Niets boven Winschoten

Leeg ben ik, volkomen leeg. Maar ik loop nog, dus ik leef, beweert men. Het is donker geworden in Winschoten, en het regent lichtjes. De toeschouwers hebben niet veel meer te doen – de lopers van de 50 kilometer zijn uren geleden gefinisht, en er is nauwelijks nog een loper van een estafetteploeg op het parcours te bekennen. Resteert een handjevol lopers die bezig zijn met de laatste kilometers van hun lijdensweg – of zou ik de enige zijn die dat zo ervaart? De jolige en joelende groep op de hoek is met zichzelf bezig als ik aankom. Als ik er net voorbij ben, krijgt een van hen me echter in de gaten, en word ik alsnog toegejuicht. Een ronde eerder kreeg ik hier een biertje aangeboden. Op andere plaatsen zitten mensen heel rustig onder een paraplu te wachten tot er een loper langskomt die ze een uiterst welkom hart onder de riem kunnen steken. De stands voor de landenteams in de verzorgingszone zijn niet meer als zodanig in gebruik. Nu staat er een lange rij waxinelichtjes. Op sommige plaatsen staan al de hele dag supporters die er speciaal voor mij lijken te staan. Het afscheid van hen tijdens die laatste ronde is hartelijk. Alleen al vanwege deze aardige mensen zou ik hier wel terug willen komen.

Aan de sfeer lag het niet, dat het niet ging. Aan de verzorging ook niet. Trainer Henny was helemaal naar Winschoten gekomen om dienst te doen als mijn verzorgingstafeltje. Nou ja, als iets meer dan dat. Ook om elke ronde weer te zeggen dat ik moet proberen de ontspanning te bewaren. Rechtop te lopen. En wanneer ik er doorheen zit, dat ik het rondje best kan opdelen in tweeën, door bij de verzorgingspost, op 6 kilometer, even een minuutje te gaan wandelen. En om op mijn rug te kloppen, als ik eigenlijk wil huilen. En om te zeggen dat ik het goed doe, alleen al omdat ik doorga.

Het eerste rondje gebruik ik om een beetje bij te praten met wat bekenden. Daarna loop ik grotendeels alleen. Rondje twee en drie gaan goed. Ik loop wat sneller dan gepland, maar voel geen enkele druk en loop ontspannen, en denk niet dat het kwaad kan. In rondje vier bespeur ik de eerste tekenen van vermoeidheid, maar het gaat nog steeds lekker. Ik weet dat ik niet overmoedig moet worden, herinner me onder andere Berg en Dal waar ik instortte na de marathonafstand. Maar so far, so good. De rondetijden lopen iets op, maar vallen nog binnen mijn gehoopte max van 1 uur en 5 minuten. In rondje zes krijg ik last van mijn darmen. Ik heb echter een probleem: ik ben eerder al twee keer een dixie in geweest om te plassen, en heb opgemerkt dat er geen wc-papier is. Hoe ga ik dat doen? Normaal loop ik met een rugzakje, waarin ik altijd wc-papier heb, maar met de overvloed aan verzorgingsposten op dit rondje van 10 kilometer, en met de bedoeling om een serieuze hárdloopwedstrijd te lopen, heb ik dat rugzakje vandaag thuisgelaten. En dus ook het wc-papier. Na de doorkomst op 60 kilometer staan Ada en Gosse langs de kant, net voor de verzorgingszone. Dan bedenk ik dat Ada misschien wel zakdoekjes bij zich heeft. Dat heeft ze niet, maar opeens weet ik weer dat ik in de rugzak die bij Henny staat, zélf gewoon papieren zakdoekjes heb. Voor Henny die heeft kunnen pakken, heb ik er ook al een paar in mijn handen gedrukt gekregen door de mevrouw in de tent naast Henny.

Ronde zeven is een klein drama. De dixies bij de eerste post ontgaan me. Dat betekent dat ik door moet lopen tot de grote post op 6 kilometer. Daar stop ik eerst even om wat cola te drinken, en dat gaat net niet helemaal goed. Met moeite bereik ik de dixie. Ik voel me ongelukkig, al is het legen van de darmen een opluchting. Als ik weer loop, krijg ik last van mijn maag. Toch neem ik een gel, omdat ik denk dat ik toch íets moet nemen dat energie geeft, zolang dat nog gaat. De gel valt niet goed, ik word misselijk. Een poosje lijkt het alsof ik moet overgeven, maar ik houd hem binnen. En als dan later de misselijkheid gezakt is, denk ik dat ik er misschien toch goed aan heb gedaan de gel te nemen. Is toch weer brandstof.

Bij Henny wil ik eigenlijk even huilen, maar dat lukt niet echt. Dan maar de quadriceps een beetje rekken. En, in opdracht van Henny, een brul geven. De twee vrouwen die net passeren, brullen terug. Oké, gaan we weer.  En ronde acht gaat weliswaar nog langzamer, maar mentaal ben ik er weer. En tijdens deze ronde realiseer ik me dat ik deze wedstrijd ga uitlopen. Ik houd na 80 kilometer meer dan 3 uur over voor de laatste twee ronden, dat moet te doen zijn. De toeschouwers vragen of dit mijn laatste ronde is. Nee, was dat maar waar, al zeg ik soms dat ik het zo leuk vind, dat ik er nóg eentje ga doen. Nou, tot straks dan. Na de doorkomst op 90 staat mede-Haarlemmer en allang gefinishte Simon Luckett bij mijn persoonlijke begeleidingsteam. Hij zegt dat ik het heel goed doe, en dat ik het zwaarste achter de rug heb. De laatste ronde zal minder zwaar zijn. Mentaal is het inderdaad niet de zwaarste ronde, vanwege het enkele feit dat het de laatste is. Fysiek is het dat voor mij echter wel. Ik zie achteraf dat mijn kilometertijden hier boven de 8 minuten komen. Ik voel dat het uiterst langzaam gaat, maar ben blij dat ik een dribbelpas weet vast te houden en niet ga wandelen. Ik ben leeg, volkomen leeg. Alleen mijn darmen zijn dat kennelijk nog niet, jammer genoeg. De dixies loop ik voorbij – ik zal nu toch wel de finish halen zonder nog een keer uit de broek te moeten? Helaas, een beslissing waar ik al snel spijt van heb.

Ik plaats een indrukwekkende versnelling in de laatste kilometer, zodat ik die toch nog onder de 8 minuten loop. Ik ben blij dat Henny, Ada en Gosse bij de finish staan, ik zou me wat sneu gevoeld hebben als ik hier in mijn uppie binnen zou komen. Een warme deken wordt me omgeslagen, het drietal leidt me zorgzaam via de allerlaatste verzorgingspost (bouillon! appel!) naar binnen, de sporthal in. Daar is de ceremonie van de prijsuitreikingen aan de gang. Afwisselend horen we het Zweedse en het Amerikaanse volkslied, voorafgegaan door het verzoek om, voor wie dat kan, op te staan. Leuk om een keer mee te maken, zo’n officieel gebeuren. Als ik weer een klein beetje tot leven ben gekomen, drentel ik wat heen en weer om nog een beetje sociaal te doen en om de benen niet helemaal vast te laten schieten. Ik zoek eigenlijk Wilma, maar die is kennelijk al vertrokken. Ik feliciteer Arenda Scherpenkate, die bij haar debuut op deze afstand Nederlands kampioen is geworden, met een tijd onder de negen uur. Ook Lydia Doornbos liep onder de negen uur. Oké, de wereldtop loopt misschien nog een stukje sneller, maar ik heb er veel bewondering voor.

En mijn eigen tijd dan? Tja. 11 uur en 24 minuten. Bepaald niet wat ik gehoopt, en stiekem toch ook wel verwacht, had. Toch lukt het me niet om teleurgesteld te zijn. Mentaal zat het goed, maar fysiek lukte het vandaag niet zoals gewenst. Voor mijn gevoel niet zozeer doordat ik fouten heb gemaakt, maar, tja, door wat dan eigenlijk wel? Ik ben blij dat de eerste helft goed ging, en dat ik niet na 30 kilometer al instortte, zoals me de laatste tijd ook nogal eens gebeurt. Een wedstrijd van 60 kilometer had ik goed kunnen lopen, denk ik. Maar ja, 60 ≠ 100. Dat ik er nou toch zo’n eind voor moet lopen om daar achter te komen! Ik moet nog vriendschap sluiten met deze afstand, al weet ik op dit moment niet zeker of ik dat nog wel zo nodig wil. In ander terrein: ja, dan wel. Maar op al dat asfalt in het vlakke Groningen moet je eigenlijk echt kunnen hardlopen, en opnieuw bedenk ik dat ik dat niet echt kan. Vooralsnog in elk geval niet op de manier waarop ik het zou willen kunnen. Maar goed, dat is misschien toch ook gewoon een kwestie van nog aan deze afstand moeten wennen. Aan de andere kant ben ik ontzettend blij dat ik gefinisht ben. Als, hou je vast, 263e van de 273 finishers maar liefst! (Maar ook 100 DNF’s.) En als 8e vrouw op het NK (van de 12 vrouwen die aan dat NK deelnamen, 8 finishers).

Dus ik had het anders gewild, en ben toch tevreden. Dit is een waardevolle ervaring voor me. Dat ik nog een keer naar Winschoten ga voor de RUN lijkt me op dit moment onwaarschijnlijk, maar je weet maar nooit. De ontmoetingen met en begroetingen van zoveel ‘onbekende bekenden’ en vrienden voelden als een warm bad. Wat vind ik het een heerlijk wereldje, dat ultra-wereldje. Wat voel ik er me thuis. Dank aan iedereen die er was.

Geplaatst in hardlopen | 13 reacties

Beestenboel

Opeens een boel gekraak, wel heel dichtbij. Een fractie van een seconde hoop ik op een edelhert, maar die hoop wordt onmiddellijk de grond ingeboord bij de aanblik van een enorm rund van het mannelijk geslacht, met enorme horens, wel heel dichtbij. Ondanks zijn enorme afmetingen heb ik hem totaal niet in de gaten gehad, zodat ik nietsvermoedend zijn aura ben binnengehobbeld. Daar is het beest niet van gediend, en dat geeft hij met veel misbaar te kennen. Op de bordjes staat te lezen dat de grazers binnen dit gebied onvoorspelbaar op de aanwezigheid van mensen kunnen reageren – ik voorspel je: als je plotseling heel dichtbij hen komt, schrikken ze, en die schrik uiten ze met vertoon van agressie.

Ik ontmoet het beest tussen Delhuijzen en de Zwarte Bulten (of zijn het nou klonten?). Mijn hartslag, die tot dit moment keurig het schema volgt en nog in zone 1 zit, schiet door de ontmoeting naar zone 3. Ik ben meteen goed wakker en trek me, verontschuldigingen mompelend tegen het beest, terug achter wat onooglijke boompjes. Kennelijk leidt het beest hieruit af dat ik zijn overwicht erken, zodat hij wat indimt. Ik blaas de aftocht en kies een ander pad.

Een paar weken eerder, de woensdag na mijn Boxtweedaagse, staan er 200’jes op mijn schema. Ik heb vergeten tegen Henny te zeggen dat ik de hele week in Arnhem blijf, en op woensdag dus niet naar de atletiekbaan ga. Maar geen probleem, dan zet ik die 200’jes wel ergens op een rustige asfaltweg uit. Het wordt een rustig zandpad. Aan een kant bos, aan de andere kant glooit goudgeel het graan. Na 200’je nummer zeven, keer ik me om om naar de startlijn terug te dribbelen, en ik zie een beest me over het pad tegemoetlopen. Nee hè, niet weer een loslopende hond. Het gaat tegenwoordig best goed tussen mij en de honden, maar ik vind dat mijn dapperheid ten opzichte van onze trouwe viervoeter de laatste tijd wel voldoende op de proef is gesteld. Deze hond staat echter wel heel hoog op de poten. Het is dan ook geen hond, maar een ree. Die duikt eerst het bos in als hij mij ziet, maar bedenkt dan dat hij toch echt naar de andere van dat graanveld wil (ik meen daar aan de overkant een soortgenoot van hem te zien, maar als ik een tweede keer kijk, is het dier verdwenen), en ik kan hem nog een hele tijd volgen. Dan weer hoog boven de haver uitspringend, dan weer, alsof hij zich realiseert dat hij zo wel een erg makkelijke prooi voor een wildliefhebber vormt (weet het beest veel dat ik geen vlees eet), een tijdlang sluipend in de hoop onzichtbaar te zijn – alleen een beetje jammer dat zijn kop daarbij boven het graan uitsteekt.

Kijk, dat vind ik nou leuk. Ik heb mijn huisje nog maar net, en nu ontmoet ik al een ree. In de duinen zitten zoveel damherten, dat je er een beetje blasé van wordt. “O, een hert. Gaap.” “O, veertig herten. Ja leuk. Wat zullen we vanavond gaan eten?” Maar een ree zomaar in het wild, dat is nog eens wat anders, daar ben ik wel van onder de indruk. De zaterdag erna ga ik een rondje fietsen. Richting Loenermark en zo. Het is nogal druk met medeweggebruikers in de vorm van wandelaars, ruiters en fietsers. Op een rustig stukje steken twee reeën vlak voor me het pad over. Gaap.

