Focus en gemakzucht

Ik schreef al weleens eerder dat mijn sportfanatisme door de jaren heen een golfbeweging laat zien, en vaak gevoed wordt door enige onvrede over hoe mijn leven zich op dat moment ontvouwt. Ik ben niet ongelukkig – daarvoor kan ik te hard genieten van grootse kleine dingen – maar kan ook niet zeggen dat ik mijn leven in alle opzichten geslaagd vind. Ik zeg werk, ik zeg relatie.

In periodes waarin ik mij niet zo ‘vervuld’ voel, kan ik me heerlijk vastbijten in het hardlopen. Een plan om naartoe te werken, een trainingsschema, loopkalenders, overzichten met gelopen kilometers en afgelegde hoogtemeters per week, tempo’s op de atletiekbaan, desnoods zelfs krachttrainingen, alles voor het goede doel. Een stip aan de horizon. Focus. Discipline.

Tuurlijk, het lopen zelf is lekker en bepaald geen straf, maar in mijn geval is het misschien nog wel meer de discipline die me goed doet. Lopen draagt waarschijnlijk niet direct bij aan een betere wereld, maar voor mij fungeert het wel degelijk als manier om zin te geven aan het leven, ook als ik denk te weten dat die zin een illusie is.

Maar ja, momenteel spelen er andere zaken in mijn leven. Een huis verkopen, een huis kopen, vertrekken uit Haarlem – het houdt de gemoederen hier in huize Schreuder behoorlijk bezig, kan ik wel zeggen. Het zijn onrustige tijden, schreef ik al. Het zijn spannende tijden, met zo nu en dan een stressverhogende complicatie. Het zijn vooral tijden waarin ik bezig wil zijn met weg, daar, een nieuwe plek, opbouwen, vooruit. Vastbijten in een hardloopschema wil me niet lukken – de focus ligt elders.

Heel begrijpelijk, zult u zeggen. En dat vind ik zelf ook. Een beetje jammer alleen dat ik me nu net dit jaar had voorgenomen een bergloop van 160 kilometer te gaan lopen, en me daar ook voor heb ingeschreven. Wat dat moet gaan worden? Geen idee.

Los van de focus vind ik mezelf ook wat gemakzuchtig. He-le-maal op de fiets naar de duinen om daar wat hoogtemeters te maken? Nou, ik ga wel even direct vanuit huis, dat scheelt tijd. Dan maar vlak en asfalt. Hoge tempo’s? Ik kan me er nauwelijks toe zetten. Bang voor de pijn die dat doet. Lange duurlopen? Pff, wanneer mag ik aan de koffie?

Dus, of ik nou uiteindelijk die wedstrijd ga lopen eind juli of niet, en of ik nou voor lief neem dat mijn focus momenteel even bij andere dingen ligt of niet, een schop onder mijn kont kan ik wel gebruiken.

Advertenties
Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Lopen doet leven

Ja, ik leef nog. Ja, ik loop nog. En ja, ik moet hier nodig weer eens iets van me laten horen.

Eerst even snel een korte update van het sportgebeuren in 2018 tot nu toe.
Half januari het nieuwjaarsloopje met een groepje loopvrienden. Dit jaar van Wezep naar Putten. Een prachtige tocht, pannenkoek halverwege, een dip gedurende de 10km daarna, en gelukkig ook weer een opleving. 61km op de teller.
Eind januari de nachtelijke strandloop. Schitterende maan en sterren, perfecte omstandigheden (voor watjes, moppert organisator Ferry). De 75km uitgelopen, maar laten we het erop houden dat 60km ook best een mooie afstand is.
Half februari het Graafschapspad in twee dagen (met Hannah, Renske en Ernst Jan). Eerste dag in 65km van Doetinchem naar Laren. Met ook weer een pannenkoek. 50km lijkt me trouwens óók een heel mooie afstand om te lopen, en wat is er ook alweer mis met wandelen in plaats van hardlopen? Diner en overnachting in een comfortabele B&B (het concept is absoluut voor herhaling vatbaar, ook graag in dit gezelschap) en na het ontbijt weer op pad. Na de pannenkoek gooi ik deze keer de handdoek in de ring. Ik loop nog mee naar het station in Ruurlo, en kom zo net aan de 30km. De anderen zijn zo lief om te proberen me na afloop wijs te maken dat er weinig aan de resterende 30 te beleven was en dat ik dus niets gemist heb.
Eerste weekend van maart: jaja, it giet oan. Nou ja, zoiets dan. Geschaatst! Op vrijdag in de Wieden, op zaterdag in de Weerribben. Familiedingetje. Koud is het, ‘arctisch’ is een woord dat klinkt. En wat doen al die scheuren en wakken in het ijs? Maar o, wat is het toch een heerlijke sport. Iedereen is blij. Ik ben het overigens wel een beetje ontwend. Op zaterdag ben ik al zo moe van vrijdag, dat ik regelmatig languit over het ijs glijd. En tijdens mijn duurloopje op zondag merk ik dat mijn kuiten helemaal vastzitten. Een bezoekje aan de fysio maar weer.

