Zwaar zat

De halfzware valt me zwaar deze keer. Resultaten behaald in het verleden, bieden geen garantie voor de toekomst, zo blijkt maar weer – als je tenminste bereid bent even over het feit heen te stappen dat verleden en toekomst slechts ideeën in het heden zijn. Ik ga er van tevoren van uit dat ik, net als anders, weer moeilijk op gang zal komen, en dat het dan na een poosje lekker zal gaan, en ik vanaf dat punt betrekkelijk lichtvoetig naar de finish zal lopen. Nou ja, eigenlijk gaat die vlieger ook deze keer op, alleen heb ik nu iets langer nodig om op gang te komen – een kilometer of 45 namelijk. Gelukkig heb ik dan nog 8 kilometer voor de boeg waarin het relatief lekker gaat.

Aan de omstandigheden ligt het niet, die kunnen nauwelijks beter. Het weer is nagenoeg perfect, de modder dit jaar mild. Over de verzorging en het gezelschap van mijn medelopers heb ik al helemaal geen klagen – het is een Willem-en-Annemarie-loopje tenslotte.

Het zijn de benen, die willen in een warm bad of zo, of rechtuit op de bank, iets omhoog misschien, met een kussentje eronder, eventueel willen ze dan best ergens in de middag een heel klein en sympathiek rondje wandelen. Ze willen alles, behalve dit urenlange hardgeloop, heuvelop en heuvelaf. Maar ze hebben geen keus, ze moeten.

Het is maar goed dat ik weet dat de toekomst niet meer dan een idee in het heden is, want stel je toch eens voor dat ik écht over twee maanden de dubbele afstand zou moeten lopen, ik moet er niet aan denken.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Dansen in de prut

We lopen door een zompig weiland. De drie jongens keurig op een rijtje, een stukje rechts van mij. Een pad is er niet, en ik zoek mijn eigen weg. In een poging de kortste route te volgen? Een poging om te verbloemen dat ik het zwaar heb en hen niet bij kan houden? Een poging om iets dichter in de buurt te komen van het lijntje op mijn gps, het lijntje dat het pad zou moeten zijn? We zijn een kilometer of vijf onderweg, en ik zit in de fase van het nog op gang moeten komen. Althans: dat hoop ik.

In de linker-bovenhoek van het weiland lopen we dood op prikkeldraad. Een voor een kruipen we ertussendoor, terwijl twee anderen de draden uiteenhouden. Het gps-lijntje van de route ligt hemelsbreed maar een piepklein stukje naar links, maar kort nadat we de prikkeldraadhindernis hebben genomen, zien we dat een behoorlijk steile helling ons scheidt van het pad dat ergens in de diepte zou moeten lopen. Jos oppert een paar keer om terug te gaan naar waar we kennelijk fout zijn gelopen, dat moet zijn geweest waar we het weiland ingingen. Niemand slaat acht op zijn suggestie. Ik heb er weinig zin in nog een keer die exercitie met het prikkeldraad uit te moeten voeren, maar nog minder zin heb ik erin dat weiland nog een keer te moeten doorkruisen. Ik had het zwaar, en dat was de schuld van het weiland, dat lijkt me nogal logisch.

De helling die we af moeten, is niet alleen steil en lang, hij is ook modderig en glad. We gaan van boompje naar boompje naar beneden. Ik ben hier niet al te behendig in, en doe er vrij lang over om beneden te komen, maar lollig vind ik het wel. Het zou weleens een lange dag kunnen worden…

We lopen vandaag een stukje van de GR57 in België, het gedeelte van Hamoir naar Tilff. Vorig jaar liepen Edwin en Wilbert met nog een clubje lopers deze route een paar keer, maar ze deden dat net in een tijd waarin ik geblesseerd was, of waarin ik net weer terugkwam maar nog niet toe was aan zo’n tocht. Sindsdien staat hij op mijn verlanglijstje. Een heerlijk concept. Je spreekt met wat vrienden af om te gaan, rijdt naar Tilff (of laat je rijden, als dat zo uitkomt), stapt daar op de trein naar Hamoir, loopt van Hamoir terug naar Tilff, drinkt nog wat bier, en rijdt weer terug naar Nederland. Een soort UHT, maar dan iets verder weg. Iets langer. Belgischer. Meer vakantie-achtig. Met Edwin spreek ik een datum af. Hij nodigt Wilbert uit en thuis in Haarlem maak ik loopvrienden en trailers-in-wording John en Jos enthousiast voor deze alternatieve training. Een aankondiging op facebook blijft achterwege, en Wilbert haakt uiteindelijk af, zodat het groepje beperkt blijft tot ons vieren.

Na een kilometer of tien, gokje, ben ik warmgedraaid. Wat er precies veranderd is ten opzichte van het eerste stuk, weet ik eigenlijk niet. Mijn bovenbenen doen nog steeds zeer, net zoals ze dat eigenlijk al twee weken doen, en ik loop nog steeds niet snel omhoog en redelijk snel naar beneden. Ik ben heus moe en vind het nog steeds best zwaar, maar iets voelt er toch anders – ik heb nu het vertrouwde (hoewel natuurlijk volstrekt onbetrouwbare) gevoel dat ik hier eeuwig mee door kan gaan. Ik voel me in mijn element, hier buiten, in de sneeuw, in de modder, in het open landschap met de vergezichten, in het bos, tijdens het stevig doorstappen omhoog, tijdens het dansen omlaag. We praten, en dat is goed. We zwijgen, en ook dat is goed. We lachen. Er hoeft niks vandaag, niemand is bezig zich te bewijzen, we lopen gewoon van A naar B, de een ziet af, de ander fladdert vooruit, en weer terug, we zijn blij dat we buiten zijn, dat we dit kunnen doen, met een groepje vrienden, waarvan er een paar elkaar vandaag voor het eerst ontmoet hebben.

Op een bepaald moment ligt er een grote conifeer over het pad, waar we rechts omheen gaan. We lopen door. Stijgen, dalen, enkeldiepe modder, stenen, soms wat sneeuw. Mensen met honden. Meer mensen met honden. Ik krijg het weer zwaar (of is het alleen mentaal?) terwijl we een lang, geleidelijk stijgend pad volgen. De jongens lopen bij mij vandaan. Later daalt de route en haal ik hen weer bij. Op een bepaald moment ligt er een grote conifeer over het pad, waar we links omheen gaan. We lopen door. Dan hoor ik John achter me zeggen dat hij niet lastig wil doen, maar dat hij ervan overtuigd is dat we die conifeer al eerder gehad hebben. Ik kijk achterom en denk: verdomd, daar zou hij weleens gelijk in kunnen hebben. Edwin ontkent. Dat wil ik ook het liefst doen, want ik heb er helemaal geen zin in om terug te gaan, maar, nogmaals verdomd, we lopen al een poosje in de richting van de zon, terwijl we naar het noorden moeten. Shit. Vooral voor John, want hij heeft het zwaar. Die krijgt tijdens zijn eerste beetje echte trail meteen een lekkere mentale training te verduren. Ben je de kilometers aan het aftellen, komen er opeens weer een stuk of onduidelijk hoeveel bij.

