gaat, zij in haar eentje thuis. Met mijn zus bezoek ik een verpleeghuis waarvan wij denken dat mijn moeder er goed terecht zou kunnen. Wat centraler gelegen voor ons vieren, en in de woonplaats van mijn oudste zus, zodat bezoekjes wat makkelijker te regelen zijn. Maar wat een stap zeg. Nu stapt mijn moeder nog regelmatig op de fiets, ‘even naar de Regge.’ Op een nieuwe plek zit dat er niet meer in. Niet alleen vanwege het risico op verdwalen, maar in zo’n verpleeghuis komt ze op een gesloten afdeling. Ach mama. Maar de vraag is hoe lang ze thuis nog op de fiets kan stappen. Een paar keer ís ze de weg al kwijtgeraakt. En wanneer wordt ze een gevaar – niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen? Andere weggebruikers? De buren?

Om in een verpleeghuis te kunnen worden opgenomen, is een indicatie nodig. Daar moet zijzelf voor tekenen. Dat weigert ze natuurlijk. Donders goed in de gaten dat dat betekent dat ze haar huis uit zal moeten, ze is niet gek. In het besef dat we geen ijzer met handen kunnen breken, kijken we het nog maar even aan. Ik zoek op wat het alternatief is: haar met een rechterlijke machtiging uit het huis laten zetten. Geen vrolijkstemmend vooruitzicht. Hopen dat het zo ver niet zal komen.

Ze gaat verder achteruit. Heeft naast haar dementie veel pijn door een versleten heup. Soms is het verzet minder aanwezig. Mijn zus rijdt met haar langs het verpleeghuis waar we hebben gekeken. Eigenlijk is ze niet eens heel anti. Misschien is nu de tijd rijp? Het weekend erop ben ik bij haar. Ik heb een machtigingsformulier voor een WLZ-aanvraag bij me (wet langdurige zorg). Houd een vaag verhaal over een ander potje waaruit de zorg gefinancierd gaat worden, en verwijs naar het feit dat ze me ook gemachtigd heeft voor haar bankzaken. Niet onwaar, maar wat voel ik me een verrader. Trouwhartig zet ze haar handtekening. Opzet gelukt. Beter zo, maar het doet pijn. Wat doen we haar aan?

Door omstandigheden ben ik een paar dagen later weer bij haar. ’s Morgens vroeg vraag ik haar hoe het gaat. Ach, ze weet het niet goed. Zo zonder papa, ze heeft vervelende gedachten. Ze grijpt naar haar hoofd. Weet maar al te goed dat het niet meer zo functioneert als het deed. Ach mama.

Advertenties
Geplaatst in persoonlijk | 8 reacties

Op en neer

Ik word wreed gewekt door de wekker. Zondag duurloopdag. Ik hoef niet heel ver vandaag, dat is het probleem niet. Zelfs de regen die ik hoor stromen, is het probleem niet. Maar ik ben moe en wil blijven liggen. Een kwartier lang gaat het in mijn hoofd heen en weer tussen ‘ik mag best nog een uurtje blijven liggen, lopen kan straks ook nog’ en ‘kom op jac, je bent al veel later dan je van plan was en als je er nu uitgaat, heb je na het lopen ook nog iets aan je dag.’ Oké, oké, toe maar dan. Wat een hobby. Gelukkig heb ik altijd Léonie om op dit soort momenten op terug te grijpen. Zij loopt momenteel op sommige werkdagen voor het ontbijt al een marathon, en komt aan 200km per week. Kom ik aan met m’n weekomvang van 50km (mét enige moeite). Niet zeuren dus.

De iets minder korte duurloopjes (minder kort dan doordeweeks, bedoel ik) in m’n eentje zijn de laatste weken geen onverdeeld genoegen. Ik heb van tevoren weinig concrete plannen, hooguit een afstand of tijd die ik ongeveer wil lopen, en een richting die ik uit wil gaan. Ben verder wat aan het zwerven, de omgeving wat aan het verkennen en kom steeds uit op een mix van bekend en onbekend. Steeds meer bekend. Het is niet zo dat het niet mooi is, maar heel vaak zitten er toch wat van die rechte, saaie paden bij. En natuurlijk heeft het er meer mee te maken dat het lopen gewoon niet zo superlekker gaat, waardoor ik me tijdens zo’n duurloop soms tamelijk ongelukkig kan voelen, maar in mijn hoofd hebben het rotgevoel door het lopen en de omgeving zich aan elkaar gekoppeld. Iets met verbindingen tussen neuronen of zo. En dat terwijl ik met mijn korte rondjes vlakbij huis eigenlijk nogal tevreden ben. Niet dat die loopjes altijd wél lekker gaan, maar dan nog duren ze in elk geval niet heel lang. En de omgeving hier vlakbij is zo mooi als ik me maar kan wensen.

Voor vandaag heb ik een oplossing bedacht. Ik ga gewoon mijn allerfavorietste korte rondje twee keer doen. Er zitten lekker veel hoogtemeters in dat rondje, en ik heb voor de grap al weleens tegen vrienden gezegd dat ik bij wijze van lange duurloop eigenlijk dat rondje een aantal keer achter elkaar zou moeten lopen. Gekkigheid natuurlijk, maar vandaag hoef ik dus maar kort, en probeer ik het gewoon een keer uit. Blijf ik lekker dichtbij huis, lekker vertrouwd.

