Onbespied

Lang geleden, toen ik in Utrecht studeerde, merkte ik dat ik, altijd als ik door de stad fietste, het idee had dat iedereen naar me keek, en me beoordeelde. Ongunstig uiteraard, want van een overdaad aan zelfvertrouwen had ik geen last. Een paradoxale situatie. Aan de ene kant gevoelens van minderwaardigheid en aan de andere kant, tegelijkertijd, kennelijk het wonderlijke idee dat ik zo belangrijk was dat iedereen op me lette. Alsof men niets beters te doen had.

Toen ik mijn huis in Haarlem net gekocht had, een benedenwoning met een, voor stadse begrippen, redelijke tuin, schrok ik enorm van die bovenwoningen om me heen. Daar wóónden mensen, en die mensen keken zomaar, patsboem, mijn tuin in. En zagen mij dus, als ik daar zat te zitten, of er, sporadisch, in de tuin aan het werk was.

Het wende, maar nooit helemaal. Een van de redenen, al is het misschien niet de belangrijkste, waarom ik zo blij ben met mijn huisje in het bos, is dat er meestal niemand is die me kan zien. Ik schrik telkens even als er buren blijken te zijn, hoewel ik het heus ook prettig vind om gezelschap te hebben en zo nu en dan een praatje te maken. Maar ik voel me vrij als ik onzichtbaar ben, hoe graag ik, op een andere manier, ook gezien wil worden.

Op tv werd de afgelopen weken door de VPRO de documentaireserie Super Stream Me uitgezonden, over het experiment dat Tim den Besten en Nicolaas Veul deden om achttien dagen lang alles, maar dan ook alles wat ze deden, te filmen en live te streamen. Een soort zelfopgelegde Big Brother. Het blijkt niet vol te houden, het is heftiger dan je zou vermoeden. Boeiend om te zien wat het totale gebrek aan privacy met de beide mannen (“jongens waren het, maar aardige jongens”) doet, en ook om te zien hoe verschillend de beiden met de camera omgaan. De een, Tim, negeert die camera zoveel mogelijk, en probeert te doen wat hij anders ook zou doen; de ander, Nicolaas, probeert de kijker te vermaken en past zich aan bij diens vermeende verwachtingen.

Terwijl ik zou denken dat de strategie van Tim – plat gezegd: schijt hebben aan de ander – het best zou werken, in die zin dat je op die manier het minste last van de continue aanwezigheid van de blik van die ander zou hebben, stelt een van de deskundigen die in het programma optreden, dat juist een strategie van je aanpassen aan de verwachtingen van de ander het best zou werken. Hm, maar dan toch alleen als er ook momenten zijn waarop je je niet hoeft aan te passen, lijkt me, momenten waarop je je masker kunt laten vallen.

“De hel, dat is de ander,” zei Sartre. Dat is niet omdat die ander ánders is dan wij, er anders uitziet, een andere politieke of geloofsovertuiging heeft, dat hij andere ideeën heeft over het gebruik van geweld – het gaat er, kortom, niet om dat de ander fout is, en wij goed. Het gaat om de blik van de ander, in wiens ogen wij altijd object zijn. Een mens, jazeker, maar een bepááld mens, met een bepaalde identiteit, en in die zin een object. Ons ongedefinieerde zijn, het werkelijke subject-zijn (het oog dat de wereld ziet, maar zichzelf nooit kan waarnemen), kan nooit weg, dat is wat we werkelijk zijn, maar als we ons bekeken voelen, ons door de ogen van een ander zien, worden we geobjectiveerd, tot een persoon gemaakt. En als persoon is er altijd een zekere spanning, verkramptheid – ontspanning is het kenmerk van de afwezigheid van de persoon.

Wijzelf zijn in die zin natuurlijk net zo goed de hel als de ander dat is. Ook wij maken onszelf tot object, in onze eindeloze behoefte onszelf te definiëren, van een identiteit te voorzien. In zekere zin kan dat niet anders, denk ik – alles wat we over onszelf kunnen zeggen, objectiveert ons al. Over het subject, dat wat we werkelijk zijn, valt daardoor per definitie niets te zeggen. Men beweert wel dat het hebben van een duidelijke identiteit belangrijk is, dat je een gezond ego moet hebben – maar is dat laatste niet een contradictio in terminis? Mij lijkt het juist raadzaam om elk idee van een vaststaande identiteit te relativeren. We hebben niet één identiteit, we hebben er tientallen, en alle zijn ze niets dan een gedachtenconstructie. Het hebben van een bepaalde identiteit geeft ogenschijnlijk houvast. Maar houvast, het woord zegt het al, moet je vasthouden, zodra je loslaat, en dat gebeurt wanneer je werkelijk ontspant, biedt het niet langer houvast.

Toen ik, ook lang geleden, maar iets minder lang dan mijn studententijd in Utrecht, eens tijdens een therapiesessie sprak over hoe heerlijk het is om in de natuur te zijn, zei de therapeut dat dat komt doordat bomen en dieren niet over je oordelen. Daar zit wat in, denk ik. Met de blik van de ander vrezen we ook diens oordeel over ons. In de documentaire zegt Nicolaas Veul op een bepaald moment huilend tegen zijn therapeut dat hij bang is dat iedereen ziet dat hij niets voorstelt, dat het een leeg omhulsel is, dat wat de wereld van hem ziet. Een angst die ik herken. Of zouden we daar allemáál ten diepste bang voor zijn? Hoe heerlijk zou het dan niet zijn als we aan onszelf zouden kunnen toegeven dat we inderdaad pure leegte zijn, waarin alle mogelijke identiteiten als vormen opkomen en weer verdwijnen. Vluchtig, nooit beklijvend, niets om je aan vast te klampen.

Zoals gezegd, wil ik zowel graag onzichtbaar zijn (vaak), als gezien worden. Van dat laatste geeft alleen al het houden van dit blog blijk. Ik probeer hier eerlijk te zijn, maar natuurlijk zitten er grenzen aan die eerlijkheid. Ik houd veel voor mezelf, en probeer op die manier waarschijnlijk het oordeel van de lezer in gunstige zin te beïnvloeden. Ik probeer hier toch een beetje een leuk poppetje Jacolien te laten zien, terwijl de behoefte om gezien te worden, in wezen juist een behoefte is om gezien te worden zoals je écht bent, voor zover dat laatste dan ook maar enige betekenis heeft. Maar, betekenis of niet, in elk geval gaat het erover gezien te worden inclusief je kwetsbaarheden, inclusief de dingen waar je je diep voor schaamt. Dat dat allemaal gezien mag worden, en dat je dan nog steeds weet dat je helemaal goed bent zoals je bent. Die behoefte dus. Daarvan weet ik vrij zeker dat we ‘m allemaal delen.

In theorie weet ik het, dat ik helemaal goed ben zoals ik ben. In de praktijk doe ik al vroeg de gordijnen dicht.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in filosofie. Bookmark de permalink .

5 reacties op Onbespied

  1. Bram van der Bijl zegt:

    Niemand, die je ziet in het bos? En al die kaboutertjes dan? 🙂

  2. Mooi en waar. Dank je wel, Jacolien.
    Ditta

  3. Marjan zegt:

    Prachtig en herkenbaar, lieve Jacolien.

  4. djaktief zegt:

    Mooie overdenking. Fijn om deze identiteit van je eens te zien. In mijn ervaring kijken anderen vaak veel minder kritisch naar je dan je denkt 😉

    Groetjes,

    Dorothé

  5. Ernst Jan zegt:

    En nu even een stukkie hollen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s