We keren om en herkennen nu wél de route van de eerste keer. Ik loop weer achteraan en ben er getuige van dat we op hetzelfde punt van de route afwijken. Er zijn geen markeringen meer te zien (hoewel Edwin meent van wel; zie hier zijn verhaal en ook een link naar zijn foto’s), maar we blijven min of meer parallel lopen aan de route, en ik vertrouw erop dat we daar wel weer op uit zullen komen. Alleen moeten we nu dan goed opletten, dat we op dat punt de route naar links vervolgen, en niet naar rechts, zoals we eerder deden. Naar het noorden, niet naar het zuiden. Deze keer gaan we goed.

Het laatste gedeelte vind ik het fraaist. We lopen een stuk langs de Ourthe, en krijgen daarna nog een paar flinke stijgingen voor onze kiezen. Bovenop blijven we een poosje min of meer op hoogte, en lopen op en neer, op en neer over een ongelijkmatig paadje met stenen en boomwortels. Lekker doorlopen en zo behendig mogelijk je voeten plaatsen. Dansen. Ik geniet. Dit is het mooiste wat er is. Nou ja, net zoals een heleboel andere dingen het mooiste zijn dan.

Op het laatste geasfalteerde weggetje naar beneden zet ik nog even aan om de vooruitgedwarrelde Jos bij te halen. Als ik nog geen spierpijn zou hebben gekregen, de volgende dag, dan zorg ik daar nu wel voor. Keurig komen we bij het station uit. We steken de brug over en lopen naar de auto, waar we constateren dat we net een paar honderd meter te kort komen voor de marathonafstand. Eigenlijk boeit me dat niet echt, maar als Edwin en Jos die meters nog willen maken, loop ik mee. Op 42,3 kilometer tik ik af. Bijna zes en een half uur over gedaan. Om de dag af te maken, zijn er bier en borrelnoten. Basale behoeften, pretentieloos.

Dank jongens, voor een perfecte dag.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Oliebollen

In reactie op de uitnodiging van Willem en Annemarie voor een Oliebollenmarathon op oudejaarsdag, schrijf ik aan Annemarie heel genuanceerd dat het me ontzettend leuk lijkt, en dat ik graag mee zou willen lopen, maar dat het me jammer genoeg niet zo verstandig lijkt om te doen. “Leuk dat je meedoet,” schrijft Annemarie terug, “ik zet je op de lijst.” Tja, tegen zoiets heb ik geen verweer, dus op mijn beurt schrijf ik de Oliebollenmarathon op mijn lijst met hardloopplannen. Roze gemarkeerd, want ingeschreven. Een voordeel is dat het zes rondjes zijn, dus ik kan altijd nog besluiten om na vier, of na drie (of na twee of een) rondjes uit te stappen.

Ik kan me er de avond van tevoren moeilijk toe zetten mijn spullen te pakken. Ik mis de gretigheid die ik anders toch meestal wel heb, voor een georganiseerd loopje. Mijn gestel is nog volkomen verzadigd van de zes uur in Heerde, een paar dagen eerder. Afgezien van wat stijve bovenbenen kan ik echter geen enkele reden verzinnen waarom ik morgen niet zou gaan, dus ik doe maar gewoon wat ik moet doen, zoals onder andere de wekker op een veel te vroeg tijdstip zetten. Tijdens de autorit naar Boxmeer neemt mijn enthousiasme nog niet substantieel toe. Het is donker, ik ben slaperig en wat is het een eind rijden. Uit ervaring weet ik echter dat de kans ongeveer nihil is dat ik het niet naar mijn zin zal hebben, zodra ik de anderen ontmoet heb en aan het lopen ben.

En naar mijn zin heb ik het. Het is zo’n dag waarvan elk aspect lijkt te onderstrepen wat Remco Campert in 1961 al schreef, namelijk dat het leven vurrukkulluk is. Willem en Annemarie zijn schatten, de hulptroepen zijn dat ook, de lopers zijn vrij van iedere vorm van poeha, de verzorging vanuit de garage van Annemarie is geweldig, de oliebollen zijn warm en perfect, de route is deels door het bos en modderig, deels door het bos en goed te belopen, deels door het weiland, deels over asfalt en toch best aardig, deels over asfalt en, hm, ach, nou ja, eigenlijk niet zo fraai, maar zometeen gaan we het bos weer in, dus het maakt niet zoveel uit. Zelfs over het feit dat het rondjes zijn, ben ik enthousiast. Zo’n rondje van 7 kilometer is elke keer goed te overzien, en het aantal van zes is dat ook. Natuurlijk loop ik ze alle zes, makkie 😉 .

De eerste twee rondjes loop ik samen met Lianne. Wij kennen elkaar sinds mijn eerste Willem-en-Annemarie-loopje, nu 2,5 jaar geleden, toevallig ook vanuit Annemaries woning in Boxmeer. Sindsdien hebben we elkaar regelmatig getroffen bij een loopje, en altijd hebben we wel even met elkaar gepraat, maar naar mijn idee nooit zo lang als vandaag. Soms heb je dat met mensen, dat je elkaar eigenlijk niet eens zo goed kent, maar elkaar wel graag mag. Dat heb ik met Lianne. Het is dus fijn om met haar op te lopen, maar toch loop ik in het derde rondje bij haar vandaan. Niet bewust, maar zo gaat het. Ik loop vandaag lekker, zij niet, dat maakt het verschil.

En het blijft lekker gaan, het is een wonder. Natuurlijk loop ik langzaam, maar dat mag ook wel. Ik ben niet van plan om alles eruit te persen wat erin zit, dat dient geen enkel doel. Tijdens het laatste rondje krijg ik het wat zwaarder, maar niet te vergelijken met hoe ik het in Heerde had. Ik loop voorzichtig op de modderige stukken, ik heb geen zin om onderuit te gaan, en aan een gebrekkige coördinatie merk ik dat ik moe ben, maar zodra ik weer stevige grond onder mijn voeten heb, vind ik dat ik wel weer een beetje door kan lopen. Dik tevreden finish ik, en dat ziet er dan zo uit:

DSC_0331

Het is nog geen oudejaarsavond, maar het grootste feest heb ik al achter de rug.

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Rare hobby

Eigenlijk vind ik het zelf ook wel een beetje raar, dat ik bedacht heb om zes uur lang rondjes te gaan lopen op een atletiekbaan in Heerde, terwijl ik ook had kunnen kiezen voor een lekkere trail in Friesland op dezelfde dag. Maar op de een of andere manier heb ik mij in het hoofd gezet dat ik het een keer wil meemaken, zo’n zesuursloop. En gek genoeg heb ik er nog zin in ook.