Geen internet en tv in mijn huisje. De eerste weken dat ik er zit, taal ik niet naar de film die ik eventueel op mijn laptop kan bekijken. ’s Avonds lig ik heel vroeg in bed, of zit ik bij het licht van een olielamp en wat kaarsen (al heb ik wel elektriciteit hoor) op het terras nog wat te lezen of te mijmeren. Mijn oren gespitst op de roep van bosuilen. Een enkele keer hoor ik er eentje, maar een klein poosje, en wel heel ver weg. Net niet helemaal bevredigend. Thuis in Haarlem begin ik aan seizoen 3 van Game of Thrones. Na die 60 kilometer lopen op zaterdag, vorig weekend, vind ik het wel heel lekker om nog een afleveringetje te bekijken. Ik zit buiten, heerlijk weer, laptop op schoot, oortjes in de oren zodat anderen niet mee hoeven te genieten. Onder een bepaalde scène zit het geluid van een bosuil. Ja hoor, het is avond, bosuil natuurlijk. In detectiveseries zijn ze daar ook tuk op – te pas en te onpas de roep van een bosuil, om het extra spannend te maken of zo. Volgende scène. Nog steeds die bosuil. Eh? Spatiebalk, oortjes uit. Verrek joh, die uil zit hier links van me, irl, een beetje te jagen. Is hij nou helemaal gek geworden?

Dilemma. Ik móet natuurlijk naar die uil blijven luisteren, en dat doe ik ook wel even, maar ik wil eigenlijk ook wel erg graag deze aflevering nog even verder zien, en vroeg naar bed want ik ben best moe. Het is te genant voor woorden, maar: oortjes in, spatiebalk. Na een poosje vliegt de uil de Game of Thrones weer uit.

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Lekker

“Wat is het lekker in het bos, hè?” Ik kan alleen maar beamen wat de man zegt. Ik passeer hem en zijn vrouw ergens tussen Rheden en Dieren. Het is schitterend weer, maar nog aangenaam koel hier onder de beuken.

Om 6 uur 50 heb ik mijn klokje ingedrukt in de buurt van Schaarsbergen. Eerst 3,5 kilometer over het fietspad langs de Koningsweg naar de A50, waar ik een etappe van het Veluwe Zwerfpad oppik. Ik heb me goed voorbereid deze keer. Niet alleen de route bestudeerd, maar ook pannenkoeken gegeten de avond ervoor, en zelfs krentenbollen gesmeerd voor onderweg. Een buff om mijn pols gedaan om het zweet van mijn gezicht te vegen. Me bovenal echter strikt voorgenomen om deze keer hoe dan ook na een uur te beginnen met eten, en ook daarna op z’n minst ieder uur iets te nemen. En met het plan om lekker rustig te lopen – ik heb de hele dag de tijd, al weet ik dat het trainingstechnisch gesproken dan weer niet de bedoeling is dat ik uitgebreid ga picknicken onderweg.

Tot aan Dieren ben ik puur aan het genieten. Wat ben ik toch een enorme bofkont dat ik hier na al die jaren (ik woonde ooit in deze contreien) weer met grote regelmaat kan zijn. Vlak is het hier nergens. Op en neer gaat het, op en neer. Ik ben blij. Het lopen gaat lekker. Ik voel me nu weer een trailloper. Op de Posbank ben ik verbluft. Ik ben hier vaak genoeg geweest, maar zo mooi als nu zag ik het nog nooit. Of zou ik dat vergeten zijn? Het landschap glooit in paarse en heldergroene banen naar beneden. De geulen zijn dieper dan ik me herinner. Uitgesleten door het smeltwater van de gletsjers, aan het eind van het Saalien, lees ik later in het routeboekje. Dat Saalien maakt deel uit van het Pleistoceen. Het is maar dat je het weet. Toen waren er hier minder mensen dan nu, ongetwijfeld. Het is nog tamelijk vroeg als ik op de Posbank ben, maar ik ben er bepaald niet de enige. Er zitten wat mensen te mediteren op een bankje. Ook lekker. De meesten zijn echter aan het wandelen, en zijn zo vriendelijk een stapje opzij te doen om mij te laten passeren. We groeten, wisselen een woord.

Vanaf Dieren gaat het richting Eerbeek en Loenen. Nu wordt het toch warmer, en krijg ik het zwaarder. De naaldbomen houden beduidend minder warmte tegen dan het loof waar ik eerder onder liep, zo lijkt het. En de zon zal ook wel meer kracht krijgen, zo langzamerhand – het blíjft natuurlijk geen zeven uur ’s morgens. Als ik langs de Eerbeekse Beek loop, heb ik trek en pak ik een knijpzakje fruit. Aardbei-appel, deze keer. Olvarit: geschikt voor alle leeftijden. Het smaakt me heerlijk. Niet alleen helpt het tegen de honger, maar het helpt ook tegen de dorst. Een stukje verderop loopt het pad het bos uit, en ga ik de heide op. Ik wil mijn pet pakken, maar grijp mis. Shit, verloren. Het is mijn zondagse pet, van het merk met de S, en ik denk hem te hebben verloren toen ik dat fruitzakje pakte, dus ik keer om en loop terug. Hij ligt iets verder terug dan ik dacht, maar omdat ik toch niet precies weet hoe lang mijn route wordt, en ik het idee heb dat ik hoe dan ook na 60 kilometer kan stoppen met hardlopen, en daarna kan gaan wandelen, maakt deze extra kilometer me niet heel veel uit.

De fruitmoes hielp beter tegen de dorst dan tegen de honger, merk ik als ik na tien minuten alweer trek heb. Een half uur geleden wist ik nog vrij zeker dat die krentenbollen in mijn rugzak zouden blijven, ik moest bijna kokhalzen bij de gedachte eraan alleen al, maar nu is in mijn hoofd het enige dat mij op de been kan houden een krentenbol. Zo gaat dat. Het gaat nergens over, maar dat zijn zo van die inconsistenties die ik grappig vind om op te merken. Ik pak de bol uit mijn rugzak en bedenk vervolgens dat ik die pas op wil eten als ik weer wat schaduw heb. Via het smalle paadje dat ik vanaf de camping in Loenen ook regelmatig loop, steek ik de Zilvense Heide over, krentenbol in de hand. Het gaat op en neer, op en neer. Inmiddels heb ik het stadium bereikt waarin ik daar iets minder enthousiast over ben. Kunnen ze de boel hier niet een beetje gladstrijken? Wel zo aardig voor de vermoeide hardloper.

Op precies het juiste punt weet ik waar ik rechtdoor moet om de lus door Loenen te vermijden. Ik pik de route weer op, om deze na niet al te lange tijd opnieuw te verlaten. Ik moet naar het zuidwesten, de route gaat verder naar het noorden. Ik stop even om de kaart te raadplegen voor het vervolg. Ach, en weet je wat, ik rammel alweer en neem de tweede krentenbol nu ook. Ach, en héél even zitten op het mos, met m’n rug tegen een boom, dat zal toch wel mogen? Lekker. Mijn honger kan ik nog stillen, met de dorst wordt dat lastiger. Ik drink mijn waterzak leeg, en heb dan alleen nog een paar slokken sportdrank. Ik was van plan om onderweg ergens wat cola te kopen, maar de kiosk waar ik dat had willen doen, was nog gesloten toen ik er langs kwam, en als puntje bij paaltje komt, heb ik weinig trek om mijn route te verlaten, om te lopen, de bebouwde kom op te zoeken, ‘alleen maar’ om iets te drinken te kopen. Niet verstandig, ik weet het.

Ook weer geen drama overigens. Door het bekende tunneltje uit de Veluwezoomtrail ga ik onder de A50 door om het Deelerwoud in te lopen. Fout lopen is hier eigenlijk niet mogelijk, maar voor alle zekerheid laat ik mijn horloge toch even de route van een paar weken geleden weergeven. Ik mag van mezelf pas weer de afgelegde afstand bekijken als ik het Deelerwoud weer verlaat. Dat is ook de plaats waar Museum Vliegbasis Deelen staat – geen idee of ze daar iets verkopen, maar hoop doet leven en helpt mij de warme kilometers door. 57,7 kilometer geeft de Suunto aan als ik weer asfalt onder mijn voeten krijg. Nog maar 2,3 kilometer, maar eerst kijken of er iets te drinken is. Langs levenloze mannen in uniformen zoek ik mijn weg in het museum, tot ik een levend iemand ontmoet. Of ze ook cola verkopen, vraag ik. Jazeker, zegt hij, en dat het haast lijkt alsof dat mijn leven moet redden. Dat heeft hij goed gezien. Twee blikjes koop ik – een om direct leeg te drinken, het andere om mijn flesje mee te vullen voor die laatste kilometers. Lekker? Goddelijk!

Langs de weg, het is niet anders, loop ik richting huis. Nog een kilometer of vijf voor ik daar ben. Ik mag nog steeds na 60 kilometer stoppen van mezelf, maar ach, ik kan in elk geval wel even doorlopen tot ik weer op de Koningsweg ben. Ach, nou ja, ik kan ook wel even doorlopen tot ik op 61 kilometer zit. Ach, als ik 61 kilometer kan lopen, kan ik er ook wel 62. Ach, nou ben ik er ook bijna, en het is toch eigenlijk ook wel zo leuk om hardlopend thuis te komen. Het flesje cola is leeg, de benen zijn vol. Kapot ben ik, maar lekker was het. Het eerste deel van de dag dan toch in elk geval. En die cola ook.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Ik kan dit (niet)

Tijdens die tweede dag in de omgeving van Boxmeer bekruipt me de welbekende twijfel. Hoe heb ik in vredesnaam kunnen bedenken om 100 kilometer te gaan lopen in Winschoten? Moet je me nou toch zien, kilometerslang wandelend in plaats van hardlopend. Ik kan dit helemaal niet. Sterker nog: ik vind het ook helemaal niet leuk, dat lange geloop. Aan de andere kant: ik doe het nu een paar jaar, en al is het vaak inderdaad helemaal niet leuk, per saldo maakt dat rare lange lopen me gek genoeg toch erg blij. Ik moet me nog inschrijven, dus ik kan er nog onderuit, maar ik weet dat het al heel gek moet lopen, wil ik op 12 september niet aan de start staan in Winschoten.

In het weekend na Boxmeer telt mijn ‘lange’ duurloop slechts 15 kilometer. Ik ga op de fiets naar het Deelerwoud, waar een mooi rondje van precies de juiste lengte loopt dat ik in m’n gps heb geladen. Tot twee keer toe kom ik Edwin tegen – hoe leuk is dat! Het lopen gaat behoorlijk lekker, maar als ik na 12 kilometer op m’n horloge kijk ben ik verbaasd dat ik pas zo ver ben. Zelfs 15 kilometer kan opeens best lang lijken, blijkt, en dat zelfs als het lopen goed gaat.

De week erna is het gedaan met de rust. 50 kilometer dient er gelopen te worden. Vanwege m’n verjaardag dat weekend, besluit ik die 50 op vrijdag af te werken, en vanwege het nodige bak- en kookwerk in verband met diezelfde verjaardag, loop ik maar gewoon vanuit Haarlem (de oven in mijn Arnhemse paradijsje is helaas nog niet bruikbaar). Rondje Haarlem tot aan de Oase, daar een rondje door de Waterleidingduinen, bij Panneland de duinen weer uit, Woestduin, Manpad, Groenendaal, (vervelend) stukje Heemstede, Spaarne, Zomervaart, thuis. Het wordt een drama. De eerste 20 kilometer gaat het best lekker, maar wederom is de koek na die afstand op. Alwéér? Waar ken ik dit van? Wat doe ik toch fout? Oké, het is klam weer, ik ben kleddernat van het zweet, maar zo erg is dat toch ook weer niet? Het enige wat ik kan bedenken, is dat ik te laat begon met eten. In de duinen geef ik toe aan de verleiding en ga ik even liggen in het gras. Proberen energie te onttrekken aan de colachomps die ik ondertussen wegkauw. Bij Panneland sta ik nog even stil om water bij te tanken, maar daarna kan ik het gelukkig toch opbrengen om hardlopend (nou ja: hard gaat het niet bepaald) door te lopen naar huis. Ik loop nog een ommetje om in de buurt van de 50 te komen, maar tik af bij 49,57 kilometer. Mijn commentaar in het schema: “objectief iets te kort, subjectief véél te lang.”

Op dinsdag voer ik een goed gesprek met Henny, terwijl hij mijn benen masseert. Voor de wedstrijd staat er nog één lange duurloop op het programma, en wel eentje van 60 kilometer. Het is zaak dat ik goed eet en drink, en dat ik dat een beetje plan. Hoe lang ik erover doe, maakt op zich niks uit, maar het is niet de bedoeling dat ik op een terras ga zitten onderweg (of in het gras ga liggen, zo begrijp ik de boodschap). Ik moet kijken waar ik eventueel een flesje cola kan kopen onderweg, en eventueel moet ik genoegen nemen met een korter rondje dat ik herhaal, zodat ik thuis voorraden bij kan vullen. Oké, dat laatste is natuurlijk geen optie…

Ook praten we de wedstrijdtactiek door. Langzaam beginnen, regelmatig eten en drinken. Joh! Hoe verrassend. Toch is het goed het nog eens benoemd te hebben. Ik weet heus wel wat verstandig is, maar in het vuur van de strijd ‘vergeet’ ik daar vaak naar te handelen. Ik laat mijn ambities voor een goede tijd varen – als ik een goede dag heb, kan het goed gaan, zo niet, dan niet. Ik heb me een beetje angst laten aanpraten door de ervaringen van anderen, die zeggen dat je heel goed kunt lopen tot 60, 65 kilometer, maar dat de meesten dan instorten. Dat gaat bij mij dan natuurlijk ook gebeuren, is mijn ‘natuurlijke’ (hoezo? wat nou natuurlijk, hooguit gebruikelijke) reactie. Waar begin ik aan? Ik probeer me vast te klampen aan enkele succeservaringen uit het verleden. Niet op 100 kilometer (die in de bergen ging weliswaar goed, maar dat is toch een wat andere discipline, en over hoe ik liep tijdens Limburgs Zwaarste ben ik niet zo tevreden), maar op Texel liep ik goed, de zes uur op de baan in Heerde liep ik heel behoorlijk, de 50 kilometer in het Amsterdamse Bos idem dito – de laatste twee vooral in aanmerking nemende dat ik me daarop niet had voorbereid als op een wedstrijd.

Honderd kilometer is natuurlijk een stukje langer, maar misschien kan ik het toch. We zullen zien.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 10 reacties

Boxtweedaagse

Drie jaar geleden alweer, maakte ik tijdens de Zomermeerdaagse, inmiddels omgedoopt tot Boxmeerdaagse, mijn debuut bij de befaamde loopjes van Willem en Annemarie. Lopers en noeste werkers treffen elkaar in een bepaalde nieuwbouwwoning in een nieuwbouwwijk in het pittoreske (zoals Andries W zou zeggen) Boxmeer. Niet zo vreselijk pittoresk overigens, die nieuwbouwwijk, maar dat terzijde. Vaak is de startlijn van het te lopen loopje pal naast het huis (dat bewoond wordt door Annemarie) te vinden, soms worden de lopers eerst in wat auto’s en een camper gepropt, om hen te vervoeren naar een startlijn elders, waarna teruggelopen wordt naar de nieuwbouwwoning in kwestie. Toen, drie jaar geleden dus, liep ik dag 1 mee, dit jaar loop ik de dagen 2 en 3. Een mooie dubbeldekker in de aanloop naar Winschoten.

Dag 2 gaat door het natuurgebied Maasduinen. Ik ben met Edwin meegereden, en in het begin lopen we samen, of op z’n minst bij elkaar in de buurt, maar na een kilometer of 25 krijgt hij de smaak te pakken, en is bij mij het beste er wel van af. Al ben ik, anders dan 3 jaar geleden, tegenwoordig zelfvoorzienend waar het het vinden van de route betreft, ik ben blij dat Theo en Jeroen op mij wachten, zodat ik ook de tweede helft grotendeels in gezelschap loop. Ook in dat van Sjaak, die dan weer heel snel loopt (op asfalt), en dan weer terugvalt (op onverharde paden), en met regelmaat een stukje verkeerd loopt (uit ongeduld). Bij de tweede oversteek van de Maas, op kilometer 40 of daaromtrent, laten we rustig de veerpont nog een keer heen en weer varen, voor wij ons naar de overkant laten vervoeren. We hebben de opdracht gekregen te genieten, en genieten zullen we! Het gaat allemaal wel, maar ook weer niet echt makkelijk. Ben ik nou alwéér te snel gestart? Ik lijk er wel een gewoonte van te maken de laatste tijd. Het enige excuus dat ik aan kan voeren, is dat ik in het begin veel aan het praten was met tot dan toe onbekende medelopers, en ik me in de vuur van het gesprek wat mee liet slepen in looptempo. Het is hoe dan ook een schitterende route vandaag. Dat heb ik goed uitgekozen. Zeer tevreden schuif ik na afloop aan in de tuin van Annemarie om iets van bier te drinken. Oké, alcoholvrij, dat heb ik dan weer wat minder goed uitgekozen. Maar dat is dan weer vast heel verstandig.

De volgende dag verontschuldigt Willem zich al bij voorbaat. We lopen van Millingen aan de Rijn in een min of meer rechte lijn terug naar Boxmeer. Veel asfalt, veel lange, rechte stukken. Het zij zo, op deze manier wordt het een goede training voor me. Ook al wat het weer betreft, want het wordt warm, zo is voorspeld. Na de autorit beginnen we met een pontoversteek, dan lopen we gezamenlijk naar de veerpont bij Pannerden (althans: we wachten daar op elkaar), aan de overkant weer gezamenlijk een paar kilometer verder naar een voetveer, en dan mag een ieder losgaan op eigen tempo. Het wordt afzien voor me. Verzorgingspost 1 komt me iets te snel, gezien de twee pauzes op de veerponten. Op het volgende stuk krijg ik het zwaar. De laatste kilometers tot de tweede verzorgingspost gaan over zo’n lange, rechte asfaltweg, en de zon doet erg z’n best ons tot een plasje te doen smelten. Ik voel me niet best als we bij de camper aankomen. Geen bouillon, helaas. Hopelijk kan de cola een wonder verrichten. Maag, milt en darmen doen hun best mij van m’n stuk te brengen – we zullen eens zien of ik stand weet te houden.

’s Morgens heb ik nog tegen Bennie gezegd dat ik het helemaal niet erg vind om (vandaag) heel langzaam te lopen, maar dat ik eigenlijk niet wil wandelen. Ik kom op mijn woorden terug. Ik kan hele stukken niet anders dan wandelen. Zo lijkt het op die momenten althans. Jammer, maar het is niet anders. Met Ruud loop ik vanaf post 2 verder. Voor ons zien we de bomen van het Reichswald, en we houden het hardlopen vol precies tot we de schaduw van het bos bereiken. Vanaf daar wandelen we. Wat ben ik blij met én schaduw, én eindelijk weer een normaal pad onder mijn voeten. Ik verdenk mijzelf er soms van stiekem een asfaltloper te zijn, en helemaal geen trailloper, maar op deze momenten denk ik daar weer anders over. Het hele stuk door het bos, jammer genoeg niet meer dan enkele kilometers, ben ik veruit het meest in mijn element van de hele dag. Ik kan zelfs nog even een stukje écht hardlopen. Heerlijk!

Daarna is het echter over. Ik probeer zoveel mogelijk te dribbelen, maar er zijn ook lange, lange stukken waarin ik dat echt niet op kan brengen. In Gennep loop ik Jan Nabuurs achterop, en samen wandelen we verder naar de vierde en laatste verzorgingspost. Ik voel me beroerd en stort ter aarde. Cola, ja, oké, maar is er niets zouts? Jan Scheffer, de echtgenoot van veelloper Ineke, geeft me dubbelzoute dropjes. Dat is lief. Andere Jan laat ik gaan, hij rent, ik wandel. Slechts, maar dan ook echt slechts omdat het me op deze manier te lang duurt voor ik in de tuin van die nieuwbouwwoning in Boxmeer dat enorm hoe-cliché-het-ook-is-welverdiende pilsje naar binnen kan klokken, kan ik me ertoe zetten zo nu en dan nog een stukje te dribbelen. Tot aan die schaduw, nee, tot aan de volgende, daarna mag ik weer wandelen. We komen Boxmeer binnen via het oude gedeelte, dat inderdaad best pittoresk te noemen is. Alleen had Boxmeer wat mij betreft vandaag best uit alléén die ene nieuwbouwwijk mogen bestaan, dan was ik wat eerder bij de finish geweest…

Het bier smaakt voortreffelijk. Het gezelschap is goed. De kilometers zijn gemaakt. Beroerd gelopen en tóch niet ontevreden.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Iets anders

Het plan was om in september drie weken naar Jan van Delden in de Dordogne te gaan, en in augustus een weekje naar Zwitserland, om daar aan een bergloopje mee te doen met een afstand waar ik wel even van moet slikken.

Het kan verkeren.

Opeens stuitte ik, tijdens een van mijn periodieke ontsnappingspogingen op Marktplaats en Funda, op een boshuisje waar ik nogal gecharmeerd van was. Dat ik het gedurfd heb, begrijp ik nog steeds niet, maar twee weken geleden heb ik al mijn spaargeld opgenomen en overgemaakt naar de rekening van iemand anders en sindsdien mag ik mij de gelukkige eigenaar noemen van het huisje in kwestie.

Dat die drie weken Dordogne in september eraan moesten geloven, was me direct duidelijk. Dat zou voor mijn begrippen sowieso een dure vakantie zijn geworden (in een huisje, en niet in een tent – dat scheelt een slok op een borrel – een cursusweek, de Franse péage), maar ook nog eens drie weken niet werken en dus geen inkomen, dat kan ik me niet permitteren als ik geen reserve meer op de bank heb. Dat weekje Zwitserland lijkt me echter niet te veel gevraagd. Maar ik heb me nog niet ingeschreven, en op een bepaald moment bedenk ik dat ik tóch nog even moet kijken hoe hoog het inschrijfgeld ook alweer is. Aiaiai, ruim 300 Zwitserse franken, en sinds die koers is losgelaten, valt er nauwelijks meer iets te delen, dus dat betekent keihard 300 euro’s. En dat is dan alleen maar het loopje. Niet de reis ernaartoe, niet de camping tijdens de acclimatisatie, niet het eten en drinken, wat in Zwitserland ook al niet echt gratis is. Direct voel ik een soort verontwaardiging. Heel grappig – ik heb dat van dat huisje toch echt zelf bedacht, en als ik het doe, dan doe ik dat omdat ik het graag wil, en toch voel ik me dan verongelijkt omdat me iets anders, iets wat ik óók graag wil, door de neus geboord wordt. Door mezelf natuurlijk, maar dat zie ik even over het hoofd.

Een avond lang denk ik, een beetje kinderachtig: en ik ga tóch! Ik wil dat nou eenmaal. Maar gelukkig heb ik de dag erna een studiedag bij de ISVW in Leusden, en als ik mijn auto daar neerzet, ik uitstap en het bos ruik en de vogels hoor, weet ik dat het hardlopen slechts een middel is tot geluk, en geen doel op zich. (Zoals overigens natuurlijk ook een huisje ergens buiten de stad niet meer dan een middel is.) Dan is de dag ook nog eens filosofisch bevredigend, en weet ik weer waar het me om gaat.

Diezelfde avond bedenk ik dat ik nu mooi éindelijk Winschoten kan lopen in september. En dat verzoent me met mijn lot. Tijdelijk althans.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 8 reacties

Afmaken

Geen schaduw. Geen zuchtje wind. Tot nu toe is het me niet tegengevallen hoe het gaat, als je de nog niet herstelde benen en de warmte in aanmerking neemt, maar tijdens het rondje door het Twiske begin ik me steeds belabberder te voelen. Het zijn niet mijn benen, het is niet m’n maag, ik drink genoeg, ik eet genoeg, ik draag een petje, maar het is gewoon te warm, er gaat iets niet goed. Ik ga het volhouden tot de post op 21 kilometer, waar Willem en Annemarie met de camper staan, maar ik denk dat ik daar ga stoppen. Daarna nog ruim 20 kilometer, ik moet er niet aan denken. Nog nooit ben ik uitgestapt tijdens een georganiseerde loop (een wedstrijd wil ik het niet noemen, zeker vandaag niet – althans niet voor mij), misschien moet dat vandaag dan maar eens gebeuren.

Ik hou vol tot de post. Ron, die we al een stukje voor ons zagen wandelen, zegt dat hij het tweede rondje door het Twiske, en daarmee de marathonafstand, laat voor wat het is, en verder gaat wandelen voor de 40 kilometer. Ik zeg dat ik wel wil stoppen, maar daar wil Willem niks van weten. “Weet je wat je doet? Je loopt rustig dit rondje nog een keer, dan ben je hier na ruim 4 kilometer weer terug, neem je weer even rust, en dan kun je daarna desnoods wandelend terug naar Diemen. Dan heb je er toch weer een gelopen.” Of iets van die strekking. Al denk ik over die marathonafstand: who cares?, het is wél waar ik aan begonnen ben vandaag, en iets niet afmaken waar je aan begonnen bent, leidt vaker wel dan niet tot een gevoel van ontevredenheid.

We nemen onze tijd bij de post. Ik drink twee bekertjes bouillon, drie bekertjes cola, eet een bekertje vanilleyoghurt, komkommer, stukjes nectarine, en doop mijn pet in het water. Willem heeft me overtuigd, en samen met Cinta en Ruud begin ik aan het tweede rondje. Het eerste stuk lopen we nog op de wind, daarna is het weer bloedheet. Maar de rust, en vooral de bouillon, denk ik, heeft me goed gedaan, en ik voel me in dit tweede rondje een stuk minder slecht dan tijdens het eerste. Dus ik ga door, ook na de tweede verzorging bij de camper.

We wandelen een stuk. In Landsmeer wil ik wel weer dribbelen, en de andere twee dribbelen mee. Na een paar kilometer geeft Cinta aan dat ze misselijk wordt, maar ik hoop dat we kunnen blijven rennen tot de pont, die niet lang meer op zich kan laten wachten. Dat lukt, en ik voel me vrij aardig, tot we stilstaan. Ik weet niet waar ik het zoeken moet. Eerst maar op m’n buik op de kade, om m’n petje opnieuw nat te maken – en vervolgens ook de petjes van Cinta en Ruud. Een clubje zijn we inmiddels, nu we al zo’n beetje vanaf de start samen lopen. Op de pont móet ik even zitten, anders gaat er iets niet goed. Zo lijkt het tenminste.

Aan de overkant van het Noordhollands Kanaal wandelen we weer. Kilometerslang deze keer, tot de volgende verzorgingspost, in Zunderdorp. Daar staan we rustig onze tijd te nemen, tot we worden opgeschrikt door de komst van Rinus, die voor de winst op de 60 kilometer gaat, en op dit punt, 34 kilometer, al 15 kilometer méér heeft gelopen dan wij. Oef! Sterk werk. Cinta geeft aan dat ze wil blijven wandelen. Ruud en ik willen eigenlijk wel weer dat dribbelpasje inzetten. Dilemma. Zijn we een clubje of niet? Ik vind wandelen op zich niet erg, maar weet dat ik het onbevredigend vind als ik blijf wandelen terwijl het eigenlijk niet nodig is. Als je kunt hardlopen, moet je hardlopen. Dat moet niet, het is geen dogma, maar voor mezelf werkt het wel zo. We vormen een clubje van individuen die elkaar vrij laten. Ruud en ik beginnen voorzichtig weer met iets dat op een hardlooppas lijkt, Cinta wandelt verder naar de finish.

Op sommige stukken staat er een lekker fris windje, op de Schellingwouderbrug waait m’n pet zelfs bijna van m’n hoofd, op andere stukken lijkt het alsof je levend wordt gekookt. Stilstaand voor een stoplicht denk ik dat ik gék word. Op de Diemerzeedijk ga ik overstag en begin toch weer te wandelen. Ruud volgt, al kan hij volgens mij makkelijk blijven hardlopen. Het voelt een beetje zwak, bovendien heb je wandelend niet echt minder last van de hitte dan hardlopend, maar ik kán niet meer. Nou ja, onzin waarschijnlijk, ik had vast nog wel gekund, maar ik kan het even niet meer opbrengen. Wandelend tot boven op de Nesciobrug, daarna weer hardlopen, heb ik me voorgenomen. Ruud volgt echter niet, blijft wandelen. Als ik beneden ben, wandel ik daarom ook maar weer, zo nu en dan een stukje achterstevoren om te kijken waar hij blijft. Ruud blijft wandelen, en dan zie ik dat hij foto’s aan het maken is. Ik wandel verder tot hij hardlopend weer langszij komt. We zijn inmiddels weer in Diemen, en het kan nu niet ver meer zijn. 43 kilometer is het zeker, 44 is waarschijnlijker. 45 misschien zelfs? Niet te veel naar m’n klokje kijken. Een tijdje is de temperatuur nog tamelijk aangenaam te noemen, pas op het laatst lopen we weer volkomen uit de wind en is het gewoon té warm. Maar we lopen inmiddels op bekend terrein – vanmorgen kwamen we hier, vanaf het station, ook langs toen we naar de startlocatie liepen – en ik weet dus dat we er nu echt bijna zijn.

Bij de finish nét geen 45 kilometer op mijn klokje, meer dan zes uur over gedaan. Ai. Maar het kan me niks schelen. Het is weer volbracht. Ik hoor iemand zeggen dat het lekker was, en leuk. Nou, het was hartstikke leuk ja, ik ben erg blij dat ik gegaan ben, maar lékker?

Ja, dat Palmpje na afloop, en die douche, díe waren lekker.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Kleine ettertjes

Zweterig en plakkerig – check.
Nieuwe schoenen te klein gekocht – check.
Maag en darmen van streek – check.
Benauwd en vochtig weer – check.
De zoveelste steile helling – check.
Brandende bovenbenen – check.
Blaren – check.
Veel te veel hoogtemeters – check.
Brandende zon – check.
Honger en toch geen trek – check.

Ik vind het allemaal prima, maar kunnen die kleine KUTVLIEGJES alsjeblieft uit m’n gezicht en uit m’n oren gaan?

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Mega echt

Ik begon ernaar te verlangen weer eens een échte trail te lopen. De Sallandtrail en Limburgs Zwaarste waren hartstikke leuk, ze waren mooi en zwaar zat, maar op de een of andere manier voldoen ze toch niet helemaal aan het beeld of het gevoel dat ik bij een echte trail heb. Limburgs Zwaarste heeft daarvoor wat te veel asfalt, de Sallandtrail te weinig hoogtemeters, en is voor een echte trail wat te, tja, te gewoon, te Nederlands of zo. Een snob ben ik, ik weet het. De spierpijn na Limburgs Zwaarste was bovendien van dien aard dat wat meer gewenning aan serieuze afdalingen geen overbodige luxe zou zijn met het oog op een mogelijk bergloopje later dit jaar.

Een blik op de kalender, en de keuze is snel gemaakt. De Ardennes Mega Trail wordt eind juni gelopen, en die wil ik wel. Daarvoor laat ik met plezier de zes uur van Haarlemmermeer, op dezelfde datum, schieten, en desnoods ook het Rondje Amsterdam, dat een week later gelopen wordt, al staat dat laatste al een paar jaar op mijn wensenlijst, en stond het dit jaar voor het eerst echt op de planning. Aanvankelijk denk ik aan de échte Ardennes Mega Trail, een loop van 93 kilometer en ik weet niet hoeveel hoogtemeters. Ik realiseer me echter al vrij snel dat een dergelijke afstand trainingsopbouwtechnisch gesproken vermoedelijk iets te vroeg komt, en schakel voor mijn doen vrij makkelijk over naar het idee om dan de kortere afstand te gaan lopen, de Roc la Tour, van 54 kilometer en 2800 hoogtemeters. Beschouw het als een goede oefening om niet altijd per se het stoerste te willen doen (lees: de stoerste te willen zíjn). Dan maar wat minder stoer, who cares.

De Roc la Tour it will be, dus. In Edwin vind ik een partner in crime, en vanaf de carpoolplaats bij Maarheeze rijden we samen naar Les Hautes Rivières, in de Franse Ardennen. Startnummer halen, tentje opzetten op het grote veld bij het sportcentrum, beetje bier, een paar borrelnoten, een pizza aux quatre fromages bij het enige eettentje in het dorp dat zijn deuren nog niet voorgoed gesloten heeft, en op tijd ons nest in. Niet dat ik veel slaap, maar ook als je niet slaapt, rust je toch, zeggen ze. Het is benauwd en plakkerig, en de pizza ligt zwaar op m’n maag. Gelukkig zijn de bosuilen ook wakker, dat schept een band.

De start is om 5 uur en het is nog net niet helemaal licht. Vlak voorbij de startstreep staan aan beide kanten van de weg vrijwilligers met fakkels. Even verderop een doedelzakspeler. Dat zijn van die dingen waar ik gevoelig voor ben. We zijn op weg. Tenminste… Even later staan we stil. De eerste helling, en het is meteen filelopen. Dat houdt nog wel even aan. Ondanks het lusje waar de loop mee begint, en dat vermoedelijk als doel heeft het loperslint wat uiteen te trekken, hebben we zeker een uur te maken met opstoppingen. Gelukkig heb ik, afgezien van de wedstrijd uitlopen, voor vandaag geen greintje ambitie. Denk ik.

Het onweer van de afgelopen nacht heeft de boel nauwelijks opgefrist – nog steeds is het vochtig en benauwd. De bergen in de Ardennen mogen die naam dan weliswaar nauwelijks waardig zijn, toch zien we meerdere malen beneden ons in het dal het wolkendek liggen. Later komt de zon erdoor, en dan ben ik blij dat de route grotendeels door het bos voert. Edwin en ik lopen samen, tot ik voor een sanitaire stop een zijweg insla. Ik verwacht hem bij de eerste ravito (nou ja: waterpost – de Ardennes Mega Trail is semi-zelfvoorzienend, wat betekent dat er op de verzorgingsposten geen eten en luxe drankjes verstrekt worden), niet al te veel verderop, wel terug te zullen zien, maar als ik daar aankom, is Edwin al vertrokken. Prima, al merk ik wel dat ik het prettig vind zo nu en dan in het Nederlands een woord met iemand te kunnen wisselen, en mis ik dat vandaag als Edwin niet in de buurt is. Het is niet bepaald de Trail des Fantomes, waar volgens mij het merendeel van de deelnemers uit Nederland afkomstig is, en anders wel uit Vlaanderen; deze Mega Trail is een uiterst Franse aangelegenheid, zo schijnt mij toe.

Als ik zo die beboste heuvels zie liggen vanuit het dal, denk ik dat ik het niet eens zo’n prachtig mooi gebied vind, maar nu ik de ganse dag door die bossen heen mag dwalen, blijk ik het wel degelijk prachtig mooi te vinden. Ik ben niet iemand die tijdens zo’n loop uitgebreid gaat staan genieten op de diverse uitzichtspunten, ik ben ook niet iemand die foto’s neemt tijdens het lopen, maar dat wil niet zeggen dat de schoonheid van de omgeving me ontgaat. Ik dompel me erin onder en het doet me goed.

De hellingen zijn talrijk en de meeste van die hellingen zijn steil. Ik heb bewondering voor de lopers zonder stokken, maar benijd hen niet. Natuurlijk, het kán, en zij hebben vandaag, the day after, vast minder spierpijn in hun armen dan ik, maar ik had dit loopje niet graag zonder stokken gedaan. Niet alleen omhoog bewijzen ze hun diensten, maar ook steile stukjes bergaf doe ik veel minder angstvallig mét dan zónder stokken. Ik neem dan maar voor lief dat ik natuurlijk ook stukken ren (later: dribbel) met van die vreselijk irritante stokken in mijn vreselijk irritante zweethanden.

Veel bos dus, soms lopen we in dat bos een poos in de buurt van een stroompje. In de buurt van Bogny en Monthermé zijn er wat meer open stukken. Vlak voor Bogny komen we langs het beeld van de vier heemskinderen, en ik realiseer me later dat de estafetteversie van vandaag daarnaar genoemd is: Les quatre fils Aymon. Dat mijn eigen loopje genoemd is naar een klimrots heb ik dan nog wel kunnen bedenken. Die rotsen passeren we natuurlijk ook, en twee keer mogen we een ministukje klauteren. Het mag geen naam hebben, maar het is genoeg om me voor de zoveelste keer af te vragen waarom ik toch nooit meer klim. Zó leuk! Verder is in het parcours opgenomen een tunnel, die onder water staat, maar waar je nét over een droog randje naast dat water kunt lopen, zodat je je voeten droog houdt. Het pad eindigt in een modderbad over de volle breedte van de tunnel. Dág mooie frisse kleurtjes van mijn nieuwe schoenen! De tuinslang van de mevrouw die na de tunnel op een stoeltje zit, laat ik desondanks voor wat hij is – ik zal met deze schoenen nog weleens vaker door de modder gaan, mag ik hopen.

Vlak voor post 3, op 36 kilometer, loop ik Edwin achterop. Die heeft net in een café een blikje cola gekocht en biedt mij de laatste slok aan. Lekker. Hij mist de cola bij de posten erger dan ik doe, ik krijg nog wel sportdrank en eten weg, terwijl hij eigenlijk niks meer naar binnen krijgt. Vanaf dat punt gaat het bij mij ook wat moeizamer. Maag en darmen zijn nu wat van slag, en ik eet niks meer. Van de sportdrank ga ik enorm boeren, maar ik blijf het toch drinken, zodat ik niet alleen vocht, maar ook nog wat zouten en mineralen en zo binnenkrijg. Ik heb er verder geen verstand van, maar dat lijkt me handig. Vanaf dat punt lopen Edwin en ik deels weer samen, maar uiteindelijk loop ik toch iets bij hem weg. We wandelen veel, maar als ik het op kan brengen om te dribbelen, wil ik dat niet laten. Ik hoop dat Edwin kan volgen als hij mij ziet gaan, maar kennelijk raakt hij de aansluiting toch kwijt. Met een eindtijd ben ik niet bezig, maar als ik op het laatste stuk nog een paar vrouwen voorbij ga, vind ik dat dan toch wel weer aardig. Toch een beetje ambitie dus.

De Maas zijn we onderweg een paar keer overgestoken, maar dat ging over bruggen. Bij de kleine beekjes die we tegenkwamen, kon je via wat stapstenen ook makkelijk met droge voeten de overkant halen. Op het allerlaatst van het parcours staat er echter toch nog een rivierdoorwading op het menu, zoals bij een échte trail hoort. De Semois is best breed, en zo diep dat ik mijn korte broek niet droog houd. En dan is er vlak voor je er weer uitstapt ook nog best een beetje serieuze stroming. Altijd weer lollig, dit.

Als ik het water uitkom, zie ik de finish al min of meer liggen. Nog even proberen aan te zetten op het laatste stukje asfalt. Zere poten, maar blij. Ik had het niet makkelijk, maar het is aardig goed gegaan, al met al. Ik had het naar mijn zin. De organisatie is geweldig. Het is een pittige loop, zoals ik al verwachtte. Ik deed er 10 uur en ruim 7 minuten over, dat betekent een gemiddelde snelheid van 5,33 km/u. 2600 hoogtemeters is geen kattenpis op zo’n afstand, dat wist ik al, en achteraf kan ik dat alleen maar beamen.

Een behoorlijk echte trail, die Roc la Tour.

Een uurtje eerder lopen Edwin en ik samen weg bij de laatste post. We halen een wandelaar in, die volgens mij ook iets met de organisatie te maken heeft. We groeten in het voorbijgaan. Hij roept ons achterna waar we vandaan komen. Les Pays-Bas. Of het onze eerste keer is. La première fois, oui. Hij roept nog iets. Ik vang iets op van prochaine, quatre-vingt-treize en mieux. Het is duidelijk wat hij bedoelt. Ik zal erover denken.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Gesputter

Mijn schema vond dat ik vandaag 40 kilometer moest lopen, en dus vond ik dat ook. Mijn benen vonden zeer beslist van niet, en bleven de volle 40 kilometer lang mopperen en tegensputteren.

De sukkels.

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties