Alles moet anders!

Afgelopen zomer was het weer eens zo ver: terwijl ik rustig van mijn vakantie aan het genieten was, overviel me het gevoel dat alles anders moet in mijn dagelijkse leven. Met uitroepteken nog wel. Nou ja, dat kenden we al, story of my life. Waarschijnlijk verander ik na de vakantie toch weer niks, en vind ik het dan tot op zekere hoogte ook wel weer best zoals het is, dus laat ik het gevoel niet al te serieus nemen. Maar laat ik het ook niet helemaal negeren, want misschien is de tijd nu rijp om wél iets te veranderen.

Ik ben niet iemand die goed weet wat ze wil. En áls ik dan iets denk te willen, bejegen ik mijn motieven met wantrouwen – zijn ze wel zuiver? Met het onderzoek van mijn motieven kan lange tijd gemoeid zijn, vaak zonder dat ik tot een duidelijke conclusie kom. Ik kan soms jaren heen en weer geslingerd worden tussen ‘ik ga dat en dat doen’ en ‘ja maar.’ Ik spits het even toe op het wonen, want over het terrein waarop ik écht iets zou moeten veranderen, het werken, wil ik het nu niet hebben.

Ruim 20 jaar geleden ben ik vanuit Dieren verhuisd naar de Randstad. Hoewel ik nog best weet waarom ik daar, in de gegeven situatie, destijds voor gekozen heb, en ik mijzelf die keuze niet kwalijk neem, hoewel Haarlem een fijne stad is, waar ik het goed naar mijn zin heb, hoewel ik een lekker huis heb, een relatief ruime tuin en prettige buren bovendien, heb ik altijd een vaag gevoel van spijt gehouden van die verhuizing van de Veluwezoom naar het westen. It’s no use crying over spilt milk, dus niet te serieus nemen, dat vage gevoel, maar er ondertussen wel met een half oog naar blijven kijken. Verdwijnen doet het niet, dus misschien is het slim als ik er iets mee doe. De stap om mijn huis te verkopen en uit Haarlem te vertrekken, is te groot voor me. Maar de behoefte aan een plek in de natuur laat zich weliswaar onderzoeken, maar niet wegredeneren. Een recreatiehuisje is een compromis tussen angst en wens. Jaren doe ik erover om de wens de overhand te laten nemen op de angst. Soms was de wens weliswaar groot, maar meestal viel dan het aanbod tegen. Vorig jaar vond ik eindelijk iets dat voor een belangrijk deel aan mijn wensen tegemoetkwam. Weer moest ik uitgebreid mijn motieven onder de loep nemen: verwacht ik nou niet stiekem toch dat omstandigheden buiten mijzelf me gelukkig kunnen maken? Ik weet toch allang dat dat onmogelijk is?

De kachel brandt. Ik mijmer wat en kijk naar buiten. De merels die rondscharrelen, zag ik gisteren ook, maar vandaag worden ze vergezeld door allerlei fladderend grut. De meesjes en de boomklevers hebben eindelijk de vetbol ontdekt die er al een paar dagen hangt. Het roodborstje komt weer eens een kijkje nemen, en hé, is dat nou een mus? Díe heb ik lang niet gezien! Het mooiste vind ik het winterkoninkje met z’n opstaande staartje, dat zoals altijd verrassend dicht bij het huisje komt. Wat vindt ie daar toch? Dan zit er opeens een eekhoorn, juist onder de boom waarin de vetbol hangt. Zou hij het doorhebben? Kennelijk niet, want hij rent naar een andere boom waarin hij omhoog gaat. Ik zie hem nog een sprongetje maken naar een volgende boom, maar verlies ‘m dan uit het oog. Het grut gaat onverstoorbaar door met fladderen en scharrelen.

Natuurlijk kleven er, voor mij althans, ook nadelen aan zo’n tweede huisje. Ik ben nooit goed geweest in het verdelen van mijn aandacht, en ook ben ik nooit een hartstochtelijk klusser geweest, en nu heb ik maar liefst twéé plekken waar van alles moet gebeuren of in elkaar dreigt te storten. Zorgen, zorgen, zorgen. Toch heb ik nog geen moment spijt gehad van m’n aanschaf. Geluk komt dan misschien niet van buiten mezelf, maar ik vind het in de praktijk toch echt makkelijker om me bewust te zijn van het geluk in mijzelf wanneer ik in de natuur ben dan wanneer ik in de stad, tussen de huizen en de auto’s, zit.

Ik merk regelmatig dat ik ernaar verlang om daar, in mijn huisje in het bos, te gaan wonen. Daar kleven onnoemelijk veel nadelen aan, waarvan een van de belangrijkste misschien wel is, dat het, wanneer ik daar wóón, niet langer de paradijselijke status heeft die het nu heeft. Zoals gebruikelijk probeer ik mijn motieven te analyseren. De ‘ja, ik wil’-stem die in me leeft, wordt bestookt met vele varianten van de vraag in hoeverre daar gaan wonen een vlucht is. De ‘nee, ik laat de situatie maar zoals die is’-stem krijgt in eindeloze herhaling de vraag voorgelegd of hij niet door angst ingegeven is.

Ik overhaast niks. Maar ik hoop dat ik het aandurf ooit de stap te zetten.

Geplaatst in twijfel | 6 reacties

Niet bepaald een trail

Het werd zo’n stukje tekst dat nu nog op het bureaublad prijkt, maar dat binnenkort in de prullenbak zal verdwijnen. Komt het doordat ik te serieus ben? Moet het allemaal weer te genuanceerd? Of komt het domweg doordat ik te veel onderwerpen in een stukje wil persen? Het schrijft niet lekker, en ondanks meerdere keren opnieuw beginnen, blijf ik ontevreden.

Een van de dingen waarover ik schrijf, is hoe goed het is dat het hardloopseizoen voor mij ten einde loopt. Niet alleen fysiek ben ik toe aan rust – de klachten nemen in aantal toe, en de hardnekkigste ervan lijkt bovendien in ernst toe te nemen – maar ook merk ik dat ik de gretigheid om nieuwe plannen te maken een beetje kwijt ben. Kennelijk ben ik eraan toe de aandacht eens even op wat andere dingen te richten – al blijf ik uiteraard ondertussen gewoon hardlopen. Ik mag de Beartrail nog lopen, eind oktober, en dan zit het er voorlopig even op voor mij, qua langloperij.

Wat ik ook schrijf, is dat het vagelijk blijft knagen dat ik de ongekende vorm die ik met al mijn gretigheid dit jaar heb weten te bereiken, niet heb weten om te zetten in klinkende cijfers, of in een finish op het koningsnummer van dit jaar. Best leuk hoor, om op de atletiekbaan met een sneller clubje mee te kunnen lopen. Nog leuker misschien om complimenten van de trainer te krijgen, maar wat koop ik ervoor? Harde cijfers willen we, en dat is niet gelukt. Maar desondanks, nee, ik ben blij dat ik een poosje kan stoppen, het is goed zo.

Dan laat Jos weten dat hij niet mee kan naar de Beartrail. Zelf heb ik geen auto tot mijn beschikking, omdat de mijne twee weken geleden total loss gereden is. Ik weet vrijwel meteen dat ik dan ook niet zal gaan. Dat is in bijna alle opzichten slimmer – al zal ik jullie het beschrijven van die opzichten besparen. Maar help! Paniek in de tent. Het is één ding om te bedenken dat het lekker is om te stoppen terwijl je nog een serieuze loop te gaan hebt, maar het is iets heel anders als er opeens helemaal geen plannetje meer is om naartoe te leven. Ik schiet meteen in een dip. Winterrust alla, maar hoe zorg ik ervoor dat dat niet ontaardt in een winterdepressie?

Ik móet iets alternatiefs verzinnen voor dit weekend, en dan het liefst voor de zondag. De Duinentrail ligt, achteraf gezien, het meest voor de hand, maar gek genoeg komt die niet in me op. Wel overweeg ik heel even om te proberen een startbewijs voor Etten-Leur te bemachtigen – kan ik eindelijk eens proberen mijn marathontijd te verbeteren. Maar dan ben ik alsnog een hele dag weg, en daar heb ik weinig zin in. Nee, laat ik het gewoon dichtbij huis houden, en lekker kort: de Heemstedeloop, 10 kilometer. Daar kan ik op de fiets naartoe, en dan kan ik mooi nu wél een nieuwe tijd neerzetten, wat me een paar weken geleden in Bergen niet lukte. Onder de 47 minuten zou moeten kunnen lukken, denk ik. 46 zelfs misschien?

Bianca reageert bezorgd als ze op woensdagavond hoort dat ik overweeg om ook in Heemstede te komen lopen. Moet ze mij ook nog achter zich zien te houden. Ik lach erom. Dat moet voor haar geen probleem zijn, met een pr dat minstens 5 minuten sneller is dan dat van mij. Maar goed, zij gaat geen pr lopen deze keer, ik hopelijk wel. Met Bianca, Yvonne en Mark sta ik in het startvak. Ik ben een stuk zenuwachtiger dan een paar weken geleden in Bergen. Er hangt natuurlijk niks van af, maar ik vind het opeens ouderwets spannend.

Ik ben bang dat ik te langzaam start, maar als ik op mijn horloge kijk, zie ik dat ik op dat moment 4’00” per kilometer loop. Oeps, even terugschakelen. Ik zoek een tempo waarmee ik m’n kansen op een snelle eindtijd niet vergooi, maar dat desalniettemin comfortabel voelt. Comfortabel genoeg om het een paar kilometer vol te kunnen houden althans. Een stukje voor me zie ik Yvonne lopen. Ik haal haar in en zij wijst me op Bianca die we nog in het zicht hebben. Volgens Yvonne betekent dat dat wij goed gaan, maar ik vraag me af of het niet betekent dat ik te snel ga. Nou ja, we zullen het zien. Ik kijk weliswaar zo nu en dan op mijn horloge om te zien hoe snel ik ga, maar verbind er weinig conclusies aan. Alleen als ik zie dat ik rond de 5′ de kilometer loop (waarschijnlijk wordt de gps-ontvangst op dat moment gehinderd door de bomen van Groenendaal), schrik ik en heb ik de neiging om te versnellen. Meestal zit ik echter zo tussen de 4’35” en 4’45” en dat is snel zat. Ik word ingehaald door een man die mij bekend voorkomt, maar van wie ik niet weet wie het is. Hij moedigt me aan, en zegt dat dit een makkie voor me moet zijn. Ik loop toch altijd 100 kilometer? Hij blijkt bij mijn praatje voor de vereniging geweest te zijn laatst.

Het stukje door Groenendaal is mooi – onverhard, maar stevig. De rest van het parcours is oké. Maar eigenlijk heb ik er weinig oog voor, vrees ik. Het tempo dat ik loop, is comfortabel genoeg voor 7 kilometer, maar daarna slaat het discomfort toe. Ik ben inmiddels Bianca gepasseerd. Zij roept me na dat het gaat om dat pr en dat ik door moet zetten. Dat pr komt er wel, weet ik, maar het doorzetten, de druk op de benen blijven houden, begint nu serieus pijn te doen. Mijn longen protesteren, de adem giert door de luchtwegen. Nog 2 kilometer, wat een roteind. Het liefst had ik nog willen versnellen, maar ik ben bang dat ik mijn kruit daarvoor te vroeg verschoten heb. Consolideren, als me dat lukt, mag ik allang blij zijn. Ik steek nog steeds mijn duim op naar toeschouwers en probeer te lachen, maar ben bang dat die lach inmiddels meer weg heeft van een pijnlijke grimas. Nog 1 kilometer, 2,5 rondjes op de atletiekbaan. Dat moet ik kunnen volhouden, toch? Minder dan 5 minuten lopen nog, kom op! Steeds denk ik dat Bianca me weer voorbij zal gaan, maar ik kan wel sneller wíllen, maar sneller gaan dan ik ga, lukt me domweg niet. Ik heb ook te weinig energie om in competitie te gaan met anderen, trek me hooguit heel even aan iemand op, maar heb de handen vol aan mezelf. Een paar honderd meter nog.

Dan is daar de finish. Met 45’10” een vet pr. Ik neem me voor er deze keer mijn mond over te houden dat de route iets te kort was😉. Bianca zit 2 seconden achter me. Als het parcours 100 meter langer was, zou ze me nog ingehaald hebben. Maar ja, dat was het niet.

Met trailen had het niks te maken. Met ultralopen evenmin. Het leek nog het meest op hardlopen. Joh, het moet niet gekker worden. Ik kan hiermee niets afstrepen van een lijstje, maar mijn behoefte aan harde cijfers is voor dit moment even bevredigd. Ga ik nu toch maar die winterrust in.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Snelle schoenen

Het werd tijd dat ik weer eens ouderwets een wedstrijd zou uitlopen, vond ik. Dus zonder geheel per ongeluk een stuk af te snijden, of eerder dan bij de finish de handdoek in de ring te gooien, met wat voor vage smoesjes dan ook. Dus (ja, alweer dus) schreef ik me voor de zekerheid maar in voor een 10 kilometer – de kans dat ik die zou kunnen finishen, leek me geruststellend groot. Het Rondje Bergen moest ‘m worden, en dat stond voor vandaag op het programma.

In het kleedhok heeft een vrouw het over mul zand. Eh, wacht even, mul zand zeg je? Maar heb ik me dan niet ingeschreven voor een verharde loop? Een andere vrouw vindt dat ik niet moet zeuren, zij heeft het MST-logo op mijn shirt gezien. Jaja, tuurlijk, maar eigenlijk ging ik vandaag voor een PR. Nou ja, ik voelde me toch al een beetje brak (geen handige korte-termijn-voorbereiding), en met mul zand heb ik alvast een goed excuus voorhanden wanneer de eindtijd tegenvalt.

Het parcours blijkt maar 0,4 keer zo verhard te zijn als ik dacht toen ik me inschreef. Het zijn twee rondjes van 5 kilometer (dat wist ik dan weer wél), waarvan grofweg de eerste en de laatste kilometer verhard zijn. De rest loopt door het bos en door de duinen. Het is lekker nat en dus modderig in het bos, en in de duinen hebben we, inderdaad, mul zand. En nog een paar hoogtemeters ook. Twintig in totaal, voor een beetje bergloper is dat natuurlijk te verwaarlozen, maar voor een trailloper met een identiteitsprobleem en nog zwakke bovenbenen ook, tellen ze wel degelijk. Het is dus een veel leuker parcours dan ik had verwacht, maar wat minder handig voor een snelle tijd. Ik heb mijn supersnelle impulsaankoop-wedstrijdschoenen aangetrokken, uitermate geschikt voor het tartan van de atletiekbaan en voor gladgeschoren asfaltwegen. Vandaag waren trailschoenen beter op hun plaats geweest.

Als het me zou lukken de kilometertijden op 4’45” te houden, zou ik een PR lopen, wist ik. Ik kijk regelmatig op mijn klokje, maar heb niet de moed of de power om écht op een tijd te  lopen. In de wat zwaardere stukken moet ik accepteren dat ik soms even boven de 5’ zit. De derde kilometer is het zwaarst, daar zit het mulle zand in en ook het meeste hoogteverschil. De achtste kilometer is logischerwijs opnieuw het zwaarst. Toch zie ik achteraf dat mijn negende kilometer de langzaamste was. Dat is de enige kilometer waar ik langer dan 5 minuten over heb gedaan. Gek, zo voelde dat helemaal niet. Om het een beetje goed te maken, was de volgende, de laatste, dan wel weer de snelste kilometer van de hele wedstrijd.

Ik klok zelf bij de finish 47’51” en dat is geen PR, weet ik. Maar toch een goede tijd, en in verhouding tot die PR-wedstrijd eigenlijk een betere, weet ik ook. Ik mag er tevreden mee zijn, maar ik had op iets sneller gehoopt. Ik ben bovendien een beetje boos op mijzelf, omdat ik niet verstandig vroeg naar bed ben gegaan, gisteravond. En ook heb ik bij de eerste doorkomst geen bekertje water genomen – het eeuwige dilemma: vaart minderen om een bekertje aan te pakken en om iets te kunnen drinken, kost tijd, maar drinken had de tweede ronde misschien gemakkelijker voor me gemaakt.

Als de uitslagen online staan, zie ik dat mijn officiële eindtijd 47’43” is. Toch maar eens opzoeken wat die PR-tijd nu eigenlijk precies was. Ik blader terug naar de Velserbroekloop 2012. Verrek joh: 47’43”. Exact dezelfde tijd. (Later liep ik eens 47’06”, maar die loop was volgens mij te kort, dus die tel ik niet mee.) Hoef ik me alleen nog maar af te vragen waardoor die negende kilometer zo langzaam ging.

Leuke wedstrijd, mooi rondje. En altijd weer leuk om óók die korte afstanden te lopen. Voor herhaling vatbaar. Tijdens het lopen zelf kun je behoorlijk diep gaan, maar, anders dan na een 100 kilometer, je voelt je 10 seconden na de finish alweer zo goed als nieuw. Heerlijk.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Nog meer in de war

Hoe kan ik nou ooit een trailloper zijn, als ik die rondjes op de atletiekbaan zo alleronwaarschijnlijkst leuk vind om te doen?

Manmanman, wat weer een lekkere training was dat. In de tropische hitte, beschenen en misschien wel bespot door een donkergele maan. Druipend van het zweet, lachend mopperend over de warmte en het programma. Vijf maal 800m-200m en stiekem ging het nog best snel ook.

Na afloop nog even groepsgewijs planken en mijn geluk is compleet. En dán nog sjezend op de fiets door de stad naar huis met het zicht op diezelfde maan. Wat een overvloed.

Geplaatst in hardlopen, identiteit | 2 reacties

In de war

Al met al had ik een verwarrende vakantie.

Ik rijd op vrijdag, twee weken voor de wedstrijd, naar de Vanoise, een berggebied net ten oosten van het Belledonne-massief. Vóór het weekend, zodat ik de laatste nog een klein beetje serieuze duurloop mooi in de bergen kan doen. Op zaterdagmorgen doe ik de eigenlijke vrijdagtraining. Nog weinig hoogtemeters, maar pittig genoeg. Ik had niet anders verwacht, na een reisdag en zonder acclimatisatie op een hoogte van krap 1500 meter boven zeeniveau. Op zondag mag ik dan die duurloop doen. Rugzak op de rug, stokken in de hand, net echt. Het pad tegenover de camping omhoog, langs een boerderij met schaapskudde en bijbehorende hond (kan ik daar mooi meteen mee oefenen, want die schijn ik tijdens de wedstrijd ook tegen te kunnen komen), naar de col, en achterlangs de topjes die je vanaf de camping ziet weer naar beneden, met op het laatst nog een stukje stippels op de kaart – lastig terrein. Vanaf de col naar beneden, kom ik langs een afslag naar links. Het pad leidt naar de top met kruis, en ik kan het niet laten het klimmetje er nog even bij te nemen. Het gestippelde stukje is niet al te ingewikkeld, maar net spannend genoeg om te gaan wandelen in plaats van te blijven hardlopen. Ik voel een dilemma: als ik hier nog echt iets aan wil hebben, trainingstechnisch gesproken, moet ik niet al te tuttig voorzichtig afdalen, maar aan de andere kant is een enkel verstuiken zo anderhalve week voor de wedstrijd natuurlijk wel het laatste wat ik wil. Ik kies voor de voorzichtige kant.

Op maandag neem ik, verstandigerwijs, een rustdag (ik ben tenslotte aan het taperen), maar dinsdags mag ik dan van mezelf een wandeltocht maken. Ik heb mijn zinnen gezet op een rondje dat D&GJ, die vorige maand op deze zelfde camping stonden, maakten. Daar zit een col in die zuslief D een beetje al te spannend vond, en ze vindt het dan ook niks dat ik dat rondje in mijn eentje wil gaan maken. Ik besluit om het in tegengestelde richting te lopen, dan krijg ik het spannende deel stijgend, en dat is altijd minder eng dan dalend. Bovendien, denk ik, heb ik wat meer ervaring dan zij in alpien terrein, en heb ik weinig last van hoogtevrees, dus ik verwacht dat het wel los zal lopen. En ik zeg maar niet tegen haar dat ik verwacht in mijn wedstrijd ook wel wat spannende passages tegen te zullen komen. Toch ben ik gespannen, zeker als ik de helling waar ik doorheen zal moeten, heb zien liggen en herkend heb van een van hun foto’s. Van een afstand ziet het er ondoenlijk uit, maar uit ervaring weet ik dat het van dichtbij dan meestal toch blijkt mee te vallen. Ondanks de wens om het lastige deel maar achter de rug te hebben, dwing ik mezelf eerst een kop koffie te gaan drinken bij de hut waar D&GJ overnachtten. De koffie is op, en er wordt verse voor me gezet. Hij smaakt me heerlijk, maar bevat te weinig cafeïne om te voorkomen dat ik later op de dag barstende koppijn krijg. Ik verzuim om tegen de huttenwaard te zeggen waar ik naartoe ga, al heb ik me nog zo voorgenomen dat te doen. Als ik na de kop koffie verder loop, hoop ik tegen beter weten in nog dat de col toch wat meer naar rechts ligt, een beetje om de hoek. Daar lijkt het me veel beter te doen. Maar nee, het is toch echt die wand van de foto waar de markeringen me naartoe leiden. Ik neem me voor om, wanneer het spannend wordt, even te stoppen om wat losse dingen (zonnebril, telefoon) in mijn rugzak te stoppen, en ook de stokken weg te steken, zodat ik mijn handen vrij heb. Als het zo ver is, doe ik dat braaf. Het valt overigens mee. Het is een redelijk begaanbaar pad, het is alleen retesmal, retesteil en vooral reteluchtig. Ik hoef niet per se naar beneden te kijken en zoek hier en daar met mijn handen steun bij de rotsen. De kettingen die er hangen, negeer ik. Al valt het me mee, ik denk ondertussen toch wel: ik hoop maar dat dit het is, wat D bedoelde, want spannender dan dit hoeft het van mij nou ook weer niet te worden. Eigenlijk was ik van plan om een poosje op de col te blijven met het oog op de acclimatisatie, maar als ik boven ben – de col is lager dan ik in mijn hoofd had, dus ook dat valt weer mee – en het blokkenterrein en de plukjes sneeuw aan de andere kant zie, en er bovendien wat donkere wolken in de lucht hangen, wil ik daar toch maar zo snel mogelijk weer weg zijn. Mijn grootste angst is dat ik de route niet kan vinden en ga lopen dwalen. Zorgen om niks, want door het eerste sneeuwveldje loopt een spoor, en daarna zie ik al snel het eerste steenmannetje. En weer een, en weer een. Bij de volgende hut loop ik door. Het blijft lastig voor me, in mijn eentje ergens iets gaan drinken of eten. Later in de afdaling dwing ik mezelf echter om toch nog even te gaan lunchen in het gras. Ja, natuurlijk kan ik in een ruk door naar beneden lopen, maar dit was toch bedoeld als een dagtocht? Wat heb ik eraan om zo snel mogelijk weer beneden te zijn, terwijl ik toch al zoveel tijd op de camping doorbreng? Bovendien: hoe langer op hoogte, hoe beter. Echt lang houd ik het niet vol, de onrust is nog niet uit mijn lijf, al zit ik weer op een eenvoudig pad en zijn ook de donkere wolken verdwenen. Na de stop volgt nog een vervelend en lang pad naar beneden – blij dat ik het rondje andersom gelopen heb en dit niet heb hoeven stijgen. Zeven uur na vertrek ben ik weer bij mijn tent terug. Super gelopen, maar behoorlijk gesloopt en, zoals gezegd, met een barstende koppijn. En met twijfels. Laurens zei het zo makkelijk, dat ik natuurlijk ook wel wat mocht wandelen in die laatste weken, maar daarbij heeft hij misschien een iets ander soort wandelingen in gedachten gehad dan wat ik vandaag gedaan heb. Dit was veel zwaarder dan die hele Trail du Val d’Heure van anderhalve week geleden, terwijl dat in mijn piekweek was, en ik nu zwaar in de taperperiode zit. Ik heb nog negen dagen om hiervan bij te komen, hopelijk is dat genoeg.

