Een langzame start op Texel (1 april 2013)

Het is koud in het startvak. Ik sta ook niet handig, zo aan de rand. Net of de toeschouwers toch wat minder wind tegenhouden dan medelopers. Onzin natuurlijk, maar toch werk ik mij quasi-onopvallend wat meer naar het midden van de groep lopers, in de hoop dat ik kan profiteren van de warmte die zij uitstralen en de wind die zij breken. Het helpt echter nauwelijks. Vanaf mijn aankomst in Den Helder ben ik omringd door vrienden en bekenden – de meesten van eerdere loopjes, sommigen tot vandaag nog slechts bekend van facebook. In het startvak sta ik echter ‘in mijn eentje.’ Alleen het hoofd van Andries Welles zie ik ergens voor me – die steekt met kop en schouders boven alle anderen uit. Hij is me te ver naar voren doorgelopen om achter hem aan te gaan. Zo vooraan wil ik niet starten, dat is nergens goed voor. Ach ja, vandaag komt weliswaar alleen de brutotijd in de uitslag, maar met een lopersaantal van maximaal 500 exemplaren, gaat dat toch hooguit om enkele seconden verschil. En op een verwachte looptijd van tussen de zes en zeven uur, is dat verschil nou niet echt relevant te noemen. Ach, ik sta zo eigenlijk ook wel goed, afgezien van de koude wind. Ik hoef niet zo nodig te praten, wil me liever concentreren op wat komen gaat.

Het is tweede paasdag, 1 april 2013. Er is geen loopje dat al zo lang op mijn ‘to do’-lijstje staat als de zestig van Texel – vanaf dat ik van het bestaan af weet eigenlijk, en dat is toch zeker al een jaar of zeven. Toen er in 2012 voor het eerst een vijftiger op mijn loopagenda verscheen, wist ik meteen dat 2013 dan mijn Texeljaar zou worden. Texel werd gebombardeerd tot Hoofddoel 2013. (Dat er inmiddels ook een tachtig kilometer in de Alpen op het lijstje voor dit jaar is verschenen, doet niets af aan die hoofdletter – alleen blijkt Hoofddoel ook een meervoudsvorm te kennen… ) En, het moge duidelijk zijn, de zestig van Texel wordt vandaag gelopen.

Dat ik zestig kilometer kan hardlopen, daarvan ben ik vrijwel overtuigd. Ik heb inmiddels een aantal vijftigers in de benen, alle met beduidend meer hoogtemeters dan ik op Texel zal aantreffen, en die loop ik met redelijk gemak uit. Op de een of andere manier ligt dat rustige, lange werk mij wel. Maar in dat woordje ‘rustig’ zit ‘m vandaag de kneep – vandaag wil ik niet zozeer ‘rustig’ lopen, als wel ‘goed.’ En ‘goed’ betekent niet ‘razend snel,’ zo’n snelle loper ben ik nu eenmaal niet (en nee, dat vind ik helemaal niet erg – hoewel soms best jammer, moet ik bekennen), maar wel wil ik graag in pittig tempo doorlopen, niet wandelen, en kijken wat erin zit. En dat staat heel anders in het startvak dan bij bijvoorbeeld een Sallandtrail die ik puur als duurtraining en voor de lol liep. Iets gespannener, zeg maar. Met iets minder uren slaap, in de nacht eraan voorafgaand. Hier heb ik echt naartoe gewerkt in de afgelopen maanden. De trainingen gaan goed, met het duurvermogen is het sowieso wel in orde, maar ook de snelheid neemt nog steeds toe. Zo loop ik twee weken voor Texel voor het eerst onder de 1:45 op de halve marathon – ik vind het nog steeds onvoorstelbaar dat ik dat kan, ruim 21 kilometer hardlopen met een gemiddelde van meer dan 12 km/u… Voor Texel zelf is het doel onder de zes en een half uur finishen, een kilometertempo van maximaal 6:30 gemiddeld dus (erg makkelijk rekenen, met zestig kilometer) – dat zou volgens mijn trainer, Henny Tiben, in elk geval haalbaar moeten zijn, zei hij al maanden geleden. Iets sneller moet ook wel kunnen, denk ik zelf – en hij ook, naar achteraf blijkt. Natuurlijk moet je altijd nog maar zien hoe het op de dag zelf gaat, maar ergens in de buurt van de zes uur zou wel buitengewoon leuk zijn. Het liefst er iets onder natuurlijk.

De eerste helft is het zwaarst, zo zeggen de kenners. Niet alleen zitten de stukken strand in het eerste deel, maar vandaag staat de wind oost (geloof ik) en hebben we ‘m de eerste helft voornamelijk tegen en de tweede  helft, althans, de laatste 25 kilometer, als we grotendeels over de Waddendijk lopen, in de rug. Mijn plan is om op 6:20, 6:30 per kilometer weg te gaan, na het strand te kijken of ik naar de 6 minuten per kilometer kan, maar nog steeds behoudend te lopen, zoals geadviseerd wordt, en dan in het laatste deel te kijken wat erin zit, in de hoop dat ik het gemiddelde iets boven 10 km/u kan brengen en zo net binnen de zes uur zal finishen.

Ik loop echt buitengewoon rustig, de eerste kilometers, maar langzamer dan 6:00 per kilometer lukt me toch echt niet. Ik hoor een andere loper zeggen: “Een langzame start betaalt zich altijd later terug.” Koren op de molen van Henny, die daar ook nog allerlei in fysiologisch opzicht steekhoudende argumenten voor heeft. Mij sterkt het in mijn streven het tempo laag te houden. Als we de verharde ondergrond verruilen voor zand, hoef ik niet meer te streven naar een laag tempo – dat krijg ik hier vanzelf wel. Ik háát mul zand! Althans, dat doe ik op momenten waarop ik me niet sterk voel. En dat is nu het geval. Ik heb al vanaf de start last van mijn linker-achillespees, nu begint rechts ook te protesteren, en tot overmaat van ramp begint mijn linkervoet enorm te tintelen. Een slapende voet tijdens het hardlopen, nou ja! Even steekt de twijfel zijn kop op. Het zal toch niet zo zijn dat ik nou net vandaag een off-day heb en dit rondje niet ‘even’ zal uitlopen? Ik probeer mezelf de kop niet gek te maken, en me vooral niet te bekommeren om welk tempo dan ook. Denk aan de Kustmarathon, toen je veel te hard van start was gegaan, en op het strand het tempo koste wat kost wilde volhouden. Denk eraan hoe dood je toen ging. Wat een lijdensweg werd dat. Doe dat nu niet, alsjeblieft! Texel mag dan een Hoofddoel zijn, maar het is ook de bedoeling dat het een feestje is. Een raar soort feestje dan misschien, maar wel: míjn soort feestje. Ik kom nog even bij Andries te lopen, die vraagt hoe het gaat. Ik klaag mijn nood, en eigenlijk is daarmee ook meteen het leed geleden. Na een uurtje lopen, zijn de achillespezen kennelijk warm geworden, het tintelende gevoel verdwijnt langzaam maar zeker uit mijn voet, en ik krijg er lol in.

Het stuk door het bos, tussen de twee strandstukken in, is een makkie. Martine Krijnen, Texelse van geboorte, fietst met me mee en voorziet me van eten en drinken. En later ook van bemoedigende woorden. We lopen hier lekker beschut, en die verharde ondergrond loopt toch ook wel erg makkelijk (sprak de zogenaamde trailloopster onbeschaamd). Ik zie Mirjam Steunebrink een stukje voor mij lopen. Ik loop langzaam naar haar toe en we praten even. Zij blijkt last van haar maag te hebben, en loopt niet lekker. Later blijkt dat ze heeft moeten uitstappen, erg jammer. Het tweede stuk over het strand valt me makkelijk. Weliswaar lopen we pal tegen de wind in, maar ik volg de vloedlijn (slechts één natte voet levert dat me op) zodat de ondergrond vrij stevig is, en in dit stadium van het rondje heb ik nog niet zoveel moeite met de wind. Dat wordt later wel anders. Na het strand is de ondergrond halfverhard – wat onregelmatig, met wat stenen hier en daar, een beetje zoeken naar waar het het lekkerst loopt. Daar heb ik geen last van, dat vind ik juist wel prettig lopen. Het zorgt in elk geval voor wat afleiding. De wind begin ik echter wel beu te worden nu. Mijn actuele tempo ligt inmiddels ruim boven de 10 km/u, maar het gemíddelde zie ik maar akelig langzaam omhoogkruipen van 9,7 naar 9,9, waar het voor mijn gevoel úren blijft hangen, voor ik eindelijk die zo gewenste 10 km/u bereik. Bij het 35-kilometerpunt blijkt de teller bij mij echter al op bijna 36 kilometer te staan, en een paar kilometer lang ben ik, heel kinderachtig, een beetje gefrustreerd over het feit dat ik dan mogelijk wél een gemiddelde van 10 km/u haal, en toch niet onder de zes uur zal finishen… Gelukkig kan ik die frustratie van me afschudden. Als ik zo nodig trails wil lopen, mag ik er maar liever snel aan gaan wennen dat wedstrijden wat langer zijn dan beloofd. En ik loop hoe dan ook goed vandaag, dat realiseer ik me maar al te goed, wat maakt die eindtijd dan eigenlijk uit? Waar gaat het nu eigenlijk om?

De omgeving is best mooi, op een bepaalde, abstracte manier registreer ik het wel, maar het beroert me niet echt. Ik geloof niet dat ik zo’n zestig net zo goed in een stedelijke omgeving zou kunnen lopen, zo is het niet (hoewel dat vast heel goed zou zijn voor de mentale weerbaarheid), maar dat ik vandaag nu echt loop te genieten van de omgeving, nee, dat kan ik ook niet zeggen. Als Martine me wijst op een paar lepelaars, draai ik voor de vorm mijn hoofd in de richting waarin ze wijst, maar eigenlijk doe ik geen moeite iets te onderscheiden. De lammetjes, die mij anders altijd hevig weten te vertederen, wekken vandaag geen enkele emotie. Martine heeft niet veel aan me – gelukkig is ze daarop voorbereid, en gelukkig is het mooi weer, zodat het voor haar geen straf is om een rondje over het eiland te fietsen. Ik heb weinig belangstelling voor mijn omgeving, maar probeer supporters en vrijwilligers wel steeds te laten blijken dat ik waardeer wat ze doen door even te knikken of een hand op te steken of zo. Ik blijf het maar bijzonder vinden, al die mensen die hun tijd willen besteden aan het aanmoedigen en verzorgen van die rare mensen die zo nodig zestig (of 120, mind you!) kilometer moeten gaan lopen.

Ergens op de dijk haal ik Luc de Jaeger in. Hem trof ik vorig jaar bij de Veluwezoomtrail en later tijdens de Kustmarathon. Een sympathieke man – een loopkanjer bovendien, die het echter vandaag zwaar heeft, dat is hem aan te zien. Ik vraag hem hoe het gaat – “redelijk, het gaat redelijk,” antwoordt hij. Bij de laatste verzorgingspost ga ik een vrouw voorbij die ik ken van een clinic – een beduidend snellere loopster dan ik. Zij heeft het nu kennelijk zwaar. Voel ik enige triomf? Hmm, ik geloof dat ik haar best gun dat ze sneller is dan ik, maar het steunt mij wel in de gekozen aanpak. “Een langzame start betaalt zich altijd later terug.” Ik zeg het nog maar een keer. Nooit meer vergeten.

Tja, in die laatste kilometers ga ik toch wel een beetje kapot. Martine wil van geen kapotgaan horen, echter. Zij geeft mij braaf de toeristische informatie over het eiland. Vertelt me dat we het kerkhof passeren waar wijlen de heer Knippenberg begraven ligt. Trekt zich niets aan van mijn gemopper. Belooft me telkens weer dat ik het zwaarste nu echt achter de rug heb. Alléén nog even de Hogeberg op, of zoiets. En dan met de wind in de rug naar beneden, naar de finish. Nou ja, alleen het laatste stukje nog even zijwind dan. Grr. En ze blijft maar zeggen dat het goed gaat, erg goed zelfs. Ik geloof haar niet meer, maar weet natuurlijk tegelijk dat ze gelijk heeft. Het gaat goed, het is zelfs buitengewoon goed gegaan. Maar ik hoor de speaker al een poosje ergens rechts van me, en ik wil er gewoon zijn. Niet meer hoeven lopen, klaar ermee.

Ik finish, met 60,99 kilometer op de teller, in 6:02:52. Ik ben meer dan tevreden. Hij is binnen, deze klassieker. Die kan na zeven jaar eindelijk van mijn lijstje. En het was nog leuk ook.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in hardlopen. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s