Tweede weekend van maart: de Sallandtrail. Vorig jaar vrijwilliger, dit jaar weer lopen. Ingeschreven voor de 75, maar regelmatig bedacht ik dat ik best na 50km mag uitstappen dit jaar. Dat is tenslotte ook een héél mooie afstand. Het zijn onrustige tijden. Ik ben moe. Ik loop wel, maar minder. Kracht en intervallen komen er helemaal bekaaid van af. Ik spijbel zelfs een keer bij de baantraining. Beetje zwakjes.

Ik kies vanaf het begin mijn eigen tempo. Moet weliswaar héél even met Ernst Jan uitwisselen hoe fijn het schaatsen was en hoe vaak we moesten klunen, maar dan stuur ik hem vooruit naar de anderen. Ik ga geen poging doen hen bij te houden deze keer. Bij de eerste post ga ik wél gelijk met hen weg. Even bijpraten met Hannah en met Lisenka. Ik houd het een paar kilometers vol om te praten en lopen tegelijk, maar ik heb weinig energie, en laat me weer afzakken. Lopen oké, maar het moet echt in een heel rustig tempo gebeuren vandaag.

Ik heb mijn ultraraptors weer eens aan, en heb er niet aan gedacht mijn hielen af te plakken. Blaren dus. Bij de tweede post ga ik meteen zitten om blarenpleisters en tape te pakken, sleep ik dat ook een keer niet voor niets mee. Na deze post krijgen we het mooiste deel, vind ik. Lemelerberg en Archemerberg. Mijn benen werken niet erg mee vandaag. Ze zijn moe, heel moe. Ook heb ik het warm en krijg ik weinig lucht. Niet mijn weer, dit. Doe mij maar van dat arctische. Lekker gaat het lopen dus niet, maar mentaal zit het best goed. Ik loop gewoon, zoals wel vaker. Ik loop door een prachtige omgeving. Er zijn slechtere dagbestedingen te bedenken. Het minder fraaie verbindingsstuk om weer terug in de bossen van Hellendoorn te komen, neem ik voor lief. De gedachten aan uitstappen na 50km nemen de vorm aan van een besluit. Ik zou bijna wensen dat ik de limiet van 6 uur op het 50km-punt niet zou halen, dan hoef ik helemaal niet meer te twijfelen. Ik kan het lot natuurlijk een beetje helpen door te gaan wandelen, maar dat is mijn eer dan weer te na. Mijn benen doen zeer van vermoeidheid, maar ik kan blijven dribbelen, dus blijf ik dribbelen.

Ik ben op tijd terug bij het Ravijn om in theorie door te mogen. Eerst wat eten en drinken, terwijl Bertus mijn onderrug een beetje masseert, door het natte shirt heen. Ik laat het me graag gebeuren. Dan hoor ik Hannah mijn naam zeggen. Tot mijn verbazing zit zij hier nog. Ze heeft last van haar achillespees, en heeft zich juist laten masseren door Floor. Zij gaat nog even door, maar heeft met Floor afgesproken dat die op het 60km-punt staat, zodat ze daar eventueel in de auto kan stappen. Ik ben niet de enige die van plan is hier te stoppen. Een paar mensen zeggen tegen me dat ik er nog fris uitzie. Bertus vindt sowieso dat we smoesjes verkopen. Ik begin weer te twijfelen. Floor wil mijn benen ook wel even masseren, zegt ze. Nou, ontzettend graag mijn bovenbenen dan. Ze neemt haar taak serieus. Beetje pijnlijk, maar pijnlijk op een manier die ik hebben kan. Het is jammer om de behandeling af te breken, maar áls ik verder wil, en ik wil nog bij daglicht finishen, moet ik nu toch echt gaan.

Ik zet me weer in beweging. Met enige tegenzin. De eerste kilometers geef ik mezelf op m’n kop. Waarom ben ik niet gewoon gestopt? Dit voelt echt niet fijn. Wat zal ik doen? Waar zal ik omkeren? Misschien haal ik het 60km-punt, maar ik heb geen telefoonnummer van Floor, en kan er niet van uitgaan dat zij daar op mij gaat zitten wachten terwijl ze geen idee heeft of ik überhaupt zo ver ben doorgelopen. Het tunneltje door, de weg over. Het is deels uit schaamtegevoel waarom ik niet omkeer en met hangende pootjes terugloop naar het zwembad. Ik zit nog in een schemergebied tussen spijt en tevredenheid, maar als ik eerlijk ben, voelen mijn benen een stuk beter dan vóór de tussenstop. Die massage werpt z’n vruchten af! En inmiddels is het wat afgekoeld, en ook dat doet me deugd. Hmm, die 60km moet op deze manier gaan lukken, en dan zie ik ter plekke wel of iemand me eventueel kan oppikken.

Ik loop in m’n eentje, maar zo nu en dan duikt er een andere loper op. Iemand die op een boomstronk zit en z’n hoop heeft gevestigd op een berichtje van zijn dochter om hem moed in te spreken bijvoorbeeld, maar die mij dan ziet en bedenkt dat hij in dit geval zijn hoop misschien beter kan vestigen op een loper die nog in beweging is en bij wie hij aan kan haken. In elkaars nabijheid stevenen we af op de post bij 60. Ik zie ‘m al een tijdje van tevoren, en tot mijn vreugde zie ik ook een niet al te grote zwarte auto, wat zomaar eens de auto van Hannah en Floor kan zijn. Fijn! Floor is er inderdaad nog, maar Hannah ook. Die heeft jammer genoeg besloten dat hier vandaag voor haar toch echt het eindpunt ligt, om te voorkomen dat ze een serieuze blessure oploopt. Ik zie voor mezelf geen gegronde reden om bij hen in de auto te stappen, en bereid me voor op wat nog komen gaat. Stouw maar weer het een en ander aan vast en vloeibaar naar binnen. Dank aan onder anderen Elsa, die hier de nadruppelende achterhoede verzorgt. Krijg het advies om de resterende 15 op te delen in 3×5. Makkie.

Ik neem afscheid en gáán maar weer. Proberen zo lang mogelijk te blijven dribbelen. Het effect van de massage is tanende. Fysiek is het allemaal tamelijk dramatisch, maar mentaal is het nog steeds oké. Ik ga gewoon door. Blijven dribbelen tot de laatste verzorgingspost, neem ik me voor, en dan mag ik daarna voor mijn part de rest uitwandelen. Het duurt alleen wat langer voor de post er is dan verwacht. Mijn voorbereiding bestaat er niet uit dat ik opzoek en in mijn hoofd prent op welke punten de verzorgingsposten precies liggen. Ik weet het ongevéér, dat wel. Ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat alles wat ik vóór de verzorgingspost al loop, ik ná de post niet meer hoef te lopen. 75km is 75km. Ook herinner ik me goed van vorig jaar, toen ik vrijwilliger op deze post was, dat je de lopers al een tijd van tevoren zag lopen, in de verkeerde richting. Dus ik was erop voorbereid, maar toch is het even een dingetje als je naar het zuiden gestuurd wordt, terwijl je hemelsbreed net zo lekker in de buurt begon te komen van de finish, die toch echt ten nóórden ligt van waar je loopt.

Goed. Het mooie is dat het na de post nog maar 5 kilometer is. Makkie. In theorie dan. Ik wandel een stukje, maar word ingehaald door een paar van mijn partners in misery, en dwing mezelf ertoe dan toch ook maar weer te gaan dribbelen. Met hardlopen heeft het vandaag weer eens helemaal niets te maken. Het is laat in de middag, het licht neemt af. Het bos. De vogels. Wéér de vogels. Is het weer de zanglijster die ik hoor? (Christiaan, waar ben je als het land je nodig heeft?)
Geluksmoment.

Over de weg heen, onder het tunneltje door. Daar staat Herwin, die me het laatste stukje nog even gezelschap houdt. Ik heb de puf niet om een poging te doen iets te versnellen. En al helemaal niet om nog iets gezelligs te vertellen. Dat komt later wel weer. Ik finish buiten de limiet – voor alles moet een eerste keer zijn. Het interesseert me geen moer. Ik ben alleen maar ontzettend tevreden dat ik doorgegaan ben.

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Van de kogel en de kerk

IMG_0008

Het heeft een paar jaar geduurd voor ik de beslissing durfde te nemen, maar nu gaat het dan toch echt gebeuren: weg uit de Randstad, weg uit mijn heerlijke huis. Wat ik voel, is een blije opwinding. Waar kom ik terecht? Nog onbekend. Zal het goed uitpakken? Vast en zeker.

Geplaatst in twijfel | 5 reacties

Terug. Vooruit.

Een terugblik na afloop van het jaar. Meestal doe ik er niet aan, maar nu voel ik een soort behoefte het te doen.

Qua lopen was 2017 niet een al te succesvol jaar voor me. Eind januari liep ik bij de Dutch Coast Ultra Run by Night vrij gemakkelijk 50 kilometer. Dat was mooi. Eind maart liep ik de Drents-Friese Woldmarathon, die een pr had moeten opleveren, maar dat niet deed. Daarna ging ik in ruststand, om een blessure, waar ik al anderhalf jaar last van had, de kans te geven op te hoepelen. In augustus mocht ik dan toch weer eens een 50 kilometer lopen van mezelf. Dat werd de Monnikentocht. Dat ging niet eens zo slecht, en mooi dat ik deze loop eindelijk af kan strepen van mijn lijstje. In september reed ik, met Jos, nog even naar de bergen, voor de Trail des Dents du Midi. Dat was gezellig, en lekker om even in de bergen te zijn, maar deze loop komt niet op mijn lijstje favorieten. Bovendien merkte ik dat ik zo’n hit&run-actie naar de Alpen (donderdag heen, zondag terug) niet zo geslaagd vind als ik het altijd vind klinken. In elk geval niet voor zo’n relatief korte loop als wij nu liepen. Beter in verhouding was dan de rit naar Drenthe, weer een maand later, die ik met Hannah maakte om de Indian Summer Ultra (102km) te lopen. Dit werd dan toch nog een heus succesje voor me. Nog nooit heb ik zo gemakkelijk een 100km uitgelopen als op deze dag. Beetje jammer alleen dat ik er ook weer een nieuw pijntje opliep, en later nóg weer een nieuwe (hoewel deze twee misschien verband met elkaar houden), zodat het de rest van het jaar opnieuw kwakkelen was.

Ook los van het lopen vond ik 2017 niet het gemakkelijkste jaar van mijn leven tot nu toe. Het overlijden van mijn vader eind 2016 heeft er nogal ingehakt. Allerlei aannames die ik deed over mezelf, kwamen op losse schroeven te staan. Nou ja, alles is vloeibaar, niets staat vast. Als het over een ander zou gaan, zou ik denken dat het juist wel goed is dat de boel een beetje opgeschud wordt, dus waarschijnlijk geldt dat laatste ook voor mijzelf. Al vind ik het niet eenvoudig. Ik denk vaak aan een metafoor van Jan van Delden: als een kind een nachtmerrie heeft, en je bent daar getuige van, dan zie je weliswaar dat het er in z’n dromen heftig aan toe gaat, maar je ziet ook in een oogopslag dat het volkomen veilig in z’n bed ligt. Zo is het in het ‘echt’ ook – hoe groot de drama’s van het leven ook lijken, je bent altijd veilig en er is nog nooit iets gebeurd. Klinkt waarschijnlijk abstract, maar ik weet behoorlijk zeker dat het waar is. Dus ik probeer óók mijzelf te zien als dat kind dat – hooguit – wat onrustig droomt.

Er valt meer over te zeggen, maar daarvoor is het nu niet het moment. Ik moet dan langer, harder, beter nadenken over een vorm die geschikt is voor hier. En het kan zijn dat ik het toch maar bewaar voor mijn papieren dagboek.

Lopen dan maar weer. Vooruit.

Een beetje tegen beter weten in misschien (vanwege blessures, maar ook vanwege andere voornemens die ik heb), heb ik me voor 2018 weer ingeschreven voor iets groots. Dat zit zo. Toen ik in 2013 de 80km bij de Mont Blanc had gelopen, kwam een poosje later op facebook de Tor des Géants in mijn tijdlijn voorbij. Dát is er nou een die ik heel graag ooit zou willen lopen. Ik stelde mij zo voor dat ik dan toch op z’n minst eerst een keer een 160km zou moeten hebben gefinishd. Van 80 naar 160 leek me een te grote stap. In 2014 liep ik de Trail Verbier Saint-Bernard (dat jaar wegens de slechte weersomstandigheden slechts 105km). In 2015 had ik de punten en schreef ik me in, maar werd ik uitgeloot voor de UTMB, en kocht ik later mijn huisje in het bos, en vond ik het niet verantwoord dan ook nog iets langs (en prijzigs) in de bergen te doen. In 2016 probeerde ik de Echappée Belle te slechten – dat was een gok, die te hoog gegrepen bleek voor me. In 2017 gooiden blessures (en financiën, en andere dingen aan mijn hoofd wellicht) roet in het eten. Het is, gezien de blessuregevoelige stand van zaken nu, niet heel logisch om te verwachten dat het in 2018 wel zal lukken, maar aan de andere kant: áls ik die ellendige Tor ooit wil lopen (want dat is nog steeds een droom van me), dan moet ik ook weer niet te lang wachten met die mezelf gestelde voorwaarde van een 160km-loop. Ik word er niet jonger op, tenslotte.

Dus. Ik ga ervoor.
(Eh, maar voor de duidelijkheid: voor de 160km in 2018 dus hè; die Tor moet nog even wachten.)

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, hardlopen | 8 reacties

Van feest naar frustratie (en vice versa)

Het weekend van de sneeuwval zit ik in Arnhem. Op vrijdagochtend ligt er een minilaagje, dat echter niet weet te voorkomen dat ik mijn rondje, net als een ander rondje op dinsdag, met hangen en wurgen doorkom. Dat belooft wat voor zondag, als ik eigenlijk maar weer eens een 30 kilometer wil proberen te lopen. Er staan voor de laatste (ruime) week van het jaar nog wat loopjes op de planning, en voor daarna nog een paar, zodat het me nuttig lijkt de kilometers zo zoetjes aan uit te gaan breiden.

Op zondag ligt er een flink pak, en licht gespannen ga ik op pad. Eerst een stukje bos, dan wat asfalt naar en langs de Koningsweg. Met een laag sneeuw erop loopt asfalt toch net even iets anders, maar echt zwaar is het hier nog niet. Aan de andere kant van de snelweg loop ik het natuurgebied in, en ga ik al snel linksaf, richting Terletse Heide. Het is mijn plan om daar de Imboswandeling (www.tragepaden.nl) op te pikken, waarvan ik de route in m’n horloge heb staan, en die ik al een paar keer in tegengestelde richting heb gelopen.

Het loopt lekker zwaar, die dikke laag sneeuw op een toch al niet bepaald effen ondergrond. Nu heb je zwaar en zwaar. Afgelopen dinsdag en vrijdag liep ik geen zwaar parcours, maar liep het voor geen meter. Vandaag is het objectief zwaar, maar voel ik me sterk. Als ik me zo voel, geldt het adagium: zwaar = lekker. En dan heb ik het er nog niet eens over hoe mooi het is met die sneeuw. Dat er toch mensen bestaan die niet van sneeuw houden – onbegrijpelijk. Ik heb het goed naar mijn zin, dus. Ik merk alleen dat mijn been boven de enkel, en dan vooral aan de voorkant, een beetje stijf is. Dat is nieuw, maar dat loop ik er wel uit. Geen paniek.

Op de heide doe ik iets ongebruikelijks: ik stop om mijn telefoon te pakken en maak een paar foto’s. Een poging om iets van de magie van het moment vast te houden, te bewaren voor later. Geen mens te zien, de lucht is grijs, de foto’s zijn niet echt de moeite van het plaatsen waard. Mijn been voelt nog steeds stijf, vlak boven de enkel.

Na een kilometer of 15 realiseer ik me opeens: dit is geen stijfheid die ik er zo even uit loop, dit is gewoon ordinaire pijn. Wat is dít nu weer? Ik kniel op mijn rechterknie in de sneeuw, leg mijn voet plat op de grond, in de hoop dat ik de boel daardoor wat oprek en dat dat verlichting geeft. Ondertussen koel ik zo de scheen ook nog, voor je weet maar nooit. Het helpt misschien niet echt, maar ik doe het later nog een paar keer. Ik moet toch íets! Gek genoeg komt het geen moment in me op om de route in te korten – hoezo licht-autistische trekjes?

Op het Kerkepad (ik ben dan weer van de Imbosroute af, en dus op de terugweg naar huis) word ik achtervolgd door Edwin, maar de afstand tussen ons is te groot, ik heb geen idee van zijn aanwezigheid daar en dan struikelt ie ook nog over z’n veter. Hij loopt hier dwars door de plassen, lees ik later, maar ik probeer deze juist zo goed en zo kwaad als het gaat te ontwijken. Niet dat mijn schoenen niet allang doorweekt zijn, maar als m’n voeten eenmaal weer warm zijn, voel ik elke keer een enorme weerstand om dat koude water in te gaan. Net alsof de sneeuw waar ik doorheen ploeg minder koud is dan het water. Nou ja, minder nat dan waarschijnlijk toch.

Eenmaal weer op de Koningsweg volg ik eerst het onverharde pad. Ik word ingehaald door een fietser, ploegend en zwabberend door de sneeuw. Niet zo gek. Hoewel, eh, het is geen mountainbiker maar iemand op een racefiets. Wat doet die hier nou, met het fietspad een paar meter verder naar links? Verderop stap ik zelf over naar het fietspad, en denk ik dat ik het een beetje begrijp. Waarschijnlijk had hij op het onverharde pad met zijn dunne bandjes altijd nog wat meer grip dan op het spekgladde fietspad.

Als ik de A50 alweer ben overgestoken, kniel ik nog een keer neer in de sneeuw. Ik heb nu serieuze pijn aan mijn scheenbeen, en overweeg om wandelend verder te gaan. Nu pas bedenk ik dat ik beter de route had kunnen inkorten. Nou ja, it’s no use crying etc. Ik dribbel toch maar verder, heb weinig zin om nog ruim een half uur over het fietspad naar huis te wandelen. En ook: die voorgenomen 30km hè. Ik probeer de loper-met-rugzakje die me tegemoetkomt minstens zo opgewekt te groeten als hij mij doet. Tenslotte ben ik zelf ook een loper-met-(letterlijk)-rugzakje. Niks identiteitscrisis. Dat is wie ik ben. Toch?

De zorgen slaan toe. Heb ik nou shin splints? Daar heb ik nog nooit last van gehad, hoe kom ik daar nu dan opeens weer aan? Nou ja, lang verhaal kort: geen shin plints, maar wel heb ik een peesontsteking opgelopen. Rood, opgezwollen, pijnlijk. Duurt een poosje. Schijnt. Slecht doorbloed en zo, zo’n pees.

Goed. Fysio. Rustig weer beginnen wat te bewegen. Maar wat kan er terechtkomen van de plannen voor het eind van het jaar? De derdekerstdagloop bij Arnhem (het leek me wel aardig om eens iets georganiseerds te doen bij mijn tweede thuisstad) laat ik eenvoudig schieten. De SM-loop op 30 december valt gemakkelijk terug te brengen van de ultra (58km) naar de marathonafstand. Maar wat doe ik met het UPNLetje op 23 december? Bij zonsopgang starten in Hilversum (formeel het eindpunt van het UltraPad Nederland), bij zonsondergang finishen – hoewel de suggestie van Rhenen (na ruim 50km) als potentiële finish nogal, eh, overtuigend (dwingend?) is. Clubje lopers waar ik nogal op gesteld ben.

Kortom: ik wil dit UPNLetje niet graag missen. Maar ik snap ook wel dat 50km voor nu niet echt handig is. Op z’n zachtst gezegd nogal ambitieus. Op woensdag ben ik nog volkomen somber en bedenk ik dat ik helemaal moet afhaken. Maar op vrijdag loop ik alweer een stukje van ruim 5km met weinig pijn en besluit ik toch het eerste stuk mee te lopen. 20km moet gaan, bedenk ik. Na 25km staan organisator Han en Moniek met warme chocomel en koffie. En een auto, waar ik niet instap, al loop ik vanaf een kilometer of 17 met enige pijn. Ik heb op de een of andere manier bedacht dat wandelen geen kwaad kan, en ik wil graag bij de afterparty in Rhenen zijn. Ik loop dus min of meer hard tot de verzorgingspost, en vanaf dat punt wandel ik verder. Ik volg de route van de UPNL (vanaf hier tot Rhenen loopt die samen met de UHT) nog ruim 9km, en loop vanaf daar nog een kilometer of 6 naar Maarn – waar ik op de trein stap naar Rhenen (met dank aan Hannah voor de heldere, niet te missen, route-uitleg!).

Pas als ik in Rhenen uit de trein stap, realiseer ik me dat dit waarschijnlijk een behoorlijk stomme actie was. Wow, wat doet dát zeer!

Nou ja, wederom lang verhaal kort: been nog dikker en pijnlijker dan twee weken geleden, na de sneeuw. Terug bij af, dus. Derdekerstdagloop is überhaupt geen optie meer, maar ook de SM-loop zeg ik maar direct af. Beetje uit zelfbescherming – als ik dit niet meteen beslis, dan blijf ik tot het laatste moment aarzelen. Schiet niet op. Maar na de eerste pijnlijke dagen, merk ik dat ik toch niet helemaal terug bij af ben. Been blijft dik, blijft ook wel pijnlijk, maar de pijn zakt veel sneller weg dan eerst. Dus ik heb toch weer hoop. Op de 27e loop ik 3km hard. De dag erna wandel ik 12km. En op vrijdag de 29e loop ik alweer 10km. Niet geheel pijnvrij, maar het is te doen. Oudejaarsdag: 15km. Loopt voor geen meter, maar dat heeft niets met enige blessure te maken. Nu rustig opbouwen, en op naar het volgende feestje. 13 januari: nieuwjaarsloopje Wezep-Putten.

Gelukkig nieuwjaar!

 

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Alle dagen feest

Het kan niet alle dagen feest zijn.

Waarom niet eigenlijk?

De dag na de UHT ben ik de hele tijd met de pijnlijke rechtervoet in de weer. Rekken, strekken, rollen, masseren etcetera ad infinitum. Het móet overgaan, en wel nu meteen. Op dinsdagavond ga ik naar de baan – wegens een vergadering op woensdag een dag te vroeg. Ik geef mezelf de strikte opdracht om het hoofdprogramma te skippen wanneer ik tijdens het voorprogramma te veel last heb. Maar ik voel de voet nauwelijks, en loop een stuk lekkerder dan een week eerder. Niet snel, maar dat zij maar zo.

Op donderdagochtend ga ik met tegenzin de deur uit voor een rondje, en nu heb ik opeens wél weer last. Ik loop een minirondje, waarbij ik ook nog twee wandelstukken inlas. Wel een mooie gelegenheid om weer wat uitvalspassen en squats te doen, en me bij een bankje een paar keer op te drukken.

Op zaterdag moet ik mezelf werkelijk m’n bed uit schóppen om te gaan lopen. Eenmaal buiten, blijkt het behoorlijk lekker. Ik ben van plan om weer eens elke zesde minuut te versnellen, want het wordt tijd dat ik weer iets aan mijn tempo ga doen. Bij de zesde minuut is mijn hartslag nog torenhoog, dus die hoeft niet. De twaalfde minuut ontgaat me. Als dan ook de achttiende aan me voorbijgegaan is zonder dat ik het in de gaten had, laat ik het idee van minuutjes versnellen maar los. Ik loop niet snel, maar voel nauwelijks een pijntje en ben weer eens blij dat ik de tegenzin heb overwonnen. Zó voorspelbaar.

Op dinsdag een iets langer rondje. Ik ben niet heel fit, en vind het zwaar, maar dat kan ook komen doordat ik net iets sneller loop dan ik eigenlijk doorheb. Ik geniet van de dageraad, het Spaarne, de Ringvaart, het polderlandschap, de molens, de wolkenlucht. Die hagelbui op het laatst had dan weer niet per se gehoeven.

Op woensdagavond een aangenaam zware training op de baan. Wat vind ik dat toch leuk, en wat ben ik blij met Jan als trainer! Alles gaat up-tempo, de oefeningen volgen elkaar zonder tussenpauzes op, en de pauzes van het hoofdprogramma duren kort, óf worden opgevuld met nog een paar krachtoefeningen. Yes! M’n voet lijkt nu helemaal hersteld te zijn, ook buiten het hardlopen om voel ik niks meer, ook geen vage zeurpijn. Alleen voel ik nu m’n hamstring weer, en de hiel nog steeds (de laatste ook al sinds de ISU), maar dat beschouw ik maar als een waarschuwing om m’n oefeningen weer wat trouwer te gaan doen – daar zit alweer een poosje de klad in.

Op vrijdag wéér met tegenzin m’n bed uit. De wekker is allang afgelopen, de tijd tikt weg. Ik wíl niet! Tijd voor een goed gesprek. Natuurlijk wil je dit wel, Schreuder, je hebt toch zulke grootse plannen voor volgend jaar? Dan moet je trainen, dat weet je, en van een beetje sportdiscipline is nog nooit iemand slechter geworden. Uiteindelijk word je er blij van. Oké, oké, gaan we weer. Het is verrotte koud, het is mistig en heeft gevroren. Een prachtig landschap dus. Het gaat niet van harte, m’n hartslag is hoog, het tempo niet – al doe ik nu wél die minuutjes versnellen. Ik word er niet superblij van, maar ben tevreden over mezelf.

Op zondag (vandaag) staat de Sinterklaasloop bij AV Suomi op m’n programma. Ik wilde eigenlijk Voornes Duintrail doen, maar wachtte te lang met inschrijven, en toen die voet zo tegensputterde tussen Rhenen en Driebergen, dacht ik dat het maar goed was ook, dat ik begin december nog geen 44 kilometer hoefde te lopen. Door omstandigheden zit ik het weekend ‘vast’ in Haarlem (ik ben al in geen eeuwen in Arnhem geweest), en ik denk dat meedoen aan een wedstrijd de pijn zal verzachten. Er is dit weekend jammer genoeg geen crossje in de buurt, maar de Sinterklaasloop dus wel. Ik kies voor de 10 kilometer – zou ook weleens een 5km-wedstrijd willen doen, maar dat doe ik dan liever een keer als ik echt in vorm ben en denk een goede tijd te kunnen lopen. Bovendien: 5 kilometer is wel héél erg kort. Ik weet dat ik niet al te fit ben. Ben wat verkouden (wie niet), maar zit vooral qua trainingsopbouw een beetje in een niemandsland, en laat de teugels voor wat betreft het consumeren van niet per se heel gezonde dingen de laatste tijd wel erg soepeltjes vieren. Goed, genoeg excuses dus, en in de richting van m’n pr-tijd hoeft beslist niet, maar binnen de 50 minuten verwacht ik toch wel binnen te zijn. En voor mezelf trek ik daar nog een minuutje van af.

Het is wat druilerig weer, fris, maar niet koud. Perfect loopweer dus, al ben ik voor zo’n korte wedstrijd iets te warm gekleed met een lange broek en een shirt met lange mouwen. Ik probeer het tempo onder de 5 minuten per kilometer te houden, en geloof dat dat meestal wel lukt. Bij de eerste kilometerbordjes valt me al op dat ik net iets meer afstand op mijn Suunto heb staan. De route loopt al snel naar de duinen, we volgen het fietspad langs de rand, naar het zuiden. Lekkere omgeving, bossig. Het enige wat ik eigenlijk doe, is bij de kilometerbordjes kijken of ik gemiddeld nog onder die 5 minuten zit. Dat is steevast het geval, maar ik zie ook dat ik op dat schema niet echt uitloop. Er loopt een dame een stuk voor me, die ik kilometerslang in het vizier houd. In het begin verwacht ik nog dat ik haar in de eindfase wel in zal halen (ben ik nou iemand van de lange adem of niet?), maar na een kilometer of 7 realiseer ik me dat dat een illusie is. Ik kom wel iets dichterbij, maar ze verslapt niet of nauwelijks, en ik ben niet in staat om te versnellen. Op het laatst mogen we nog een (krap) rondje op de baan. Iets voor de finish zie ik de klok al op 49:00 springen – dat is natuurlijk bruto, dus ik heb nog hoop… maar nee, 49:07 geeft mijn horloge aan. Bij een afstand van 10,11 kilometer, dat dan weer wel. Omdat ik mijn klokje iets voor de start al indrukte, hoop ik nog dat in de officiële uitslag wél een tijd van net onder de 49 minuten te zien is, maar gek genoeg sta ik met een tijd van ruim 52 minuten in de uitslag. Ruimschoots na de Bianca, die ik de hele tijd aangemoedigd hoorde worden en die toch echt een stukje na mij finishte. Nou ja, een mooie oefening weer om te weten dat het er niet om gaat hoe snel ánderen denken dat je gelopen hebt, maar om hoe snel je zelf weet dat je gelopen hebt. En zelfs dat is volslagen onbelangrijk. (Bovendien zie ik dat Johan Neve, die tweede werd, met een tijd van ruim 59 minuten in de uitslagen staat – terwijl hij 5 kilometer liep! Dan valt het bij mij nog wel mee.) (Update: later blijkt dat er bij de organisatie iets fout is gegaan – chip- en startnummers matchten niet met elkaar. Mijn nettotijd: 49:00! Grr 😉 )

Zo. Nou. Vanwaar de titel? Geen idee eigenlijk. Laten we het erop houden dat ik blij ben dat ik loop.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Bald himmelhoch jauchzend…

In de euforie over en na de ISU, verschijnt al snel een bestandje ‘loopkalender jac 2018’ naast de 2017-versie op mijn bureaublad. Het lijkt goed te gaan, en ik mag dus plannen maken. Fijner dan het 2018-excelletje invullen, vind ik het nog om de resterende weekenden van 2017 op een A4’tje onder elkaar te zetten, gewoon met een pen. Te beginnen met alle niet-loopactiviteiten die al vaststaan, die markeer ik met geel, en bij alle andere weekenddagen schrijf ik potentiële loopjes, die ik met roze markeer. De trail- en ultrakalenders worden weer eens gefrequenteerd – zalig!

Maar. Er is een maar. In de laatste 20 kilometers van de ISU kreeg ik wat last van mijn rechtervoet. Te strakke veters, oordeelde ik, en ik veterde mijn schoen wat losser. Na de loop was de voet wat dik, maar na een paar dagen was hij weer tot normale proporties geslonken. De pijn was niet heftig, maar ging ook niet weg. Een ontsteking? Ik deed een poging met ibuprofen en een icepack, maar zonder resultaat. Gek werd ik ervan. Is dit nu wat ze bedoelen met ‘de ouderdom komt met gebreken?’ Lijkt het eindelijk goed te gaan met hamstring en bil, krijg ik dit weer. Houdt het nog een keer op? Na dik twee weken toch maar eens langs Jan Willem. De voet was stijf, concludeerde hij, maar verder leek er weinig aan de hand. Een beetje overbelaste pezen. Hij mobiliseerde en manipuleerde, en stuurde me, gerustgesteld en wel, de deur weer uit.

En warempel, het ging de goede kant op. Ik liep weer wat vaker, ik rekte, ik masseerde, ik voelde nog steeds wel iets, maar het was duidelijk minder pijnlijk dan in de eerste weken. Nog even, en ik zou ervan af zijn.

Er verschenen steeds meer loopjes in de planning, al liet ik er een paar op de korte termijn noodgedwongen toch schieten – uit voorzichtigheid, en soms omdat de inschrijving opeens al gesloten bleek. Maar vanaf eind december tot en met eind februari mag ik weer lekker aan de bak en ik heb er ernstig veel zin in.

Tot ik vandaag de UHT loop, samen met Jos, en de eerste kilometers ook met Ellen. Tot een kilometer of 16, 17, gaat het goed, al voel ik de voet wel. Maar dan krijg ik een stekende pijn in de wreef. Ik moet stoppen, schoen uit, rekken, masseren, en dan gaat het weer een poosje goed. Ik doe de veters zo los dat ik bijna zo m’n schoen uit kan stappen, ook dat lijkt een beetje te helpen. De steken komen een paar keer terug, maar ook zijn er hele stukken dat de pijn goed te doen is. Maar het is wel duidelijk dat het probleem nog niet achter de rug is. Ik begrijp het niet – wat kan er nou toch aan de hand zijn?

Om nou te zeggen dat ik ‘zum Tode betrübt’ ben, gaat wat ver, maar het maakt me onzeker. En een beetje somber. Niet voor het eerst realiseer ik me hoezeer ik het hardlopen nodig heb om me lekker te voelen. Oké dan: nodig líjk te hebben.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 3 reacties