Dit is mijn grootste dilemma deze vakantie. Ik denk van tevoren dat ik het perfect georganiseerd heb voor mijzelf: twee weken voor de wedstrijd naar de bergen, zodat ik volop kan acclimatiseren en nog wat kan trainen in lastig terrein. Dat laatste levert al een dilemma op zich, zoals ik al schreef. Maar ik moet niet alleen acclimatiseren, maar ook taperen. En nu heb ik, voor het eerst van mijn leven, deze keer toch al niet zoveel zin om te taperen, maar taperen terwijl ik ook nog eens in de bergen ben, zet me helemaal klem. Ik houd echt veel van bij m’n tent zitten, het is ook nog eens prachtig weer en ik heb gelukkig heerlijke boeken bij me, maar dit jaar is het een beetje veel van het goede. Ik heb natuurlijk nog wat (korte) hardlooptrainingen af te werken, maar daar vul ik mijn dagen niet mee. Ik wil omhoog, ik wil weg. Niet elke dag, maar zo om de andere dag zou mooi zijn. Maar de vermoeidheid na die eerste wandeltocht maakt wel duidelijk dat ik dat niet nog een keer moet doen. De hele tijd ben ik aan het wikken en wegen: wat wel en wat niet. Wat is verstandig? Ik wil natuurlijk niet mijn voorbereiding op de EB verknallen, maar aan de andere kant: het is ook vakantie en zo vaak ben ik niet in de bergen.

Nou, dat dus. Ik mag nog een keer een wandeltocht maken van mezelf, maar doe het die dag bewust een stuk rustiger aan, en blijf nu wél ter acclimatisatie wat langer op de beide cols die ik over moet. Het is veel relaxter, maar duidelijk minder bevredigend. En ik wandel nog een keer naar het dorp, waarbij ik het niet kan laten de afdalingen hard te lopen. Niet hard hard dan, maar rustig hard. Het blijft leuk, hardlopen in de bergen, ook als dat hardlopen feitelijk een beetje dribbelen is.

Verwarrend, zei ik. Het alleen op vakantie zijn, vind ik dit jaar wat minder ideaal dan anders. Ik zal nooit ontkennen dat alleen zijn zo z’n nadelen heeft, maar meestal zie ik ook veel voordelen. En bovendien: het is nu eenmaal niet anders. Maar dit jaar vind ik het lastig. Het is niet zo dat ik me zielig voel (om)dat ik alleen ben, en ik voel me echt niet ongelukkig, maar helemaal blij en tevreden voel ik me evenmin. Ik heb niet veel contact met andere mensen op de camping, dat helpt niet. Het lijkt wel of mijn vaardigheid om in het Frans te converseren elk jaar achteruit gaat. En ik ben misschien te veel geneigd te denken dat ik geen anderen nodig heb – op dat punt kom ik altijd weer bedrogen uit.

Tijdens die tweede wandeling loop ik een echtpaar achterop dat met een verrekijker een groepje steenbokken aan het bekijken is. Zij rusten niet voor ik de ‘bouquetins’ ook ontdekt heb. Gelukkig hebben ze veel geduld😉. We lopen door, ik ga wat sneller dan zij en zeg dat ik hen op de col wel weer zal zien. Daar komen ze inderdaad een poosje na mij aan, ze lopen even door en komen dan weer terug. Ik vraag hun wat ze doen, waar ze naartoe gaan. We raken in gesprek, en ik vertel dat ik de week erop een wedstrijd in het Belledonne-massief ga doen. “O, l’Echappée Belledonne?” vragen ze. Wtf, kennen ze die? Nou, hun zoon (ze zeggen wel steeds ‘fils,’ maar de man zegt in het begin ook ‘our brother,’ en tijdens het gesprek denk ik steeds: is het nou haar broer of de zijne? later tijdens de afdaling bedenk ik pas dat het natuurlijk om hun zoon ging, en dat daarom dat ‘notre’ de hele tijd volkomen op z’n plek was) gaat hem ook lopen, en zij gaan hem supporteren. Nou ja, hoe leuk is dat nou toch! Ze vragen mijn naam (ik zeg dat die waarschijnlijk ook wel op het startnummer staat), en zullen me inderdaad tijdens de wedstrijd een paar keer aanmoedigen – vlak na de start, en ergens tussen post 1 en 2. Ik hoop maar dat hun zoon de wedstrijd wél heeft uitgelopen. Maar goed, dat zijn details. Tijdens die wandeling merk ik hoeveel goed het doet om even contact te hebben met een paar aardige mensen; en dat dat dan ook nog mensen zijn die een beetje snappen wat ik ga doen, beschouw ik als een bonus. Op de camping beperkt het contact zich tot een ‘bonjour’ en een ‘bonsoir’ op z’n tijd, met soms een ultrakort gesprekje. Het is geen drama, en de gratis wifi zorgt ervoor dat ik me in elk geval regelmatig verbonden voel met het thuisfront, maar het alleen zijn voelt deze keer een beetje leeg.

Over verwarring gesproken. Tijdens de pastamaaltijd voorafgaand aan de grote dag, voorspelt Hans dat die wedstrijd echt he-le-maal niet leuk gaat zijn. En hij kan het weten, want hij waagt dit jaar zijn derde poging. In het eerste jaar wist hij helemaal niet waar hij aan begon, vertelt hij, en zat hij bij de base vie in Pleynet zo stuk dat hij z’n startnummer inleverde. In het tweede jaar werd hij ziek. Maar ik denk: jaja, het zal wel. Als het echt helemaal niet leuk is, waarom ga je het dan nu wéér proberen? Om iets te bewijzen? Maar zo iemand lijkt hij me helemaal niet. Ja, het zal zwaar zijn. Ja, het zal zwaarder zijn dan wat je hiervoor hebt gedaan. Maar zwaar ís toch juist leuk? Hans heeft ook de eerste editie, afgelopen winter, van de Legends Trail gelopen. En is daar gefinisht, wat niet bepaald vanzelf spreekt. 250 kilometer lang door de Ardennen, onder niet echt lichte omstandigheden. Hij is zo’n 60 uur onderweg geweest, en heeft het daarvan misschien 1 uur naar zijn zin gehad, zegt hij. Ik reageeer ongelovig. Niet zozeer omdat ik hem niet geloof, maar omdat ik er gewoon niet bij kan met mijn hoofd. Zoals ik in mijn vorige blog al schreef: het is echt niet zo dat ik zo naïef ben dat ik denk dat het steeds maar leuk is onderweg, tijdens zo’n ultra. Ik drijf zelfs een beetje de spot met een paar mensen van wie ik weet dat ze tijdens de race van hun leven uitstapten ‘omdat ze het niet leuk meer vonden.’ Niet léuk meer vonden, niet léuk meer vonden? Ben je nou helemaal belazerd? Natúúrlijk vind je het niet leuk, maar daarom stap je toch niet uit? “Ik loop door tot het niet leuk meer is, en daarna loop ik door tot het weer leuk is,” is een uitspraak die op facebook rondging toen ik daar nog, iets te veel naar mijn zin, rondhing. Maar toch. Als je het niet doet omdat je het, op welke wonderlijke en ondoorgrondelijke manier dan ook, leuk vindt, waarom doe je het dán in vredesnaam?

Ik denk terug aan mijn vier enigszins lange berg(achtige)lopen. Van de eerste, de 80 du Mont Blanc, herinner ik me vooral verwondering en enthousiasme. Vond ik het steeds maar leuk? Nee, zeer zeker niet, daarvoor was het bij vlagen toch te zwaar. En dzjie, wat deden mijn bovenbenen zeer in de afdalingen! Maar toch vond ik het ook weer wél (bijna) steeds maar leuk. Wat een mooi werk, om zo de hele dag een beetje door de bergen te banjeren. Ik wist nauwelijks waar ik aan begonnen was, maar voelde dat ik het kon, dat ik het zou gaan halen. Als toetje kregen we toen, oké, oké, nog gevolgd door een vrij ellendige en eindeloos durende afdaling, dat hoogtepad met het volle zicht op de Mont Blanc daar voor ons, en links van ons de rotsige toppen van de Aiguilles de huppeldepup, dit alles beschenen door een heldere maan.

Het moment waaraan ik altijd moet denken wanneer ik me afvraag wat er nu eigenlijk leuk is aan dit lange geloop, is er een tijdens de Trail Verbier-Saint Bernard. Toen ik daar bij de Lacs de Fenêtres liep, voelde ik me zo onwaarschijnlijk gelukkig. De omgeving droeg zeker bij aan dat gevoel van geluk, maar ik meen dat het gevoel van kracht dat ik op dat moment ten volle ervaarde, nog bepalender was. Maar als ik er dan aan denk hoe ik later, ’s nachts, liep te ploeteren door de modder, hardop mopperend en vervuld van zelfmedelijden, tja, was dat nog leuk? Nee, helemaal niet. En toch? Ik zou het zo weer doen. Prachtige race.

Van een heel ander kaliber was dan The Real Kick, in de Eifel. Die liep ik samen met Hannah, wat al een (plezierig) verschil maakt ten opzichte van alleen lopen. Ik had het hier zwaar, maar toch vond ik het ook weer erg leuk. De kleinschaligheid droeg daaraan bij, maar ook de afwisseling van redelijke paden en kruip-door-sluip-door door de bosjes. En het maffe, van in het stikkedonker je pad proberen te vinden door of langs een ruïne, midden in de nacht door de Duitse bossen met ter afwisseling zo nu en dan een uitgestorven plaatsje, als laatste verzorgingspost een bankje in the middle of nowhere met wat flessen cola en een vuistvol pinda’s verpakt in chocola. En ook hier, net als in Chamonix en in Verbier in de twee voorafgaande jaren, finish ik met het gevoel dat ik nog wel even door zou kunnen gaan. Als het zou moeten, dan.

Dat gevoel ontbreekt bij de finish in Grainau, bij de Zugspitz ultra, dit jaar. Vond ik die leuk? Nou, het ging wel. Niet bijster. Maar ook daar maakte het gevoel dat ik het kón, terwijl het ook zwaar was, terwijl het regende, terwijl ik me onbehaaglijk voelde in mijn natte kleren, terwijl ik mopperde op de route, me toch weer blij.

Het gevoel dat je hebt wanneer je de grens opzoekt van wat je fysiek aankunt, en dan net onder die grens blijft, is een verslavend lekker gevoel. Daarom kan een pr lopen op een 10 kilometer of een halve marathon ook zo bevredigend zijn. Dat gaat maar zeer ten dele om de prestatie op zich – veel meer is het het gevoel dat je het niet meer kunt volhouden, en dat je dan tóch volhoudt. Het gevoel dat je hebt wanneer je je reserves aanspreekt. Waarom dat dan precies zo bevredigend is? Geen idee. Het zal wel een stofje vrijmaken in je hersenen of zo. Maar ondertussen doet het pijn. Genieten? Dat doe je maar een andere keer, daar heb je nu even geen tijd voor. De beloning krijg je later.

Die mogelijke beloning na afloop was deze keer te virtueel om me op de been te houden. Het vlees te onwillig, de geest te zwak. Of net andersom. Dat geeft niet, mag ook best eens een keer. Het is alleen een beetje onbevredigend. Onvermijdelijk val ik na afloop ten prooi aan ‘wat als’-gedachten. Daarvan zijn er de gebruikelijke: wat als ik beter getaperd zou hebben, wat als ik rustiger gestart zou zijn, wat als ik vaker gestopt was, wat als ik beter zou hebben kunnen eten, meer zou hebben gedronken? Klein bier, allemaal. Een gedachte is nieuw, en nogal hardnekkig aanwezig – wat als er in Pleynet iemand zou hebben gestaan, die me niet alleen met de praktische dingetjes zou hebben geholpen, maar die vooral tegen me zou hebben gezegd: kom op, Schreuder, je bent niet geblesseerd, je bent niet ziek; zorg dat je goed eet en rust en natúúrlijk ga je dan verder. Er is geen enkele reden om hier te stoppen. Hier, eet je soep op. Wat dan? Dan zou ik de volgende post waarschijnlijk gehaald hebben, de rest blijft onzeker. Laurens vraagt na afloop waarom ik hem niet gebeld heb. Nou eh, het was kwart over twee ’s nachts. Nou en? Oh, nou, dat moet ik de volgende keer dus even met hem afspreken, dat mag en kan blijkbaar.

Laurens vraagt me ook plannen te maken voor de rest van dit jaar, en alvast na te denken over wat ik volgend jaar zou willen doen. Voor concrete plannen is het te vroeg. Ik verlang ernaar om op eigen gelegenheid in de bergen onderweg te zijn (niet per se alleen, daar heb ik op dit moment even mijn buik van vol, maar met een klein groepje), maar zal ook wel weer een wedstrijd gaan lopen, verwacht ik. De stip aan de horizon, die sinds enkele jaren werd gevormd door de Tor des Geants, is vervaagd door het geruzie in de Aosta-vallei. In 2017 ben ik er sowieso nog niet aan toe, dus ik kan nog even rustig afwachten hoe het zich daar ontwikkelt en wat er van de race(s) overblijft. En misschien kom ik er wel nooit aan toe, want ik ben er niet meer zo zeker van dat ik (veel) langer dan een etmaal onderweg zijn goed aan zal kunnen. Dat zal nog moeten blijken. Ik sudder.

En terwijl ik sudder, zijn de trainingen weer begonnen. Op z’n Laurens’: bam bam bam. No mercy.

Geplaatst in hardlopen, kamperen, twijfel | 3 reacties

No mercy

Als ik aan kom lopen om m’n startnummer te halen, zie ik in de rij direct Jonathan staan. Hij draagt een t-shirt met op de rug de tekst:
no off days
no excuses
no mercy
In kapitalen uiteraard.

Over die eerste hoef ik het niet te hebben. Volgens mij heeft iedereen wel eens een off day, maar is de strekking hier meer dat je dat niet als excuus kunt aanvoeren, zodat ie eigenlijk valt onder de tweede. Twee en drie zijn interessant.

Jonathan is ook degene met wie ik in het startvak sta. Stella heeft in Vizille geslapen, en haar hebben we sinds gisteren niet meer gezien. Hans zijn we kwijt sinds die een paar uur eerder in Aiguebelle in een andere bus stapte dan wij. Ik neem tenminste maar aan dat hij wel inderdaad in een bus gestapt is en niet bij nader inzien heeft besloten terug te gaan naar z’n tent. Van de Japanners met wie we gisteren aan de pasta zaten geen spoor. Het is een minuut over zes, en nog wordt er niet afgeteld, alleen maar geluld. Het kost me moeite mijn ongeduld te bedwingen, laten we alsjeblieft beginnen. Ik ben helemaal niet zenuwachtig, maar heb wel maar een uurtje of zo geslapen (no excuses) en dat is toch een beetje gek, als je niet zenuwachtig bent.

In de eerste etappe, tot de verzorgingspost van Arselle (R1), op 16,5km (1488mD+, 148mD-), is de Echappée Belle ons nog genadig. Het terrein is met de kleur groen gewaardeerd – ‘sans difficulté.’ Het begint met een stukje vlak, tot we een vriendelijk stijgend bospad op mogen. In dat bos is overigens de warmte van de afgelopen week flink blijven hangen, maar bij het stijgen wordt het vanzelf koeler (no excuses). Ik laat Jonathan meteen gaan, maar als ik zie dat hij op dezelfde afstand van me, een paar meter voor me, blijft lopen, versnel ik toch maar even om naast hem te komen. Wel zo gezellig. We houden allebei van de Ecrins – vakanties in de bergen, het beste gespreksonderwerp dat er is. Als er wat meer ruimte op het pad ontstaat, loopt Jonathan van me weg. Ik zal hem tijdens de race nog éénmaal terugzien. Na een uur of drie ben ik al bij de post. Een tussentijd die me meevalt (nu nog even: mercy).

Ik gedraag me voorbeeldig bij de post. Eerst waterzak bijvullen, het belangrijkste. Dan eten en drinken. Voor vertrek denk ik er ook nog aan een behoorlijk irritant steentje uit m’n rechterschoen te verwijderen. Uiterst efficiënt allemaal. Tevreden over mezelf ga ik dan ook weer op pad, maar met die tevredenheid is het al snel gedaan. Ik stel er een eer in om in de bergen ‘netjes’ te lopen. Beheerst, niet te grote stappen, geconcentreerd. Nou kan die eer me gestolen worden, maar het feit dat ik om de haverklap tegen stenen aan schop, m’n evenwicht verlies, onhandig ben en daardoor slordig loop, belooft weinig goeds. Ik schaam me voor de mensen die achter me lopen (want zo ben ik wel), maar belangrijker: ik probeer te analyseren wat er aan de hand is en, nog belangrijker, het tij te keren. Die analyse heeft weinig om het lijf. Ik weet best wat er in dit soort gevallen eigenlijk altijd aan de hand is: ik loop boven m’n macht. Het lijkt niet alsof ik te snel ga, maar kennelijk is dat toch het geval. Ik voel me opgejaagd doordat er mensen vlak achter me lopen, en stap aan de kant om hen te laten passeren. Dat zal ik de rest van de dag nog minstens een keer of honderd doen, schat ik. Ik vind het een zwaar stuk, en zie achteraf tot mijn schrik dat deze etappe grotendeels blauw (‘facile’) gewaardeerd is, met het laatste gedeelte rood (‘difficile’). Bij de Refuge de La Pra (R2), op 27,7km (2412mD+, 594mD-) vul ik eerst weer waterzak en flesje sportdrank, en ga ik me daarna te buiten aan soep, brood met kaas, zoute cashewnoten en sinaasappel. Ik wil eigenlijk bijna nooit fruit tijdens loopjes, maar mijn lichaam laat er geen misverstand over bestaan: sinaasappel móet nu. Ik smeer me nog een keer in met factor 50. Het lopen gaat dan misschien niet geweldig, maar ik ben er met m’n kop goed bij, merk ik.

Bij vertrek van de hut loopt een groep kinderen in de weg. Wat gaan ze doen? Een van de begeleiders feliciteert me alvast. Dat is me iets te voorbarig, al bedoelt ze natuurlijk niet met de finish, maar met wat ik tot nu toe al gedaan heb. We beginnen aan de klim naar La Croix de Belledonne, en, jawel! Ik kom in mijn ritme en krijg het sterke gevoel te pakken. Eindelijk m’n steady state bereikt. Denk ik. Dan wordt het weer steiler. Weg steady state, weg lekkere gevoel. Maar hee, wat ik gehad heb, kan ik ook weer terugkrijgen, toch? Bovendien lopen we door een allerprachtigst gebied hier. De meertjes, de stroompjes. Wie zei er nou dat dit niet leuk zou zijn? Nou eh, ik zie dan misschien nog wel dat het mooi is, maar echt leuk kan ik het toch niet vinden. My goodness, wat is dit zwaar! Geen spatje genade kan ervan af. Ik denk, reconstruerend, dat het hier al ergens moet zijn dat ik verlangend naar een mooi groen veldje naast een van de meertjes kijk. Een perfect kampeerplekje. Waarom zet ik nu niet gewoon mijn tentje op na een wandeldag, om in de ondergaande zon te genieten van een van de culinaire hoogstandjes van de droogvoerproducenten? En om dan morgen uitgerust, na een ontbijt met bergbeton en een kop oploskoffie, de rugzak weer op te hijsen voor een nieuwe wandeldag?

Als we een sneeuwveld op moeten – zo nu en dan zien we de top liggen, maar die is nog ver weg – loopt de route terug van de top even samen met die van ons. Elke loper die afdaalt, en dus al een stukje verder is dan wij, wenst ons “allez, bon courage!” Zo aardig. En ik maar “merci, toi aussi”-en. Ik kom boven, bij het kruis, en begin meteen aan de afdaling. Hier voor het eerst een stukje paars (‘très délicat’), maar ik kan me niet herinneren het op dit punt specifiek zwaarder te hebben dan elders. De afdaling door de sneeuw gaat goed en ik durf zelfs even te skiën, waar ik meestal te schijterig voor ben. Het doet me deugd te mogen constateren dat ik niet achteraan loop – er komen nog steeds mensen naar boven, die ik op mijn beurt weer goede moed toewens.

Van het vervolg kan ik me weinig herinneren. Ik zie in het roadbook dat het vrijwel alleen nog maar dalen is tot post 3, maar dat er ook een stuk met zwart gewaardeerd is (‘très difficile’). Is dat het waardoor het in mijn beleving allemaal zo lang duurt? De avond ervoor heb ik met Hans (een sympathieke Vlaming én finisher in de legendarische Legends Trail – maar dat geheel terzijde) gesproken over de race. Dit wordt zijn derde poging om hier de finish te bereiken, en ik vraag hem wat het nu precies is dat de race zo zwaar maakt. Hij denkt daar even over na, en zegt dan dat het is dat je hier geen enkel moment respijt krijgt. Bij een normale bergloop (wat heet normaal), heb je na een zware beklimming toch eigenlijk altijd wel weer een stuk waarin je lekker wat naar beneden, of min of meer vlak, kunt lopen en weer een beetje op adem kunt komen. Die stukken ontbreken in de Echappée Belledonne nagenoeg. Ben je met veel inspanning op een col aangekomen en verheug je je al op de afdaling, zie je dat je aan de andere kant een blokkenterrein wacht, of zo’n steile afdaling dat van hardlopen geen sprake kan zijn (voor ons gewone stervelingen dan). Ik bedenk onderweg regelmatig dat hij hierin volkomen gelijk heeft. Ik heb me daarop verkeken. Ik wist dat het een heel technisch parcours zou zijn, maar heb bedacht dat dat in wezen geen probleem voor me zou moeten zijn, dat ik weliswaar niet snel ben, zeker in dergelijk terrein niet, maar dat ik ook niet bang ben, en ik weet van mezelf dat ik wel door de moeilijke stukken heen kom. Ik heb wél bedacht dat de tijd die ik ervoor nodig zou hebben een probleem zou kunnen zijn, maar wat ik me onvoldoende heb gerealiseerd, is dat lopen in zulk terrein ook extreem vermoeiend voor me is. Misschien doordat ik niet echt gezegend ben met een grote motorische begaafdheid, misschien doordat ik niet bijster sterk ben in mijn bovenbenen, wie zal het zeggen.

De derde post: Refuge Jean Collet, 38,4km (3268mD+, 1615mD-). Ik arriveer hier om een uur of vier ’s middags, en moet er voor half zeven weg zijn. De tijdsmarge is ruim genoeg om me daar voorlopig niet druk om te hoeven maken. Bij deze post maak ik voor het eerst een fout: ik heb het idee dat ik de afgelopen etappe maar weinig water gedronken heb, en vul alleen het flesje sportdrank. De waterzak in de rugzak blijft dicht. Uit het feit dat de andere mensen me in de weg lopen, kan ik afleiden dat ik me niet al te denderend voel. O ja, en de soep is op, terwijl soep eigenlijk het enige is dat me nog smaakt. Toch vertrek ik vol goede moed. De volgende etappe is maar 8,7km lang, en telt maar ruim 700 positieve hoogtemeters (en ruim 900 negatieve, maar het besef is nog niet tot me doorgedrongen dat die negatieve vrijwel net zo zwaar wegen als de positieve). Dat moet toch een makkie zijn, zou je denken, ook al zitten er enkele zwarte passages in. Niets is minder waar. We beginnen met een stijging. Best een lange. Mooi, die 700 meter stijgen hebben we gehad. Maar na een korte afdaling begint het gewoon wéér te stijgen. Klopt dat wel? Volgens mij niet. Dit móet meer dan 700 meter zijn, dat kan gewoon niet kloppen. De afdaling is razend steil. Ik word weer ingehaald bij het leven – stap maar weer aan de kant, en nog een keer, en nog een keer. Er volgt een derde stijging. Nu weet ik zeker dat we meer stijgen dan in het boekje staat. En dat van die 8,7km kan ook vast niet kloppen. O ja, en het water in m’n waterzak is natuurlijk al heel lang op, dus ik moet het doen met de paar slokken isostar die ik nog heb. Er komt geen eind aan, aan deze passage. Op een bepaald moment hoor ik beneden me geroep en gejuich, en ik zie een meer. Mooi, daar zal dan wel de verzorgingspost zijn, al zie ik verder nergens iets wat daarop duidt. En inderdaad: er zitten wel wat supporters beneden, maar er is geen post. Het kost me moeite het de mensen niet kwalijk te nemen dat ze mij op het verkeerde been zetten met hun gejuich. Gelukkig zie ik al snel daarna de post liggen, al ligt die dan nog weer een stuk verder weg dan mij lief is. We dalen nu af over een redelijk normaal pad, maar de gang is er bij mij volkomen uit. Ik voel dat ik veel tijd begin te verliezen – ik loop steeds langzamer.

Ergens in de vorige of in deze passage, ben ik begonnen te spelen met de gedachte dat ik zou kunnen uitstappen in Pleynet, de vijfde verzorgingspost en Base Vie. Hoe lekker zou dat wel niet zijn? Dan kan ik misschien nog een paar uur slapen, en dan zaterdag al de tent opbreken en naar Argentière rijden in plaats van zondag. Dat betekent dat ik óf daar nog een dag langer kan zijn, lekker relaxt op de camping, óf een dag eerder naar huis kan rijden, wat ook zo z’n voordelen heeft. Ik heb er eerlijk gezegd deze keer geen spat plezier in, in wat ik aan het doen ben. Ik ben heus niet zo naïef om te denken dat dat lange lopen altijd maar leuk zou moeten en kunnen zijn, er zijn altijd momenten (vaak vrij langdurige momenten) waarop je het niet bepaald naar je zin hebt, maar die momenten worden ook altijd weer afgewisseld met geluksmomenten, of op z’n minst momenten waarop je het wel best vindt wat je aan het doen bent. De laatste blijven vandaag wel akelig lang achterwege. Als ik bedenk dat ik de hele nacht door moet lopen, en dan nog een hele dag, en daarna dan weer een hele nacht, en tot slot nog een halve dag (gesteld uiteraard dat ik de tijdslimieten nog net voor zou kunnen blijven), dan word ik wanhopig. Ik vind er echt geen flikker (excusez le mot) aan vandaag, dat is de realiteit. En dat is beslist niet te wijten aan de wedstrijd, of aan de omgeving (no excuses), maar aan het feit, of het gevoel, dat ik er niet tegen opgewassen ben. Ik maak een klassieke fout: bedenken wat de voordelen zijn van uitstappen. Dergelijke gedachten moet je jezelf helemaal niet toestaan, en in mijn wedstrijden tot nu toe heb ik nooit veel moeite hoeven doen om ze verre van me te houden. Maar nu heeft de gedachte aan stoppen zich in mijn hoofd genesteld. Erger: ik vind dat ik weleens een beetje zacht voor mezelf mag zijn door mezelf toe te staan om uit te stappen. Have mercy.

Met gejuich en koeiegebel word ik ontvangen bij Habert d’Aiguebelle (R4), op 47,1km (na in totaal 3991mD+ en 2544mD-). Vanaf R3 ben ik 3,5 uur onderweg geweest, voor dus 8,7km. Het eerste wat ik doe is nu natuurlijk mijn waterzak en flesje vullen. Terwijl mijn bak soep afkoelt, plak ik een blaar af en pak ik het roadbook. Ik was zo onaangenaam verrast doordat de stijgende hoogtemeters in de vorige passage verdeeld waren over drie hellingen, dat ik me op de volgende passage beter wil voorbereiden. Die etappe bestaat echter uit zoveel segmenten, dat ik dat onmogelijk allemaal kan onthouden. Oké, laat ik dan maar proberen op standje ‘reken je vooral niet rijk, dan kan het nooit tegenvallen’ te gaan. Twee mannen die naast me zitten, overleggen over vervoer naar het dal. Die hebben blijkbaar hier hun startnummer ingeleverd. O, dat kan ook. Maar ik heb me voorgenomen in elk geval tot Pleynet te gaan, dus geen gelul, Schreuder. Dat slappe gedoe! No mercy.

Tegen acht uur vertrek ik weer, tegelijk met wat anderen. De verzorgingspostofficial meent dat we om twaalf in Pleynet kunnen zijn, mogelijk om een uur in de morgen. Maar aangezien ik al 3,5 uur nodig had voor de vorige etappe, van 8,7km, en de volgende etappe 16,3km lang is, met 1200mD+, is vier of vijf uur gaan natuurlijk rijkelijk optimistisch gerekend. Toch hoop ik, tegen beter weten in, dat hij dat goed heeft ingeschat, en dat ik om een uur in Pleynet zal zijn. Stel dat ik doorga, dan moet ik daar voor vier uur weer vertrokken zijn. Dat geeft me, in theorie, drie uur om tanden te poetsen, te douchen, misschien even te slapen, en de gewone verzorgingspostdingen te doen. Alleen wil ik natuurlijk niet pas om vier uur vertrekken, maar om uiterlijk drie uur, om nog een klein beetje speling over te houden. Het wordt krap.

In de klim naar de Col de l’Aigleton loop ik achter een man met een plezierig tempo. Hè hè, dat is vandaag geloof ik voor het eerst dat ik me een tijdlang aan iemand op kan trekken. Het wordt heel snel donker, en hij en ik zijn de enigen die nog zonder koplamp lopen. Had ik die nou tóch maar bij de verzorgingspost al op mijn hoofd gezet. Op zeker moment is het mij te donker, en stop ik om mijn lamp te pakken. Mijn tempomaker loopt door en ik mag weer verder op eigen kracht. Het is op die col, of op de volgende, de Col de la Vache, dat ik opeens zomaar, vanuit bijna stilstand, zijwaarts val en mijn stok breek. Vloek. Al wel vijftig keer is die stok vandaag blijven steken tussen de rotsen, en elke keer voelde ik het op tijd, zodat ik hem niet brak, en ik had mezelf al gelukgewenst met het feit dat het me vandaag wéér zou lukken mijn carbonstokken heel te houden, maar dus niet. Hij is gebroken net onder het handvat, en moet volgens mij best te spalken zijn. In mijn dropbag zit genoeg sporttape; ik zal alleen een stuk hout nodig hebben. Kennelijk ben ik in die fase nog steeds niet helemaal bezweken voor de verleidelijke gedachte aan stoppen, realiseer ik me achteraf. Ik pak de stok onder het handvat beet, en dat gaat eigenlijk best. Alleen jammer dat ik later een paar keer denk dat het wel handiger kan, en blijk ik daarmee nu juist de reparatie-optie te verspelen. De stok scheurt helemaal open. Scherp spul, dat carbon. Maar: no excuses. Met één stok kun je ook lopen.

Het gaat beroerder en beroerder, en ook deze ruim 16 kilometer valt me akelig lang. Heb me natuurlijk toch weer rijk gerekend. Ik struikel. Ik verlies m’n evenwicht. Ik schop eerst een steen tegen de binnenkant van m’n linkerenkel aan, en meteen daarna tegen de buitenkant van mijn rechterenkel (al is het me een raadsel hoe ik dat klaarspeel). Vervolgens sla ik keihard met m’n stok tegen diezelfde rechterenkel. Maag en darmen zijn het uiteraard heel erg niet eens met wat ik aan het doen ben. Ik moet heel nodig poepen, maar het terrein leent zich daar totaal niet voor. Uit arren moede ga ik op een bepaald moment toch maar een paar meter boven het pad zitten, en doe mijn koplamp uit, zodat ik niet al te zeer te kijk zit voor de andere lopers. Ik zit zo ongemakkelijk dat de aandrang verdwijnt, maar ik vergeet niet om even naar de prachtige sterrenhemel te kijken (het kan wél, Hans!). Waarom is die hemel in de bergen altijd zoveel mooier dan thuis in Nederland? De laatste ehbo’er die ik tegenkom, vraagt me of het wel gaat. Ik zeg dat het niet best gaat, maar dat ik Pleynet wel zal halen en dat ik daar uitstap. Ik denk natuurlijk dat ik er bijna ben en even natuurlijk is dat niet het geval. Het laatste stuk is niet zo moeilijk meer, maar ik presteer het nog steeds om regelmatig (bijna) te struikelen. Eén uur ga ik zeker niet halen. Stel dat ik er om twee uur ben, kan ik dan nog verder? Ik gun mezelf dan niet de tijd om nog te slapen, en vind ik het wel verantwoord om zonder slaap verder te gaan? Lijkt me niet. Ik ben kapot. Ik val steeds net niet, en het is me echt geen ongeluk waard. Nee, ik moet stoppen, dat is wel duidelijk. Nu ook die stok nog kapot is…

Het smalle paadje komt, voor m’n gevoel na uren en uren, uit op een bosweg. Hèhè, we zijn er. Om de hoek ligt natuurlijk de post. Er staat iemand van de organisatie. Een medeloper vraagt hem hoe ver het nog is. Maar dat is toch duidelijk? Hooguit nog 200 meter. “Twee kilometer” zegt de organisatiemeneer. Wát? Twee? Als in 2? Kílometer? Het is dat ik niet mag vloeken van mijn moeder, maar anders… Ach, nog maar twintig minuten, zegt de man er geruststellend achteraan. Ja, bekijk het effe. Echt niet dat ik nog twintig minuten ga lopen tot ik bij de post ben. Ik begin met hardlopen, onderwijl bedenkend dat ik dat ook zou doen als Pleynet de officiële finish was, en dat het dan best raar is om het niet te doen nu Pleynet (R5, na 63,4km, 5197mD+, 4022mD-) slechts mijn Waterloo zal zijn. Hardlopen kan hier namelijk. Met gemak zelfs. Al valt het me dan wel weer zwaar om het de volle twee kilometer lang vol te houden. Maar wat ben ik blij dat ik het gedaan heb, want wat schetst mijn verbazing als ik bij de post aankom en Jonathan daar net wil vertrekken. Hij is er al een tijdje, en heeft gegeten, gedoucht en een tijdje geslapen. Bofkont. Maar wat ben ik ontzettend blij om hem te zien, wat doet me dat goed. Ik vertel hem dat ik stop. Ik ben kapot, maar dat is hij ook. “Ik heb geen reden om te stoppen, dus ik ga verder,” zegt hij. Oeps, dat wil ik niet horen. Heel snel overtuig ik mezelf ervan dat ik heel veel redenen heb om te stoppen, maar een deel van me weet best dat ik ook door zou kunnen gaan, als ik dat per se zou willen. No excuses. Ik snoer dat laatste deel van me de mond.

Jonathan vertrekt. Voor de vorm ga ik eerst iets eten en drinken, voor ik definitief besluit wat ik doe. Misschien had ik me ook nog eerst moeten douchen, schone kleren aan, tandenpoetsen, maar voor het idee om verder te lopen, heb ik eigenlijk geen ruimte meer in mijn hoofd. De stopgedachte heeft om zich heen gevreten. Ik kan me niet meer opladen. Ik lever mijn startnummer in.

Op zaterdagochtend drink ik koffie met Hans, die al eerder in de race blijkt te zijn uitgestapt. We vinden bevestiging bij elkaar dat het echt een heel zware wedstrijd is, en dat we blij zijn dat we uitgestapt zijn. Ik breek m’n tent af en rijd naar Argentière, waar ik ‘m weer opzet. Ik voel me verrot en ben weliswaar teleurgesteld, maar voel geen spijt. Zó moe. Geen enkele genade kent die wedstrijd.

Het eerste wat ik doe als ik op zondagmorgen, na elf uur slaap, wakker word, is het roadbook pakken om de etappe na Pleynet op te zoeken. Gatverdarrie, blauw en groen, nog een stuk asfalt in het begin ook, en pas op het laatst een paar kilometer rood. Ik had dus makkelijk door kunnen lopen. Al was het maar tot Gleyzin.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 23 reacties

Trail (mal)Heure

Ik voel me net Emelie Forsberg, die fout loopt tijdens de Zegama Aizkorri en daardoor een zekere eerste plaats verspeelt. Of, als ik dan toch lekker aan het dramatiseren ben, Sven Kramer, die door een bepaalde actie tijdens een bepaalde Olympische race, een nog veel zekerder gouden medaille misloopt.

Derde vrouw zou ik zijn geworden bij de Trail’Heure, ware het niet dat we een paar kilometer te vroeg bij de finish terug zijn. Aan de mannen en vrouwen van de organisatie ligt het niet – die gunnen mij van harte de tweede plaats (ik kom als tweede binnen), of, als ik er dan op sta, de derde, want ach, die paar kilometer… Maar dat wil ik natuurlijk niet. Dikke pech, maar ik kom niet in de uitslagenlijst. Voor het eerst.
(Strikt genomen miste ik al eens eerder tijdens een wedstrijd een lusje. Dat was bij de Ardennes Mega Trail, waar je bij een verzorgingspost kennelijk een rondje door de fabriek had moeten lopen. Dat is mij volkomen ontgaan. Maar omdat het daar om misschien een paar honderd meter ging, en het volgens mij nauwelijks van invloed was op m’n eindtijd, en ik er bovendien pas op weg naar huis achterkwam, doordat Edwin het over die fabriekspassage had, én ik er nu ook niet bepaald een podiumplaats had of zo, heb ik er geen enkele moeite mee dat ik daar met de tijd in de uitslagen sta zoals ik er nu eenmaal in sta. Ik zou het hele feit zelfs al vergeten zijn, als Edwin me er niet onlangs aan hielp herinneren.)

Hoe irritant is het om vlakbij de finish te zijn terwijl je weet dat dat helemaal nog niet kan. Een paar kilometer te weinig op je horloge kan kloppen, maar 6 kilometer op 20 (de lengte van de tweede ronde van de trail) is onmogelijk. Aanvankelijk geen idee waar het mis kan zijn gegaan, dat vind ik zo mogelijk nóg frustrerender. We spreken een vrouw die de 20 gelopen heeft, en die zegt welke lus we waarschijnlijk gemist hebben – zij was daar zelf ook bijna fout gelopen, zegt ze. En dan weet ik dat het was waar we nog mensen hebben horen roepen en ik wel éven dacht dat ze misschien naar ons riepen, maar die gedachte vervolgens verwierp. Grr. Wat kun je toch balen van jezelf. Jos houdt het erop dat we ongeveer 3 kilometer gemist hebben, maar ik weet eigenlijk wel zeker dat het er wel 5 zijn.

Jos vindt het niet echt vervelend, dat die finish er opeens zo snel al is. Hij zou vandaag eigenlijk 36 kilometer lopen, maar het lopen gaat hem zo gemakkelijk af in die eerste ronde, dat hij besluit de tweede ronde met me mee te lopen. Hannah heeft vandaag een iets mindere dag, en hebben we in de eerste ronde achter ons gelaten. Voor we de tweede ronde ingaan, spreken we haar nog even, en zij geeft aan het rustig aan te doen. Gaan jullie maar. We gaan, maar waar Jos op z’n Jos’ de eerste 36 km doorfladderde, komt hij nu moeilijk op gang en blijft het zwoegen tot het eind.

Het is een groot verschil: Jos zit drie weken ná zijn wedstrijd (de Eigertrail 51km), ik zit er drie weken vóór. Ik voel me fitter dan ooit. Als Linda me na de baantraining vraagt hoe ik ervoor sta, met het oog op de grote wedstrijd, zeg ik dat ook: fitter dan dit word ik niet, volgens mij. Als ik nú niet klaar ben voor dat loopje, dan zal ik het nooit zijn. Dat merk ik tijdens de Trail’Heure: niet vaak loop ik zo gemakkelijk en lekker als vandaag. Ik heb het naar mijn zin. Registreer wel dat er misschien wat veel asfalt zit in de eerste ronde, er zitten een paar steile klimmen in die ook niet per se de mooiste van de wereld zijn, maar ik vind de omgeving mooi en geniet van het lopen. Ben blij dat ik Jos en Hannah zo gek heb gekregen om mee te gaan vandaag (erg veel overredingskracht had ik niet nodig), want anders zou ik misschien toch maar een alternatieve training dichterbij huis hebben gedaan. Maar dit is heerlijk, en een goede training bovendien.

En dat probeer ik me ook maar voor te houden, dat het een training was, en dat het in dat licht bezien nou ook weer niet zo erg is dat het een paar kilometer minder was. Liever een DNF tijdens een trainingswedstrijd dan tijdens een doel der doelen. Maar ik had die kilometers er ontzettend graag bij willen lopen, en gewoon met een redelijke eindtijd in de uitslagen willen staan. Of dat dan een derde of een tiende plaats had opgeleverd, doet er niet echt toe – hoewel ik me afvraag wat er in die fles zat waarmee de vrouw die nu derde werd, naar huis ging.

Nog altijd krijg ik buikpijn, als ik aan dat moment van de wissel van Sven denk. Ik hoop maar dat het chagrijn over mijn eigen misser wat sneller slijt.

Geplaatst in hardlopen | 8 reacties