De regen is gestopt, en terwijl ik ontbijt, begint de zon zelfs te schijnen. Het moet niet gekker worden. Ik ervaar enige onrust, had allang buiten moeten zijn. Het lekkere van hier wonen, is dat ik niet eerst op de fiets naar de duinen hoef om in een mooie omgeving te kunnen lopen. Het is de straat uit, en dan kan ik direct via een onverhard pad langs wat volkstuintjes, en even later aan de andere kant van de weg ga ik het bos in.  In dit eerste stuk zie ik regelmatig wild. Vorige week nog drie joekels van donkergrijze zwijnen met een hele sleep lichtbeige kleintjes. En eerder deze week bleef ik stilstaan om te kijken naar twee herten die waren opgeschrikt door mijn aanwezigheid en iets verderop tussen de bomen waren blijven staan. Terwijl ik daar al even stond, kwam er opeens vlak voor me een wild zwijn overeind. Oeps, die had ik niet gezien, even opletten wat ie doet. Gelukkig, hij kiest het hazenpad. Vandaag ben ik natuurlijk te laat voor wild, maar gelukkig zijn er altijd nog de vogels met hun blije gezang. En de zon schijnt – al vond ik de regen van de week niet erg, dit onverwacht mooie weer opeens ervaar ik wel degelijk als een cadeautje.

Er zitten een paar venijnige hellingen in het rondje, zeker nu ik het tegenwoordig uitbreid met een slinger over de Posbank. Ik vind het lekker, merk ik, dat ik precies weet wat er nog komen gaat. Op het stukje buiten het hek is het druk met hondenuitlaters. Bijna iedereen hier heeft een hond, lijkt het wel. Ik ben geen liefhebber van honden, maar ik merk dat ik me er vanzelf iets anders tegenover ga verhouden. Ik moet wel, anders blijf ik steeds in verzet tegen iets wat er nu eenmaal is. Zonde van m’n energie. Al had ik nog steeds liever dat ze er niet waren. Maar los van de hondenbezitters, op dit ene stukje, is het nog rustig in het bos. Op de heide kom ik een andere hardloper tegen. Ik ben aan het ploeteren naar boven, het lopen gaat niet makkelijk, maar ik vind het geen straf.

Ook in het tweede rondje niet. Inmiddels is de lucht betrokken, en valt er zo nu en dan een buitje, afgewisseld met felle opklaringen. Heerlijk weer. Een buizerd vliegt voor me op en gaat vlakbij op een tak zitten. Blijft een machtig gezicht, al ben ik, sinds ik verhalen hoorde over agressieve buizerds, een beetje op mijn hoede voor ze. Vlak daarna een eekhoorntje dat het pad oversteekt. Ah, schattig. Prima, te laat voor groot wild, maar genoeg te zien. Een stuk verderop echter toch nog een hert. Oké joh, ik was toch al blij, maar jij mag er ook nog bij.

Nog een keer de bekende paden. Op de Posbank gaat het nog wat moeizamer dan in het eerste rondje. Maar ik weet dat ik nog maar heel eventjes hoef vol te houden – aan het eind van het stuk over de heide kom ik bij Koepel de Kaap (dat vind ik nou elke keer zo’n leuke naam), en vanaf daar gaat het in grote lijnen naar beneden. Ik doe net of ik niet vreselijk aan het sjokken ben de hele tijd, en probeer me te gedragen als een echte hardloper. Naar beneden voelt het alsof dat redelijk lukt, zodra ik weer een stukje naar boven moet, komt de ploeteraar weer tevoorschijn. Het gemiddelde tempo blijkt achteraf laag. Het geeft niet, ik heb lekker gelopen. Mooie route ook. Prachtig gebied.

Geplaatst in hardlopen | 7 reacties

Pijn

IMG_0458

Het laatste stuk voor ik bij het Herikhuizerveld (zeg maar de Posbank) kom, is het zwaarste deel van dit rondje. Het pad gaat hier steil omhoog, en met de sneeuw van vorige week lukte het me niet hier te blijven hardlopen. Ook op andere momenten komt het voor dat mijn benen zo slecht zijn, dat ik niet anders dan wandelend omhoog kom. Vandaag blijf ik hardlopen. Nou ja, dribbelen dan. Ik denk terug aan Middenduin, waar ik regelmatig een intervaltraining afwerkte – op basis van de schema’s van eerst Henny, en later Laurens. Gefocust op mijn hartslag – die moest hoog genoeg zijn – en in mijn hoofd het rijtje minuten inspanning-rust repeterend – in de schema’s van Laurens soms geen sinecure, omdat elke logica aan dat rijtje leek te ontbreken. Kapot ging ik er, steevast kapot.

Vandaag zijn mijn benen dus goed genoeg om te blijven dribbelen, maar het is niet zo dat ik de spirit heb om een beetje meer tempo te maken, zo’n hellinkje op. Zoals ik ‘vroegah’ in Middenduin wél deed. Het lijkt erop dat ik daarvoor toch echt een schema nodig heb, en een trainer aan wie ik verantwoording moet afleggen – ook al zit dat laatste alleen in mijn hoofd. Ik ben bang voor de pijn die sneller lopen doet. Ik ben al maanden bezig ‘het lopen weer op te pakken,’ en zolang dat zo is, mag ik van mezelf een beetje sloom voor me uit blijven lopen. Ik zoek de pijn niet op. Zoals gezegd: ik ben er een beetje bang voor. Zelfs tot de minuutjes versnellen tijdens de lange duurlopen kan ik me niet zetten, terwijl die nou ook weer niet zó vreselijk inspannend zijn. Tijdens het nieuwjaarsloopje met vrienden haak ik halverwege af, hoewel die eerste helft eigenlijk helemaal niet zo slecht gaat. Maar ik ben simpelweg te bang dat dat om zal slaan in de tweede helft, en dat het dan zwoegen wordt.

Het gekke is dat ik juist de mooiste herinneringen koester aan alles wat ik gedaan heb wat fysiek serieus zwaar voor me was, en in dat opzicht pijn deed. No pain, no gain. Nooit voel je je zo levend als wanneer je je inspant en het zwaar hebt. Vechten met jezelf en met de elementen. Oké, die pijn op zichzelf is misschien niet per se een genoegen, maar de beloning is vrijwel altijd groot. Ik kan zo verlangen naar juist dat diepgaan, dat gevoel van ten volle te leven. Hoe doen mensen dat die niet sporten, vraag ik me af. Zouden die dat gevoel ook kennen? Zeker, lekker ontspannen in de sauna of op het strand is ook heerlijk, maar dat kan toch nooit zo bevredigend zijn als knettermoe worden in de buitenlucht.

Een deel van mij verlangt niet alleen naar diepgaan in sportactiviteiten, maar ook naar een spartaans leven over all. Waar heb je al die luxe voor nodig? Het lijkt me zo bevredigend om het leven terug te brengen tot z’n pure eenvoud. Maar ondertussen heb ik toch weer een ‘echt’ en (voor mij) best groot huis gekocht, in plaats van me te vestigen in mijn boshuisje, douche ik me warm terwijl dat ook best koud kan, ben ik blij dat de cv het doet, en koop ik toch maar weer een andere auto, nu mijn vorige de geest gegeven heeft. Allemaal niet per se nodig, maar comfort en  gemak trekken dus óók, en kennelijk nog net wat harder dan het verlangen naar dat spartaanse. Hoe jammer ik dat ook kan vinden. Hoe teleurstellend ook een beetje, van mezelf. Slappe hap, zegt mijn strenge ik.

Het mag allemaal. De uitkomst is natuurlijk weer (saai!) dat het én én kan en mag, en niet óf óf hoeft te zijn. Het juiste midden van good old Aristoteles. Ik kan alleen maar hopen dat ik die meer spartaanse kant, de kant van de inspanning, de kant van de discipline, waarbij de beloning vaak pas achteraf komt, dat ik die kant nooit helemaal kwijtraak. En dat het niet lang meer zal duren voor ik de pijn tijdens de hardlooptrainingen weer durf op te zoeken. Voor ik van vadsigheid niet meer van de bank kan komen.

Geplaatst in hardlopen | 10 reacties

Dolomiti di Brenta

Ik word ingehaald door een vrouw en een man, de vrouw voorop. Dat ze me inhalen, irriteert me lichtelijk; ik heb al eerder stuivertje met de vrouw gewisseld – kennelijk lukt het me niet haar definitief achter me te laten. Aan de andere kant: ik ben behoorlijk aan het inkakken, m’n tempo ligt op dit moment bedroevend laag en misschien kan ik bij het tweetal aanhaken om de fut er weer een beetje bij me in te brengen. Ik zie de dame op haar horloge kijken terwijl ze lekker doorstiefelt. Wacht even, betekent dat dat ze aan het checken is of ze de limiet wel haalt? Ik heb me razend slecht voorbereid op dit loopje, niet alleen fysiek – daar kan ik nog een soort van niet zoveel aan doen – maar ook praktisch. Gelukkig staat het hoogteprofiel, voorzien van verzorgingsposten en cut-offtijden, op het startnummer afgedrukt, zodat ik nog enigszins een idee heb van hoe of wat, maar ik merk dat ik niet goed weet waar ik precies zit. Ik hoopte dat de plaats, een stukje terug, waar we koud water aangereikt kregen en waar ons startnummer genoteerd werd, ook de plaats was die we uiterlijk om 12:45 uur gepasseerd moesten hebben, maar vrees nu dat ik dat laatste punt nog niet bereikt heb. Het loopt tegen half één, en ik weet niet hoe ver we nog moeten. Gelukkig zitten niet veel verderop twee mannen die onze startnummers scannen, en stopt de vrouw meteen daarna om wat te drinken en te eten. Ik neem maar aan dat dit het punt van de cut off moet zijn. Half één, een kwartier reserve dus. Het houdt niet over, en bij mijn weten heb ik nog niet eerder in een race zo krap gezeten.

Voor de volgende passage hebben we precies een uur. Ik wil geen risico lopen, en ook wil ik de bescheiden marge die ik nog heb niet verspelen, dus ik probeer zo stevig als ik kan door te lopen. Omhoog gaat het. Vlak voor de col zie ik Marc Weening zitten. We wisselen wat woorden, ik uit mijn zorgen over het halen van de cut offs, maar ondertussen loop ik door, want geen tijd te verliezen. “Wel mooi hier, hè,” roept hij me na. Ik roep terug dat het prachtig is. En dat is het.

(De foto’s zijn genomen door Ellen Flipse – niet tijdens, wel in het gebied ván de race, ongeveer.)

Ik had even een dipje te pakken, dus, ergens in augustus. Ik schreef het al eerder. Opeens begon ik met de gedachte te spelen om me in te schrijven voor de Dolomiti di Brenta Trail, waar half traillopend Nederland aan de start zou staan. Nou ja, MudSweatTrails organiseert een reisje ernaartoe, waar Hannah zich bij aan had gesloten, en Ellen zou gaan, en Jos zou gaan. En nou ben ik gelukkig echt helemáál niet jaloers (ha!), maar ik bedacht dat het toch wel erg fijn zou zijn om deze zomer toch ook nog een stukje door de bergen te sjouwen en daar een kleine vakantie aan vast te knopen. Ik kan me wel de hele tijd zorgen gaan lopen maken over (de kosten van) de verbouwing, en daarom bovenop m’n geld blijven zitten, maar geld moet rollen, nietwaar? Dus, calvinistische Jacolien schrijft zich zomaar in. Niet zo’n vreselijk duur loopje, dat helpt.

En dus loop ik hier nu, in de Brentadolomieten. En jemig, wat is het mooi, inderdaad. De ene rotspartij nog indrukwekkender dan de andere. Maar ondertussen moet ik me haasten. Vanaf de col hardlopend naar beneden, naar de Graffer-hut, waar niet alleen een verzorgingspost is ingericht, maar ook de volgende tijdslimiet ligt. Precies een uur nodig gehad, dus nog steeds dat (schamele) kwartier speling. Bij deze post eindelijk waar ik behoefte aan heb: lekker zoete, verse cake. Tot nu toe bij de posten alleen heel verantwoorde spullen (afgezien van de cola dan, godzijdank is dat er wél). Kaas, brood, zuidvruchten, ongebrande noten, doppinda’s. Biologisch, wat ik qua principe erg waardeer, maar om eerlijk te zijn, heb ik gewoon behoefte aan hele snelle suikers, en zout. Cake dus, inderdaad, en liefst ook chips of tucjes of zo. Maar goed, vandaag doe ik een groter beroep op mijn eigen voorraad dan ik meestal doe, en dat is goed. Sleep ik die spullen niet voor niets mee.

41678610_1971433609561528_2943750986742628352_n

Ook voor de volgende etappe, naar de Tuckett-hut, heb ik precies de tijd nodig die ervoor staat wanneer ik geen marge wil verspelen, namelijk twee uur. Ik ben er behoorlijk zeker van dat ik vanaf de vorige hut ben vertrokken vóór die eerdere dame vertrok, maar op een gegeven moment zie ik haar toch weer voor mij lopen. Geen idee hoe ze daar komt, maar op de een of andere manier heeft ze dat klaargespeeld. Ze valt me onder andere op door haar manier van lopen, op haar tenen naar boven. Als ik dat zie, denk ik vrij automatisch: weinig bergervaring, maar volgens mij komt ze uit de buurt en heeft ze beduidend meer ervaring in de bergen dan ik. Ze rommelt wat met een stok, en loopt dan met één stok verder terwijl ze de andere in haar hand houdt. Ah, dat komt me bekend voor. Hoewel haar stok me niet gebroken lijkt; waarschijnlijk iets met het knopje dat de boel moet vergrendelen.

Na de Tuckett-hut maak ik me wat minder druk om de limieten. Als ik er nu nog uitgehaald word, dan zij dat maar zo, maar ik verwacht nu zomaar dat dat wel zal loslopen. Het laatste stuk voor de Pedrotti-hut is ronduit klote. Hannah had ons er al op voorbereid, maar ik heb mezelf weer eens wijsgemaakt dat het wel mee zal vallen. Ja, als ik fris en fruitig zou zijn wél, maar nu ben ik moe en tamelijk leeg. Eerst een stukje blokkenterrein, waar ik gewoon niet goed in ben, als ik het mezelf eerlijk toegeef. En daarna een steile puinhelling. Die zou wel te doen zijn als ik niet zo vreselijk moe was, maar nu is het een beproeving. Gelukkig staan er wel vier vrijwilligers onderweg. Vooral de tweede weet een gevoelige snaar te raken bij me. Om zes uur zal ik bij de post zijn, voorspelt hij (cut off is daar 18:30 uur), daar moet ik twintig minuten de tijd nemen om uit te rusten en mezelf te verzorgen, en dan ga ik weer verder. Ik zit aan de veilige kant om te finishen, verzekert hij me. En hij noemt me een ‘strong lady.’ Precies wat ik nodig heb. Ik voel me verre van sterk, maar dat ik het ga halen, lijkt mij eigenlijk ook wel redelijk waarschijnlijk. Ik sleep me verder de helling op. Loop nog een stukje fout, maar heb dat al snel door en keer terug op het rechte pad.

Ik neem wat minder tijd bij de post dan de vrijwilliger me geadviseerd heeft, en ben er ook wat vroeger dan hij voorspelde. Mooi zo, dat geeft me weer wat extra speling. Vanaf hier gaat het naar beneden, en moet ik er maar het beste van zien te maken. Ik probeer hard te lopen waar mogelijk, maar vind mezelf in de afdaling weer niet bepaald uitblinken. Blijf uiterst voorzichtig en onzeker, erg bang om te struikelen. Ik zie nu weinig andere lopers meer, en een stukje voor de volgende, en laatste, post, begin ik er zelfs nog aan te twijfelen of ik nog wel op de route zit. Het lijkt wel of er iemand markeringen heeft weggehaald, ik zie nergens meer gele lintjes hangen. Gelukkig zie ik dan een eind voor me een andere hardloper; ik ga er dan maar van uit dat ik nog goed zit.

Bij die allerlaatste post heb ik zomaar opeens zin in thee, in plaats van in de eeuwige cola. Dat smaakt me goed. Verder heb ik weinig behoefte aan pauze, en ik loop snel weer verder. Inmiddels heb ik een veilige marge van een uur opgebouwd. Ik ontkom er jammer genoeg niet aan mijn koplamp te pakken. Het pad is op zich wel te belopen zonder extra licht, maar de markering is niet zo grandioos en in het bos heb ik de lamp echt wel nodig om de lintjes te vinden. Dat kost wat tijd, al loop ik hier niet fout. Als ik bijna op een verharde weg ben, ga ik nog even naast het pad zitten plassen. Er is nu toch niemand bij me in de buurt en er komt vast ook niemand meer. Meteen rijdt er een auto over de weg naar beneden, maar ik zit gelukkig buiten het schijnsel van de koplampen. Een poosje later hoor ik opeens voetstappen achter me. Word ik verdorie nog ingehaald ook. Samen met twee mannelijke lopers probeer ik de route door Molveno te vinden. Eerder heb ik op een makkelijk stuk mijn stokken al ingeklapt, en ze later toch maar weer uitgeklapt. Nu heb ik mijn koplamp uitgedaan en weggestopt zodra ik op de doorgaande weg in Molveno aankwam, maar moet ik die weer tevoorschijn halen als we getrakteerd worden op een ommetje door het dorp en langs het meer. Heel leuk bedacht natuurlijk, voor een trail, maar van mij had het best gewoon via de doorgaande weg naar de finish gemogen. En anders graag een klein beetje beter gemarkeerd voor de zielepoten die in het donker moesten finishen!

Maar goed, gezeur natuurlijk. Ik verlies hier weliswaar nog wat tijd, maar kom keurig om kwart voor negen over de finish. Vijf kwartier speling op de limiet maar liefst. En ik word op die finish onthaald door Hannah, Jos en Ellen, die alle drie óók gefinisht zijn. Wat is dat toch fijn, als er vrienden bij de finish op je staan te wachten! Ik trek een thermoshirt aan, drink een finishbiertje, laat jammer genoeg mijn favoriete hardloophemdje ergens op de grond liggen, en we vertrekken naar de pizzeria, waar we nog nét voor sluitingstijd bediend worden.

brentadolomieten4

Foto eveneens van Ellen. Omdat ie zo mooi is.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 4 reacties

Van oude molens (2)

De spierpijn liegt er niet om. Sjongejonge, wat merk ik dat ik de gerichte trainingen totaal verwaarloos. Daarbij verdampen die paar schamele hoogtemeters die nu eigenlijk standaard in ál mijn trainingen zitten. Mijn bovenbenen zijn echt niet meer bestand tegen een paar serieuze afdalingen. Gelukkig werk ik de woensdag na de Vieux Moulins in Haarlem, en heeft fysio Jan Willem tijd voor me. Maar die avond ga ik ook naar de baan, nu ik er toch ben. En ik wil nog even verder met het maken van kilometers, wil mezelf een beetje harden nu ik zo lekker op dreef ben, en zoek iets leuks uit voor de zaterdag. Ik kijk naar de gps-routes die MST op de site heeft staan, en kies de Montferlandse toppenroute. Ruim 32 kilometer, plusminus 430 hoogtemeters (volgens de site wat meer, geloof ik, maar dit zegt mijn gps na afloop).

Er is voor zaterdag veel regen voorspeld, goed voor de mentale hardheid. De opdracht aan mijzelf is om de route níet in te korten, hoe verrot ik me ook voel, en om níet te gaan wandelen (tenzij het echt steil wordt, dan mag het altijd). Vroeger hoefde ik dat soort dingen niet tegen mezelf te zeggen, maar tegenwoordig? Hopeloos is het.

Ik vertrek vanaf ’t Peeske, waarvandaan ik al een keer met Edwin de MTB-route liep. Ik heb de route uiteraard in m’n horloge geladen, maar hij is ook erg goed gemarkeerd. Ik vind dat wel lekker, weinig kans om fout te lopen, geen gezoek. Weer zit ik er vanaf het begin lekker in. Niet omdat het lopen zo gemakkelijk gaat, maar omdat ik het heel rustig aan mag doen van mezelf, en omdat de omgeving prachtig is, en de route ook. Een boom schudt zich uit boven me, het zijn voorlopig de laatste druppels die ik over me heen krijg. Ik was zo bang voor nat, lang onderweg en dus koud, dat ik voor de zekerheid een thermoshirt heb aangetrokken. Heel even lijkt dat lekker, als ik heel in het begin tegen de wind in langs een open veld loop, maar al snel puf ik van de warmte en stop ik om het uit te trekken. Totaal onnodig.

Het geraas van een snelweg is moeilijk te negeren. Uitnodiging. Geluid komt op in de stilte. Ik loop tegen de wind in, en kom bij het lusje dat een stukje Duitsland meeneemt. Ik steek de snelweg over, aan de andere kant is het stiller. Uitnodiging of niet, dit is toch net wat fijner. Een lang stuk asfalt, door het bos. Dan loop ik het dorpje Elten in, en hé, een molen. Echt zo’n typisch Hollands exemplaar, zou je denken. Stukje nieuwbouw, ach ja, Duits dorpje, ik ben in het buitenland, de auto’s hebben witte nummerborden, de mensen op straat spreken Duits met elkaar, toch wel leuk. En ik loop het dorpje weer uit. Omhoog, want richting Hoch-Elten, en dat heet natuurlijk niet voor niets zo. Daar kom ik, op een uitzichtspunt, bij een kunstwerk en een schitterende kerk. Dilemma. Ik moet doorlopen op grond van mijn voornemen, maar ik wil ook juist wat minder autistisch zijn in dit soort gevallen. Ik doe wat ik bijna nooit doe: ik stop om mijn telefoon te pakken en maak een paar foto’s. Die zijn niet zo geslaagd (belichtingsprobleempje), maar ik wil iets van het moment vangen.

Het kunstwerk verbeeldt een poort. (Er staat een bordje bij hoor, ik verzin het niet zelf.) Kijk je de ene kant op door de poort, dan zie je het weidse landschap, je kijkt naar buiten, de wereld in. Kijk je de andere kant op, dan zie je die kerk, en wat die dan ook voor je symboliseert. God, jezelf, liefde. De innerlijke weg. Klinkt misschien wat weeïg, maar ik vind het mooi. Ook door die hoge, gladde en strakke zwarte pilaren die de poort vormen. En die enorme kerk natuurlijk, die daar al eeuwen staat. Oud en nieuw, binnen en buiten, ze komen hier samen.

Ik ga verder. Nog wat bospaderigs voor ik weer op dezelfde asfaltweg kom richting snelweg. Ik loop Nederland weer in. Meer asfalt voor ik de bospaden weer op mag, maar het stoort me niet. Nog niet. Mooi asfalt is niet lelijk, hou ik mezelf voor. Maar wat verderop komt er een gedeelte waarin ik de hoeveelheid verhard en bebouwd en dan ook nog zon en dus warm, wat overdadig begin te vinden. De route leidt door Stokkum en door ’s-Heerenberg. In Stokkum een tweede molen. En zeker ’s-Heerenberg is natuurlijk prachtig. Kasteel, kerk, zaterdagmorgen, winkelend publiek, toeristen. En een eenzame hardloper, die zich een beetje misplaatst voelt in deze omgeving, maar zich er wel doorheen slaat. Ik wilde toch mentale hardheid trainen? Nou dan.

Blij dat ik het stadje weer uit mag. Vanaf hier is het weer goed en blijft het goed. Ik laaf me aan de onverharde paden en het bos, met zo nu en dan een open veld. Moet wel iets vaker een weg oversteken dan mij lief is, maar goed, je kunt ook té veeleisend zijn. Ik heb me weer genoeg kunnen opladen om Zeddam dan wel weer leuk te vinden. Alweer een molen, en een hele mooie nog wel. Zeddam is klein, dat helpt. Ik ben er zo weer uit, en loop het bos weer in. De heuveltjes neem ik, zoals ik met mezelf heb afgesproken, in rustig dribbeltempo. Nou ja, eigenlijk doe ik álles in rustig dribbeltempo vandaag. Veel snelheid zit er niet in, maar ik wandel niet.

Het moment komt natuurlijk dat ik begin te verlangen naar het einde. Ik heb het lijntje van de gps-route in mijn schermpje, en mag van mezelf niet spieken hoe ver ik ben. Maar eens per kilometer staat er 10 seconden lang de afstand in het scherm. Ik kijk wat vaker, in de hoop dat ik net een van die seconden tref. En in de hoop dat de afstand die ik dan zie niet tegenvalt. De lucht wordt steeds donkerder, en het begint in de laatste kilometers toch nog te regenen. Niet erg, ik had veel meer nattigheid verwacht, en zeker sinds deze zomer ben ik uitgesproken fan van regen. Al heb ik toch liever dat die valt terwijl ik binnen zit.

Als ik weet dat ik nog zo’n twee kilometer moet, kijk ik achterdochtig naar alle kronkels die het lijntje op m’n scherm maakt. Ja zeg, gaan we nu nog omlopen ook? En dat terwijl ik er bijna ben? Alsof deze hele route niet één grote omweg is. Na uren lopen kom ik weer uit waar ik begon.

 

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Van oude molens, de loopjes die verblijden

Mijn rol sporttape ligt altijd in de keukenlade, zo voor het grijpen. En omdat ik morgen, bij de Trail des Vieux Moulins, mijn ultraraptors aan wil, heb ik die rol nodig. Sinds de Sallandtrail weet ik weer dat ik in die raptors blaren krijg als ik mijn hielen niet afplak. Maar ja, hier in mijn boshuisje heb ik wel twee lades, maar in geen ervan ligt tape. In De Steeg dan? Ik probeer de inhoud van de keukenla daar te visualiseren, maar zie geen sporttape voor me. Niet dat het had uitgemaakt, ik kom er net vandaan, en zou er niet voor teruggereden zijn. Ik hoop dat ik bij het inpakken voor de verhuizing zo slim ben geweest de tape op een logische plek te stoppen, zoals bijvoorbeeld in een van mijn hardloopkratjes. Helaas, kennelijk hanteerde ik op dat moment een andere logica. Geen idee waar ik het heb, maar geen nood, want ik kom een rol kinesiotape tegen – een nepper van de Action dan. Die kan ook prima dienst doen als blaarpreventie.