Als Jannet Lange de kantine van AV De Gemzen binnenkomt en wij elkaar de hand schudden, vraagt ze wat een trailloper als ik hier doet. Ik houd toch helemaal niet van rondjes lopen? Eh, ja, ook leuk jou te ontmoeten 😉 . Ik ontken dat ik niet van rondjes lopen houd – ik verdedig tegenover mijn trailvrienden niet voor niets altijd te vuur en te zwaard de lol van baantrainingen – maar eigenlijk heeft ze gelijk. Een baantraining is over het algemeen kort en snel, dat is niet helemaal te vergelijken met wat me vandaag te wachten staat. Ook Wilma Dierx loopt vandaag mee. Mooi, maak ik meteen kennis met een paar van die toplopers die ik alleen ken van naam, verhalen en prestaties.

De bekende twijfels over wat aan te trekken. Het is vrij fris en het waait nogal. Ook valt er wat natte sneeuw. Het wordt een windjack. Buff en handschoenen kan ik dan makkelijk wegstoppen en weer pakken als het nodig is. Een tas met onder andere regenjas en pet naast de baan voor het geval de sneeuw heviger en natter van karakter wordt. Het blijkt een goede keuze, het weer werkt mee en de reservekleding kan in de tas blijven.

De eerste rondjes loop ik op met Roel, die ik ken van de Sallandtrail en Texel vorig jaar. Gezellig, maar ik loop wel te hard. Ik was van plan om op 10km/u weg te gaan, maar we lopen er 10,5. Dat lijkt misschien een detail, en nu het nog makkelijk gaat, voelt het ook zo, maar als ik maar een klein beetje nadenk, weet ik best dat het dat niet is. Nou ja, de eerste twee uur gaat het goed, pas daarna kom ik mezelf keihard tegen.

Ik kan de keren dat ik van tevoren naar de wc ben geweest nauwelijks tellen, maar het verbaast me desondanks niet dat ik na 5 minuten lopen alweer moet plassen. Ik probeer het vol te houden tot ik een half uur loop, en na dat halve uur bedenk ik dat ik ook wel tot een uur kan wachten. Dan kan ik de stop combineren met een eetmoment. Ik loop vlak na de mat van de baan af, het clubhuis in, en ervaar de opluchting van een lege blaas. Als ik weer buiten kom, wil ik niet omlopen, en ik kruip onder het hek door zodat ik direct bij de tafel sta waar eten en drinken staat. Er komt net een loper aan die daar kennelijk ook moet zijn en klaarblijkelijk sta ik hem in de weg. “Fuck off, fuck off, fuck off,” zegt hij. Eh, juist ja. Dat is ook een manier om te zeggen wat je bedoelt natuurlijk. Hij zal wel haast hebben. Misschien niet geheel toevallig is het ook de enige loper die steeds binnendoor inhaalt, in plaats van buitenom.

Als ik weer op de baan ben, haak ik weer aan bij Roel en zijn compaan, tot zij ook besluiten hun blaas te legen, en vanaf dat moment loop ik alleen. Wilma en Jannet hebben iedere keer als ze me passeren een opgewekt woord, en Wilma vertelt me ondertussen ook nog, bij wijze van advies, hoe zij het doet met eten en drinken. Wat dat laatste betreft: ik heb deze keer wel, zoals gewoonlijk, zelf eten meegenomen, maar voor drinken ben ik aangewezen op dat wat de organisatie te bieden heeft. Dat is water, thee en cola, en er is ruimschoots voldoende, maar een volgende keer zou ik toch een bidon met eigen drinken neerzetten. Dan kun je zo nu en dan een rondje met bidon in de hand lopen, en zou ik waarschijnlijk meer drinken, met minder tijdsverlies. Hoewel: van tijdsverlies is natuurlijk niet echt sprake in zo’n zesuursloop… Of zelfs: hoe meer tijdsverlies, hoe liever! Weg met de tijd!

Zoals gezegd: de eerste twee uur gaat het best lekker. Daarna begin ik me af te vragen hoe ik dit ga volhouden. Het lichaam begint pijn te doen, het lopen gaat moeizaam en de minuten tikken tergend langzaam weg. Het is wel grappig om steeds ingehaald te worden door dezelfde lopers, en zelf ook steeds dezelfde, maar dan andere, lopers in te halen, maar zoveel afleiding geeft dat nou ook weer niet. Bij tijd en wijle klinkt er een krakerige Top 2000 uit de boxen; dat vind ik op zich best leuk, maar ook dat helpt me die zes uur niet echt door. Het vierde uur kom ik met hangen en wurgen door, en ik vraag me oprecht af of ik het zes uur lang ga redden.

Misschien zit ik mezelf voor de verandering weer eens in de weg met de wens om goed te presteren. Ik riep deze keer van tevoren wel om het hardst dat ik dit niet benader als een wedstrijd, dat het me te doen is om de ervaring, maar altijd als het in het begin vrij gemakkelijk lijkt te gaan, lijk ik ten prooi te vallen aan mijn ambitieuze kant en blijk ik stiekem toch wel graag een goed resultaat te willen behalen. Dat het me vandaag na vier uur lukt om dat gevoel van ambitie een poos los te laten, helpt me het volgende uur door. Eindelijk vind ik het rustige tempo waarvan ik aanvoel dat ik het nog wel een tijdje vol kan houden.

Als na vijf uur de tussenstand wordt omgeroepen, hoor ik tot mijn vreugde dat ik het laatste uur nog maar negen kilometer hoef lopen om boven de zestig kilometer totaal uit te komen. Dat zou ik dan toch wel leuk vinden, nu ik hier toch ben. En in dat laatste uur hélpt de ambitie me dan juist weer om vol te houden. De tijd kruipt nog steeds voorbij, en meerdere keren overweeg ik om te stoppen met hardlopen en te gaan wandelen, maar dan bedenk ik dat het toch wel jammer zou zijn als ik daardoor die zestig net niet haal. Bovendien bedenk ik tijdens het laatste half uur dat het bij een gewoon loopje ook echt niet in mijn hoofd op zou komen om 4 kilometer voor het eind te stoppen, dus waarom zou ik vandaag dan wél eerder stoppen? Ik denk aan Castricum, aan Berg en Dal. Alsof ik het daar niet zwaar had, het laatste uur.

Het laatste half uur zijn we nog maar met z’n elven op de baan. De helft van de lopers die gestart zijn, is inmiddels van de baan af. Enkelen van hen hebben de marathonafstand volgemaakt, en vonden dat kennelijk genoeg, van anderen weet ik het niet. Vonden zij het te koud, de wind te hard? Theo de Jong, ook al zo’n bekende naam die ik nu eens in levenden lijve ontmoet, houdt stug vol, maar heeft het, ondanks muts, sjaal en handschoenen, ijskoud, zegt hij. Ik vind het juist wel lekker, dit weer. De laatste paar uur krijg ik een paar keer koude handen, maar als ik dan weer een paar rondjes m’n handschoenen heb aangehad, zijn m’n handen weer warm en kunnen de handschoenen weer uit.

De winnaar is zeker van zijn eerste plek, en permitteert zich het laatste uur om zo nu en dan een stuk te wandelen. Kan ik hem ook eens inhalen, in plaats van andersom. De ‘fuck-off’-meneer heeft het al een paar uur moeilijk met kramp of spierpijn anderszins, en wandelt nu meer dan dat hij hardloopt. De nummers twee en drie, en ook Wilma en Jannet die als nummers vier en vijf lopen, zijn still going strong en halen mij bij tijd en wijle in. Ik loop nog een stukje op met andere Theo, die zijn doel van zestig kilometer ruimschoots haalt. Als na zes uur het startpistool (of bestaat er ook een finishpistool?) klinkt, blijf ik braaf op m’n plek totdat de mannen van de wedstrijdleiding bij me zijn om de restmeters te noteren. Het is dat er geen hek in de buurt is, maar anders had ik het in deze minuten beslist benut. Nu beperk ik me tot een beetje voorover buigen, een beetje heen en weer lopen, en veel zuchten en steunen en zielig doen. Er is toch niemand die me horen kan.

Wat een helse bezigheid, dat uur na uur rondjes lopen. Een bijzondere ervaring, maar mijn hobby gaat het niet worden, vermoed ik.

Geplaatst in hardlopen | 11 reacties

Oet Twente

Na Geldrop had ik de neiging me te verdedigen (tegenover een opponent die zich overigens alleen in mijn eigen gedachten bevindt) voor het feit dat ik daar voor een redelijke tijd gegaan was, terwijl je daar toch eigenlijk vooral voor de gezelligheid en de mooie omgeving ‘hoort’ te lopen. Vandaag ben ik weer helemaal om en zou ik bijna het standpunt willen verdedigen dat je nooit voor een tijd zou moeten lopen, maar altijd voor de mooi en voor de gezelligheid, en dus voor het grote genieten.

Bijna, niet helemaal.

Mooi, gezellig en genieten wás het daar in Twente, vandaag. In mijn agenda staat al een poosje de datum van 13 december geblokt om in Nijverdal de verjaardagen van mijn ouders te vieren, als op Ultraned een berichtje verschijnt dat op 14 december een nieuwe natuurloop wordt gelopen in Twente, de Twentse Ven’nloop. Kijk aan, dat treft. Het is een groepsloop, een concept dat me aanspreekt. De loop is 45 kilometer lang, een afstand die me eveneens aanspreekt – tot ik het loopje bijschrijf op mijn lijstje, en me realiseer dat het precies valt tussen de 42 in Geldrop op 30 november en de zes uur in Heerde op 27 december. ‘Moet kunnen,’ hoor ik menig ultraloper denken, maar na twee jaar onder begeleiding van Henny te hebben gelopen, heb ik sommige van zijn opvattingen min of meer geïnternaliseerd, en ik kan – met moeite, maar ik kan het – bedenken dat dat waarschijnlijk niet zo slim is om te doen…

Maar er is ook de mogelijkheid om een van de twee (verschillende) ronden mee te lopen en lopen moet ik toch, dus waarom zal ik dat dan niet in een van de mooiste gebieden van Nederland doen? Ik schrijf me in voor de eerste ronde, van 22 kilometer, en kijk daarna pas hoe lang Buurse eigenlijk rijden is vanaf Nijverdal. Hmm, 42 minuten, dat is iets minder naast de deur dan ik had verwacht, maar terugkrabbelen gaan we niet doen, besluit ik.

De auto parkeer ik naast de weg aansluitend aan een rij andere auto’s. De rust van het bos verwelkomt me. Pijlen en een paar vrijwilligers wijzen me naar het ‘Kamphuis,’ dat deel uitmaakt van De Meene, het kampeerterrein dat deze accommodatie ter beschikking heeft gesteld aan de organisatie van de Ven’nloop. Alles van hout, beetje Staatsbosbeheer-sfeertje, of Nivon-achtig. Ik voel me hier wel thuis – misschien moet ik hier ook maar eens met de tent naartoe. Ik meld me (en betaal het inschrijfgeld, dat volledig naar het goede doel gaat) en men veronderstelt dat ik wel erg vroeg van huis moet zijn vertrokken. Dat valt wel mee. Waarschijnlijk ben ik de verst-weg-deelnemer vandaag, ik hoor veel mensen spreken met een Twentse tongval. Ook hoor ik wat vertrouwde klanken uut Grun’n trouwens – er zijn vier lopers uit Winschoten aan komen rijden. Dat snap ik wel, dat zij ook weleens iets anders willen lopen dan die eeuwige rondjes van 10 kilometer van de RUN.

Tot mijn verbazing zie ik niemand die ik ken. Dat is lang geleden, dat ik aan een loopje meedeed waar ik echt helemaal niemand kende. Even het bekende ongemak: hoe gedraag ik me, blijf ik alleen staan, vindt men dat raar of zielig, en maakt dat iets uit als men dat vindt? Hoe vind ik het zelf eigenlijk? Op zich wel prima eigenlijk, maar toch ook wat ongemakkelijk doordat ik me bezighoud met hoe anderen het vinden. Dus. Dan ontstaat er contact met de twee vrouwen uit Winschoten, en zij geven me een hand en stellen zich voor – kijk Jacolien, zo doe je dat. O ja, dat is ook zo. Er was koffie/thee met cake aangekondigd, maar wat schetst mijn verbazing als ik zie dat de cake niet van die supermarktcake uit een plastic condoom is, maar overduidelijk zelfgebakken. Ik ben onder de indruk, wat een aardige en betrokken mensen zijn dit.

Wat foto’s voor vertrek, natuurlijk. Zo gaat dat bij dit soort loopjes. Na vertrek van de eerste groep verplicht een paar minuten wachten voordat wij mogen. Heerlijk. Vanmorgen voelde ik me nog belabberd, maar mijn hoop dat dat over zou zijn zodra ik zou lopen, wordt bewaarheid. Ik loop in het begin op met een van de voorlopers. Hij waarschuwt me voor een stukje saai langs de weg straks, dat viel in het parcours niet te voorkomen, zegt hij. Ik bereid me voor op een stuk langs een provinciale weg. Als we een poosje later inderdaad het asfalt oplopen, zegt hij dat hij dit bedoelde. We lopen een klein stukje over een heel smal, rustig en landelijk weggetje; oké, we moeten een keer aan de kant voor een auto, maar als je dit al saai vindt, dan ben je echt een lucky bastard!

Nou ja, om een lang verhaal kort te maken – of: ‘lang verhaal kort’ zoals men tegenwoordig het gezegde meteen in de praktijk brengt – de omgeving is prachtig, met inderdaad veel vennen, een grotendeels onverharde route, smalle paadjes, bruggetjes, bos, heide, riet, blubber, plassen, boomwortels, schotse hooglanders. De verzorging is top, met in 22 kilometer twee posten met water, thee, fruit, chocola en ontbijtkoek en op de tweede post nog cola ook. Heerlijk om zo helemaal zonder flesjes of rugzak te lopen. Het gezelschap is ook top. Het zal ook met mijn bui te maken hebben, ik ben niet altijd zo praterig, maar vandaag heb ik het erg naar mijn zin en vind ik het heerlijk om met mijn medelopers te kletsen. Er ontstaat een nog best serieus gesprek ook. Het is moeilijk me voor te stellen dat ik deze mensen voor vandaag nog nooit gezien had.

Ik vind het zo leuk, dat ik het wel even lastig vind om na een ronde te stoppen, maar soms kan ik ook best verstandig zijn. Vandaag bijvoorbeeld. Ik profiteer van een heerlijke warme douche in een schone ruimte, en daarna waag ik mij aan de beloofde soep. Oké, die is niet helemaal zo vegetarisch als voor mij eigenlijk zou moeten, maar als ik de stukjes vlees er nou uit vis? Dan mag het van mijzelf. Ook weer zelfgemaakt door een lid van de loopvereniging natuurlijk. Ik zie en proef veel verse groenten en kruiden.

Ik vind het ook zo leuk, dat ik dus even geneigd ben te denken dat ik alleen nog maar dit soort loopjes wil doen. Maar ik weet dat dat niet zo werkt. André Boom, een mij sympathieke hardloopblogger, schreef er een poosje geleden iets over. Weliswaar zet hij het meedoen aan wedstrijden af tegen de eenzame trainingen in alle vrijheid, en niet tegen zo’n gezelligheidsgenotsloopje als ik vandaag mocht meemaken, maar het punt waar het om gaat, is mijns inziens hetzelfde:

“Als ik met zo’n zelf-georganiseerde training bezig ben vraag ik me wel eens af waarom het toch nodig is om dure buitenlandse reizen te maken of hoge inschrijfgelden te bepalen voor georganiseerde lopen. Dit is toch mooi en bevredigend genoeg? En vrijer kun je niet zijn. Klopt. Het is lopen pur sang. En omdat je het helemaal alleen moet doen is het een zwaardere onderneming dan wanneer je eenzelfde parcours collectief en onder de beschermende vleugels van een organisatie doet. Een georganiseerde (collectieve) loop heeft een ander charisma. Het kunnen delen van je ervaringen met anderen. Het hebben van een maatstaf waaraan je je prestatie kunt afmeten. De gezellige opgewonden drukte voor de start. De verzorging onderweg. En natuurlijk de status. ‘Ik heb die en die ultra gelopen’ klinkt toch anders dan ‘ik heb een dagje rondgezworven tussen Castricum en Schoorl’.

Wat mij betreft zijn eenzame trainingslopen prachtige ervaringen. Maar daarnaast is het goed om je ‘niveau’ af en toe te staven binnen de ‘community’. Zelfs een randonneur met licht autistische trekjes wil af en toe ergens bij horen.
(Terwijl ik dit schrijf loeit de wind om het huis. Het lijkt ineens wel herfst. Yep. Hoor ik daar geen lokroep?)” (http://boomathome.net/lopen/ – hij schreef dit op 9 augustus.)

Aan het gevoel van ergens bij horen, werd overigens vandaag voor mij ruimschoots voldaan – daar hoeft dus niet per se een wedstrijdelement bij te komen kijken. Misschien wel juist niet, zou ik denken.

Nou, zo dus. Ik heb beloofd wat reclame te maken, dus: volgend jaar op de agenda jongens, deze Twentse Ven’nloop (http://www.twentsevennenloop.nl)! Je zult er geen spijt van krijgen.

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

Fietsen!

Ha, kan ik ook eens het woord ‘crosstraining’ in mijn mond nemen…

Vanmorgen met Ton een proefritje gemaakt op een van zijn mountainbikes. Ton is minstens net zo fanatiek – eh, enthousiast fietser als ik hardloper ben, en vond een poosje geleden dat hij een nieuwe fiets nodig had, eentje met grotere wielen dan zijn oudste, en nog wat andere specificaties die ‘m meer geschikt voor op het strand maken. Maar dat zou z’n derde mtb worden, en dat vond Ton dan weer wat overdreven. En Petra ook, als ik me niet vergis. Dus moest de oudste van de drie het veld ruimen. Nu wil het geval dat ik al een poosje graag een mtb zou willen… Een plus een is twee; maar voor de overdracht een feit is, eerst dus een proefritje om te kijken of fiets en ik een beetje bij elkaar passen.

Vanuit Hillegom eerst over asfalt richting De Zilk. So far so good, al lijkt Ton nauwelijks gas terug te nemen in de bochten, zodat ik me meteen een bangerik voel omdat ik mijn remmen gebruik. Bij De Ruigenhoek ligt een klein, maar pittig circuitje. O ja, zo ging dat. Lastig. Beetje spannend. Leuk. Te warm gekleed. Dan weer over de weg naar het parcours bij Noordwijk. Heerlijk zoeven over het fietspad door de duinen. Als Ton even aanzet wanneer het iets omhoog gaat, voel ik aan mijn benen dat die nog niet helemaal hersteld zijn van afgelopen zondag in Geldrop.

Dan het parcours op. Jaren geleden fietste ik het ook eens, en ik herinner me van toen dat ik het lastig vond en dat ik, ondanks de fietsschoentjes, mijn voeten los op de pedalen hield. Ton geeft allerlei tips. Kijken naar waar je naartoe wilt, niet naar waar je juist níet naartoe wilt. In een kuilige afdaling achterop je zadel gaan zitten, of zelfs gaan staan. Ook roept hij naar me wanneer ik lichter moet schakelen omdat er een steile helling aankomt. Wat een service. Een paar keer moet ik van de fiets af, omdat ik het te spannend vind, of omdat ik het niet red om boven te komen, een enkele keer te laat schakel.

Als we beide delen van het parcours gehad hebben, vraagt Ton wat ik wil. Ik dacht eigenlijk dat we rechtstreeks terug naar Hillegom zouden fietsen, maar krijg stellig de indruk dat dat niet echt tot de keuzemogelijkheden behoort. Nog een keer het parcours dan maar… En warempel, in het begin gaat het soepeler. Ik ben (nu al!, denk ik optimistisch) meer ontspannen dan de eerste keer. Maar aan het eind zit er een venijnige trap in, waar ik de eerste keer bovenaan even in weigering schoot. Nu fiets ik aanvankelijk wel door, maar gaat het eigenlijk slechter, doordat ik veel te veel rem. Nog een keer, besluit Ton (nou ja: stelt hij voor). Oké dan maar. De ‘aanloop’ mislukt jammerlijk. Weer sta ik bovenaan de helling stil om te denken: ik durf dit niet. Toch ga ik natuurlijk, maar enige vorm van ontspanning is ver te zoeken. Pfff, blij als we weer op het asfalt staan.

Op naar het volgende feest. In de buurt van Noordwijkerhout zit nóg een parcours verstopt. Veel listig bochtenwerk, waarschuwt Ton me. En niet voor niets. Ik gil zo nu en dan alsof ik in de achtbaan zit, en vind dat ik het voor geen meter kan, maar vind het wél razend leuk. Dit laatste parcours is maar heel kort, en al snel mogen we het asfalt weer op. Tegenwind richting Hillegom. Ton fietst met irritant gemak naast me of voor me. Ik heb het tamelijk zwaar, terwijl ik tegelijk geniet van het glijden over het asfalt. Ik roep altijd dat een fiets niet meer dan een vervoermiddel is, maar weet stiekem natuurlijk al lang dat het ook een heel leuk speeltje kan zijn.

De fiets en ik liggen elkaar wel – voor een vriendenprijsje mag ik hem meenemen. Een keer mag ik bovendien profiteren van het feit dat Ton hem voor me schoonmaakt, terwijl ik een beetje lui met Petra zit te kletsen, voordat hij achterin de auto wordt gelegd.

In de auto en als ik thuis onder de douche sta, zingt de hele tijd het liedje “Happy” door mijn hoofd. “Happy, happy, happy, happy.” Verder dan (dit deel van) het refrein kom ik niet, maar dat is niet erg. IJzersterke tekst. Niet eens zozeer omdat ik nu eindelijk een mountainbike heb, maar vooral omdat het buitenspelen zo lekker was.

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Tijd en vorm

Als ik mijn stukje over de tis(voor)niksloop lees, lijkt het haast alsof het me alleen om mijn eindtijd te doen was. Ik schrijf niks over de omgeving, niks over de weer voortreffelijke en sympathieke organisatie, weinig over de mensen die ik er tegenkwam. Heb ik dan niet genoten? Vind ik die tijd dan werkelijk zo belangrijk?

Op beide vragen is het antwoord ‘ja en nee.’ Hoewel kunnen genieten zeker aangevinkt is bij me, sta ik de ene keer meer open voor mijn omgeving dan de andere. Ik had zondag geen slecht humeur, maar voelde me eerder neutraal dan superblij. Dat de omgeving mooi was, kreeg ik echt wel mee en liet me ook niet koud, maar het was niet zo dat ik er helemaal in opging. Het wás er gewoon. Zonneschijn zou misschien leuk zijn geweest, maar in al z’n grijsheid vond ik het een heerlijke loopdag. Ik vond het leuk om wat vrienden en bekenden te ontmoeten en om even met hen te praten, maar had er geen speciale behoefte aan om samen met hen te lopen – ik vond het prima om alleen te zijn en te gaan. Onderweg heb je, ook als je alleen loopt, telkens kleine contactjes die de verbinding met anderen weer voelbaar maken.

En wat die tijd betreft, ach, ik weet natuurlijk dat ik met mijn eindtijden niet echt indruk maak, en dat hoef ik ook niet. Ik loop niet voor een goede klassering – hoewel ik achteraf tevreden zie dat ik bij de beste helft geëindigd ben. Ik ging niet voor een pr, dat zou me op dit parcours ook absoluut niet lukken. Maar die eindtijd is voor mij wel een indicatie van hoe mijn vorm op dit moment is. De tis(voor)niks was mijn eerste wedstrijd na de grote Verbiertrail in juli (de Dam tot Dam tel ik even niet mee, daar had ik niet voor getraind en die heb ik niet ervaren als wedstrijd – hoewel ik ook weer niet wil beweren dat ik er niet moe van werd). De tis(voor)niks was geen Groot Doel of zo, en ik heb even geen officieel schema, maar ik heb er toch vrij netjes volgens het boekje voor getraind. Vier keer per week, waarvan een lange duurloop, een baantraining, en twee wat langer tempo-/intervalwerk. Die trainingen gingen goed, op de laatste paar lange duurlopen na. Die gingen trouwens ook goed, maar vielen me zwaar. En op de laatste twee weken na, dankzij het verkoudheidvirus dat niet alleen mij, maar ook zo ongeveer de rest van Nederland in zijn greep hield.

Ik was dan ook van tevoren nogal benieuwd hoe het zou gaan. Ik durfde er niet al te vast op te rekenen, maar hoopte dat ik binnen de 4 uur zou finishen. Dat zou mogelijk moeten zijn, tenzij ik al te veel last van die verkoudheid zou hebben. Toen ik onderweg dacht dat het niet zou lukken, verbaasde me dat meer dan dat ik het nou zo’n drama vond. Ik vroeg me alleen af of dat niet betekende dat ik mijn plannen voor de maand december maar beter zou kunnen schrappen. Vanaf januari gaat het volle kracht vooruit naar Limburgs Zwaarste, daar wil ik fit voor zijn. Mijn finishtijd in Geldrop en de moeite die het me kostte die te halen, zeggen me dat ik misschien niet in topvorm ben, maar helemaal afwezig is de vorm evenmin.

Vandaag een rustig en kort blij-dat-ik-weer-mag-loopje gedaan. Heerlijk.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Meevaller

“Het valt wel, maar niet mee,” pleegt mijn moeder in dit soort situaties te zeggen. Moeders hebben altijd gelijk. En dat het voor niks is, wil ook weer niet zeggen dat je het in de schoot geworpen krijgt. Ik vandaag niet in elk geval.

Het begin is rustig. Het wordt gezellig als ik word ingehaald door Karien en Esther, met wie ik een poosje samen op loop en mijn favoriete gespreksonderwerp deel: wat zijn de plannen voor komend jaar? Loopplannen dat is, uiteraard. Esther lijdt aan hetzelfde euvel als ik: wij willen het liefst alles lopen wat er te lopen valt, zeker als er vrienden en bekenden aan de start staan, maar moeten steeds weer concluderen dat ons lichaam daar – heel raar – kennelijk niet tegen bestand is.

Zij lopen een kortere afstand en gaan rechtdoor waar ik linksaf moet. Ik haak even aan bij Matthew en zijn loopmaat, maar, al verwacht ik dat zij eerder zullen finishen dan ik, het tempo mag op dit moment van mij wel iets hoger, en ik ga er voorbij. Een beetje op de gok. Ik probeer me in te houden, en loop steeds rustig naar een andere loper toe, en ga er dan voorbij. Ik heb inmiddels al een paar keer alle schermpjes op mijn Suunto doorgewandeld, maar heb kennelijk ooit bedacht dat als ik aan het trailrunnen ben, ik geen interesse heb voor mijn actuele tempo. Ik zie alleen de tijd, de afstand en de gemiddelde snelheid (die ik op mijn betere momenten ook uit die eerste twee zou kunnen afleiden). Die gemiddelde snelheid is laag, lager dan ik van mijzelf gewend ben bij een wedstrijd.

Na wat inhaalacties loop ik achter een tweetal dat een mooi tempo heeft voor mij, voor nu. Ik voel aan mijn water dat zij voor dit tempo veel minder moeite hoeven te doen dan ik, en weet dat ik hen straks zal moeten laten gaan, maar voor nu is het goed. Tot de eerste verzorgingspost, op 9 kilometer, blijf ik bij hen. Daar stoppen zij even om iets te drinken. Ik heb genoeg bij me, en loop door. Nu wreekt zich dat ik niet kan zien hoe snel ik loop. Ik versnel waarschijnlijk – dat voel ik wel, en ik zie ook wel dat de gemiddelde snelheid iets toeneemt, maar die is nog steeds te laag voor een tijd onder de 4 uur, en dat zit me toch ietwat dwars. Kilometers later komt het tweetal me weer voorbij. Ik wil hen laten gaan, maar vind het ook wel gezellig om mee te lopen, en haak al kletsend toch weer even aan. Dan struikel ik, en weet ik meteen dat het tempo omlaag moet.

Ondertussen verbaas ik me erover dat er van de kilometeraanduiding langs het parcours werkelijk niets lijkt te kloppen. Van de vorige keer dat ik hier liep, herinner ik me wel dat de afstand iets korter was dan volgens de organisatie, maar nu is het verschil wel erg groot. Bij het bordje 15, zit ik pas op 13,6. De gemiddelde snelheid volgens mijn horloge is een poosje 10,4 geweest, maar zakt vervolgens langzaam maar gestaag, tot uiteindelijk de 10,0 is bereikt.

Het is perfect loopweer, lekker fris, weliswaar grijs, maar weinig wind. Hier vaar ik wel bij. Jammer genoeg betekent dat niet dat het gemakkelijk gaat. De eerste helft gaat vrij aardig, maar daarna moet ik behoorlijk mijn best doen om er nog wat tempo in te houden. Ik kijk zo nu en dan hoe ver ik ben, en wat mijn gemiddelde snelheid is, en realiseer me dat ik op deze manier niet onder de 4 uur ga lopen, zelfs al is de afstand iets korter dan marathonafstand. Dat valt wat tegen, en toch merk ik dat ik tevreden ben over hoe ik het doe. Ik laat het tempo niet helemaal wegzakken, en ook al doen mijn benen pijn (over mijn voeten heb ik het niet – dat is vaste prik, dat die pijn doen), ik doe er niet te moeilijk over, en haal eruit wat eruit te halen valt. Het is dat het best een beetje zwaar is, maar afgezien daarvan is het best relaxt lopen zo, zonder me druk te maken over een eindtijd.

Als ik denk dat ik nog meer dan 5 kilometer te gaan heb, hangt er een bordje dat zegt dat we nog 3 kilometer moeten. Ik geloof dat dát het moment is waarop ik mij realiseer dat ik het ‘trailrunning’-programmaatje op mijn horloge, waar ik vandaag voor gekozen heb, waarschijnlijk nog op een gps-ontvangst van 1x per minuut heb staan, in plaats van 1x per seconde. Dat heb ik voor de lange bergloop van afgelopen zomer zo ingesteld om batterij te sparen, en heb ik nadien waarschijnlijk niet meer aangepast. Aha, dus niet de kilometeraanduidingen van de organisatie zijn onnauwkeurig, maar mijn horloge is dat.

Even later staat er een vrouw met een spandoek langs de kant. Hee, is dat niet…? Ja, dat is Anne met haar Kanjer-spandoek. Zie ik haar ook een keer in levenden lijve. Ik roep haar naam, en ook even de mijne, maar neem geen tijd om haar even fatsoenlijk te begroeten (sorry, Anne). Ik heb allang geen idee meer wat voor tijd ik zal lopen, maar ben toch nog wel zo fanatiek dat ik die zo goed mogelijk wil laten zijn. Vlak na Anne ga ik voor de tweede keer onderuit. De man die ik net voorbij ben gegaan, adviseert me om op te passen en de tocht rustig uit te lopen. Hij heeft gelijk, weet ik, maar ik loop langzaam weer bij hem weg. Even later lig ik weer. Inwendig schudt hij zijn hoofd, vermoed ik.

We lopen het bos uit, en moeten nog een kilometer naar de finish. Wat stukken verhard, nog een klein stukje door een parkje. Nu niet meer vallen, want nu zou dat wel eens pijnlijk kunnen zijn. Dit stuk is korter dan ik me van de vorige keer herinner. Verrassend snel zie ik het winkelcentrum voor me waar de finish is. Met 3:55 ben ik twee minuten langzamer dan twee jaar geleden, maar een stuk sneller dan ik onderweg steeds heb gedacht. Het valt soms wel degelijk mee, mam!

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Leuk hoor, lopen

Denk vooral niet dat ik het niet leuk vind, al dat hardgeloop. Als ik het niet leuk zou vinden, zou ik het niet doen tenslotte.

Toch?

Vandaag loop ik de derde zondagse duurloop op rij die mij, eh, wat zwaar valt. Na precies negen minuten ben ik weer terug bij mijn voordeur. Een absoluut dieptepunt. Ik ben voor vertrek al twee keer naar de wc geweest, maar voor ik de straat uit ben, voel ik de krampen in mijn buik alweer. Negeren maar, gaat vanzelf over. Het wordt erger. Ik moet de hele stad nog doorkruisen voor ik in de duinen ben en ergens fatsoenlijk een bosje kan opzoeken. Ik ben bang dat ik dat niet ga redden, en keer om.

Ik sta mezelf de gedachte aan een terugkeer in bed niet toe, en ga braaf voor de tweede keer de deur uit. Nu gaat het beter. De stad door zal nooit mijn favoriete bezigheid worden, maar ach, het heeft na al die jaren van lange duurlopen ook wel iets vertrouwds. Bij Overveen wordt het mooi. Langs de Brouwerskolk omhoog, en iets later bij Koevlak de Kennemerduinen in. Bij ’t Wed staan al veel fietsen; zó laat ben ik nou toch ook weer niet? Er is een clubje mensen aan het zwemmen – maffe lui, die triatlonners.

Ik volg blauw, met hier wat mul en daar wat steil. Ik ben inmiddels weer alleen op de wereld, en heb het aardig naar mijn zin, al zal ik niet beweren dat het lopen erg gemakkelijk gaat. Bij Parnassia het strand op, zuidwaarts. Weer heb ik op het strand tegenwind. In deze richting loop ik dit rondje nou eenmaal het liefst, en ik denk ook altijd maar dat het goed is om het jezelf niet al te makkelijk te maken. Het strand is breed, het zand is hard, de zon doet z’n best en geeft glans aan de golven en aan het leven. Ik bedenk dat het onzin is dat ik altijd beweer dat ik geen strandmens ben, natuurlijk ben ik dat wel. Dit is toch prachtig?

Na een paar kilometer weet ik weer zeker dat ik geen strandmens ben. Er komt geen eind aan, lijkt het wel. En die wind wil ook niet echt stoppen met waaien. Ik verwacht de kop van een mtb-strandrace van Hoek van Holland naar Den Helder tegen te komen, waar vriend Ton vandaag aan meedoet, maar voor de snelste fietsers bij de zuidpunt van Zandvoort zijn, ga ik daar van het strand af.

De Waterleidingduinen in, vertrouwd terrein. Bij het bankje aan het betonplatenpad besluit ik om heel even het horloge te pauzeren en iets te eten. Of nee, eerst de bosjes in, want inmiddels rommelt het weer in mijn buik. Dan ga ik éven op het bankje zitten, en trek er zelfs een jack bij aan. Ik ben wat rillerig, voel me niet echt top. Ik probeer, door even te gaan zitten en van de rust te genieten, het gevoel van ‘moeten’ er wat vanaf te halen, van dit loopje. Al te lang gun ik mezelf daar echter geen tijd voor, want ik ‘moet’ nog wel ruim 15 kilometer lopen voor ik thuis ben. Als ik me weer in beweging heb gezet, duurt het een poosje voor ik me weer enigszins behaaglijk voel.

De rest van de route is vaste prik – ofwel op de fiets, als ik vanaf de Oase loop, ofwel lopend, als ik, zoals nu, van huis vertrek voor een iets langere duurloop. Via Leyduin, Manpad, Groenendaal, stukje stom door Heemstede, en vervolgens weer mooi langs het Spaarne. Ik weet hoe ver het is, en toch kan ik de verleiding niet weerstaan om telkens weer op mijn horloge te kijken hoe ver ik nog moet. Natuurlijk haal ik het, dat is altijd zo, en toch weet ik dat onderweg niet altijd zo zeker. Het lijkt soms zo’n eind. Ik vraag me af waarom ik ook alweer bedacht had dat het leuk zou zijn om eind november een marathon te lopen.

Kortom: de hoogste tijd om te gaan taperen.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Ongehard

Op de fiets op weg naar Bleek en Berg vraag ik me af wat het is dat maakt dat je soms opziet tegen een training. Het is prima weer, ik hoef niet al te ver te lopen, ik loop in m’n eentje en kan dus volkomen mijn eigen tempo bepalen – ik loop momenteel ook nog eens zonder officieel schema, en hoef dus alleen aan mijzelf verantwoording af te leggen (zoals feitelijk natuurlijk altijd het geval is, ook als er wel een trainer in het spel is). Maar toch. Het is niet zo dat ik met tegenzin naar de duinen fiets, maar ik voel iets vaags in mijn buik, een vaag gevoel van tegenopzien. Raar is dat.

Ik weet het nog van de Middenduintrainingen die ik voor de zomervakantie een aantal keren deed in plaats van de baantraining. 400’jes, 1000’jes – net als op de baan, maar dan over smalle paadjes die net niet helemaal zo vlak zijn als het tartan op de baan. Elke keer ging ik helemaal stuk tijdens die trainingen, en elke keer ook was ik weer helemaal blij – met mezelf, met dat rare geloop, met het leven. Maar kennelijk maakte ergens die blijheid toch minder indruk dan het kapotgaan, want iedere keer was ik van tevoren weer bang voor de Middenduintraining.

Mijn plan voor vandaag is vaag. Met de fiets naar Bleek en Berg, en van daar naar het noorden, voor een rondje door Duin en Kruidberg. Het is daar zo mooi, maar ik loop er altijd onder begeleiding van een ander of van een of ander gps-signaal of markering anderszins – volgens mij moet ik er gewoon wat vaker naartoe gaan, zodat ik er mijn eigen weg ga leren vinden. Een rondje van een kilometer of 25 is het plan.

Ik begin te lopen en besluit om eerst maar even groen te volgen. Het irriteert me lichtelijk dat ik die route in mijn eentje nog nooit heb gelopen zonder fout te lopen, dus misschien kan ik dat vandaag dan ook meteen rechtzetten. Eerst naar de Oosterplas. Ik zie dat mijn gemiddelde snelheid bedroevend laag is. Nou ja, dat is in het begin altijd zo. Als ik een poosje later nog eens kijk, is-ie nóg lager. Weet je wat? Knopje linksonder indrukken en ik zie geen snelheid meer, maar afstand. Ik loop toch op hartslag, als het goed is, laat die snelheid maar zitten. (Maar in mijn hoofd ben ik er natuurlijk toch nog wel even mee bezig: dat wordt eerder 3 uur dan 2,5 uur vandaag. Nou ja, so be it.) Het goede nieuws is dat ik eindelijk eens niet verdwaal op groen. Dat ontdek ik als ik voor de trap naar de Brederodeberg sta. Hm, dan loop ik nu even niet bepaald naar het noorden, maar ik doe maar even een rondje over de berg, kan nooit kwaad, wat hoogtemeters. Rechtop, dansend naar boven, hoor ik Henny in gedachten zeggen. Jaja, Henny kan me nog meer vertellen. Dit is helemaal niet fijn. Sterker: het doet pijn.

Ik kom toch boven en mag dan over het lange pad naar beneden. Daar aangekomen sla ik weer rechtsaf, richting het noorden, richting Duin en Kruid.

Zo’n vaag plan pakt soms helemaal niet goed uit, dan zou je wensen dat je een strak plan bedacht had, met precieze route-aanwijzingen die je precies op het gewenste aantal kilometers brengen. Vandaag loopt het echter boven verwachting goed. Het voordeel is dat het niet echt uitmaakt wat ik doe, het nadeel dat ik desondanks tóch op elke splitsing een beslissing moet nemen, terwijl bij een bestaande route dergelijke beslissingen al voor jou zijn genomen. Maar vandaag pakken mijn keuzes dus tamelijk goed uit. Ik loop vrijwel helemaal onverhard naar het strand toe, en ben daar na ruim 13 kilometer. Zuidwaarts richting Parnassia. Tegen de wind in, over een stevig strand. Blote armen en benen zijn nu fris, maar niet onaangenaam. Wim, een van mijn partners in crime op de atletiekbaan, loopt me tegemoet met de wind in zijn rug, en groet me veel te blij – bespeur ik enig leedvermaak vanwege de windrichting in combinatie met onze respectievelijke looprichting?

Als ik bij Parnassia het strand weer af mag, ploeter ik door het mulle zand omhoog. Een stemmetje zegt dat dit niet hoeft, dat het te steil en te mul is om te blijven hardlopen. Dat stemmetje wordt de mond gesnoerd door een ander stemmetje, dat me fijntjes herinnert aan de heuveltraining die ik met Henny deed in een ander deel van de duinen: net zo mul, en beduidend steiler. En veel en veel langer achter elkaar, en bovendien in de bloedhitte. Dus. Wat zeur je nou? Doorlopen jij!

Ik volg de rode paaltjes terug, maar ergens ontgaat mij weer iets en opeens zit ik weer op groen. Dat is niet erg, want ik wilde toch al afsluiten met de Brederodeberg. Nu loop ik eerst om en loop ik via de lange helling omhoog. Holy moly, zwaar is het. Over de trap naar beneden, en even later over de trap weer omhoog. Ik probeer rechtop te blijven lopen en fier en fris de treden op te dansen, maar merk dat ik in de tweede helft toch weer inzak. De hardheid is er op dit moment gewoon even niet. En al denk ik automatisch: kom op, een schop onder je kont moet je hebben, tegelijkertijd weet ik dat het niet zo erg is dat ik nu even niet zo gehard ben. Ik zal nog wel een paar georganiseerde loopjes lopen de komende maanden, maar die vormen een toegift op de prachtige dingen die ik dit jaar al gedaan heb. De hardheid komt over een paar maanden wel weer.

De contouren van het loopjaar 2015 worden zoetjesaan zichtbaar. Ik krijg nu al buikpijn bij de gedachte aan de trainingen die daarvoor nodig zijn.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties