Weekend

Ik lig in mijn tent, ergens op een klein campinkje op de Veluwe, midden in het bos. Er klinken stemmen van de mensen die bij het kampvuur zitten – vaste prik op zaterdagavond. Ik ben best moe. Vanmorgen was ik al om acht uur in Velp, om een rondje met Edwin over de Posbank te lopen. Een rondje van niet meer dan 17,5 kilometer, met daaronder echter enkele tropenkilometers. Mul zand – wat schreef ik daar na Texel ook alweer over? Het liefst zou ik Edwin de schuld van mijn vermoeidheid willen geven, door te zeggen dat hij vreselijk dwingend was en het tempo onmenselijk opvoerde, maar niets is minder waar. Er is tijd om even naar een uitzichtspunt te lopen en een buizerd weg te jagen die daar vlakbij net op z’n gemakkie in een dooie boom zat te zitten, er is tijd om na een slopend stuk mul zand te stoppen om even mijn schoenen te legen, en diverse keren zegt Edwin dat wandelen ook mag. Sterker, als we op het laatst over een paadje lopen tussen het mais door, zegt hij dat hij dit altijd zo’n prachtig stuk vindt (beleefdheidshalve houd ik mijn verbazing voor me), en over dit pad daarom nooit hardloopt. Tegen zoveel relaxtheid kan ik niet op – we wandelen. Rustig op weg naar de appeltaart van Monique.

De middag op de camping zijn de omstandigheden op z’n minst even genietenswaardig – maar het ‘echte’ geluksgevoel blijft uit. Ik bedenk dat je dat ook niet af kunt dwingen, soms is het er, op andere momenten is het er niet. En ik heb een prima middag en avond, ondanks de afwezigheid van dat gevoel van diepe tevredenheid. Mijn ouders komen langs, we drinken en eten en praten wat. Na het avondeten in het dorp en het afscheid van mijn ouders, wandel ik nog een rondje door het bos, maar ik duik daarna al snel mijn bed in. Oordopjes binnen handbereik, voor als het gepraat me zou verhinderen in slaap te vallen. De vermoeidheid overheerst echter, en ik zak al snel weg. Tot ik een geluid hoor, dat ik ken, maar niet kan plaatsen – waarschijnlijk doordat het een geluid is dat je niet direct verwacht in het bos en op een camping. Maar dan gaat het geluid over in muziek – het was het stemmen van een viool. De mensen die spelen, heb ik vaker gehoord op deze camping en op een zustercamping vlakbij Haarlem; het is een stel waarvan de een (ik geloof hij) accordeon speelt, en de ander (ik geloof zij) viool. Professionele musici, die zich hebben gespecialiseerd in Scandinavische volksmuziek. En dat is wat ze nu spelen. En dan is dat gevoel van geluk, een gevoel van ontroering misschien, er wél, meer is er niet nodig. Wat heerlijk, hoe comfortabel om zo lekker te liggen, op een simpele open plek in het bos, met mensen om mij heen die ik niet zie, die ik niet ken, maar met wie ik verbonden ben, alleen al door wat we op dit moment met elkaar delen. Als de muziek zwijgt, val ik direct in slaap.

De volgende dag zet het lekkere gevoel zich voort. Ik dwaal nu anderhalf uur in mijn eentje door het bos en over de heide. Het is stil, het is zonnig, ik loop maar wat voor me uit te lopen, zonder plan, zonder doel. Het is perfect. Net als de rest van de dag. Koffie uit het pruttelpotje is elke dag al een genoegen, maar naast het tentje in het gras smaakt de koffie toch echt nog beter dan thuis. De appeltaart van vandaag is niet gebakken door Monique (deze held stond daarvoor bij een temperatuur van boven de 30 graden Celcius op vrijdagavond in de keuken), maar door meneer A. Heijn – hij is bij mij achtergelaten door mijn ouders. Ik heb afgelopen vrijdag het laatst verschenen deel van het dagboek van Frida Vogels gekocht, en daar lees ik in. Geen lichte lectuur, maar zeer de moeite waard. ’s Middags vind ik zelfs nog de moed om wat te studeren. Lastige stof. Daarbij vergeleken is Frida Vogels een spannende detective… (en geloof me, daar heeft het absoluut niets van weg).

Een mooi weekend dus, dat bedoel ik maar te zeggen.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 2 reacties

Trainen

Het plan leek zo simpel: op de fiets naar Bleek en Berg, daar de rodepaaltjesroute lopen, dan nog een of twee keer de Brederodeberg op dribbelen, en weer op huis aan. Deel een gaat goed. Daarna die rode paaltjes volgen – dat heb ik vaker gedaan, en is tot nu toe nooit een probleem geweest, maar ik ken de route niet uit mijn hoofd, ergens zie ik een paaltje niet staan, ik maak een verkeerde keuze, en na 2,9 kilometer zie ik links van me de ingang weer liggen. Een tweede poging. Op het punt waar ik de eerste keer fout ging, zie ik nog steeds niet hoe ik wél moet. Dan maar rechtdoor, dat lijkt me het meest logisch. Nog net op tijd zie ik echter vanuit mijn linkerooghoek een rood paaltje dat zich vrij effectief in het hoge gras heeft weten te verstoppen. Vanaf hier gaat het een poosje goed, maar bij het Vogelmeer ben ik de rode paaltjes weer kwijt. Zojuist zag ik ze nog, dus ik kan natuurlijk omkeren om de juiste route weer op te pakken, maar ach, dit is ook mooi, en zo loop ik nog eens iets anders. Als ik op blauw uitkom, weet ik dat ik te ver naar het zuiden zit en zodra ik kan, sla ik rechtsaf naar het westen – ik ga ervan uit dat ik dan vanzelf bij Parnassia uitkom, zodat ik daar rood weer op kan pikken. Dat is inderdaad het geval en vanaf daar raakt rood mij niet meer kwijt.

De Brederodeberg hoef ik niet meer op om aan mijn kilometers te komen – ik ben blij als ik, na 15,5 kilometer, weer bij mijn fiets ben. Dan naar huis. Laat ik er dit over zeggen: het waait nogal.

Als mensen mij vragen of ik ook aan kracht- en crosstraining doe, dan is mijn standaardreactie dat ik dat niet doe, omdat ik een nogal luie loper ben – ik vind hardlopen hartstikke leuk, maar het moet niet op sport gaan lijken. Beetje flauw natuurlijk, want ik beschouw hardlopen, ook op de manier en het niveau waarop ik het beoefen, heus wel als sport. Maar er zit wel een kern van waarheid in: ik wil best veel en lang lopen (dat vind ik nu eenmaal leuk om te doen), maar het moet me verder niet te veel tijd kosten. Daarom train ik doordeweeks eigenlijk altijd vanuit huis (afgezien van de baantraining), wat als nadeel heeft (althans voor iemand die graag in de bergen wil lopen) dat die trainingen over vlak en grotendeels verhard terrein gaan. Zondags ga ik dan weliswaar vaak naar de duinen, maar wanneer de duurlopen langer worden, kies ik er ook op zondag meestal voor om de duurloop bij de voordeur te starten – zodat ik ook dan een groot deel van de training vlak en verhard loop.

Ik heb het vaker gezegd, en ik zeg het nog maar eens: ik ben geen snelle loper, en ik hoef wat mijzelf betreft dan ook niet allerlei capriolen uit te halen om mee te doen bij de top – dat gaat me toch niet lukken. Ik ben gezegend met best een sterk lijf, geloof ik, en ik ben niet bang voor een beetje afzien. Verder doe ik binnen en niet al te ver buiten de stad eigenlijk alles met de fiets – ik tel het niet mee als training, maar volgens mij word je daar ook sterk van.

Maar toch, maar toch… Die 80 kilometer in de Alpen ging weliswaar goed, en ik was eigenlijk alleen maar ontzettend blij tijdens de loop en na afloop, maar toch viel het me een klein beetje tegen hoe zwaar ik het in de afdalingen had. Van de 6000 meters die we moesten dalen, gingen alleen de eerste 1000, misschien 1500, vrij aardig, daarna was het afzien – en het was heus niet zo dat álle afdalingen nu zo vreselijk technisch waren…

En aangezien ik graag nog veel langere tochten wil maken, met nog meer hoogtemeters ook, is het misschien toch slim om eens na te gaan denken over een manier om die bovenbenen toch wat extra te gaan trainen. Een manier die leuk genoeg is om vol te gaan houden, en die ook weer niet te veel tijd kost. Ik kan hier thuis wel 100 keer op een kratje stappen (alleen heb ik nooit kratjes in huis – ik drink weleens een pilsje, maar niet in zulke grote hoeveelheden dat ik daar kratten van in huis haal), maar ik ken mezelf in dit opzicht een beetje: net als de buikspieroefeningen houd ik dat hooguit een paar weken vol, en dan komt de klad erin en sterft het goede voornemen een langzame dood.

Wat ik kan bedenken, is om toch maar wat meer gerichte heuveltrainingen te gaan doen. In elk geval zondags zoveel mogelijk hoogteverschil meepakken tijdens mijn duurlopen, maar misschien toch ook maar doordeweeks eens op de fiets naar Middenduin om daar de befaamde heuvel een aantal keren op en af te stormen (of er een driehoeksinterval à la Gideon van te maken: snel omhoog, daar een rondje rustig en vlak, snel naar beneden, rustig omhoog, daar een rondje snel, rustig naar beneden, snel omhoog etc.).

En verder: bootcamp dan maar?

Geplaatst in hardlopen | 6 reacties

Moe

Het is nu officieel een feit: ik ben moe van dat loopje door de bergen van een paar weken geleden. Ik voelde het natuurlijk al wel, maar wilde er nog niet echt aan. En woensdag op de atletiekbaan liep ik zowaar de sterren van de hemel – hijgend en wel, weliswaar… Maar toen ik vond dat ik dan ook wel weer gewoon het ritme van vier trainingen in de week kon oppakken, en vrijdagmorgen dus de training van mijn schema afwerkte, werd ik even flink teruggefloten en kon ik niet anders dan concluderen dat ik daar toch nog niet helemaal aan toe ben.

Kijk, toegeven dat ik moe ben, vind ik nog niet eens zo lastig. Bedenken wat slim is om te doen, ook niet. Me daar dan ook aan houden? Ai!

Vanmorgen liep ik een kort rondje met Martine door de Amsterdamse Waterleidingduinen. Rustig tempo, heerlijk. Op de fiets naar de Oase toe, merkte ik mijn vermoeidheid op. Weinig gretigheid, geen zin om even wat sneller door te trappen, niet het gebruikelijke genieten van op zondagochtend vroeg buiten zijn. Tijdens het lopen met Martine voelde ik echter, onder de vermoeidheid, ook de kracht die niet opeens helemaal weg is. Zin om éven aan te zetten op een hellinkje omhoog, zin om nog een uurtje rustig door te lopen ook. Ik kon me meteen voorstellen dat als ik nu een baantraining zou afwerken, dat ik dan wéér keihard zou gaan lopen – hoe onverstandig dat ook zou zijn.

Het verlangen om te lopen, is groot. Maar de enige pas die ik de komende week (weken?) zet, is een pas op de plaats. Terug naar het oorspronkelijke plan: rust tussen eind juni en half augustus. Ik kan het wel hoor, verstandig zijn. Heus. Hoop ik.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

A walk in the park

Vrijdags zit ik de hele dag in de auto, om van Haarlem in Argentière te geraken. ’s Avonds begint het al vroeg te regenen, en ik ben maar wat blij dat ik een geldig excuus heb om om zeven uur naar bed te gaan. Na twaalf uur slapen, ben ik de volgende morgen wel toe aan een stukje hardlopen. Eigenlijk staat er nog 15 kilometer op mijn schema, waarvan 10 snel, maar ik ga er maar van uit dat dat is afgestemd op geasfalteerd en vlak terrein op zeeniveau, en dat ik in nog niet geacclimatiseerde toestand op een hoogte van ruim 1000 meter boven zeeniveau, over niet bepaald vlakke bergpaadjes, het schema met een korrel zout mag nemen. Ik heb veel vertrouwen in Henny, die mijn schema’s maakt, maar ik blijk soms toch ook over een gezonde portie eigenwijsheid te beschikken. Voor de vorm doe ik nog wel mijn best een klein stukje wat tempo te maken, maar dat neemt niet weg dat ik in anderhalf uur maar net iets meer dan 10 kilometer afleg.

Verder hoef ik niet veel meer, deze week. De bedoeling is om lekker uit te rusten voor de 80 kilometer die mij op vrijdag 28 juni wacht. Maar behalve deze ‘zou moeten’ 15 kilometer, mag ik nog best een paar keer lopen, zegt Henny. Hoeft niet lang, maar wel even wat snelheid maken om de loomheid uit het lichaam te lopen. Oké, als jij het zegt. Boeken heb ik mee, en lezen wil en zal ik. Het is heerlijk, zo in het gras naast mijn tent, tussen de bergen, omringd door het geluid van koeienbellen. Maar hoe lekker ik me ook voel, deze eerste dag, er is toch ook sprake van enige onrust. Zo pak ik telkens weer de kaart, om én te kijken waar de route vrijdags ons ook alweer langs zal voeren, én te kijken wat ik vanaf de camping zou kunnen doen aan kleine hardloopjes en aan wandelingen. En dan zie ik het. Het lastigste deel van die 80 kilometer, althans: het enige deel dat een aantal passages bevat die op de kaart worden weergegeven door een stippellijn, in plaats van door een doorgetrokken lijn, bevindt zich hier niet al te ver vandaan. Weliswaar moet ik er even voor met de auto naar Le Buet (dat doe ik eigenlijk niet graag; als ik eenmaal op de plaats van bestemming ben, laat ik dat ding het liefst staan), maar dat heb ik er wel voor over. Oké, het hele rondje wordt te lang – ik zie op het hoogteprofielkaartje van de wedstrijd dat dat 20 kilometer is, en dan zitten er ook nog de nodige hoogtemeters in, maar als ik de Col du Passet nu laat zitten, en vanaf de Col de la Terrasse afdaal naar het Chalet de Loriaz, dan zou het een te doen rondje moeten zijn. Even heel grofweg: van 1300 naar 2600, 1300 hoogtemeters, ach, daar schrik ik niet van.

Het begin is buitengewoon ontspannen. Nog wat huizen, gras, bloemen, en even later een fotogeniek pad langs een fotogenieke beek (geen foto’s gemaakt uiteraard…). Wel veel wandelaars, over het algemeen wat oudere mensen. Ik vermoed dat zij niet, zoals ik, naar de Val de Tré les Eaux op weg zijn, maar naar de Refuge de la Pierre à Berard, al is die laatste dan nog gesloten. Na de splitsing zie ik geen mens meer. Ik ga richting Les Granges en sla daar linksaf, richting genoemde vallei. Ik ben domweg gelukkig in de bergen, en loop wat voor me uit te filosoferen. Ik heb geen haast, maar loop in rustig tempo, gestaag door. Het pad is niet steil, maar na een poosje is de lieflijkheid van het dal verleden tijd, en loop ik de ruigte van het hooggebergte in. Even een stukje langs een steile helling over een smaller-dan-smal paadje. Ik ben onderweg bezig met het idee dat wij hier vrijdag zullen hardlopen, en bedenk op dit punt: hier maar even wandelen. Even later krijg ik echter iets heel anders voor mijn kiezen. Een stukje klettersteig, bijna loodrecht omhoog. Het zijn niet een paar passen, maar het is een serieus stukje klimmen, met rechts een ijzeren stang, en links een ketting om je aan vast te houden (en aan op te trekken). Jeetje, willen ze hier een hardloopwedstrijd langs laten lopen? Dat lijkt me nogal heftig. Ik heb wel enige klimervaring, en kom hier prima omhoog, maar dat zal toch niet voor alle lopers gelden? Bovendien: ondanks mijn ervaring, vind ik het toch wel even spannend, zo’n stukje klimmen – ik heb natuurlijk geen klimspullen bij me, en ben dus ongezekerd. Als ik zou vallen, zou dat zeer onaangenaam zijn.

Nog los van de loopwedstrijd echter, bedenk ik dat ik hier al bijna inga tegen mijn eigen stelregel, die ik nét de dag ervoor, tijdens dat stukje hardlopen, heb bedacht: zo lang je bij dit soort tochten in onbekend terrein omhoog maar geen stukken aflegt die je niet meer zou durven afdalen, kun je in principe altijd omkeren en ben je in die zin relatief veilig. Deze rotspassage afklimmen, lijkt me echter bepaald geen pretje. Maar goed, als het echt moet, dan lukt het me wel, verwacht ik. Ergens boven mis ik een afslag en ik loop te ver naar rechts. Al heb ik het gevoel dat ik niet de goede kant opga, ik neem niet de moeite om dat op de kaart te checken en loop door tot het pad ophoudt. O, had ik een stukje terug niet een kruis op een rots zien staan? Zou dat misschien betekenen dat de route niet deze kant opgaat? Terug maar, en ik ben even in verwarring als ik een pad naar beneden passeer, terwijl ik het idee heb dat ik het vervolg van het pad dat ik nu loop ook al gezien heb. Ik breek me het hoofd er maar niet over.

Als ik een stuk verder de vallei in ben gelopen, dient zich het eerste sneeuwveld aan. Ik trek de pijpen van mijn broek omhoog en rits ze vast, ik trek een thermoshirt met lange mouwen aan en ik pak mijn stokken. Het sneeuwveld ziet er serieus uit namelijk. Het is behoorlijk steil, en als ik erop stap, blijkt de sneeuw hard te zijn. Weliswaar is er een spoor van een voorganger te zien, maar die had zo te zien stijgijzers aan, dus dat geeft ook al niet al te veel vertrouwen. Steeds zeg ik tegen mezelf dat ik heftigere dingen heb gedaan dan dit, dat ik gewoon geconcentreerd moet lopen, elke stap mijn schoen zo goed mogelijk in de (harde) sneeuw trappen, één trap per keer moet goed zijn, en staan, rustig gaan staan. Leuk vind ik het niet, maar ik doe het en op een bepaalde manier voelt het goed dat ik mijn angst overwin. De sneeuwveldjes die volgen, zijn minder steil, en vormen nauwelijks een probleem.

Na een poosje loop ik echter over een heel uitgestrekt sneeuwveld. Weer alleen een stijgijzerspoor, dat ik even later echter kwijt ben. Ik heb niet echt een idee waar ik de sneeuw moet verlaten, en ik kijk met argusogen naar het stroompje dat er een stukje lager onderdoorstroomt. Oké, wat nu? Ik zie op mijn horloge dat ik slechts 700 meter gestegen heb in bijna 2,5 uur tijd. Ai, dat is langzaam, erg langzaam. Ik moet er volgens datzelfde horloge nog 800 (in werkelijkheid waarschijnlijk 700). En als ik op de eerste col ben, moet ik nog een stuk afleggen naar de tweede col, die op ongeveer dezelfde hoogte ligt. Dat is eigenlijk onmogelijk, het is al rond het middaguur. Ik heb geen idee hoe het terrein hogerop is – als hier al zoveel sneeuw ligt, zal het daar niet veel beter zijn. Ik ben in mijn eentje. Niemand weet waar ik ben – mijn buren op de camping weten alleen dat ik vanuit Le Buet op pad ben gegaan, maar ik heb hun niet laten zien wat mijn plan was. Ik heb wel wat warme kleren bij me, maar geen muts en handschoenen, bijvoorbeeld. Mijn reddingsdeken en fluitje zitten bovendien in mijn hardlooprugzak, en heb ik dus ook niet bij me. Geen lamp.

Ik wist wel dat men voor de wedstrijd al een alternatieve route bedacht had die we waarschijnlijk zouden moeten lopen, en ik kon natuurlijk best bedenken dat dan vermoedelijk juist dit deel uit de route gehaald zou zijn – het is niet alleen het lastigste, maar ook het hoogste deel van de oorspronkelijke tocht. Toch heb ik steeds bedacht dat als ze er een hardloopwedstrijd langs zouden willen laten lopen, dat het dan wandelend, op bergschoenen, toch zéker te doen zou moeten zijn. Ik heb er niet eens aan gedácht om te informeren of het nu, nog redelijk vroeg in het seizoen, maar vooral na een voorseizoen met erg veel sneeuw en lage temperaturen, wel te doen zou zijn om dit rondje zonder stijgijzers te maken. Fout, fout, fout. Er zit maar een ding op: omkeren. Het spreekwoord ‘beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’ is hier wel buitengewoon van toepassing.

Dat is even slikken. Omkeren betekent namelijk ook dat eerste, best wel lastige, sneeuwveld nogmaals traverseren. Mogelijk betekent het ook die klettersteig afdalen, al heb ik in de verwarring rond het foutlopen het idee gekregen dat er misschien een andere afdaling is. Maar goed, opnieuw zeg ik tegen mezelf dat ik het kan, dat ik het durf, dat ik lastigere dingen heb gedaan dan dit, en dat het een kwestie is van concentratie en rust. Dat het dan goed zal gaan. En goed gaat het. Leuk vind ik het niet, dat sneeuwveld nog een keer te moeten oversteken, maar bang ben ik ook niet. Wel opgelucht als ik aan de overkant ben en de rotsen weer op stap. Dan nog even de spanning over de route naar beneden. Eerst kom ik een pad tegen met een bordje dat zegt dat het naar Sur le Rocher loopt, met een dreigend bordje ‘Dangereux’ eronder. Dat neem ik maar niet en ik heb goede hoop dat dat per ongeluk wel het pad was dat ik omhoog heb genomen – met al mijn zogenaamde kaart-en-kompaskennis had ik niet gezien dat ik kennelijk niet op het rood ingetekende pad zat, maar op een of ander vaag alternatief. Het pad waarlangs ik afdaal, blijkt inderdaad een stuk eenvoudiger te zijn, en heeft slechts eenmaal ergens een bescheiden stukje ketting hangen. Hiervan kan ik me inderdaad goed voorstellen dat er honderden lopers langs gestuurd kunnen worden.

Bijna beneden sta ik voor de keuze: of direct naar de auto en weer naar de camping, wat me een heerlijk luie middag oplevert, of linksaf dan maar via een gewoon, eenvoudig pad, omhoog naar Chalet de Loriaz. Ik kies het laatste. Het beestje wil toch het gevoel hebben iets gepresteerd te hebben. En de rest is dan inderdaad van het kaliber ‘a walk in the park.’ Niet bijster interessant, maar ik weet de afgelegde hoogtemeters toch nog net tot 1300 op te voeren. Gelukkig maar.

Gemengde gevoelens na afloop. Aan de ene kant geef ik mijzelf op m’n kop voor de (beginners)fouten die ik gemaakt heb, aan de andere kant ben ik tevreden over hoe ik het opgelost heb. En ik ben blij over hoe rustig en zeker ik én dat stukje klettersteig heb ‘genomen,’ én dat lastige sneeuwveldje. Het voelde toch een beetje als vanouds, in de bergen…

Geplaatst in bergen, hardlopen | Plaats een reactie

Zijn en doen

Grappig om te merken hoe lastig ik het vind om te schrijven over dat wat me het meest aan het hart gaat. Een beetje over hardlopen schrijven, ja, dat gaat me redelijk gemakkelijk af (hoewel het perfectionistische jacolientje in me natuurlijk kritiek heeft op alles wat het produceert), maar ja, bij hardlopen is het duidelijk: hartstikke leuk om te doen, maar volslagen onbelangrijk. Dat al het andere in wezen net zo onbelangrijk is, is dan weer iets dat ik rationeel wel snap, en waarvan ik ook wel denk dat het waar is, maar sommige dingen lijken toch wat fundamenteler dan andere…

Een poosje geleden schreef een bekende Nederlandse ultraloopster een blogtekst onder de titel “Ik loop en ik ben.” Het was haar – natuurlijk – te doen om de overgang te markeren van een levensinstelling ‘ik loop, dus ik ben’, naar ‘ik loop en ik ben’; om te laten zien dat haar leven niet afhankelijk is van wat ze op loopgebied presteert en van de waardering die ze op dat gebied oogst. Het is een mooie tekst, die een bepaald geworstel laat zien dat ik heel goed herken. Ik heb niet de reactie geplaatst die in mij opkwam, namelijk dat ze eigenlijk zou kunnen volstaan met “Ik ben.” De rest is bijzaak.

Onzekerheid is niet eens mijn tweede, maar mijn eerste natuur, geloof ik. Mijn hele leven al ben ik zo mijn best aan het doen, en ben ik zo bang dat het niet goed genoeg is, dat het allemaal niets voorstelt. Maar de laatste jaren vindt er toch een verschuiving plaats. Steeds meer kan ik het gevoel toelaten dat het goed is, dat ik goed ben, alleen al omdát ik ben wie (hoe) ik ben. Dat het niet uitmaakt wat ik doe, of ik wel grappig, intelligent (dat blijft een lastige), onderhoudend, attent, aardig ben. “Congratulations – you are already whole, no matter what anybody says,” schreef Jeff Foster een paar jaar geleden als opdracht voor me in een boek. En dat de eeuwige twijfel, of het inderdaad wel goed is zoals het is, of ik wel goed ben zoals ik ben, iets is dat komt, maar ook weer gaat.

Maar ja, verdulleme zeg. Heb ik net een loopje in de Alpen gelopen waarbij en waardoor ik me behoorlijk sterk voel, krijg ik daarvoor en daardoor lekker veel waardering  van jan en alleman, en merk ik toch weer hoe dat mijn zelfgevoel een enorme boost geeft. En dan maar blijven zien dat het inderdaad een lekker gevoel geeft, waar ik met volle overgave van mag en kan genieten, maar dat het uiteindelijk van geen enkel belang is… Als ik dat loopje niet zou hebben uitgelopen, zou ik net zo goed zijn geweest als ik nu ben.

Oké, het is een begin. Het gaat nog maar terzijde over mijn stokpaardje…

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, twijfel | 3 reacties

Courir est mourir un peu

Van alle Franse woorden die ik ken, is het woordje ‘dur’ hetgeen dat het meest in de mond wordt genomen door de lopers om mij heen, tijdens het rondje van 80 kilometer vanuit Chamonix – op z’n minst voorafgegaan door ‘très,’ maar vaker nog door ‘trop.’ Of, zoals de Engelse Kelly het net zo doeltreffend weet te verwoorden, wanneer zij aankomt bij de verzorgingspost in Argentière: “It’s too hard!” It definitely is, maar we gaan toch maar door, tot het bitter(zoet)e eind, als het even kan.

Ik lig weliswaar al bijna een uur wakker als de wekker om half drie afgaat op vrijdagmorgen 28 juni, en bovendien ben ik er drie keer uit geweest om te plassen, maar toch heb ik verrassend goed geslapen, vind ik, zo voorafgaand aan wat mijn eerste beetje serieuze bergloop gaat worden. De zenuwen vierden gisteren hoogtij – dat werd er niet minder op toen mijn rugzak dan eenmaal was gecontroleerd op een aantal verplichte items en ik mijn startnummer in ontvangst had mogen nemen. Het feit dat de Nederlandse lopers die ik in de sporthal ontmoette, stuk voor stuk meer ervaring bleken te hebben met dit soort lange berglopen dan ik – ik heb alleen ooit de Jungfraumarathon gelopen, zij liepen de TAR of de CCC, of op z’n minst de K78 – maakte het er ook al niet beter op. Toch, toen ik aan het eind van de middag weer bij mijn tentje zat en mijn rugzakje dan echt aan het klaarmaken was voor de grote dag, daalde er opeens een enorme rust over me. Ik zal wel zien hoe het gaat.

Als ik een kop thee heb gemaakt en mijn yoghurt eet, hoor ik, voor het eerst deze vakantie, in de verte een paar uilen roepen. Ik houd van uilen, dus dat is vast een goed teken. De rillerigheid zal een gevolg zijn van de combinatie van kou, nog niet helemaal wakker zijn en (toch) de spanning voor wat komen gaat. Het is een beetje wonderlijk om in mijn eentje in het donker naar de start te lopen. Er zijn meer lopers op pad, en we wisselen met elkaar blikken van herkenning en medeleven.

Dat ik het koud heb in het startvak, is ingecalculeerd. Ik weet dat we direct ruim 1300 meter mogen stijgen, en ik kan me niet voorstellen dat ik het dan nog koud zal hebben. Ik heb nu eenmaal eerder last van de warmte dan van kou. Bij alle keren uit de tent gaan, afgelopen nacht, heb ik bovendien gevoeld dat het niet echt koud was, en ik ben dan ook zo optimistisch geweest te kiezen voor blote benen. Wanneer de speaker echter de plekken begint op te noemen waar we sneeuwvelden zullen tegenkomen onderweg, realiseer ik me dat ik daar wellicht met mijn keuze onvoldoende rekening heb gehouden. Nou ja, we zien wel. Niet te veel meer switchen zo vlak voor de start, is mijn idee. Ik heb me inmiddels aangesloten bij enkele van de Nederlanders die ik gisteren ontmoette. Het voelt comfortabel om hier niet helemaal in mijn eentje tussen alleen maar onbekenden te staan.

En dan lopen we ineens. Eerst nog een stukje hardlopend door de straten van Chamonix, en dan is het voorlopig gedaan met hardlopen, en wandelen we zigzaggend, in een lange sliert, omhoog naar Bellachat en Le Brévent. Dit is het dus, het is nu echt begonnen, en ik denk er maar niet te veel over na of ik het nu wel leuk vind, in zo’n mensenmassa te lopen. Zo is het nu even, en die mensenmassa zorgt er wel mooi voor dat ik misschien nét een tandje sneller loop dan ik zonder massa gedaan zou hebben. Het is donkerder dan ik had verwacht, en het koplampje is echt nodig. Ik heb wat ruzie met het ding, het zakt steeds naar beneden. Als ik probeer het elastiek wat strakker te trekken, blijk ik opeens het elastiek uit het plastic schuifje te hebben getrokken. Shit. Op zich moet het eenvoudig zijn het er weer in te frutten, maar het is een beetje lastig nu dat ik mezelf niet kan bijlichten… Maar gelukkig, na even pielen lukt het, en nu de band wat strakker om mijn hoofd zit, heb ik er minder last van. Toch stop ik het lampje weg zodra we het bos uitkomen en het licht genoeg is om zonder te lopen. Later op de dag zie ik iemand lopen die zijn lampje op zijn hoofd houdt. Ik wil hem vragen waarom hij dat doet, maar zie dan het formaat van zijn rugzakje en begrijp het.

Na het gefrut met mijn lampje, moet ik nog iets overwinnen. Ik voel bij het stijgen al vrij snel dat het nogal koud wordt aan mijn benen. Ik heb niet alleen onvoldoende rekening gehouden met sneeuwveldjes, maar ook met het simpele feit dat het hogerop sowieso kouder is dan beneden in het dal. En ik had vannacht al wat last van mijn buik en darmen, en mijn darmen zijn al niet mijn grootste vrienden bij het hardlopen, dus laat ik nu maar verstandig zijn en stoppen om een lange broek aan te trekken (verplicht materiaal, dus er zit een in mijn rugzak). Jammer genoeg lukt het niet om de pijpen over de schoenen heen te trekken, dus die moeten uit en, met enige moeite, weer aan. Ik schrik als de lopersfile opgedroogd lijkt te zijn – zou ik nu dan meteen al helemaal achteraan lopen? Ik hoef heus niet in de voorste gelederen mee te lopen, maar helemaal achteraan lijkt me nu ook weer wat treurig en ontmoedigend… Gelukkig blijkt het slechts een gat te zijn, en loop ik even later gewoon weer in een andere file en lijkt het alsof er niets gebeurd is – al beweegt deze file zich misschien een fractie langzamer voort dan de eerste waarin ik verstrikt was.

Het eerste sneeuwveld ziet er serieus uit, en de sneeuw is nog hard, maar dankzij de honderden lopers die mij zijn voorgegaan, ligt er een mooi vlak en solide spoor. Geen spoortje angst om uit te glijden bij mij – hier nog niet. Later gaat het echter hardlopend over de stevige sneeuw naar beneden, en daarvoor moet ik toch wel iets overwinnen. Niet alleen mijn darmen zijn niet mijn grootste vrienden tijdens het hardlopen, ijzige sneeuw, eigenlijk alles waarop je uit kunt glijden, is dat ook niet bepaald. Maar goed, als ik mij eenmaal over mijn aarzeling heb heengezet, blijkt het reuze mee te vallen, en blijken de Ultra Raptors, ondanks hun niet al te uitgesproken profiel, behoorlijk veel grip te bieden.

De eerste verzorgingspost, bij Planpraz, komt zo snel, dat ik bijna geneigd ben om maar door te lopen. Maar nee, op zijn minst wat cola en een plak cake naar binnen werken. En verder maar weer. Mezelf ertoe zetten even de bosjes in te gaan voor een sanitaire stop – o, wat vind ik dat soort dingen toch een gedoe en zonde van de tijd, maar ja, je ontkomt er niet aan. Het is bewolkt en eventjes lopen we volkomen in de mist, maar als die even optrekt, zien we aan de overkant het mooiste panorama dat je je maar kunt voorstellen. Die schitterende witte berg, met de toppen ernaast zo mogelijk nog indrukwekkender. Ik kan me goed voorstellen waarom mijn buren op de camping in Argentière graag nog naar Flégère omhoog wilden gaan, maar daar wel een mooie dag voor wilden afwachten. Ik ben bang dat ze het weer daarvoor vandaag te instabiel vinden, en aangezien ze morgen weer naar Nederland zouden vertrekken, zullen ze dit prachtuitzicht deze vakantie vermoedelijk hebben moeten missen. Ik geniet er maar eens extra van. Dit is het langste gedeelte van de tocht waarin grotendeels kan worden hardgelopen. Na Flégère gaat het nog een paar honderd meter omhoog, maar daarna volgt een lange afdaling naar Vallorcine, op 26 kilometer. Vooral het laatste stuk, door het dal, lijkt het haast op echt hardlopen. Jemig man, daar zou je moe van worden!

In Vallorcine staat Anne, een van de groep Nederlanders die ik ontmoette, en de enige van hen die niet gestart is op de 80, maar die de volgende dag de 10 zal lopen. Heel fijn om even een bekende te zien en te spreken. Ik had alleen bovenaan de eerste stijging Esther en Jolande nog gezien, van de anderen heb ik geen idee of ze voor of achter me zitten, maar volgens Anne ben ik de eerste die op dit punt aankomt. Volgens hem gaat het goed met me. Volgens mij ook wel, geloof ik… Ik neem hier de tijd om nieuwe sportdrank te maken, veel cola te drinken, en, o, wat heerlijk, ze hebben brood en de allerlekkerste Tomme die je je maar kunt voorstellen. En soep – ik probeer er eerst nog achter te komen of die wel vegetarisch is, en dus verantwoord, maar als uit het antwoord blijkt dat ik mijn vraag niet helder heb gesteld, denk ik: laat maar. Heerlijk, dat zoute, warme vocht.

Het idee dat het wel goed met me gaat, verdwijnt tijdens de stijging naar Passset. Het is maar 700 meter omhoog, maar oef, wat heb ik het hier zwaar. De zon is gaan schijnen, terwijl we dat toch echt niet hadden afgesproken. Ook de zon is niet mijn grootste vriend, tijdens het hardlopen – je gaat je zo langzamerhand afvragen waarom ik het eigenlijk doe, dat hardlopen… Ik zou vermoedelijk mijn pet op moeten zetten, maar ja, die moet ik dan weer pakken en dat vind ik dan weer gedoe. Bovendien vind ik het op de schaarse momenten waarop het even waait, zo lekker om de wind om mijn hoofd te voelen, dat een pet me dan alleen maar in de weg zou zitten. Afgezien van de warmte, is het echter simpelweg de steilte die me nekt. Het is een zwaar stuk, hoor ik later ook van anderen. Ik begin te twijfelen of ik dan misschien toch te overmoedig begonnen ben. Ik had niet het idee, maar zou ik langzamer hebben moeten lopen? Zou ik het nu dan minder zwaar hebben gehad? Ik ben behoorlijk buiten adem, en ik ga over op plan B: als ik geen een stap sneller zet dan ik eigenlijk wil of prettig vind, dan moet mijn adem ‘vanzelf’ weer bijtrekken, lijkt mij. Het werkt, al blijft het een zwaar stuk. Het is ook technisch een van de pittigere stukken, denk ik. Hogerop volgen nog wat sneeuwveldjes, waarvan de sneeuw inmiddels zachter is geworden, en ik kijk met jaloezie toe hoe anderen skiënd naar beneden glijden. Wat toch idioot dat ik dat niet durf, terwijl hier een natte kont zo ongeveer het enige risico is dat ik loop.

We lopen nu naar Loriaz toe, en ik verwacht daar een drankpost aan te treffen, zodat ik mijn enorme honger even uitstel tot daar. Geen drankpost te bekennen echter, maar dan moet ik toch maar even stoppen om iets uit eigen voorraad te pakken. Ik wil een noten-vruchtenreep pakken, maar het eerste wat mijn hand tegenkomt, is een snelle jelle, en dat wordt het dan. Ik krijg echter, ondanks de honger, maar de helft weg. Nog wat sportdrank dan maar, en lopen maar weer. In de afdaling ga ik niet alleen een keer door mijn enkel, maar struikel ik ook nog eens drie keer. Ik blijf weliswaar overeind, maar het is een teken voor me dat ik moe ben, weinig energie heb, en vooral dat ik voorzichtig en beheerst moet blijven lopen. Het is jammer, maar geen denderende afdalingen voor mij, vandaag. Als ik eindelijk beneden ben en weer in Vallorcine ben aangekomen, volgt een mentaal lastig stuk. Ik weet zeker dat ik niet al te ver bij de verzorgingspost vandaan ben, maar ik zie hem niet, en we blijken via een enorme lus ernaartoe geleid te worden. Van pure frustratie eet ik in een keer de vier kleverige colachomps die ik in een los zakje heb meegenomen op, en dan toch ook nog maar de andere halve snelle jelle. Boos ben ik. Potverdorie, wat een mensenbeulerij, dit. De boosheid duurt precies tot ik de post zie liggen, en ik weet hoe ver ik nog moet lopen (niet ver).

Halverwege ongeveer. Bijna tien uur onderweg, veertig kilometer in de benen, en 3000 hoogtemeters. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik nog eens 3000 hoogtemeters zal kunnen maken. Ik beantwoord een sms’je van Edwin, de aanstichter van dit hele plan, die echter tot zijn (en mijn) spijt zelf heeft moeten afhaken, en zich thuis zit op te vreten. Ik schrijf hem dat ik zo goed als dood ben, maar nog net niet dood genoeg om niet nog een stukje door te lopen. Daaraan bestaat geen enkele twijfel bij me – ik vind het zwaar, ik vind het loodzwaar, maar natuurlijk ga ik verder met waar ik aan begonnen ben. Weer een uitgebreide pauze, met brood, kaas en soep. Waterzak bijvullen, want ik heb geen idee hoeveel er nog in zit, maar ik merk wel dat ik dorstig ben en wil zeker niet te weinig hebben voor het volgende deel van de tocht. Met drinken durf ik geen risico te nemen, maar het is me inmiddels wel duidelijk dat ik minstens een kilo overbodig voedsel loop mee te sjouwen. Waarschijnlijk zou ik meer moeten eten dan ik doe, maar dan nog zou een kwart van wat ik bij me heb ook genoeg zijn geweest. Nu moet ik wel zeggen dat ik erop gerekend had dat de ‘lichte’ posten (‘léger’) alleen iets te drinken zouden schenken, maar daar valt ook nog genoeg te snaaien. Nou ja, een les voor de volgende keer.

Naar de Col des Posettes gaat het aanvankelijk enigszins steil omhoog, maar na een poosje komt het pad uit op een jeeproad die, zoals het een jeeproad betaamt, geleidelijk stijgt. Ha, dat het even niet bepaald het mooiste deel van de route is, met al die kaalslag van een skigebied, deert me niet – dit kan ik, dit kan ik zelfs behoorlijk goed! De een na de andere loper haal ik in (niet dat het hier nu zo druk is, maar het gaat om het idee). Boven wordt het startnummer weer eens gescand – ik denk de hele tijd dat dat is om te controleren of we wel de hele route afleggen, maar na afloop blijkt dat we ‘live’ te volgen waren via internet – joh, net echt. Hier waait het keihard en krijg ik het nu eens echt koud. Natuurlijk zou ik moeten stoppen om mijn jasje uit de rugzak te pakken, maar ja, gedoe… Bovendien raak ik dan mijn maatje kwijt – Cedric heb ik tijdens de vorige passage een hele tijd gevolgd, en liep ik hier op de Posettes zomaar weer achterop. Fijn, want Cedric is een prettige loper. Hij maakt handige keuzes in waar hij zijn voeten neerzet, en waar hij mij soms een iets te grote pas maakt, zie ik onmiddellijk hoe ik dat voor mijzelf iets makkelijker kan maken door een tussenpasje te maken of zo. Ik vind het mooi om te merken hoe daar geen bewust proces aan voorafgaat, maar hoe mijn lichaam onmiddellijk lijkt te registreren dat een alternatief gewenst is en wat een goed alternatief is. Het is een wonder, hoe het allemaal werkt. De communicatie tussen Cedric en mij verloopt iets minder vanzelf, helaas. Dat ligt evenzeer aan mijn gebrekkige kennis van het Frans als aan zijn gebrekkige kennis van het Engels. Potverdorie zeg, ik dacht dat die jongere generatie Fransen nu toch eindelijk een beetje Engels leerden, maar daarvan is bij Cedric weinig te merken.

Als het lastigste deel van de afdaling achter de rug is, en wat we doen weer een beetje op hardlopen begint te lijken, beklaagt Cedric zich over pijn in zijn benen. Watje. Mij lijkt de tijd aangebroken om maar eens te vragen wat het Franse woord voor hardlopen eigenlijk is. Beetje suf om aan een hardloopwedstrijd (althans: dat is het toch? want hardgelopen wordt er relatief weinig vandaag, als ik eerlijk ben) in Frankrijk mee te doen, en niet eens te weten hoe de sport heet die je aan het beoefenen bent. ‘Courir,’ is het woord. Weliswaar vind ik dat iets meer klinken als wielrennen, maar ik vind het wel een mooi woord. Het maakt mij tot ‘coureur’ – en na de finish zegt Cedric tegen zijn vrouw dat ik een ‘bon coureur’ ben. Eh, dat is de androgyne versie vermoed ik, het zal officieel waarschijnlijk ‘bonne coureuse’ moeten zijn geweest, maar ja, om hem nu te gaan lopen verbeteren over het gebruik van zijn moerstaal, is ook weer zo wat. En eigenlijk ben ik ook wel een groot voorstander van sekseneutraal taalgebruik (en heb ik er weinig moeite mee dat dan de mannelijke variant wordt gebombardeerd tot de algemeen geldende). Maar goed, dit geheel terzijde.

Weer volgt een mentaal momentje, als we na de afdaling nog niet in Argentière blijken te zijn, waar wederom een verzorgingspost ons wacht, maar in Le Tour, en dus nog een stukje verder moeten. In Argentière word ik opnieuw opgewacht door Anne, die nu wordt vergezeld door Ruud, die helaas vanmorgen al na een paar uur lopen zijn enkel heeft verzwikt en heeft moeten uitstappen. Weliswaar staan zij hier niet primair voor mij, maar voor Esther en Jolande, die een uurtje achter mij zitten, maar dat maakt hun complimenten en bemoedigende woorden er niet minder hartelijk om. Ik ben blij. Ik voel me goed, en twijfel er eigenlijk niet aan dat ik de finish zal gaan halen. Als er dan ook nog een Nederlandse loper naar me toe komt – hij hoort mij praten met Ruud en Anne – en zegt dat ik zo akelig fit aan kwam lopen bij de post (ha, daar houd ik van; dat soort opmerkingen kan ik zelf ook maken), kan ik niet anders dan toegeven dat ik weliswaar bekaf ben, maar er nog behoorlijk veel plezier in heb, eigenlijk. Niet alleen Kelly (“it’s too hard”) wilde hier eigenlijk uitstappen, maar ook deze Nederlandse loper (na de finish kom ik erachter dat het Roman Packbier is, die ik niet persoonlijk, maar op de een of andere manier al wel van naam kende). Beiden zal ik nog tegenkomen op het vervolg van de route.

Na Argentière gaat het richting de camping waar ik de eerste dagen van mijn vakantie zo heerlijk heb doorgebracht. Ik probeer te zien of de tent van mijn buren er nog staat, maar bomen staan irritant in de weg. Ik overweeg nog een split second om af te buigen om stiekem even gebruik te maken van een wc op de camping (mijn darmen spelen op), maar dat is toch echt een te grote omweg. Verder maar weer en omhoog gaat het, voor de verandering. Omhoog gaat het wel, geloof ik, maar hoewel de afdaling een vriendelijke is, heb ik het er moeilijk mee. Niet alleen mijn bovenbenen doen zeer (‘mes pauvres jambes’), maar ook mijn knieën (‘genoux,’ leer ik vandaag) beginnen te protesteren. Ik bedenk mijn eerste variatie op een Frans spreekwoord (zie titel), en ben buitengewoon content met mijzelf. Hij is vast heel flauw, en waarschijnlijk ook nog onorigineel, maar voor mij is hij nieuw, en ik kan er in mijzelf om blijven grinniken. Het gaat echter dus langzaam, en ik móet ook echt nog even de bosjes in. Roman, die doorloopt, draag ik op om vooral niet stiekem uit te stappen beneden… Als ik Les Bois nader, waar de laatste complete verzorgingspost staat, hoor ik al gejoel en gezang van een groep mensen. Als ik het bos uitkom (‘Les Bois’ is, gek genoeg, niet het bos zelf), staat er kort voor de post een haag van tientallen mensen van, eh, middelbare leeftijd? (maar dat ben ik zelf ondertussen ook, met mijn 47 jaar, en zij lijken mij nog net iets ouder…), die een haag vormen, en met groene takken ook nog een soort ereboog maken, en joelen, juichen, klappen, zingen voor iedereen die aan komt lopen. Wat een onwaarschijnlijk geweldige mensen zijn dat! Dit is zo’n moment bij de gedachte waaraan ik de volgende dag, als ik in ietwat labiele toestand in mijn tent ligzit, steeds weer moet huilen.

De pauze is iets uitgebreider dan ik eigenlijk wil. Ik móet een paar bekertjes cola, maar ik móet bij nader inzien ook soep. En ik geloof dat ik mijn jasje moet pakken – het is al avond, en nu zal het toch wel koud worden? Er staat een man die er ontzettend officieel uitziet, en die iedereen volgens mij aandachtig bestudeert. Hij zegt geen woord, maar ik denk dat hij echt aan het checken is of mensen er nog goed uitzien, of het nog verantwoord is dat ze verder gaan. Als ik Cedric zie vertrekken, ga ik snel achter hem aan. Ik zie ertegenop om alleen te zijn als het donker wordt. Dat jasje is een vergissing, dat gaat al snel weer uit. Cedric laat ik ook al vrij snel achter me, op dit punt ben ik even sterker dan hij. Een groepje stoere knullen stopt om iets te eten en te drinken, en dat moeten ze natuurlijk zelf weten, maar ik merk dat ik er nu toch een oordeel over heb – we zijn nog maar nét bij de post vandaan, dan stop je nu toch niet alweer? Ik loop alleen, een deel over weer zo’n jeeproad. Er staat een auto langs de kant, met iemand van de organisatie ernaast, die vraagt of het goed gaat. Ik zeg dat het prima gaat, maar dat het stijgen ook niet het probleem is. Een stuk verderop staat een ‘buvette,’ en men heeft op een bankje langs het pad een paar flessen water en glazen neergezet. Lief. Ik heb het niet nodig, maar steek mijn hand op naar de man die in de deuropening staat, die mij ‘courage’ wenst. Ik hoor de volgende dag dat die mensen er speciaal zijn blijven slapen, om de lopers die ’s nachts passeren, aan te moedigen. Ik hoor het geluid van stokken, van andere dan die van mij, en kijk steeds achterom of Cedric eraan komt, maar nee. Dan zie ik wat mensen voor me lopen. Fijn, dan ben ik tenminste niet alleen. Ik ben om acht uur uit Les Bois vertrokken, en wil zo hoog mogelijk komen voor het donker is, maar ik kan niet ontkennen dat de avond echt aan het vallen is. In het eerste groepje dat ik achterop loop, bevindt Kelly zich, die onder de hoede is genomen van een ervaren Franse loper. Juist als ik bij hen ben, wil Kelly echter rusten, en het hele groepje stopt. Lijkt mij onnodig en zelfs onverstandig, dus ik ga door. Ik loop nu over een prachtig rotsachtig pad langs de Mer de Glace. De markering is geweldig, maar toch benijd ik de mensen niet die straks in het stikkedonker door dit blokkenterrein moeten. Ik denk aan Esther en Jolande, voor wie dat zal gelden. Weer loop ik een groepje achterop, en weer stopt men om uit te hijgen net als ik aankom. Ik vraag een vrouw of het goed gaat, en zij zegt dat het ‘très dur’ is. Dat is het inderdaad, dat kan ik niet ontkennen, maar ik loop toch maar lekker door. Het gaat goed, en ik ben me er op dit punt zeer van bewust hoeveel baat ik heb bij mijn bergwandel- en klimervaring. Als je moet stoppen om uit te rusten, loop je volgens mij te snel en kun je beter iets rustiger lopen. Maar goed, misschien heb ik makkelijk praten, want zelf lukt het me om een pittig tempo vol te houden – daartoe mede gestimuleerd door de invallende duisternis, en door de drie Franse mannen waar ik inmiddels achteraan loop en die tenminste wél nog een straf tempo in de benen hebben.

Bij Montenvers, de laatste drankpost, tref ik Roman weer, tegen wie ik zeg dat hij best wat vrolijker mag kijken – hij gaat tenslotte finishen, dat staat nu wel zo goed als vast. Een korte pauze deze keer – nu moet wél het jasje aan, en de koplamp moet op het hoofd. Bovendien wil ik zeer zeker niet in mijn eentje de laatste traverse maken, dus als de rest vertrekt, gaan Roman en ik er snel achteraan. Het wordt donker, we moeten nog 200 meter stijgen in de traverse over het Grand Balcon Nord naar Blaitière, en ik wilde van tevoren zó graag niet in het donker meer hoeven lopen ’s avonds, maar gommenikkie, wat is het schitterend! Het is een heldere nacht, de Mont Blanc ligt daar schuin voor ons, en links van ons de toppen van wat verschillende Aiguilles. Natuurlijk zou het bij licht ook schitterend zijn geweest, maar het donker verleent een bijzondere glans aan vooral dit deel. Juist deze passage in het (bijna) donker is er eentje die mij bij zal blijven.

In de afdaling voegt tot mijn verrassing Cedric zich weer bij ons. Een poosje vormen wij een driemanschap, maar als we wat groepjes andere lopers hebben ingehaald, en zelf door weer andere groepjes zijn voorbijgestoven, loopt Cedric op een bepaald moment op ons uit. Roman gaat voorop, en tussen hem en mij heeft zich een andere loper gevoegd – geen probleem, ware het niet dat deze loper kennelijk níet de moeite heeft genomen even de bosjes in te gaan voor een noodzakelijke sanitaire stop. Het laatste uur loop ik in een poeplucht… De afdaling duurt eindeloos. Ik geloof dat we er anderhalf uur mee bezig zijn om van 2100 naar 1000 meter af te dalen. De lichtjes van Chamonix komen maar niet dichterbij. Toch hebben we nog een soort van hardloopritme te pakken. Het kan niet veel meer dan 100 meter boven Chamonix zijn als we kort na elkaar twee vrouwen voorbij gaan. De strijdlustige in mij, kan niet anders dan denken: ha, die heb ik mooi te pakken. De eerste vrouw kijk ik niet echt aan, maar de tweede staat met haar partner aan de rand van het pad, en heeft een lege blik in haar ogen. Ik voel weliswaar dat ik weinig snelheid meer in mijn benen heb, maar als ik haar blik zo zie, vermoed ik dat ik vergeleken met haar nog een wereld van kracht in mij heb. Een mazzelaar ben ik. Ook met het gezelschap van Roman, want, behalve dat het een grappige vent is, die Nederlands spreekt bovendien, houdt die zich gedurende deze eindeloze afdaling wat in zodat ik bij kan blijven. Très sympathique. Ik vraag me weleens af of er ook onaardige hardlopers zijn. Vast wel, maar ik kom ze maar zelden tegen.

Hè hè, dan lopen we toch éindelijk het bos uit en het asfalt op. Nog even de moed opbrengen om van een soort halve in een echte hardlooppas over te gaan. De stokken in de hand, en kom op. Met z’n drieën, Roman, de poepman en ik, door de straten van Chamonix – ook nog vergezeld door een official, geloof ik. Nog even aanzetten, en ja, daar is de Place de Balmat, linksaf en onder de finishboog door. Nog net een paar minuten voor middernacht, dus ik heb er net geen 20 uur over gedaan. Ik voel me super! Zó ontzettend blij met wat ik gedaan heb en met hoe het ging, ook al duurde het dan wat langer dan ik van tevoren had verwacht. Dit is wat ik in me had, dit is wat ik kon, en dat was goed. En o, wat is dit leuk en wat smaakt het ontzettend naar meer, meer, meer. Edwin stuurt me een sms’je dat ik het geflikt heb, nog voor ikzelf goed en wel besef dat ik gefinisht ben. Ik feliciteer en bedank natuurlijk eerst mijn maatjes Cedric en Roman, maar sms dan mijn zussen dat ik binnen ben (die mijn ouders wakker bellen om hun het heuglijke nieuws mee te delen) – die hebben zich toch wat zorgen gemaakt vandaag. Waren mijn ouders net zo blij dat hun dochters gestopt waren met dat gevaarlijke bergbeklimmen, gaat er weer eentje van die andere, maar vergelijkbare, idiote dingen doen.

Een cola nog maar. O, maar ze hebben ook bier, ja doe mij dan ook alsjeblieft een glas bier. Heineken, jammer, maar zelfs dat smaakt op dit moment prima. Roman ben ik even kwijt, maar hij komt weer terug. Chamonix is echter redelijk uitgestorven, we zijn nat en koud, en ook een ietsiepietsie moe, dus we blijven niet al te lang hangen, maar gaan ieder ons weegs, elk naar onze eigen camping. Op de mijne tref ik bij de douches twee mannen die vandaag toevallig ook een rondje van 80 kilometer hebben gelopen. Zij zijn alleen een paar uur eerder gefinisht en hebben zich al tegoed gedaan aan het buffet (huh, een buffet? was dat er dan? nou ja, ik zou toch geen zin hebben gehad daar nog naartoe te lopen), en komen nu net onder de douche vandaan. Een van hen zal over anderhalf uur worden opgehaald door een taxi die hem naar het vliegveld van Genève brengt, en ik heb het idee dat hij wel graag zou willen dat ik met hem blijf praten, maar ik schok inmiddels helemaal van de kou, en ik kan alleen maar denken aan die douche en aan mijn bed. In bed wordt het schokken en rillen langzaam maar zeker minder en ik zak weg in een diepe slaap. De volgende dag regent het.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 8 reacties

Gekut, eh, pardon, getrut

Jemig, wat was ik ongelooflijk aan het kutten, eh, trutten vanmorgen.

Om kwart over 7 in de auto richting Nijverdal, voor een rondje over de Holterberg (halve Sallandtrail) en bezoek aan mijn ouders. So far, so good. Nietsvermoedend over de Holterbergweg, maar bij het tweede bord met de openingstijden, zie ik opeens dat je ook in de zomer pas vanaf 9 uur over de Holterberg mag met de auto. Shit, dat is het nog helemaal niet, maar ik rijd hier wel. Ik weet dat mijn ouders daar een keer een boete voor hebben gekregen, en meen me te herinneren dat dat een fikse was. Nog afgezien van zo’n mogelijke boete: niks voor zo’n autoriteitsgevoelig typje als ik, zo’n actie. Bovendien voel ik me nu dubbel schuldig ten opzichte van de hardlopers en wielrenners, die er natuurlijk op rekenden dat ze tot 9 uur gevrijwaard zouden zijn van autoverkeer.

Auto geparkeerd bij Dalzicht, zet mijn hardlooprugzakje even op de bestuurdersstoel, en zie natte plekken op de stoel als ik ‘m weer oppak. Maar de bidons op de kop houden en erin knijpen, lijkt geen lekkage aan te tonen. Hmm, vreemd, maar toch maar lopen. Ik heb de route van de Sallandtrail in m’n horloge geladen, en wil er via het fietspad langs de weg naar Zwolle naartoe lopen. Volgens mij weet ik wel waar we de weg overstaken, en waar ik dus naar links moet om het natuurgebied in te lopen. Maar op dat punt aangekomen, zit ik volgens mijn horlogeschermpje nog helemaal niet op de route. Hmm, vreemd, ik dacht toch echt dat het hier was, waar we de weg overstaken. Dan maar via het bos in de richting van de route lopen. Ook vreemd is dat ik steeds druppels voel, links. Grr. Waarom heb ik ALTIJD lekkende bidons? Of heb ik altijd ten minste één lekkende bidon? En waarom is dat dan altijd net de bidon waar ik iets van zoetigheid in heb gedaan? Ik probeer de dop nog steviger dicht te draaien, maar de fles is kleddernat en geeft weinig houvast. En zo’n synthetisch rokje helpt ook al niet echt om de fles te drogen, en geeft evenmin enige grip. In zo’n situatie bestaat er een dringende behoefte aan good-oldfashioned katoen, maar geen katoenvezel aan mijn lijf of in mijn goedgevulde rugzak (training!) te bekennen, natuurlijk.

Ik probeer in de richting van de route te lopen, maar die route op mijn schermpje neemt een loopje met me (haha, wat een ont-zet-tend grappige woordspeling) lijkt het wel. Hoe meer ik in de richting ervan loop, hoe verder de route bij mij wegloopt. Op een bepaald moment loop ik langs een tipi. O, een tipi… Huh, een TIPI? Maar hier staat alleen een tipi op camping Twilhaar, toch? Ben ik nu bij Twilhaar? Dat kan helemaal niet en ik heb ook helemaal niets herkend terwijl ik er toch een aantal keer gekampeerd heb – onder andere dit voorjaar nog een keer. Nou ja, als ik hier nu naar links ga, en dan straks weer naar rechts, en dan nog een keer naar links, dan moet ik toch echt op de route komen. Toch?

Uiteindelijk valt het pijltje/de loper/ik dan eindelijk samen met het lijntje van de route. Ik voel nog steeds druppels links, maar denk: dan drink ik die sportdrank maar snel op; als die bidon leeg genoeg is, zal hij wel niet meer lekken. De route lijkt mij vrij aardig overeen te komen met de route tijdens de Sallandtrail in maart, alleen is het nu een stukje zonniger en is het zand enigszins muller dan toen. Na een poosje lijkt mij echter dat ik wel erg in de richting van de parkeerplaats bij Nijverdal aan het lopen ben, voor deze fase van het loopje. Ja hoor, heb ik dan toch de route de verkeerde kant op genomen? Het kan haast niet, maar het lijkt er verdomd veel op. Oké, dan de route maar in omgekeerde richting, en dan wat eerder een keer afbuigen, om niet al te veel bonuskilometers te lopen.

Best leuk eigenlijk, ik herken veel, en het is toch anders. Maar na een paar kilometer moet ik even stoppen om wat blaarvoorkomende maatregelen te treffen. Waarom in godsnaam ben ik zo eigenwijs geweest om van die heel lage sokjes aan te trekken? Ik weet toch dat die La Sportiva’s nou niet bepaald slofjes zijn en behoorlijk hoge en nogal harde achterkanten hebben? Het antwoord is: het staat wat leuker, zeker onder een rokje… De betreffende maatregelen hebben veel weg van het dempen van een put terwijl het kalf al in staat van ontbinding verkeert. Als ik net weer aan het lopen ben, krijg ik een sms’je. Normaal gesproken zou ik denken: dat komt straks wel, nu vind ik het een welkom excuus om nog even te stoppen en de rugzak af te doen. Horloge op pauze. Eh, maar in de navigeerstand kan ik niet zien of de training loopt of gepauzeerd is. Allerlei knopjes indrukken, heeft niet direct het gewenste effect. Als ik het horloge dan echt in de juiste modus heb om de training te pauzeren, en ik heb ook nog het juiste knopje te pakken om dat te volbrengen, houd ik het kennelijk ingedrukt, zodat de training niet onderbroken, maar afgesloten wordt. Dat valt me pas op als ik na het lezen en beantwoorden van het sms’je weer wil gaan lopen en zie dat het kwart over 10 of daaromtrent is. Oké, een gebroken training dus. Gelukkig heb ik nog wel gezien dat ik 10,2km gelopen had, en weet ik dat ik er dus nog een stuk of 15 mag.

Het vervolg van de route gaat goed, tot ik de Holterbergweg weer ben overgestoken, en de route een pad aanwijst over de Sprengenberg, dat afgesloten is vanwege het broedseizoen. Vanaf 15 maart – de Sallandtrail was volgens mij op 13 maart, dus dat zou kunnen. Oké, neem ik toch het pad dat daar vrijwel parallel aan loopt? Geen probleem, want ik moest de route toch al érgens inkorten. Maar verdomd, in no time ben ik weer bij de Holterbergweg, dat kan niet goed zijn. Nou ja, in godsnaam dan maar via dezelfde route terug. Op een bepaald moment geloof ik het wel, en neem ik de paarse wandelroute – loop ik toch nog een klein stukje ‘nieuw.’

Rommeliger dan rommelig, niet echt de route gelopen die ik in mijn hoofd had, bepaald niet licht en zeer zeker niet snel gelopen – eerder nogal moeizaam en langzaam – en gek genoeg tóch een lekkere training gehad… Vreemd.

En bij mijn ouders was het ook goed. Lastige mensen, o zo lieve mensen.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Ω

“Regent het?” vraagt de vrouw die op de wc naast me zit op de camping, terwijl de regen op het dak klettert. “Ja,” zeg ik. “O, jakkes, ik twijfel,” zegt ze. “Twijfel je?” “Ja, ik zou gaan fietsen vandaag.” “O, ik ga hardlopen, maar ik twijfel niet,” zeg ik. Natuurlijk twijfel ik niet. Ik twijfel aan zo ongeveer alles in het leven, maar als ik me heb ingeschreven voor een loopje, en ik heb er uren voor in de auto gezeten om aan de start van dat loopje te geraken, dan laat ik me echt niet tegenhouden door een paar regendruppels, ook al heb ik er volkomen op gerekend dat het droog, zonnig en warm zal zijn. Wel ben ik blij dat ik, in een opwelling, tien minuten eerder tóch snel m’n tentje heb afgebroken, al was ik van plan ‘m te laten staan tot vanmiddag. Op het laatst gris ik uit de auto ook nog even het thermoshirt dat ik gisteren in Valkenswaard gekocht heb ‘alvast voor de winter, altijd handig.’ Want al is het nu zo goed als zomer, die regen maakt het wel wat fris, zo in m’n hemdje.

Als we naar de startlocatie toe lopen, barst er een wolkbreuk los (dat is waarschijnlijk dubbelop – een breuk die losbarst, maar alla). We schuilen een tijd onder een paar grote bomen, en, zo goed en zo kwaad als het gaat, met zovelen mogelijk onder de bij de twee fans aanwezige paraplu’s, maar na een poosje lekken de bomen te erg door, de paraplu’s zijn niet groot genoeg, ik krijg het koud en word ongeduldig. Rennen naar de start dus maar. Binnen is het druk, en ik voel me een beetje gedesoriënteerd. Ik hoor mijn achternaam noemen, en begroet Mig en Nicole, maar klamp me dan snel weer vast aan het hoekje van de bar. Zit net niet helemaal lekker in mijn vel, ik merkte het gisteren al… Ik ben gespannen en zenuwachtig, en dat is raar, want ik ben helemaal niet van plan om deze Ohmtrail als wedstrijd te lopen. Het is de laatste serieuze training voor de 80km bij de Mont Blanc, die ik over een paar weken zal lopen. Rennende Raadsman Rob stelt zich aan mij voor, en we praten even met elkaar, voornamelijk over het MST-reisje naar Chamonix waarvan hij initiatiefnemer is. Omdat ik uiteindelijk in mijn eentje in Chamonix zal zitten (al mijn gezellige medelopers zijn afgehaakt, de deserteurs), hoop ik in het weekend na mijn loop wat te kunnen socializen met de MST-ers.

Vlak voor de start zegt Nicole nog tegen me dat het hier wellicht handig is om wat sneller weg te gaan dan je normaal gesproken zou doen, omdat je anders na een kilometer meteen vast staat in een file, maar omdat ik geen haast heb vandaag, neem ik dat advies voor kennisgeving aan en doe er verder niets mee. Ik start rustig, en loop direct al bijna achteraan. Inderdaad staan we al snel stil – geen file vanwege een steile helling omhoog, maar vanwege een paar bomen die over het pad zijn gevallen en waar de lopers overheen moeten stappen (of klauteren, als ze korte benen hebben). Daar sta ik nog bij Edwin, maar zodra we weer kunnen hardlopen, loopt hij bij mij weg. Ik heb er vrede mee dat ik (alweer!) de laatste ben van ons groepje, en heb mij stellig voorgenomen mij het plezier niet te laten bederven door me te vergelijken met wat de rest doet.

Bij La Grimace dacht ik te merken dat ik een relatief sterke daler ben, maar vandaag merk ik dat die relatieve kracht is voorbehouden aan het afdalen over relatief droge hellingen. Bij gladheid ben ik bepaald geen held, merk ik. En glad is het – op veel hellingen althans. Ik herinner me een grashelling tussen de bremstruiken door – zo op het oog weinig spectaculair, maar ik daal af als een oude juffrouw, doodsbang om te vallen, lijkt het wel. Ik ben vandaag weinig trittsicher – verbeeld ik het me maar, of hangt dat samen met het niet helemaal lekker in mijn vel zitten? Gelukkig ben ik nog wel gewoon schwindelfrei – tenminste, dat hoop ik maar.

Als eigenlijk altijd bij dit soort loopjes, is de verzorging uitstekend en wordt deze geregeld door aardige en grappige mensen. Vandaag ben ik evenwel niet erg in de gelegenheid een beetje normaal met hen te communiceren, want hun kennis van het Vlaams/Nederlands is zeer beperkt, en de mijne van het Frans lijkt wel tot nul gereduceerd. Wat is er aan de hand? Nou ja, ik lach maar vriendelijk en we vinden elkaar toch wel leuk en aardig, denk ik maar. Zoiets dan. Voor zover het er iets toe doet. En ‘merci’ lukt me nog net.

Na een kilometer of 17 (gokje) krijgen we het deel van het parcours waar ik me over heb zitten te verlekkeren bij het zien van de filmpjes. Een dal waar een klein stroompje doorheen loopt (nee, dat heet niet de Ohm, maar iets met een N, geloof ik), waar je dan weer links, dan weer rechts van loopt, en waar je tal van bruggetjes over moet steken, die bestaan uit een in de lengte doorgezaagde boomstam – ze zijn dan nog wel zo aardig geweest die met de vlakke kant naar boven neer te leggen. Soms zit er een gammele leuning naast die boomstam, dat voelt een soort van veilig, maar vaker ontbreekt zo’n leuning. Ook hier weer voel ik mij buitengewoon truttig en verre van stoer, maar er zijn er een paar bij die ik echt voetje voor voetje oversteek. Misschien toch niet helemaal voor niets, blijkt als ik na het laatste bruggetje een strompelende loper voorbijsteek, die ik niet herken, tot hij mijn naam noemt. Dat blijkt de Raadsman te zijn, die van een van de bruggetjes is gevallen en nogal ongelukkig op zijn rug is terechtgekomen. Hardlopen doet hem te veel pijn, dus hij gaat wandelend verder naar de tweede verzorgingspost, in de hoop dat hij daar een lift naar de finish kan krijgen. Ik wandel een klein stukje met hem mee, en dring hem een ibuprofen op, die na wat aanvankelijk tegensputteren in dank wordt aanvaard.

En ondertussen regent het. Soms lijkt het even bijna droog te worden, maar gelukkig blijft het bij schijn, en hoost het even later gewoon weer. Lopen in een hemdje kan nét; echt warm is het niet. Inmiddels lijk ik weer wat steviger op mijn benen te staan, en tot mijn vreugde kan ik in sommige afdalingen toch weer lekker doorlopen. Na 27 kilometer volgt er echter nog een afdaling die behoorlijk steil is en onwaarschijnlijk glad. Weer ga ik als een tutje naar beneden, hardop lachend – waarschijnlijk uit een combi van stress en plezier. Ik wil vooral heel erg niet vallen, merk ik, al loop ik hier weinig meer risico dan op ontzettend smerig worden. De twee mannen die een stukje beneden mij lopen te glibberen, kijken verstoord omhoog. Ik groet hen vriendelijk in het voorbijgaan, en ga vrolijk door met mijn domme gegiechel.

Dan volgt een vrij lange helling omhoog. Ik merk ook vandaag weer dat ik geneigd ben om te gaan wandelen als mensen om mij heen wandelen. Ik ben dan acuut bang dat ik mezelf over de kop loop, als ik blijf hardlopen. Op deze helling zie ik ook weer mensen wandelen, en dus wandel ook ik. Maar wacht, ik zie ook een man rennen, en opeens vraag ik me af waarvoor ik me in vredesnaam aan het sparen ben. Het is nog maar zes kilometer, kom op zeg! Ik zet er een beetje de sokken in, en ben competitief genoeg om in die resterende kilometers de een na de ander ‘op te rapen,’ zoals dat zo vriendelijk heet. Soms zijn de mensen die ik opraap wandelaars, overigens – voor het klassement levert dat weinig op, laat staan voor het eergevoel…

Ik blijk nog wel wat energie over te hebben, en ik dender lekker door. Vlak voor de finish loop ik Julia achterop. Die vindt het wel wat om samen te finishen, maar zet zo’n eindspurt in dat ik haar ternauwernood (nou, eigenlijk vooral net níet) kan bijhouden. Duidelijk een snellere loper. Na de finish staan daar twee gevallen mannen – behalve de Raadsman ook Tom, eveneens een MST-MBM’er. Het lijkt erop dat het leed bij beiden te overzien is en dat zij gewoon zullen kunnen starten op de MBM. Verder hangen er buiten vooral veel vlezige barbecuegeuren, niet helemaal mijn kop thee. Edwin, Paul en Stella komen net naar buiten om naar de camping te gaan en zich te gaan douchen. Ik loop eerst de trap op om binnen iets te gaan eten, maar bedenk dan dat ik beter achter hen aan kan gaan, zodat ik in elk geval zeker weet dat de auto open is om mijn spullen te pakken. Niet zo gezellig, maar het zij zo.

Die gezelligheid halen we in klein gezelschap nog even in na de douche, in het campingcafé. Had ik al gezegd dat die camping bij Aywaille een echte aanrader is, ook al sta je een beetje hutje mutje op elkaar? Nou, die camping is dus een echte aanrader. Mooi terrein, goed sanitair, lekker eten en drinken, ontspannen en grappige bediening. En vlak naast de start en finish, dat ook nog eens.

O ja, en ik heb nu voor de tweede keer een ‘wedstrijd’ heel ontspannen en lekker gelopen, en heb daar tijdens het lopen volop van genoten, maar voor de tweede keer ook voel ik toch een lichte deceptie na afloop. Of dat nu komt doordat er toch, hoe je het ook wendt of keert, een wedstrijdelement in zit en ik daar dan niet zo goed in scoor als ik wel zou willen, of dat het komt doordat ik voor mijn gevoel niet alles heb gegeven wat ik in mij heb, ik weet het niet. Vreemd vind ik het wel dat ik een dergelijk gevoel helemaal niet had toen ik, bijvoorbeeld, van Haarlem naar Castricum liep (45 kilometer) en daar veel langer over deed dan ik van tevoren had verwacht. Ik bedenk het van tevoren niet, maar merk het achteraf wel, dat ik een wat tweeslachtige houding heb tegenover het lopen van een wedstrijd als training. Daar heb ik nog wat in uit te vechten met mijzelf.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | Plaats een reactie

Dubbeltje

Op de website van Willem Mütze prijkt dit jaar voor het eerst het rondje Houtenburg, een rondje van 50 kilometer op Walcheren. Omdat Zeeland voor veel mensen toch een behoorlijk eindje rijden is, en de lopers van Willem over het algemeen nu ook weer niet steil achterover vallen van zo’n afstand, suggereert Willem maar meteen dat je het loopje mooi kunt combineren met de Brabantse Walmarathon, de dag erna. Kamperen bij de boer, en je hebt een compleet (zelf)verzorgd weekend te pakken. Zo’n plan trekt me wel – en aangezien het weekend krap 4 weken voor het rondje van 80 valt, lijkt het me ook mooi te passen, trainingstechnisch gesproken. Wel even overlegd met Henny natuurlijk, want ik blijf een brave leerlinge, maar die wil ook wel een gokje wagen (makkelijk gokken is dat, met het lijf van een ander), en zet niet de marathon van Hoorn in mijn schema (die alternatieve suggestie had ik gedaan), maar deze dubbelslag in Zeeland en Brabant. Ik ben weliswaar blij dat ik mij niet genoodzaakt zie een snelle tijd te gaan lopen in allerlei ingewikkelde lussen over de IJsselmeerdijk, maar zie tegelijkertijd als een berg op tegen deze geplande looptweedaagse.

Zaterdagmorgen arriveer ik wat later dan de bedoeling was bij de startplaats in de buurt van Zoutelande. Blij dat ik Annemarie zie, die mij naar de juiste plaatsen (om respectievelijk te parkeren, te plassen en koffie te drinken) dirigeert. En blij dat ik na het handenschudden nog net genoeg tijd blijk te hebben voor anderhalve kop koffie en zo’n lekker kleverige Zeeuwse bolus. Al snel blijkt dat slechts 25% van de 16 aanwezige lopers de suggestie van Willem serieus heeft genomen – en tot die 25% behoren ook Willem zelf en Jan Nabuurs, die een startbewijs voor de Brabantse Walmarathon cadeau heeft gekregen van Willem, en die het wonderlijke idee heeft dat het niet aardig zou zijn om zo’n cadeau te weigeren. Iets met een paard en een bek of zo. Maar Willem en Jan behoren tot een buitencategorie lopers waar ik mijzelf absoluut niet mee kan vergelijken, dus die tellen niet echt mee. Dat betekent dat behalve ikzelf, nog maar een andere loper zo gek is geweest zich voor beide dagen in te schrijven. Hmm, waar ben ik aan begonnen?

Voor de loop van zaterdag maakt deze twijfel echter niets uit. We starten, na de gebruikelijke groepsfoto’s, een paar minuten na 9 uur. De eerste 25 kilometer bij elkaar blijven, is het verzoek, en daarna in groepjes verder. In het begin lopen we veel over schelpenpaden, later vooral door het gras en over de Zeeuwse klei. Ook krijgen onze voeten zo hier en daar een stukje asfalt te verduren. Tussen 20 en 30 kilometer is dat zelfs vrij veel… Ik ben niet echt in een praterige bui, maar voel me prima thuis tussen deze mensen, waarvan ik de meesten nauwelijks of in het geheel niet ken. De handveren (trekpontjes?) nodigen uit tot allerlei lolligheid, maar niemand hoeft te zwemmen. Alleen verliest Monica een keer haar evenwicht op een overstaphekje, en zij valt wel degelijk in de sloot, waarna niemand meer in haar buurt wil lopen…

Na de laatste verzorgingspost (de overbekende camper van Willem en Annemarie) krijgen we een stukje Kustmarathon voor de kiezen. Een deel over de zeedijk, lekker tegen de wind in beuken. Ik voel me nu een stuk beter dan toen ik hier in oktober liep… Het tempo is prima, zo kan ik het nog wel een poosje volhouden. Wat ook weer niet wil zeggen dat ik niet blij ben als we de camping zien liggen. Nog even een paar bochten om aan de 50 kilometer te komen, en na 6 uur, 18 minuten en 28 seconden tikt ons groepje af bij Annemarie.

De wind is zo hard en zo koud, dat ik erg blij ben met de mogelijkheid om binnen te eten – Annemarie heeft pasta, saus en salade gemaakt voor de overgebleven lopers, en ik deel mijn meegebrachte vleesloze variant graag met de andere niet-vleeseter in het gezelschap. Na de maaltijd volgen er sterke verhalen en enkele glazen port in de aangenaam warme camper.

’s Nachts gaat de wind liggen, en al moet ik er vier keer uit om te plassen, ik slaap prima in m’n tentje en voel me verrassend fit als ik de volgende morgen vroeg ben opgestaan. Nu zit ik heerlijk in de zon – ontbijtje, koffie uit het pruttelpotje, zelfs een krantje erbij. Het leven is goed.

Dat is het nog steeds als ik een paar uur later gestart ben in de Brabantse Walmarathon. Ik verwacht vreselijk zware en stramme benen, zeker in de eerste kilometers, maar het loopt eigenlijk net alsof ik gisteren niets speciaals heb gedaan. Voor de zekerheid kijk ik wel regelmatig op mijn horloge – het lijkt me nou niet echt slim om weg te gaan op een pr. Kilometertijden rond de 5:35, 5:45, dat is misschien ambitieus, maar zolang het gaat, gaat het. Omdat ik echter toch een beetje bang ben te hard van stapel te lopen, blijf ik hangen achter een groepje lopers dat een mooi tempo heeft. Ik praat even met een van hen, van wie ik hoor dat hij de Veluwezoomtrail gaat doen, en dat dat zijn eerste meer-dan-marathon wordt. Dat was de VZT vorig jaar voor mij ook, dat schept een band. Die band strekt echter weer niet zover dat ik goed kan luisteren naar zijn, in mijn ogen, wat dogmatische opvattingen over hoe je moet lopen en hoe je het lopen moet beleven… Laat ieder dat lekker voor zichzelf uitmaken, of-ie wil genieten van de natuur of zich het snot voor ogen wil lopen; wat maakt het hem in godsnaam uit.

Mijn voornaamste bezwaar tegen het groepje is echter dat er te veel en te luid gepraat wordt, dus ik maak me toch maar langzaam van deze lopers los. Een man volgt, ook een losse loper, blijkt. Dat is ene Stefan (al hoor ik dat na de finish pas) uit Antwerpen. Bij hem merk ik dat het er niet zozeer om gaat dat ik helemaal niet wil praten, maar dat het er behoorlijk van afhangt met wíe. Met deze Stefan is het oké – zowel het praten als het zwijgen. Het lopen gaat nog steeds lekker, het gemiddelde tempo ligt nog rond de 10,5 km/u, maar vanaf zo ongeveer 25 kilometer begin ik toch wel te merken dat ik dit weekend al iets gedaan had. Mijn meeste trainingsweken hebben een omvang van zo rond de 70, misschien 80, kilometer, en daar ga ik nu in een weekend overheen – daar protesteren mijn benen nu toch wat tegen. En het zwaarste stuk moet nog komen…

Vanaf kilometer 27 lopen we een paar kilometer langs het hekwerk van vliegbasis Woensdrecht. Het pad gaat op en af, op en af, en komt dan uit op een stukje zalig mul zand met een pittige heuvel. Niet alleen mijn benen protesteren, ik word op dit punt ook een beetje licht in mijn hoofd. Ik heb na ongeveer 15 kilometer een gel genomen, en was van plan dat bij 30 weer te doen, maar ik kies ervoor toch maar wat eerder de tweede te nemen. Ik heb nog een derde bij me voor de zekerheid, en als het nodig is, zal ik die ook zeker nemen. Ik weet niet of het warmte is die de lichtheid in mijn hoofd veroorzaakt, het vele water dat ik drink (zonder suikers en mineralen aan te vullen), of simpelweg de voor mijn doen toch wel forse inspanning die ik dit weekend lever.

Ik kan me nog een paar kilometer aan Stefan optrekken, maar dan moet ik hem toch laten lopen. Ik houd hem echter in het vizier. Ik zie hem een loper met het gifgroene Berenloop-shirt dat ikzelf ook heb, passeren, en loop vervolgens rustig zelf naar deze loper toe. Ik kan het niet laten een opmerking tegen hem te maken over de Berenloop (nog steeds mijn favoriete marathon), en deze loper besluit nu kennelijk bij mij aan te haken. Geen probleem (zolang hij z’n mond maar houdt), maar hij heeft twee fietsers om zich heen hangen, en daar word ik helemaal gek van! Ik wil de loper eigenlijk vragen of hij daar dan niet knettergek van wordt, maar dat lijkt me toch niet zo tactvol. Zolang ik bij deze loper loop, moet ik zijn begeleiders (en hun geklets, grr) verdragen – het zij zo. Gelukkig voor mij, moet hij na een paar kilometer lossen…

En gelukkig voor mij loop ik zoetjesaan weer op Stefan in, die mij vraagt of ik misschien een tweede adem gevonden heb, als ik hem bijhaal. Ik zeg hem dat ik nu niet bepaald de indruk heb dat we aan het versnellen zijn of zo… Het tempo is inmiddels toch wel aardig teruggezakt (hoewel ik er niet naar kijk, ik ben er in dit stadium niet meer mee bezig), maar wij zitten ‘aan de goede kant’ van het verhaal: we halen mensen in, en worden zelf niet ingehaald. Het laatste stuk voor de finish is moordend! De paadjes omhoog die we na het eerste rondje van 14 kilometer ook omhoog moesten, en daarna nog verder omhoog en een trap op. Pfff. Stefan heeft me, heel galant, voor laten gaan op die laatste smalle paadjes, maar ik houd voor de finish even in om samen die mat over te gaan. Werkelijk een uitstekend gezelschap, die man.

Ik ben blij – ik heb twee prachtige tochten gelopen, mijn tijd in goed gezelschap doorgebracht en toch ook voldoende ruimte gevoeld om recht te doen aan mijn ‘licht-autistische trekjes,’ zoals mijn buurvrouw ze noemt 😉 , en ik voel me na de finish van de tweede dag nog steeds prima.

Dat loopje daar in Frankrijk zou me weleens kunnen gaan lukken.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

illusies

Ik schreef je dat je geen illusies… 

“Ik schreef je dat je geen illusies…
ik heb het je meteen gezegd, de eerste keer,
ik had het bij me op een briefje
en ik schreef het op de rand van een krant
en op een kalender aan je muur,
en ik zei het in je oor, in de deuropening,
en op straat, aan een kade,
ik riep het naar je over het water
in het licht van een zwiepende straatlantaarn,
en jij riep terug:
“Ik ook van jou”.”

Toon Tellegen
Uit: De andere ridders
Querido, Amsterdam, 1984

Geplaatst in twijfel | Plaats een reactie