Het is weer een beetje zoeken voor me de laatste tijd. Ik vind dat ik hard aan het werk zou moeten zijn in mijn nieuwe huis, maar voel me er soms zo ongelukkig – het is er nogal stoffig en ongezellig, de verbouwing hapert, op een dixie moeten plassen is sowieso al geen pretje, maar nadat die drie weken niet geleegd is terwijl we in een hittegolf zitten, is het er ronduit weerzinwekkend – dat ik uitwegen zoek om me weer wat blijer te voelen. En zoals gewoonlijk gaan die uitwegen richting georganiseerde loopjes. Daar komt nog bij dat ik nodig weer wat afstand in de benen moet krijgen als ik eind oktober enige kans wil maken de ISU uit te lopen, en op eigen kracht lukt het nog steeds niet de duurloopafstand op te voeren. Lang leve de trailkalender, waarop de Trail des Vieux Moulins prijkt, te lopen op 19 augustus, vanuit Lierneux (een stukje onder Luik). En lang leve Jos, die wel mee wil die kant op. Voor de som van € 8 mogen we 42 kilometer sjouwen en worden we onderweg voorzien van het een en ander aan vast en vloeibaar.

Ik weet niet hoe het komt, maar ik heb een goede dag. Niet dat het lopen gemakkelijk gaat, mijn benen zijn van lood. Ik wandel veel, ook als het helemaal niet zo steil omhoog gaat. Ook mis ik de nodige stabiliteit, en moet ik erg uitkijken dat ik niet onderuit ga. Ik krijg blaren op mijn hielen en moet een paar keer stoppen om ze te verzorgen – de Actiontape plakt niet goed. Ik heb nogal dorst en drink veel. Op de posten van 8 (alleen water) en 21 kilometer (uitgebreide post) vul ik mijn waterzak bij. Die tweede keer krijg ik hem nauwelijks weer dicht. Bij de volgende post, op 34 kilometer, krijg ik hem met geen mogelijkheid meer open, ook niet met hulp van een van de vrijwilligers. Oeps, dat wordt pittig, zonder water de laatste kilometers door. Bijna word ik op pad gestuurd met een 2-literwaterfles, maar dan bedenkt nog net op tijd een andere vrijwilliger (die, net als ik, erg haar best doet om zich in het Engels verstaanbaar te maken) dat ze een halfliterflesje in de auto heeft liggen. Dat krijg ik mee, nadat ze eerst nog bezorgd heeft gevraagd of ik het niet erg vind dat ze er al uit gedronken heeft. Zulke mensen dus. Zo fijn.

Ik heb een goede dag. Het is een loopje naar mijn hart. Heel groen, levend en veel nattigheid, veel schaduw, een fijne atmosfeer, super gemarkeerd, heel afwisselende ondergrond, niet extreem veel hoogtemeters (dat vind ik óók leuk, maar dit misschien toch net iets leuker) en dat we enorme slingers maken en dat de grote ‘ronde’ van 42km dus een beetje kunstmatig is, zie ik pas achteraf – ik merk er niks van tijdens het lopen. Ik kan me goed aan mijn voornemen houden om het rustig aan te doen, mijn enige ambitie is om de trail uit te lopen, en iedereen mag sneller zijn dan ik. Nou ja… Ik heb van tevoren bedacht dat ik er waarschijnlijk een uur of zes over ga doen. Tijdens het lopen realiseer ik me dat dat nog weleens lastig zou kunnen worden (ook niet erg), maar ik finish in 5 uur, 59 minuten en 56 seconden. En dat zonder daar speciaal op aangestuurd te hebben. Stiekem ben ik toch wel blij dat ik niet helemáál de laatste ben die over de finish komt.

Ik heb zo’n dag waarop alleen maar buiten in de natuur lopen me volmaakt gelukkig maakt. Een dag ook waarop ik bedenk dat ik lopen toch maar weer tot hoofdzaak des levens moet bombarderen, iets fijners dan dit bestaat immers niet. Maar ik weet dat zo’n idee niet het eeuwige leven heeft en net zo makkelijk weer wordt vervangen door een ander. Maakt ook niet uit.

Jos zit al bijna 3 kwartier op me te wachten. Ik laat de douche schieten en fris me wat op bij een wastafel. We eten een lekker vette en zoute friet met mayo (geniaal, een friettent bij de finish), en drinken in de auto nog een breaker (eiwit!) en een blikje lauw bier, alcoholvrij natuurlijk.

De molens zijn aan ons voorbijgegaan.

Geplaatst in hardlopen | Een reactie plaatsen

Tussen overmoed en realiteitszin

Al weet ik al in een vrij vroeg stadium dat de kans dat ik uiteindelijk naar de bergen zal afreizen om daar mijn gewenste idiootlange afstand te gaan lopen, behoorlijk klein is, zo lang ik de knoop niet heb doorgehakt, kan ik dan maar beter rekening houden met de mogelijkheid dat ik wél ga. Serieus gaan trainen dus.

Ik pak er maar weer eens een oud schema bij, dat ik een beetje bewerk naar nu. Ik moet er weer een beetje inkomen, de pittige tempo’s, maar na een paar intervaltrainingen lijkt het alweer vrij gewoon. Nog even profiteren van Middenduin en de Brederodeberg, zolang ik nog in Haarlem woon. Alleen de duurlopen. Ik doe wel wat natuurlijk, maar echt lange afstanden krijg ik er niet uitgeperst. De weekomvang houdt dan ook niet over.

Er zijn momenten waarop ik denk: ach, ik ga dat gewoon doen, 170km lopen. Bij de Mont Blanc en bij Verbier ging het toch ook goed? Dit is alleen nog een stukje verder. Maar de volgende gedachte gaat naar de Echappee Belle, waarbij het heel erg níet goed ging. En bovendien had ik die andere keren veel gerichter naar de race toegetraind dan het halfslachtige gedoe waar ik nu mee bezig ben. Dan denk ik: ik moet van tevoren nog een ultra lopen. Liefst iets echt langs, en liefst in België. Er zijn er twee van rond de 100km die in aanmerking komen. Ik pols Jos, maar die heeft al een doel in Zwitserland, en gaat wel naar België, maar voor iets beduidend korters. Hij nodigt me uit om mee te gaan. Eerst zeg ik nee. 32km, dat schiet niet op, daar heb ik niks aan. Maar dan bedenk ik dat 100km in mijn huidige staat misschien een beetje erg ambitieus is. Ik liep dit jaar weliswaar twee keer een 75km, maar beide keren ging dat nou niet bepaald vanzelf. Bovendien is een weekendje met Jos en Monique op pad geen straf, zeker niet als je dan ook nog een trailtje mag lopen.

Dus, de Trail du Jambon op 12 mei, ergens bij, langs en door de Semois. 32,6km en plusminus 1600 hoogtemeters. Serieus loopje wel. Erg leuk (alleen het feit dat mijn stok breekt terwijl ik hem gewoon neerzet en helemaal niets bijzonders doe, is iets minder leuk), en toegegeven, het kón slechter gaan, maar stiekem had ik gehoopt dat het een stuk beter zou gaan. Pff, maar goed dat ik me niet heb ingeschreven voor een van die lange krengen, dat zou een drama geworden zijn.

Maar ik geef me nog niet gewonnen. Op 1 juni krijg ik de sleutel van mijn nieuwe huis. De week erna verhuis ik. Ik begrijp dat er een paar weken weinig van de duurlopen terecht zal komen. Dan moet ik in het laatste weekend van mei nog iets langs doen, wil ik nog enige kans maken in de bergen. Ik denk eraan het Kustpad nog eens te lopen, van Den Haag naar Haarlem. Probeer ik wat gezelschap te zoeken, dan is dat best leuk. Al kan ik me ook inschrijven voor de Eemmeerloop, of de een of andere marathon ergens. Ik schuif de beslissing voor me uit, en als ik op woensdagavond naar de atletiekbaan fiets, bedenk ik dat als ik toch érgens geen zin in heb, het is om weer een dag in het weekend ‘kwijt te zijn’ aan hardlopen. En meteen is het duidelijk dat ik niet naar de Alpen zal gaan eind juli. Helaas, ook dit jaar geen 100-mijler voor mij. En misschien wel nooit. Al weet je dat niet en hoef ik daar nu ook eigenlijk niets over te zeggen. Maar was er niet iets met uitstel en afstel?

In de weken, wat zeg ik: maanden, rond en na de verhuizing is het lopen een ondergeschoven kindje. Nog net niet zo ondergeschoven als schrijven op m’n blog… Gelukkig nodigt zo nu en dan iemand me uit. Zo loop ik half juni van Dieren naar Arnhem met Hannah. Heel leuk natuurlijk, veel te bepraten ook, maar mijn jammerlijke conditie onderstreept dat het maar goed is dat ik niet ga. In juli besluit ik last minute om mee te gaan met een groepje vrienden en familie naar de La Chouffe Trail. Ik schrijf me, net als zij deden, in voor de 28km, die maar 26 blijkt te zijn. Het is bloedheet en de start is om 12 uur ’s middags. Wie bedénkt zoiets! Tot de eerste verzorgingspost, op 8km, ben ik alleen maar bezig met uitstappen. Ik vraag me af hoeveel spijt ik daarvan zal krijgen. Toch een behoorlijk eind voor gereden tenslotte. Gelukkig volgt na de post een heerlijk stuk langs de Ourthe, mét schaduw, en mijn humeur knapt aanzienlijk op. Uiteindelijk dik tevreden, en weer heel fijn, zo’n weekendje in de Ardennen. O ja, en het leuke van zo’n wat commerciëlere=bekendere=drukkere loop (waar ik zelf niet zo snel meer voor zou kiezen), is dat je er allerlei vrienden en bekenden treft.

Dan moet de duurloop weer een keer wijken voor, al is het maar het idéé, me nuttig te maken in het nieuwe huis, en krijgen we vervolgens een hittegolf voor de kiezen. Ik doe nog een poging de geskipte duurloop in te halen, maar dat is op dinsdag, en dan is het ook ’s morgens vroeg al veel te warm. Ik wil niet zeuren en klagen, maar ik functioneer gewoon niet zo goed met die hoge temperaturen. Ik geef het op voor de rest van de week, maar vandaag, op zondag, sta ik dan weer eens vroeg op om éérst mijn fiets terug te brengen naar De Steeg, en dan vanaf daar via het Veluwe Zwerfpad en de Dieren-Arnhem Trail, terug te lopen naar Schaarsbergen. Jaja, het wordt net niet de voorgenomen 25km, maar het is weer een nieuw beginnetje. Zoals er elke keer weer een nieuw begin is, compleet met allerlei goede voornemens. De rest van de dag ben ik gesloopt, dat dan weer wel.

Het trail-festival van Montreux is inmiddels achter de rug. Marjolein Bil werd tweede vrouw, heel knap. Wim Boydens, die zo vriendelijk was mijn startbewijs van me over te nemen, is uitgestapt. Oók met een gebroken stok, overigens. Klote-carbon. Het was warm. Ik dichtte Wim (die nota bene al eens de Tor liep en finishte – held) een beduidend grotere kans toe om deze MXtreme te finishen dan ik mijzelf toedicht. Het is goed zo. Mijn tijd komt nog wel. Of niet, ook goed.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties