Dromen in micro-uitvoering

Tussen droom en daad stond niets me in de weg dit keer. Geen wet, en zelfs geen praktische bezwaren. Hele lappen tekst schreef ik; goed werd het niet. Maar ik ben dan ook geen Elsschot.

Wat feiten en foto’s dan maar:
Hardlopend met kampeeruitrusting – voor het eerst. Gewicht van de rugzak onbekend.
Zaterdag: Schaarsbergen-Loenen, 16,2km.
Zondag: Loenen-Schaarsbergen: 19,9km.
Een micro-avontuur: binnen 24 uur uit en thuis.

20160521_165526#2

Rugzak met inhoud. Lichtgewicht oké, maar goede lectuur is natuurlijk onontbeerlijk.

20160522_095532#2

Een wel heel bekend stel tref ik op de camping. Kijk naar hen en zie hoe de nevel van den tijd in nog geen oog een vonk heeft uitgedoofd. Geen stervend paard te bekennen.

20160522_103053#2

Ik vind het plaatsen van die niet-zo-flatteuze selfies altijd wel stoer. Laat ik dat dan ook eens doen. De bedoeling was dat je mijn rugzak zou zien…

20160522_103154#2

Nou ja, ach. Het is een foto.

20160522_153403#2

Home sweet home.

Wat rest, is tevredenheid. “En ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren. En die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.”

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 4 reacties

Verandering van spijs

Sinds Winschoten afgelopen september, loop ik trainerloos. Ik wilde sowieso weer even een poosje een beetje freewheelen, en na 3,5 jaar training bij Henny zou het misschien ook wel goed voor me zijn eens onder begeleiding van iemand anders te trainen, dachten we allebei. Voor een nieuwe impuls aan mijn loopcarrière of zoiets, ha!

Ik freewheel me een slag in de rondte, al verschijnt er al snel een lollige loop met best wel een serieuze afstand aan de horizon voor in het najaar, waar ik dan toch maar zelf een schemaatje voor in elkaar flans. Liep ik Winschoten om het gemis aan een loop in de bergen in dat jaar te compenseren, The Real Kick moet ik dan weer lopen om het feit te compenseren dat Winschoten de afwezigheid van een bergloop helemaal niet kón compenseren – althans niet nu de laatste vier van de tien rondjes daar in Groningen zo ontzettend niet gingen zoals ik gehoopt had dat ze zouden gaan…

Na The Real Kick loop ik de rest van het jaar dan toch echt schemaloos. Nou ja: de lange duurlopen plan ik wel een beetje, met het oog op de oliebollenmarathon aan het eind van het jaar. En na die marathon moet ik weer serieus aan de bak, vind ik. Op het programma staat Limburgs Zwaarste, in april, en aangezien ik die vorig jaar ook liep, kan ik het schema van toen, met wat aanpassingen, kopiëren. Lekker makkelijk. Tot mijn verrassing houd ik me behoorlijk goed aan het schema, ook nu ik geen verantwoording aan een trainer hoef af te leggen. Geen trainer nodig dus, zou je zeggen. Al doe ik in grote lijnen natuurlijk precies hetzelfde als wat ik al een paar jaar doe, en kun je nou niet echt van een nieuwe impuls spreken. Maar ja, who cares?

Begin februari laat ik me testen door Laurens, in Heesch. Omdat ik het leuk vind om te weten waar ik sta, denk ik. En ik hoop vast om en passant ook wat tips te krijgen. Ik heb niet speciaal het idee dat ik misschien bij hem kan gaan trainen. Niet bewust, tenminste. Laurens is een nogal eh, enthousiast type. Of moet ik zeggen: enthousiasmerend? In elk geval: zijn enthousiasme (dat mogelijk vooral veroorzaakt wordt door het carnaval dat de dag erna losbarst, bedenk ik nu) slaat op mij over, en als hij na afloop van de test zegt dat ik goed in zijn stal zou passen, voel ik me gevleid (want volgens mij betekent dat: goede conditie) en, nee, ik zeg niet meteen ja, maar weet al dat de kans dat ik het níet doe, behoorlijk klein is.

“Waarom?” vraagt Hannah, als ik haar later mail dat ik overweeg bij Laurens te gaan trainen. Tja, waarom? Goede vraag. Heel even heb ik het gevoel dat ik me verantwoorden moet. Wil ik per se beter worden? Vind ik presteren dan zo belangrijk? Maar dan realiseer ik me dat ik het gewoon heel leuk vind om gericht te trainen, en dat ik het prettig vind als iemand me daar handvatten voor aanreikt. En dat, zélfs al gaat het me erom beter te presteren, ik dat dan toch ook weer vooral graag wil omdat ik dat leuk vind. Belangrijk is het niet, nee. Op mijn niveau al zéker niet, maar uiteindelijk natuurlijk op geen enkel niveau. Pfiew, gelukkig. Want tegen iets doen omdat je het leuk vindt, kan vast niemand bezwaar hebben. Nou ja, tenminste… De rechtgeaarde calvinist in mij morrelt wat.

Laurens en ik spreken af dat ik Limburgs Zwaarste ‘op eigen kracht’ loop, en dat ik daarna contact met hem opneem om het eens een tijdje uit te proberen, trainen op een schema van hem. In de tweede week na LZ mail ik Laurens. Daarna vertrek ik voor een lekker lang weekend naar Arnhem – geen wifi, geen e-mail. Maandagavond kom ik thuis en vind ik in mijn mailbox een mail met schema. Snel kijk ik wat ik dinsdagochtend mag doen. Intervaltraining. 6-9-12-15 minuten in hartslagzone D. Zone D: 160-166 bpm. 160-166??? WTF! Dat loop ik nooit! Ik had al een beetje een vermoeden gekregen bij de nabespreking van de test, maar inderdaad: ik loop over het algemeen in zones die beduidend lager liggen dan ik op grond van de testresultaten aan zou moeten kunnen. Als ik sinds die nabespreking de gegevens van een training terugkijk, bijvoorbeeld van een baantraining waarbij ik me behoorlijk heb uitgesloofd, denk ik: hm, die hartslag komt nog niet in de buurt van m’n omslagpunt – wát nou uitgesloofd?

Ik slaap die maandagnacht niet al te best. Of het alléén komt door het vooruitzicht van een training met een hartslag van boven de 160, weet ik niet, maar volgens mij speelt het wel mee. Gelukkig hapert m’n hartslagmeter. F***ing irritant natuurlijk, maar zo kan ik wél mooi een beetje sjoemelen. Ik loop voor wat ik waard ben, dat wel, maar op de momenten waarop ik op mijn horloge kijk en dat een waarde aangeeft die enigszins aannemelijk is (dus niet de 217 die later zogenaamd mijn maximale hartslag zou zijn geweest, maar evenmin een waarde van 108, terwijl ik met de tong op mijn schoenen loop te lopen), zit ik steeds net onder de 160. Nou ja, tant pis. Dood ga ik zo ook al.

Ik val kennelijk midden in een Laurensiaanse schemaperiode, zodat ik het vooralsnog met een schema voor slechts twee weken moet doen. Vluchtig kijk ik naar de andere trainingen voor deze korte periode. Ik ben echter meer geïnteresseerd in de duurlopen, die gepland zijn tot de Zugspitz Ultra, half juni. Laurens geeft die duurlopen in tijd, niet in kilometers. En de tijd staat in minuten genoteerd, niet in uren. Aanstaande zondag 180 minuten, oké. Is wat langer en dus verder dan ik zou hebben verwacht – ik denk altijd dat zo’n wedstrijd van 100 kilometer me voor de rest van het jaar ontslaat van duurlopen langer dan 2 uur (trainen? ik héb al getraind! vorige maand nog!) – maar gelukkig heb ik afgelopen zondag geheel op eigen initiatief en naar eigen inzicht ruim 2 uur gelopen, dus ik hoef niet bij nul te beginnen. Maar dan staat er ergens iets wonderlijks. In de piekweek, eind mei, staat: 420 minuten. Maar dat is natuurlijk een vergissing. Of zou hij de trainingen van de hele week bij elkaar opgeteld hebben? Maar nee, bij deze eerste twee weken, waar ik het schema al van heb, staat in dat lijstje toch echt alleen de tijd van de lange duurloop. Typfout? Vaag dringt het tot me door dat 420 wel degelijk een veelvoud van zestig is. Hmm, dat zou al te toevallig zijn. Maar welk veelvoud dan toch ook alweer? Tja, als zes maal zes 36 is, en daar ben ik redelijk zeker van, moet 42 wel zeven maal zes zijn. En 420 minuten dus zeven uur. Zeven uur??? Meent ie dat nou? Maar ik heb nét nog 100 kilometer gelopen!

Hannah vroeg me vorige week of ik belangstelling had voor een loop van 100 kilometer met pinksteren. Te lang, te vroeg, oordeelde ik. Of eventueel de Grimace. Een week voor de Zugspitz, ook niet ideaal. Bovendien ben ik een beetje loopmoe, schreef ik haar. Nu mail ik haar snel om te vragen of ze dat weekend eind mei misschien een uurtje of zeven met me op pad wil. Wil ze wel. Er valt makkelijk zelf iets te organiseren, maar ik kan het niet laten ook even in de trailkalender te neuzen. Een trail van 60km in België? O ja, leukleukleuk!

Loopmoe? Van zo’n lekker vers schema krijgt een mens vanzelf weer trek.

 

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

De vijfde

Ik vang op dat het over een vogel gaat, maar verstaan kan ik het net niet. Even iets versnellen, zodat ik dichter achter Hannah en Christiaan kom te lopen. De vogel zingt het begin van de Vijfde van Beethoven, vertelt Christiaan. Makkelijk te herkennen dus. Kijk, dat zijn trucjes waar een mens wat aan heeft. Nou maar hopen dat de geelgors, want dat is de zanger in kwestie, ook een beetje voor wil komen in streken waar ik nog weleens vertoef. Ik laat me weer iets terugzakken en probeer het bekende deuntje te onderscheiden in de wirwar van geluiden hier in het open veld.

We zitten nog in het stadium van de race waarin ik goeddeels samen loop met Christiaan en Hannah. Tot groot genoegen, mag ik wel zeggen. De laatste kilometers voor de post op 69 kilometers zie ik de twee bij me weglopen, en ik weet, al hoop ik tegen beter weten in, dat ik het de laatste dertig kilometer op eigen kracht zal moeten doen. Ik wil hen echter zo lang mogelijk in het vizier proberen te houden, al is het alleen al omdat dat me oriënteringstijd scheelt – de route is weliswaar beter dan ooit gemarkeerd, maar ik ben nou eenmaal erg goed in het niet zien van lintjes en bordjes – maar ook omdat ik hoop dat dat me oppept om zoveel mogelijk tempo te proberen te houden. Dat ik vermoeid begin te raken, blijkt wel uit het feit dat ik Edwin volkomen over het hoofd zie, die juist bij die post op 69 kilometer staat als wij daar aankomen. We praten even voor hij aan zijn laatste elf kilometers begint. Ik mag eerst nog een rondje van twintig, voor ik aan diezelfde laatste kilometers kan beginnen.

Het gaat goed, dit jaar. Natuurlijk is het zwaar, natuurlijk doet het zeer, natuurlijk zitten er kilometers tussen die maar duren en duren, maar mentaal heb ik een makkie deze keer. Rustig begonnen, rustig gebleven. Niet zo bezig met een eindtijd – al had ik natúúrlijk best graag iets sneller willen lopen dan vorig jaar, en gebeurde dat niet. Het is van geen enkel belang. Het is een mooie dag. Ik ben blij.

Thuis zoek ik het geluid van de geelgors op. Maar ik herken niet helemaal het begin van de Vijfde. Wel het ritme, niet de melodie. Ik check het even op de piano. Bij Beethoven gaat het die eerste noten een grote terts naar beneden, en die geelgors daalt een kleine terts. Man met baard heeft meer verstand van biologie dan van muziek? Of hebben ze een geelgors op het web gezet die geen wijs kan houden?

Maar toch: de vijfde. De vijfde keer dat ik de lus bij Epen liep namelijk, én de vijfde keer dat ik de  honderd aantikte. En het lichaam lijkt er langzaam maar zeker een beetje vrede mee te krijgen dat het na zestig kilometer nog niet gedaan is met dat idiote geloop.

 

Geplaatst in hardlopen | 7 reacties

Stil

Stille zaterdag.

Zoals gebruikelijk met Pasen, kampeer ik met de familie op De Ruigenhoek, aan de rand van de Amsterdamse Waterleidingduinen. Op vrijdagavond zitten we met z’n drietjes in de tent, in de hoop dat de benzinelamp ons zal verwarmen. IJdele hoop. In de vroege avond is het helder, en de net niet meer volle maan beschijnt het tentenveld. We benoemen de paar sterrenbeelden die we herkennen – Grote Beer en Orion, daarmee heb je het wel zo’n beetje gehad. Verheugd luisteren we naar een paar bosuilen in de verte. Als we naar bed gaan, blijken de sterrenbeelden plaats te hebben gemaakt voor een koude mist. Ik trek de capuchon van m’n slaapzak over m’n hoofd en snoer alles goed aan. Koud heb ik het niet, maar toch ben ik vaak wakker. Gelukkig maar, want de bosuilen zijn dichterbij gekomen en gaan de hele nacht door met wat ze dan ook aan het doen zijn. De stilte van de nacht draagt hun raadselachtige geroep. Nog nooit eerder maakte ik mee dat ze zo lang achter elkaar zo dichtbij zo hoorbaar aan het jagen waren – of zijn ze, in deze tijd van het jaar, eerder bezig elkaar te versieren? En dat nog wel in mijn randstedelijke achtertuin.

Om twintig over zeven maakt de beheerder het achterhek voor me open. Ik zit nog aan het ontbijt, gehuld in een donsjas en met een overbroek over mijn tight. De mist is nog niet opgetrokken en het is nog steeds freezing koud. Twintig minuten later ben ik klaar om aan mijn duurloop te beginnen. De zon krijgt net genoeg kracht om de mist te laten oplossen. De handschoenen kunnen direct uit, en de buff gaat al snel van m’n nek naar m’n pols. Het is nog stil in de duinen, al ben ik ook weer niet de enige die al in de benen is. Een hardloper die me inhaalt, vraagt of ik het ook zo lekker vind. Ja, wie níet.

Ik loop door de duinen naar Langevelderslag, waar ik het strand op ga. Ik kan niet genoeg benadrukken dat ik lopen over het strand háát, dus een stukje strand is altijd weer een goede training voor me. Ik ben echter van plan om er bij de eerste de beste strandafgang, een kilometertje verderop, weer van af te gaan, want het kan natuurlijk ook te gek met die training. Je moet het jezelf ook weer niet te moeilijk maken. Dit ene kilometertje is ook mijn blijk van solidariteit met de JKM-lopers. Ik heb vannacht aan hen gedacht, terwijl ik naar de uilen luisterde, maar heb het niet kunnen opbrengen om midden in de nacht m’n warme slaapzak te verlaten om naar het strand te gaan om daar een enkele eenzame loper aan te moedigen.

Het kan verkeren. Het strand is leeg, op een doodenkele hondenwandelaar na. De wind blaast in m’n rug, het zand onder mijn voeten is stevig. Ik loop de strandafgang voorbij. In de verte zie ik de bebouwing van Zandvoort, daar moet ik heen. De zee links van me. Rechts van me ook water. Ik kom smalle stroompjes tegen die van het water rechts naar het water links van me lopen. Spring er met gemak overheen, maar ik realiseer me dat dat waarschijnlijk niet zo blijft. Ik bereid me voor op natte voeten en krijg die inderdaad.

De branding schittert in het zonlicht, het geluid van de golven zwelt af en aan. Had ik al eens gezegd dat ik zo van het strand houd? Ik vlieg vooruit. Het is stil. Puur geluk.

 

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 1 reactie

Huisjes, boompjes, beestjes. En natte voeten.

Denk vooral niet dat ik spijt heb van mijn aankoop. Maar zorgen levert het ook op, zo’n tweede huisje. Zo was ik, toen het dan eindelijk beloofde te gaan vriezen, nogal blij met mezelf omdat ik eraan gedacht had om bij vertrek het verwarmingslint dat langs de leidingen onder de caravan loopt, aan te zetten. Mij zouden ze niet hebben, met bevroren leidingen en zo. Waar ik alleen even niet aan had gedacht, was dat de temperatuur ín de caravan niet veel verschilt van die ónder de caravan – althans niet wanneer ik er niet ben en de kachel (dus) niet aanstaat. Toen ik de volgende keer aankwam en de deur opendeed, hoorde ik meteen dat er iets niet helemaal goed gegaan was. Badkraan gescheurd. En waar zit de hoofdkraan eigenlijk? Links van de deur onder een luikje. Maar in de kraan die ik daar vind, is geen beweging te krijgen, ook niet voor de hulptroepen – jonger, sterker, handiger dan ik. De loodgieter heeft pas na het weekend tijd. Wel wijst hij ons op andere hoofdkranen – als ik het begrip ‘hoofdkraan’ zou moeten definiëren, zou ik in mijn definitie vast vermelden dat het er (per definitie, dus) maar eentje is, maar in Arnhem blijk ik er wel vier te hebben. Verwarrend. Met tape probeer ik de waterdruk te temmen, maar ik moet voor lief nemen dat schoon leidingwater nutteloos in de riolering verdwijnt. De reparatie (nieuwe badkraan, verplaatsen van de hoofdkraan) kost een lieve duit. Telefonisch word ik ingewijd in de geheime wereld van het water afsluiten en aftapkraantjes.

In het weekend erna zit ik weer in het bos, en als ik die zondag vertrek, besluit ik in mijn oneindige wijsheid dat het niet nodig is mijn pas verworven kennis in de praktijk te brengen. Het water blijft aangesloten. Het weekend daar weer na, staat Limburgs Halfzware op het programma. Aanvankelijk was ik van plan daar vanuit Arnhem naartoe te reizen, maar het begint me op te breken dat ik zo weinig thuis ben, en ik besluit om vanuit Haarlem op en neer naar Limburg te gaan. Ongerust volg ik die week de weersvoorspellingen. Het gaat vriezen. Om half 5 die zaterdagmorgen sta ik op, en als ik de gordijnen even opzij schuif, zie ik dat ik wat extra tijd moet inruimen om de autoruiten te krabben. Voor ik naar buiten stap, graai ik voor alle zekerheid toch maar de sleutels van Arnhem mee. Ik moet er niet aan denken dat het weer misgaat en ik wederom de hulp van de loodgieter moet inroepen. Niet alleen vanwege het geld, maar meer waarschijnlijk nog vanwege de schaamte. Ik heb me erg verheugd op een hele vrije zondag thuis op de bank met het nodige achterstallige leeswerk, en wil eigenlijk helemaal niet naar Arnhem, maar op het moment tijdens de thuisreis waarop ik moet beslissen of ik de A2 blijf volgen of de A50 opga, kies ik, met enige tegenzin, toch maar voor het laatste. Arnhem is een half uurtje korter rijden, dat is dan weer een voordeel voor mijn vermoeide lijf en slaperige hoofd. Het afsluiten van het water lukt, op de buitenkraan na. De keer daar weer na dat ik bij m’n huisje aankom, blijkt die dan ook gesprongen te zijn. Gelukkig, maar ook een beetje raar, lukt het me nu wél om de toevoer af te sluiten, en kan ik dit zelf repareren (denk ik, want ik heb ‘m sindsdien nog niet weer aangesloten om dat te kunnen controleren). Zelfredzaamheid is een groot goed en voorkomt schaamtegevoel.

Mijn grootste zorg is echter: hoe zorg ik ervoor dat ik voldoende naar mijn zin thuis ben, zowel in Haarlem als in Arnhem, en hoe combineer ik die behoefte met mijn hardloop- en andere leuke activiteiten? Toen ik het huisje kocht, dacht ik dat het hardlopen dan maar op een iets lager pitje moest komen te staan; het gaat me uiteindelijk alleen maar om rust en geluk, en daarvoor heb ik hardlopen niet per se nodig. Toch? Of toch wel? Vanwege de aanschaf van het huisje liet ik vorig jaar een loopje in de bergen schieten, wat ik zo’n beetje inhaalde door in november The Real Kick te lopen. Nu is het huisje er nog steeds, maar staat mijn agenda vol met het ene loopje na het andere, waaronder in juni iets in Zuid Duitsland, en een pittig exemplaar eind augustus in de Alpen. De drang om te lopen en daarbij ook aan georganiseerde dingetjes mee te doen, is onverminderd groot, daar helpt geen huisje in het bos tegen.

Niet echt een lager pitje dus. In februari liep ik, zoals gezegd, de Halfzware in Limburg. Mijn derde deelname aan de februari-editie. Een modderige. Voor de start zegt Willem met een sardonisch lachje dat we geen droge voeten zullen houden. We staan dan nog hoog en droog in de buurt van het befaamde hijgende hert, en het vriest, dus reageren we ongelovig. Maar Willem weet wat hij zegt, droge voeten houdt niemand. Ik loop die dag lekker en heb het goed naar mijn zin. John iets minder. Hij heeft last van zijn knie, en dat wordt er niet beter op met al die modder op het parcours. Bij de vierde post, op ruim 40 kilometer, laten Jos, Lisenka en ik hem achter bij de camper, en we lopen met z’n drietjes het laatste deel van de route.

WP_20160213_11_04_12_Pro

foto: Jos

 

Een week later loop ik een rondje van 30 kilometer vanuit Arnhem. Ik ontwijk de plassen en modderbaden. Waar het pad helemaal vernaggeld is door grote voertuigen, en het een grote modderbende is, loop ik van het pad af het bos in, om die voeten maar droog te houden. Dat het daar ook modderig is, blijkt echter als mijn schoen opeens achterblijft. Op een sok en een oude hardloopschoen loop ik terug. Met moeite trek ik mijn schoen uit de prut. Ik moet Edwin gelijk geven: gewoon de eerste de beste water- of modderplas die je tegenkomt meteen vol nemen, dan hoef je daarna niet ingewikkeld meer te doen. Ik heb het nog nooit erg gevonden dat mijn voeten nat waren, en toch probeer ik het steeds uit alle macht te voorkomen. Oké, aan het schoonmaken van de schoenen na afloop heb ik een hekel, maar zo erg is dat nou ook weer niet. Vanaf nu ga ik geen energie meer verspillen aan het droog proberen te houden van mijn voeten, besluit ik. Nog geen uur later zijn mijn voeten weer warm en betrap ik me erop dat ik de plassen aan het ontwijken ben.

Bij de Galgenbergmarathon, begin maart, heb ik het zwaar. Ik loop, met onder anderen Hannah, Edwin, Matthew, Jannet, met de langzaamste groep mee, maar heb moeite het tempo bij te benen. Vooral de kilometers tussen de plusminus 28 en 35, die zich op/rond/over de Amerongse berg afspelen, vallen me zwaar. Tijdens de klimmetjes raak ik telkens achterop. Zwakke benen, duidelijk. Ook vandaag komen we modderige stukken tegen. De groep vertraagt telkens, komt tot stilstand, doordat iedereen de modder ontwijkt en langs de droge kant wil. Op het laatst irriteert me dat een beetje, en ik besluit dwars door de plassen te gaan. Hè, hè, toch niet zo’n trutje als ik me soms voel. Na afloop voel ik me belabberd en dat blijft zo de rest van de dag. Darmen in de war, blaas in de war, benen in de war, hoofd in de war. Pas na het avondeten normaliseert de boel een beetje, en zijn alleen mijn benen nog lichtelijk in de war. Het is weer zo’n dag waarop ik me afvraag ik nou de enige ben die zich soms zo beroerd voelt na een betrekkelijk rustige trainingsloop. De herten die we schijnen te zijn tegengekomen, heb ik niet gezien.

Gelukkig heb ik daarna een rustig weekje op het programma staan, dat wordt afgesloten met een weekendje Ameland met mijn oude, vertrouwde vriendenclubje. Vorig jaar was ik er niet bij, vanwege de Sallandtrail die in hetzelfde weekend valt, maar dit jaar geef ik voorrang aan het vriendengebeuren. Zaterdag een klein rondje lopen, ’s middags een stukje wandelen, zondag een iets groter rondje fietsen. Om dat laatste gaat het dit weekend eigenlijk, wat het sportieve deel betreft dan. Met z’n zessen fietsen we de MTB-toertocht van 60 kilometer. Geen al te lastig parcours, had Petra me van tevoren gerustgesteld. In het begin moet ik moeite doen de anderen bij te houden. Ik ben toch echt geen fietser, bedenk ik weer. Toch vind ik het leuk, vooral de delen van het parcours met een opeenvolging van korte heuveltjes, waarbij je elk volgende heuveltje opkomt op de snelheid die je van de afdaling van de vorige hebt. Best een lollige sport, bedenk ik óók niet voor de eerste keer. Zelfs de 10 kilometer met tegenwind over het strand vind ik leuk. Na een kilometer of 40 merk ik dat mijn duurconditie zich begint uit te betalen. Ik heb het gevoel dat ik nog wel even door kan gaan. Ik moet echter wel steeds vaker afstappen op de iets steilere hellingen. Dat irriteert een beetje, maar niet genoeg om me er druk om te maken. Na 5 uur zijn we terug in het huisje, en ik ben niet half zo moe als na 5 uur hardlopen. Volgend jaar de 90 kilometer? Of toch maar weer de Sallandtrail?

IMG_20160313_112827487_HDR

Foto: René Jansen

De maart-editie van de Halfzware loop ik dit jaar voor het eerst. Een paar kilometer minder, minder hoogtemeters, minder modder vooral dan in februari. Meer asfalt ook, en dus(?) iets minder mooi. Maar mooi genoeg, en zwaar genoeg. Ik loop lekker, ik loop goed, daar doet het feit dat anderen sneller lopen niets aan af. Het wordt tijd dat ik met dat laatste feit nu eens écht vriendschap sluit, dat bespaart me een boel frustratie. Ik loop een heel stuk alleen, wat ik niet vervelend vind. Veel hellingen omhoog blijf ik hardlopen, en dat stemt tot grote tevredenheid. Het betekent dat ik me sterk voel, en hierbij geeft de uitslag van de Laurens-test me het nodige vertrouwen – mijn beenspieren zijn dan jammer genoeg wel bestempeld als zwak, maar daartegenover staat, volgens het rapport, een uitstekende herstelcapaciteit. Het lactaat dat in mijn bloed wordt aangemaakt, wordt snel weer afgebroken. Ik durf dus te blijven hardlopen, omdat ik weet dat ik daarna snel genoeg weer herstel. Ik ben minder bang om me te forceren. De laatste 10 kilometer, vanaf de laatste verzorgingspost, voelen als een lange eindsprint. Ik moet alle zeilen bijzetten, maar het lukt me om het clubje waar ik bij in de buurt loop niet te verliezen, zodat ik sneller ga dan ik in mijn eentje zou hebben gekund. Blij ben ik, en na afloop ben ik gewóón moe, en voel ik me niet belabberd zoals na de Galgenbergmarathon. Alleen heb ik nu wel behoorlijke last van heupen en achillespees. Zo heb je altijd wat.

Ik rijd terug naar Arnhem, deze keer volgens plan, en val om negen uur als een blok in slaap. Ook een manier van uitslapen. Op zondag lees ik het restant van de kranten van de afgelopen week weg, wandel ik een piepklein rondje, schrijf ik een blogtekst en mijmer ik tussendoor wat voor me uit. De vogels laten weten dat het voorjaar is. Graag zou ik hier in het bos willen blijven, maar straks stap ik gewoon weer in de auto om naar huis in Haarlem te gaan. En al voelt dat nu niet zo, als ik daar ben, vind ik het ook weer fijn om thuis te zijn.

WP_20160213_12_19_50_Pro

Verwijzingen kom je overal en altijd tegen en ze kunnen alle mogelijk vormen aannemen. Soms is die vorm nogal expliciet, zoals hier tijdens de halfzware in Limburg. (Met dank aan Jos voor de foto.)

 

 

 

 

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Wat nou, jongeh!

Ook ik toog een dikke week geleden maar eens naar Heesch (of all places) om me te onderwerpen aan de grote trailrunningtest van Laurens. Eigenlijk vooral voor de leuk, maar omdat ik vind dat ik me dat eigenlijk niet kan permitteren, bedenk ik dat het al meer dan tien jaar geleden is dat ik bij een officiële sportarts geweest ben (voordat ik m’n eerste marathon liep, namelijk), en dat het in verband met blessurepreventie en zo vast heel goed is om weer eens even een opname te laten maken van mijn sterke en zwakke punten op loopgebied. Ik ben ijdel genoeg om die sterke punten bevestigd te willen krijgen, en fanatiek genoeg om zwakke punten te willen verbeteren. En ik vind lopen zo leuk, dat ik het graag zo lang mogelijk wil blijven doen, liefst zonder pijntjes en gedoe.

En zo sta je dan zomaar met een masker voor je snufferd op een loopband. Die band lijkt vlak, maar het voelt alsof je een helling van 6% op loopt. Is dat nou wat ze met ‘vals plat’ bedoelen? Gelukkig hoef ik niet al te snel. Laurens meet enkele keren tussendoor de lactaatwaarde van m’n bloed, en concludeert al snel dat ik geen sprinter ben. Joh, je meent het. Ik ga natuurlijk voor de maximaaltest, en dat betekent dat er na 3×5 minuten lopen nog een paar keer een procentje helling en een halve kilometer per uur bij komen. Steeds vaker moet Laurens me manen om wat naar voren te komen op de band omdat ik er anders aan de achterkant afvlieg.

Gelukkig merk ik niet dat hij me tijdens het lopen van achteren filmt om mijn looptechniek te kunnen analyseren. Daar ben ik het bangst voor – ik heb altijd het idee van mezelf dat ik belabberd loop. Dat blijkt overigens reuze mee te vallen, en sowieso bezit Laurens de gave om me het gevoel te geven dat álle uitkomsten gewoon een beeld geven van hoe ik nu eenmaal in elkaar zit, en niks met falen of afgaan te maken hebben.

Zo ook als ik, na de inspanningstest, bezig ben met de krachtoefeningen. Als ik met mijn benen iets weg moet duwen wat helemaal niet weggeduwd wil worden, begint Laurens me van schrik te vousvoyeren: “U bezit werkelijk geen greintje explosiviteit, mevrouw!” Ik moet erom lachen, al denk ik stiekem ook meteen dat ik misschien niet helemaal geconcentreerd was. Maar goed, ik wist al dat ik bedroevend weinig sprongkracht heb, en ook niet al te snel bergopwaarts loop, dus dat klopt wel.

Als ik een paar dagen later echter het rapport krijg, en zie dat het kruisje bij mijn beenkracht staat in de kolom met het woordje ‘zwak’ erboven, krijgt mijn ijdelheid toch een knauw. Dat ik niet snel ben, alla. Dat ik niet de allersterkste ben, oké. Maar zó zwak kan ik nou toch ook weer niet zijn? En dan mijn benen nog wel, de benen die me al zoveel kilometers ver en zoveel meters omhoog en omlaag gebracht hebben.

Toen ik vanmorgen ‘rustig, op gevoel’ een rondje Meerwijkplas liep, overigens in een prachtig zonbeschenen, witberijpte wereld, kon ik het niet laten om op de bruggetjes omhoog even aan te zetten. Zwakke benen? Wát nou, jongeh!

Dan ga ik nu maar even wat squats doen. Voor alle zekerheid.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Langs de oever van de Ourthe

Of we zo even kunnen stoppen, vraagt Jos me. Shailen heeft een energiedip en moet wat eten. Stoppen? Ai, dat zou ik op dit moment zelf niet bedacht hebben. Het regent pijpenstelen, en ik zit al een poosje tegen te koud aan, en kan alleen maar bedenken dat ik door moet lopen om het niet serieus koud te krijgen. Maar ik ben Remi niet; het is belangrijker dat we alle vier door kunnen lopen naar het eindpunt, dan dat ik het lekker warm heb. Stoppen dus, maar dan moet ik wel het thermoshirt weer aantrekken, waarin ik het de eerste anderhalf uur van ons tochtje veel te warm had en dat ik daarom uitgetrokken en weggestopt heb. Stokken tegen een boom. Rugzak af. Natte handschoenen van m’n vingers stropen, niet binnenstebuiten, omdat ik ze dan niet meer aankrijg. Horloge af, dat ik vanwege het navigeren over de mouw van m’n regenjas draag. Pet af. Regenjas uit. Shirt uit. Thermoshirt aan en daarna de rest in omgekeerde volgorde. Alles nat, koude handen, echt makkelijk gaat het niet. De anderen hebben net zo’n beetje hun krentenbol op als ik alles weer aan heb. Gelukkig heb ik geen honger. Stokken niet vergeten.

Precies een jaar geleden liepen we hier ook. De tocht gaat via de GR57 van Hamoir naar Tilff, waar we ’s morgens de auto geparkeerd hebben en op de trein zijn gestapt. Jos en John zijn er weer bij, en de vierde is Shailen, collega van Jos. Edwin zou ook dit jaar weer van de partij zijn, maar raakte ietwat gedemotiveerd bij het zien van de hoeveelheid regen die verwacht werd. Het voorspelde weer voor de zaterdag kreeg het cijfer 2. Volgens Jos viel dat best mee, het had tenslotte ook een 1 kunnen zijn. We laten ons er niet door afschrikken.

Het regent de eerste uren niet hard, maar hard genoeg om de regenjas maar aan te houden. Het voordeel van de regen is dat we al heel snel kunnen stoppen met proberen de plassen te ontwijken. De wind staat in de goede richting, maar de route is geen rechte lijn, en op de stukken waarin we er toch even tegenin moeten, beseffen we dat het goed is dat we de route niet andersom lopen. Geen sneeuw, zoals vorig jaar. Wel modder. Ook relatief veel asfalt, dat dan weer wel, maar goed, je kunt niet alles hebben.

Het navigeren gaat goed. Ik word wel wat onrustig tijdens het stuk waarin de gps-track kennelijk niet de officiële GR57 volgt, en wij wel. Het scheelt dat ik me dit herinner van vorig jaar, maar ik kijk met argusogen naar mijn schermpje of het lijntje van de track daar niet helemaal van verdwijnt. Maar we lopen weinig fout deze keer. We herkennen het punt waar we vorig jaar, al redelijk in het begin, de afslag misten, en dachten wel even af te kunnen steken om weer op de route te komen. We moesten toen een steile helling af, en dat kostte veel tijd. Later op de dag herkennen we ook de grote conifeer over het pad, die voor ons nu het begin markeert van het deel van de route dat we vorig jaar drie keer hebben afgelegd. Het was dat John toen die conifeer herkende, anders waren we weer in Hamoir uitgekomen, in plaats van in Tilff.

Dit jaar zijn we wat efficiënter, maar op het laatst weten we toch nog een beslissing te nemen die de nodige tijd kost. We hebben een tijdlang een pad langs de Ourthe gevolgd, en komen op een weg waar we naar links kunnen, maar ook rechtdoor de rivier kunnen volgen. De gps zegt linksaf, maar de wit-rode markering lokt ons rechtdoor. Wat volgt, is een pittig pad, met de Ourthe nooit meer dan een paar meter rechts van ons. Het is glibberig, en het pad loopt regelmatig zo schuin af dat hardlopen geen optie is. Bomen die over het pad liggen, proberen ons de doorgang te versperren. Het lijkt me stug dat we dit vorig jaar ook gelopen hebben – zo’n pad zou ik me echt wel hebben herinnerd. John voelt zich onzeker bij al die glibberigheid, hij glijdt de hele tijd weg. Jos geeft hem zijn stokken, en ik geef een stok aan Jos. Niet veel later is het pad helemaal weggeslagen, en hebben we de keuze om een paar passen door de rivier te doen, of over de helling te tijgeren. Mijn primaire neiging is om vooral níet door de rivier te waden, maar mijn verstand wint het van die neiging. Alles is toch al drijfnat, dus wat kan me gebeuren? Jos trotseert de helling, en belandt alsnog bijna in de rivier.

Lang lopen we in min of meer dezelfde richting als de route van de gps-track, die ergens links van ons moet lopen. Zodra we naar links kunnen, doen we dat. We pikken weer een markering op, en laten een afslag met een wit-rood kruis links liggen. Als onze nieuwe route echter volhardt in oostelijke richting, terwijl we voor Tilff volgens mij noordwaarts moeten, stel ik voor om een doorsteek te maken naar de oorspronkelijke route. Het brengt wat twijfel bij mijn medelopers teweeg – zij hebben geen navigatie en zien dus geen lijntje op een scherm, en nu gaan we opeens een pad in waar een wit-rood kruis ons dat juist lijkt te willen beletten, én lopen we voor hun gevoel helemaal de verkeerde kant op. We lopen misschien een stukje om, maar ik ben pas weer helemaal gerustgesteld als we weer ‘on track’ zijn. We hebben door deze actie het gedeelte gemist waarvan ik vorig jaar schreef dat ik het het leukste deel vond, dansend hoog boven de rivier, maar we kregen er een enerverend stukje langs en door de Ourthe voor terug.

Nog een keer moet ik enig overwicht tonen, namelijk wanneer de GR57 rechtdoor gaat, en ik denk dat we rechtsaf moeten. Jos loopt een stukje rechtdoor, maar na mijn aanvankelijke twijfel, weet ik behoorlijk zeker dat ik rechtsaf wil. Ik heb gisteren de route in movescount nog bekeken, en weet dat het lijntje op mijn horloge ons naar het station van Tilff zal leiden, en dat we daar binnen twee kilometer kunnen zijn. Het is al laat in de middag, we moeten nog een eind rijden voor we weer thuis zijn, niemand zit nu nog te wachten op extra meters en op de onzekerheid of we wel goed gaan. Ik heb niet al te veel overtuigingskracht nodig, gelukkig. Nog een stukje door het bos volgt, en dan staan we weer op het asfalt dat we ons maar al te goed herinneren van vorig jaar. Jos vloog toen naar beneden, en ik ging erachteraan om hem proberen in te halen. Deze keer geen wedstrijdje voor me, maar voor de zekerheid stop ik mijn stokken maar wel even weg. Loopt wel zo lekker.

Een krappe kilometer nog, en dan staan we weer bij de auto. Ruim 38 kilometer en meer dan 1100 hoogtemeters in de benen. Ik heb de hele dag geen last gehad van de regen, daarvoor liep het veel te lekker en had ik het veel te goed naar mijn zin, maar dat het nu even droog is, is wel erg fijn – het maakt het verkleden wat makkelijker. Natte zooi uit, droog spul aan – ik hoop maar dat de Belgen geen aanstoot nemen aan wat kortdurende blotigheid zo hier en daar. Het café slaan we over deze keer, de borrelnoten niet. Op de achterbank bibberen John en ik nog een tijdje na. Pas bij Utrecht kom ik erachter dat ik de klamme buff nog steeds om mijn hals heb.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Middenduin en andere ongemakken

31 december: marathon met oliebollen & glühwein toe
Na het avontuur met Hannah in de Eifel, lijkt het me goed het een poosje rustig aan te doen, qua langloperij. Tenminste: je leest weleens zoiets, dat het goed zou zijn zo nu en dan een maandje rust te nemen, en laat ik dat maandje nu dan maar inplannen. Toevalligerwijs ben ik ook juist nu nogal moe, zodat lichaam en geest volkomen op een lijn staan. Maar op 31 december moet het maar weer eens afgelopen zijn met dat luie gedoe, want dan staat de oliebollenmarathon van Willem en Annemarie op het programma. Vorig jaar, bij de eerste editie, startten we bij Annemaries huis en fungeerde haar garage als verzorgingspost. In het rondje van 7 kilometer zat toen vrij veel asfalt, en liep een deel ervan over een industrieterrein. Volgens Willem heb ik over dat laatste het hele jaar lopen klagen, en is dat de reden waarom ze ervoor gekozen hebben dit jaar een ander rondje uit te zetten. Het scoutinggebouw in Boxmeer doet deze keer dienst als start, finish en verzorgingspost. Het rondje is dit jaar een kilometer of 6 lang, en vrijwel helemaal onverhard. Het is beslist een mooiere route dan vorig jaar, maar op de een of andere manier vond ik het vorig jaar misschien toch nog wel lolliger. Dat kan ermee te maken hebben dat er toen nog wat sneeuw lag, die ervoor zorgde dat het deel door het bos niet zo makkelijk begaanbaar was. Het kan er ook mee te maken hebben dat ik toen net wat makkelijker liep. En het kan te maken hebben met de waan van de dag. Dit jaar zijn de omstandigheden zo goed als perfect. Ik praat bij met Ina, met wie ik niet steeds samen loop, maar bij wie ik nooit verder dan een paar honderd meter uit de buurt ben. Tijd is onbelangrijk, en voor zover ik hem stiekem toch belangrijk vind, ben ik tevreden met een eindtijd net onder de 4,5 uur. Ik concludeer echter wel dat ik, ook al had ik het gewild, vandaag nooit een tijd onder de 4 uur had kunnen lopen. Daar is de vorm bepaald niet naar. Ina en ik hebben net gegeten en gedronken als Bennie finisht. Twee dagen eerder liep hij Abraham tegen het lijf, en we blijven even bij de verzorging hangen om hem een lang leven toe te zingen. Wij mogen nog een rondje lopen. De warme oliebollen na afloop, en het bekertje glühwein, smaken goddelijk.

9 januari: een frisse start met pannenkoek
Opbouwtechnisch gesproken komt het nieuwjaarsloopje van Wilma voor mij wat vroeg, maar ik vind het veel te gezellig om dit te laten lopen, dus zit ik deze zaterdag al vroeg in de trein naar Amsterdam, om vervolgens door te reizen naar Bunnik, waar we zullen starten met lopen. We lopen een deel van een wandelroute (“Rondom de Dom,” geloof ik), voor het gemak tegen de richting in, dan zien we de markeringen tenminste niet, en zullen na een kilometer of 60 eindigen bij het station van Breukelen. We zijn met z’n negenen. Wilma, Hannah, Renske en Ernst-Jan ken ik, Petra heb ik weleens eerder ontmoet, en Hojung, Arnold en Ernst zijn nieuw voor me. Altijd leuk om oude bekenden te zien, en nieuwe bekenden te ontmoeten. Heerlijk wereldje, dat loperswereldje. Het is een relaxt dagje, al is het looptempo op sommige momenten voor mij iets minder relaxt. Soms vind ik dat toch wel lastig hoor, dat ik net wat langzamer loop dan de mensen met wie ik optrek – al weet ik natuurlijk heus wel dat er ook legio mensen zijn die dan weer langzamer lopen dan ik… We eten een pannenkoek in Lage Vuursche, en een paar kilometer later, in Hollandse Rading, stappen Hojung en Arnold op de trein. Die uitwijkmogelijkheid hield ik voor mezelf ook open, maar ik grijp deze kans niet. Doorlopen zal ik, en al met al valt het me helemaal niet tegen hoe dat gaat vandaag. Het laatste stuk lopen we in het zo goed als donker. Mede dankzij het feit dat Hannah de route in de bossen beter kende dan degenen die de route uitstippelden, staan we al na 57,7 kilometer bij het station. Ik klaag niet.

12 januari: hoogtemeters in Middenduin
Eigenlijk stond de lange heuvelroute in Middenduin pas voor volgende week dinsdag op mijn schema, maar de komende weken ben ik op de dinsdagen aan het werk, en de dagen zijn nog te kort om Middenduin voor of na een werkdag te doen. Ik voel me aardig fit na het nieuwjaarsloopje, en stap daarom deze dinsdag na het ontbijt op de fiets naar Middenduin. Vijf keer de heuvel op, een slinger bovenop, de heuvel af, en weer terug. “Op souplesse en techniek,” schreef Henny ongeveer een jaar geleden bij deze zelfde training, en dat draag ik mezelf vandaag ook op. Ik interpreteer dat als: “hoeft (nog) niet snel,” en dat komt me goed uit. Ik lap braaf na elke oversteek – aan de ene kant bij de boom waar ik omheen loop, vlak voor het spoortunneltje, en als ik weer terug ben, bij het bruggetje waar ik omkeer om de steile helling nog een keer te bedwingen – maar kijk tussendoor niet naar mijn tijden. Het voelt alsof ik serieus aan het trainen ben, juist door dat omkeren na elke oversteek. Ik ben niet zomaar vrijblijvend een rondje aan het rennen, nee, ik ben met een heuse training bezig! Iemand uit een groepje oudere wandelaars zegt tegen me dat zij zo fit niet meer zijn, wanneer ik hen passeer, maar ik zeg dat ik hen nog behoorlijk fit vind, en dat het erom gaat buiten te zijn, en te bewegen. Hardlopen is bijzaak. En dat meen ik. Een bijzaak overigens waar ik op een dag als vandaag weer idioot blij van word.

17 januari: de Imbos met sneeuw, ijs en zonneschijn
Jahaa, eindelijk ligt er sneeuw! En het is nog schitterend weer ook. Ik mag 30 kilometer lopen vandaag en heb besloten de Imboswandeling nog een keer te lopen. Ik heb die in oktober ook een keer gedaan, en vond ‘m toen erg zwaar. Ik hoop dat ik door een andere benadering vandaag lekkerder zal lopen dan toen. Ik weet nu dat het zwaar is, maar als ik het nu benader als een lange wandeling, al loop ik dan hard, die ik zonder tijdsdruk loop, terwijl ik tegelijkertijd profiteer van het feit dat het wel degelijk een pittige training is… Nou ja, het slaat niet echt ergens op, maar het lijkt te werken. Op z’n minst ten dele. Er staat veel water op de route, deels in vloeibare, deels in vaste toestand. De plassen in deze beide toestanden probeer ik zo mogelijk te ontwijken, zodat ik zigzaggend over de paden loop. Mountainbikers, runderen en andere zoogdieren hebben de paden op veel plaatsen ernstig vernaggeld, en in hardbevroren toestand is die ondergrond geen makkie. In zompige toestand overigens ook niet, dus ik beklaag me niet. Van die mountainbikers zijn er trouwens vandaag een heleboel op pad – ik ben niet de enige die geniet van dit vorstelijke winterweer. Het lijkt wel of iedereen vandaag blij is. Het lopen gaat me niet heel gemakkelijk af, maar ik ben niet ontevreden wanneer ik weer bij mijn huisje ben – waar een stuk zelfgebakken notentaart op me wacht.

20 januari: een hoera-training op de atletiekbaan
Poepoepoeh, wat ben ik moe. De vrijdagtraining ging waardeloos, de zondagtraining op de Veluwe ging dan wel redelijk, maar dinsdag ging het weer bagger, en vandaag voel ik me alleen maar moe en zie ik op tegen de duizendjes die voor vanavond op het programma staan. Ik wil die onder de 4’40 lopen, maar ben bang dat dat veel moeite zal kosten. Maar het kan verkeren. Ik loop er niet heel ruim onder, maar wel met relatief gemak. Het gaat verrassend goed eigenlijk. Het is zo’n training waarbij ik een uur na afloop nog steeds aan het “hè, wat lekker”-en ben.

22 januari: nog meer hoera in het Wierdense veld
Ik overnacht voor het eerst sinds lange tijd weer eens bij mijn ouders, en kan op vrijdagmorgen mooi het Wierdense veld in. Weer is het onbeschrijflijk mooi. Alles berijpt, koud en stil, de dag die aanbreekt. Ik moet tempo’s lopen, en terwijl dat vorige week vrijdag echt prut ging, gaat het nu behoorlijk lekker. De zon komt op, een dikke rode bal boven de horizon. Ach, misschien loop ik nog steeds niet al te snel, maar wie maalt erom? Ik ben buiten, ik ben fit, ik leef.

24 januari: dwaaltochtje door het bos en over de hei met regen en mist
Na regen komt zonneschijn, zegt men, maar na zonneschijn komt ook weer regen. Het is niet de regen waar ik last van heb vandaag, maar wel een totaal gebrek aan energie. Laat ik er maar niet te veel woorden aan vuilmaken. Ik loop korter dan ik van plan was, en hoop onderweg haast dat ik ziek aan het worden ben, zodat er tenminste een aanwijsbare oorzaak voor dit klein menselijk leed is. Ik ploeter, ik zwoeg, ik loop te sloffen. Als ik na afloop zie dat ik koortsuitslag krijg, denk ik zowel: ook dat nog, als: zie je wel dat ik niet fit ben? Als ik onder de douche sta, glijd ik uit in het bad. Jemig, begint dat gedonder nu al? Ik weet wel dat ik niet meer piepjong ben, maar bejaard ben ik toch ook nog niet? Het is een grijze, mistige dag – echt van dat lekkere weer om jezelf een beetje zielig te vinden. Ik profiteer ervan. Vandaag mag het van mezelf.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Onbespied

Lang geleden, toen ik in Utrecht studeerde, merkte ik dat ik, altijd als ik door de stad fietste, het idee had dat iedereen naar me keek, en me beoordeelde. Ongunstig uiteraard, want van een overdaad aan zelfvertrouwen had ik geen last. Een paradoxale situatie. Aan de ene kant gevoelens van minderwaardigheid en aan de andere kant, tegelijkertijd, kennelijk het wonderlijke idee dat ik zo belangrijk was dat iedereen op me lette. Alsof men niets beters te doen had.

Toen ik mijn huis in Haarlem net gekocht had, een benedenwoning met een, voor stadse begrippen, redelijke tuin, schrok ik enorm van die bovenwoningen om me heen. Daar wóónden mensen, en die mensen keken zomaar, patsboem, mijn tuin in. En zagen mij dus, als ik daar zat te zitten, of er, sporadisch, in de tuin aan het werk was.

Het wende, maar nooit helemaal. Een van de redenen, al is het misschien niet de belangrijkste, waarom ik zo blij ben met mijn huisje in het bos, is dat er meestal niemand is die me kan zien. Ik schrik telkens even als er buren blijken te zijn, hoewel ik het heus ook prettig vind om gezelschap te hebben en zo nu en dan een praatje te maken. Maar ik voel me vrij als ik onzichtbaar ben, hoe graag ik, op een andere manier, ook gezien wil worden.

Op tv werd de afgelopen weken door de VPRO de documentaireserie Super Stream Me uitgezonden, over het experiment dat Tim den Besten en Nicolaas Veul deden om achttien dagen lang alles, maar dan ook alles wat ze deden, te filmen en live te streamen. Een soort zelfopgelegde Big Brother. Het blijkt niet vol te houden, het is heftiger dan je zou vermoeden. Boeiend om te zien wat het totale gebrek aan privacy met de beide mannen (“jongens waren het, maar aardige jongens”) doet, en ook om te zien hoe verschillend de beiden met de camera omgaan. De een, Tim, negeert die camera zoveel mogelijk, en probeert te doen wat hij anders ook zou doen; de ander, Nicolaas, probeert de kijker te vermaken en past zich aan bij diens vermeende verwachtingen.

Terwijl ik zou denken dat de strategie van Tim – plat gezegd: schijt hebben aan de ander – het best zou werken, in die zin dat je op die manier het minste last van de continue aanwezigheid van de blik van die ander zou hebben, stelt een van de deskundigen die in het programma optreden, dat juist een strategie van je aanpassen aan de verwachtingen van de ander het best zou werken. Hm, maar dan toch alleen als er ook momenten zijn waarop je je niet hoeft aan te passen, lijkt me, momenten waarop je je masker kunt laten vallen.

“De hel, dat is de ander,” zei Sartre. Dat is niet omdat die ander ánders is dan wij, er anders uitziet, een andere politieke of geloofsovertuiging heeft, dat hij andere ideeën heeft over het gebruik van geweld – het gaat er, kortom, niet om dat de ander fout is, en wij goed. Het gaat om de blik van de ander, in wiens ogen wij altijd object zijn. Een mens, jazeker, maar een bepááld mens, met een bepaalde identiteit, en in die zin een object. Ons ongedefinieerde zijn, het werkelijke subject-zijn (het oog dat de wereld ziet, maar zichzelf nooit kan waarnemen), kan nooit weg, dat is wat we werkelijk zijn, maar als we ons bekeken voelen, ons door de ogen van een ander zien, worden we geobjectiveerd, tot een persoon gemaakt. En als persoon is er altijd een zekere spanning, verkramptheid – ontspanning is het kenmerk van de afwezigheid van de persoon.

Wijzelf zijn in die zin natuurlijk net zo goed de hel als de ander dat is. Ook wij maken onszelf tot object, in onze eindeloze behoefte onszelf te definiëren, van een identiteit te voorzien. In zekere zin kan dat niet anders, denk ik – alles wat we over onszelf kunnen zeggen, objectiveert ons al. Over het subject, dat wat we werkelijk zijn, valt daardoor per definitie niets te zeggen. Men beweert wel dat het hebben van een duidelijke identiteit belangrijk is, dat je een gezond ego moet hebben – maar is dat laatste niet een contradictio in terminis? Mij lijkt het juist raadzaam om elk idee van een vaststaande identiteit te relativeren. We hebben niet één identiteit, we hebben er tientallen, en alle zijn ze niets dan een gedachtenconstructie. Het hebben van een bepaalde identiteit geeft ogenschijnlijk houvast. Maar houvast, het woord zegt het al, moet je vasthouden, zodra je loslaat, en dat gebeurt wanneer je werkelijk ontspant, biedt het niet langer houvast.

Toen ik, ook lang geleden, maar iets minder lang dan mijn studententijd in Utrecht, eens tijdens een therapiesessie sprak over hoe heerlijk het is om in de natuur te zijn, zei de therapeut dat dat komt doordat bomen en dieren niet over je oordelen. Daar zit wat in, denk ik. Met de blik van de ander vrezen we ook diens oordeel over ons. In de documentaire zegt Nicolaas Veul op een bepaald moment huilend tegen zijn therapeut dat hij bang is dat iedereen ziet dat hij niets voorstelt, dat het een leeg omhulsel is, dat wat de wereld van hem ziet. Een angst die ik herken. Of zouden we daar allemáál ten diepste bang voor zijn? Hoe heerlijk zou het dan niet zijn als we aan onszelf zouden kunnen toegeven dat we inderdaad pure leegte zijn, waarin alle mogelijke identiteiten als vormen opkomen en weer verdwijnen. Vluchtig, nooit beklijvend, niets om je aan vast te klampen.

Zoals gezegd, wil ik zowel graag onzichtbaar zijn (vaak), als gezien worden. Van dat laatste geeft alleen al het houden van dit blog blijk. Ik probeer hier eerlijk te zijn, maar natuurlijk zitten er grenzen aan die eerlijkheid. Ik houd veel voor mezelf, en probeer op die manier waarschijnlijk het oordeel van de lezer in gunstige zin te beïnvloeden. Ik probeer hier toch een beetje een leuk poppetje Jacolien te laten zien, terwijl de behoefte om gezien te worden, in wezen juist een behoefte is om gezien te worden zoals je écht bent, voor zover dat laatste dan ook maar enige betekenis heeft. Maar, betekenis of niet, in elk geval gaat het erover gezien te worden inclusief je kwetsbaarheden, inclusief de dingen waar je je diep voor schaamt. Dat dat allemaal gezien mag worden, en dat je dan nog steeds weet dat je helemaal goed bent zoals je bent. Die behoefte dus. Daarvan weet ik vrij zeker dat we ‘m allemaal delen.

In theorie weet ik het, dat ik helemaal goed ben zoals ik ben. In de praktijk doe ik al vroeg de gordijnen dicht.

Geplaatst in filosofie | 5 reacties

Nabeschouwing

Voor de liefhebber nog een soort van evaluatie van The Real Kick.

Uitrusting

Weer liep ik op de Ultra Raptors van La Sportiva. Eerder liep ik hier al de 80 du Mont Blanc, de Trail Verbier-Saint Bernard en de Sallandtrail op. En vast nog meer, oa een keer de Fantomes, maar dat weet ik niet zo precies meer. Wat een heerlijke schoen is dat toch! Jammer genoeg begint de bovenkant nu danig te slijten, zozeer dat ik me moet gaan oriënteren op een nieuw paar, hoewel de zolen nog wel een tijdje mee zouden kunnen, zo te zien. In hoeverre de bramenstruiken, waar ik telkens weer in verstrikt raakte en bleef hangen, aan deze slijtage debet zijn, weet ik niet. De braam is geen vriend van me, dat weet ik wel. Laatst ook al een gat in m’n tight, om over de schrammen en krassen maar niet te spreken.

In de dropbag had ik de Saucony Xodus, met wat uitgesprokener profiel, voor als het echt modderig zou zijn geweest. Niet nodig. Hannah liep op haar wegschoenen (niet uit naïviteit of onervarenheid, maar omdat ze van veel trailschoenen last krijgt) – dát zou ik nou ook weer niet aangedurfd hebben, maar zij liep er prima op.

De rugzak was, zoals gewoonlijk, de Salomon S-Lab huppeldepup 12 liter. Niet alleen omdat ik niet echt een alternatief heb, maar ook omdat dit nog steeds een heerlijk rugzakje is. De ritsen, althans: de runners, oxideren bij mij nogal, en tijdens de laatste lange training trok ik dan ook een runner van een rits af. Gelukkig heeft de kledingreparateur op de hoek er vakkundig een nieuwe op gezet.Van de twee zakjes aan de voorkant vul ik er een met een flesje sportdrank – in de waterzak wil ik alleen water. In het andere zakje zitten wat gels en repen. Ook in de zijvakken-met-rits heb ik eten voor het grijpen. Het nadeel van het flesje (dat links zit) is dat ik de rits aan de rechterkant haast niet meer dicht krijg als het eenmaal open is. Ik moet de stof even strak trekken om dat voor elkaar te krijgen, en door de fles, kan ik daar met mijn linkerhand nauwelijks bij. Gelukkig kon ik anderen vragen me daarbij te helpen (oei, om hulp vragen: moeilijk!). O ja, en het mondstuk van de slang van de waterzak kun je los bestellen. Heel fijn, want de mijne lekte, en zag er ook niet meer zo appetijtelijk uit, ondanks het alleen-maar-water-regime. Grappig: de nieuwe is wat softer, en dat geeft een heel andere bijtervaring, waarbij wat meer subtiliteit gewenst is.

Zoals gezegd, had Hannah een gps aangeschaft (de Garmin eTrex 30, als ik het goed onthouden heb). Zonder zo’n gps was deze loop (een ‘adventuretrail,’ volgens de organisator) eigenlijk nauwelijks te doen. Hannah en ik hebben allebei ook een Suunto Ambit 1, waarmee ook te navigeren valt. De batterij van de Ambit gaat, als je ‘m op z’n zuinigst zet, zo’n 50 uur mee, volgens de reviews, maar níet als je ‘m gebruikt om te navigeren! Uit ervaring wisten wij al dat de Ambit er, al navigerend, na een uur of 12 mee op zou houden. We gebruikten de Ambits als back up voor de Garmin. Ik heb de mijne bij de start aangezet, en na krap 13 uur hield deze ermee op (gelukkigerwijs juist toen we, na de tweede ronde, bij de verzorgingspost waren). Toen heb ik ‘m in m’n dropbag gestopt, en die van Hannah omgedaan. Alleen genavigeerd (vergeten de training aan te zetten), en na pak ‘m beet 10 uur had deze nog 25% batterijduur over.

Maar niet alleen vanwege de ontoereikende batterijduur is een horloge met gps niet ideaal voor deze loop. Het verschil in nauwkeurigheid met de Garmin is toch wel groot. De schaal op de Ambit is niet in te stellen (of wel?), en staat standaard op 1:50.000. Op de Garmin kon je inzoomen tot 1:2.000 (of nog verder?). En een groot nadeel van de Suunto Ambit is dat je alleen het lijntje van je eigen route ziet, en niet de overige paden en wegen. De Garmin, die van Hannah tenminste, geeft een kaart weer, en een behoorlijk gedetailleerde kaart, met daarop het lijntje van je route. Dat helpt enorm. Dus: ik ben om, ik wil ook zo’n ding. Alleen: een horloge heb je om je pols, die hand-held gps moet je, joh, in je hand houden. Dat is onhandig, zeker wanneer je met je stokken wilt lopen. Het grootste deel van de tijd vond Hannah dat niet nodig, en ze vond het ook wel leuk om te navigeren, dus hield zij de Garmin vast. Op het laatst wilde ze echter toch graag haar stokken gebruiken, en vond ik het niet meer dan redelijk dat ik dan de gps zou hanteren. Maar dat is dus kut, als je ook met je stokken zou willen lopen. Voor tips houd ik me aanbevolen.

Eten en drinken

Jaha, dat ging best goed deze keer! Ik heb twee boterhammen met ontbijtkoek gegeten en vier krentenbollen met kaas! Drie gels (twee espresso-love en een salted caramel), een snelle jelle, zo’n heerlijke eat natural met amandel, abrikoos en een yoghurt-coating, nog iets zonnatuurlijks, ennuh, dat was het wel wat mijn eigen voorraad betreft, geloof ik. Verder bij de posten een heleboel snickertjes, twixen, kitkats en zo, en boterhammen met kaas, en zoute pinda’s. En dan had ik natuurlijk nog een paar kilo eten bij me (gelukkig deels in de dropbag) die ik weer mee naar huis genomen heb.

Qua drinken had ik natuurlijk water bij me, en sportdrank: eerst isostar, toen iets van de organisatie (buuf? buff? moet ik opzoeken), en tot slot GU energy sinaasappel (daar had ik jammer genoeg nog maar 1 tabletje van, verreweg het lekkerst). Bij de posten: cola, cola, cola. O, en een flesje malt-bier, dat was ook erg lekker. Bij de allerlaatste, onbemande, post vergeten het flesje nogmaals te vullen. De laatste pak ‘m beet anderhalf uur had ik geen drinken meer. Geen ramp, als het dat wel was geweest, had ik Hannah wel gevraagd, maar nu dacht ik: doorlopen maar.

Pijntjes en andere ongemakken

Blaren krijg ik altijd, welke schoenen ik ook draag. Deze keer had ik mijn voeten ingesmeerd met vaseline om blaarvorming te voorkomen. Ik telde tien blaren na afloop – dat aantal overtuigt me nog niet direct van het nut van smeren tegen blaren. Bovendien vind ik het eigenlijk maar smerig spul, vaseline.

Tegen schuurplekken smeer ik bepaalde delen van het lichaam in met de lekker vette huidcrème van Weleda (als ik mijn voeten nog een keer invet, dan doe ik dat ook hiermee – dat ruikt en voelt een stuk lekkerder dan vaseline). Heeft weer goed gewerkt. Geen Bodyglide voor mij. Overigens ontdekte ik na afloop wel een paar schuurplekjes, maar daar had ik tijdens het lopen geen last van.

De heup hield zich goed. Tot mijn verrassing had ik wat last van m’n linker hamstring – dat is de verkeerde kant, waar ik normaal gesproken geen last van heb. Maar dat mocht eigenlijk geen naam hebben.

Dat het met het eten zo goed ging, zegt eigenlijk al genoeg: pas in het laatste deel kreeg ik wat last van m’n darmen en maag. Niks te klagen, eigenlijk. En net als bij de Trail VSB moest ik vooral ’s nachts om de haverklap plassen. Lastig, maar bepaald geen ramp – hoewel het door de hurken gaan steeds pijnlijker werd.

De spierpijn achteraf was aanzienlijk. Het is nu een week later, en ik ben nog steeds bekaf. Maar even kijken of een massage deze week erin zit, dat zou weleens kunnen helpen om de vermoeidheid ‘los te weken’ of zoiets.

De loopervaring

Het samen lopen met Hannah ging goed en was fijn. Zoals tot nu toe eigenlijk steeds, maar dit was de eerste keer dat we echt van tevoren hadden afgesproken bij elkaar te blijven (nou ja: afgezien van een paar gezamenlijke trainingen dan – zou een beetje raar zijn als we elkaar daarbij uit het oog zouden zijn verloren). Hannah is van ons de betere (= snellere) loper, hoe hard ze dat ook ontkent, maar ik geloof dat ze het niet erg vindt om nét iets langzamer te lopen dan ze zou kunnen. En daar kan ik dan weer van leren; ik ben, vrees ik, toch iets prestatiegerichter…

Het loopje zelf vond ik geweldig! Niet helemaal zo mooi als in de bergen lopen, maar als beduidend-dichter-bij-huis-alternatief buitengewoon geslaagd. Ik vond het wel vrij prijzig, maar voor het inschrijfgeld heb je óók twee nachten lang een luxe kamer, met een goed bed, douche en wc, tot je beschikking, plus ontbijt. Oké, dat je ervoor kiest om die tweede nacht door het bos te gaan lopen dwalen in plaats van in dat bed te gaan liggen, dat is dan jouw probleem ;). Moet je maar een beetje doorlopen. Verder: een sympathieke sfeer, enthousiaste organisator, een overdadige verzorging, en gewoon heerlijk bijna een etmaal lang buiten spelen in een best-wel-mooie omgeving. Wat wil een mens nog meer?

 

 

Geplaatst in hardlopen | 11 reacties