Leuk hoor, lopen

Denk vooral niet dat ik het niet leuk vind, al dat hardgeloop. Als ik het niet leuk zou vinden, zou ik het niet doen tenslotte.

Toch?

Vandaag loop ik de derde zondagse duurloop op rij die mij, eh, wat zwaar valt. Na precies negen minuten ben ik weer terug bij mijn voordeur. Een absoluut dieptepunt. Ik ben voor vertrek al twee keer naar de wc geweest, maar voor ik de straat uit ben, voel ik de krampen in mijn buik alweer. Negeren maar, gaat vanzelf over. Het wordt erger. Ik moet de hele stad nog doorkruisen voor ik in de duinen ben en ergens fatsoenlijk een bosje kan opzoeken. Ik ben bang dat ik dat niet ga redden, en keer om.

Ik sta mezelf de gedachte aan een terugkeer in bed niet toe, en ga braaf voor de tweede keer de deur uit. Nu gaat het beter. De stad door zal nooit mijn favoriete bezigheid worden, maar ach, het heeft na al die jaren van lange duurlopen ook wel iets vertrouwds. Bij Overveen wordt het mooi. Langs de Brouwerskolk omhoog, en iets later bij Koevlak de Kennemerduinen in. Bij ’t Wed staan al veel fietsen; zó laat ben ik nou toch ook weer niet? Er is een clubje mensen aan het zwemmen – maffe lui, die triatlonners.

Ik volg blauw, met hier wat mul en daar wat steil. Ik ben inmiddels weer alleen op de wereld, en heb het aardig naar mijn zin, al zal ik niet beweren dat het lopen erg gemakkelijk gaat. Bij Parnassia het strand op, zuidwaarts. Weer heb ik op het strand tegenwind. In deze richting loop ik dit rondje nou eenmaal het liefst, en ik denk ook altijd maar dat het goed is om het jezelf niet al te makkelijk te maken. Het strand is breed, het zand is hard, de zon doet z’n best en geeft glans aan de golven en aan het leven. Ik bedenk dat het onzin is dat ik altijd beweer dat ik geen strandmens ben, natuurlijk ben ik dat wel. Dit is toch prachtig?

Na een paar kilometer weet ik weer zeker dat ik geen strandmens ben. Er komt geen eind aan, lijkt het wel. En die wind wil ook niet echt stoppen met waaien. Ik verwacht de kop van een mtb-strandrace van Hoek van Holland naar Den Helder tegen te komen, waar vriend Ton vandaag aan meedoet, maar voor de snelste fietsers bij de zuidpunt van Zandvoort zijn, ga ik daar van het strand af.

De Waterleidingduinen in, vertrouwd terrein. Bij het bankje aan het betonplatenpad besluit ik om heel even het horloge te pauzeren en iets te eten. Of nee, eerst de bosjes in, want inmiddels rommelt het weer in mijn buik. Dan ga ik éven op het bankje zitten, en trek er zelfs een jack bij aan. Ik ben wat rillerig, voel me niet echt top. Ik probeer, door even te gaan zitten en van de rust te genieten, het gevoel van ‘moeten’ er wat vanaf te halen, van dit loopje. Al te lang gun ik mezelf daar echter geen tijd voor, want ik ‘moet’ nog wel ruim 15 kilometer lopen voor ik thuis ben. Als ik me weer in beweging heb gezet, duurt het een poosje voor ik me weer enigszins behaaglijk voel.

De rest van de route is vaste prik – ofwel op de fiets, als ik vanaf de Oase loop, ofwel lopend, als ik, zoals nu, van huis vertrek voor een iets langere duurloop. Via Leyduin, Manpad, Groenendaal, stukje stom door Heemstede, en vervolgens weer mooi langs het Spaarne. Ik weet hoe ver het is, en toch kan ik de verleiding niet weerstaan om telkens weer op mijn horloge te kijken hoe ver ik nog moet. Natuurlijk haal ik het, dat is altijd zo, en toch weet ik dat onderweg niet altijd zo zeker. Het lijkt soms zo’n eind. Ik vraag me af waarom ik ook alweer bedacht had dat het leuk zou zijn om eind november een marathon te lopen.

Kortom: de hoogste tijd om te gaan taperen.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Ongehard

Op de fiets op weg naar Bleek en Berg vraag ik me af wat het is dat maakt dat je soms opziet tegen een training. Het is prima weer, ik hoef niet al te ver te lopen, ik loop in m’n eentje en kan dus volkomen mijn eigen tempo bepalen – ik loop momenteel ook nog eens zonder officieel schema, en hoef dus alleen aan mijzelf verantwoording af te leggen (zoals feitelijk natuurlijk altijd het geval is, ook als er wel een trainer in het spel is). Maar toch. Het is niet zo dat ik met tegenzin naar de duinen fiets, maar ik voel iets vaags in mijn buik, een vaag gevoel van tegenopzien. Raar is dat.

Ik weet het nog van de Middenduintrainingen die ik voor de zomervakantie een aantal keren deed in plaats van de baantraining. 400’jes, 1000’jes – net als op de baan, maar dan over smalle paadjes die net niet helemaal zo vlak zijn als het tartan op de baan. Elke keer ging ik helemaal stuk tijdens die trainingen, en elke keer ook was ik weer helemaal blij – met mezelf, met dat rare geloop, met het leven. Maar kennelijk maakte ergens die blijheid toch minder indruk dan het kapotgaan, want iedere keer was ik van tevoren weer bang voor de Middenduintraining.

Mijn plan voor vandaag is vaag. Met de fiets naar Bleek en Berg, en van daar naar het noorden, voor een rondje door Duin en Kruidberg. Het is daar zo mooi, maar ik loop er altijd onder begeleiding van een ander of van een of ander gps-signaal of markering anderszins – volgens mij moet ik er gewoon wat vaker naartoe gaan, zodat ik er mijn eigen weg ga leren vinden. Een rondje van een kilometer of 25 is het plan.

Ik begin te lopen en besluit om eerst maar even groen te volgen. Het irriteert me lichtelijk dat ik die route in mijn eentje nog nooit heb gelopen zonder fout te lopen, dus misschien kan ik dat vandaag dan ook meteen rechtzetten. Eerst naar de Oosterplas. Ik zie dat mijn gemiddelde snelheid bedroevend laag is. Nou ja, dat is in het begin altijd zo. Als ik een poosje later nog eens kijk, is-ie nóg lager. Weet je wat? Knopje linksonder indrukken en ik zie geen snelheid meer, maar afstand. Ik loop toch op hartslag, als het goed is, laat die snelheid maar zitten. (Maar in mijn hoofd ben ik er natuurlijk toch nog wel even mee bezig: dat wordt eerder 3 uur dan 2,5 uur vandaag. Nou ja, so be it.) Het goede nieuws is dat ik eindelijk eens niet verdwaal op groen. Dat ontdek ik als ik voor de trap naar de Brederodeberg sta. Hm, dan loop ik nu even niet bepaald naar het noorden, maar ik doe maar even een rondje over de berg, kan nooit kwaad, wat hoogtemeters. Rechtop, dansend naar boven, hoor ik Henny in gedachten zeggen. Jaja, Henny kan me nog meer vertellen. Dit is helemaal niet fijn. Sterker: het doet pijn.

Ik kom toch boven en mag dan over het lange pad naar beneden. Daar aangekomen sla ik weer rechtsaf, richting het noorden, richting Duin en Kruid.

Zo’n vaag plan pakt soms helemaal niet goed uit, dan zou je wensen dat je een strak plan bedacht had, met precieze route-aanwijzingen die je precies op het gewenste aantal kilometers brengen. Vandaag loopt het echter boven verwachting goed. Het voordeel is dat het niet echt uitmaakt wat ik doe, het nadeel dat ik desondanks tóch op elke splitsing een beslissing moet nemen, terwijl bij een bestaande route dergelijke beslissingen al voor jou zijn genomen. Maar vandaag pakken mijn keuzes dus tamelijk goed uit. Ik loop vrijwel helemaal onverhard naar het strand toe, en ben daar na ruim 13 kilometer. Zuidwaarts richting Parnassia. Tegen de wind in, over een stevig strand. Blote armen en benen zijn nu fris, maar niet onaangenaam. Wim, een van mijn partners in crime op de atletiekbaan, loopt me tegemoet met de wind in zijn rug, en groet me veel te blij – bespeur ik enig leedvermaak vanwege de windrichting in combinatie met onze respectievelijke looprichting?

Als ik bij Parnassia het strand weer af mag, ploeter ik door het mulle zand omhoog. Een stemmetje zegt dat dit niet hoeft, dat het te steil en te mul is om te blijven hardlopen. Dat stemmetje wordt de mond gesnoerd door een ander stemmetje, dat me fijntjes herinnert aan de heuveltraining die ik met Henny deed in een ander deel van de duinen: net zo mul, en beduidend steiler. En veel en veel langer achter elkaar, en bovendien in de bloedhitte. Dus. Wat zeur je nou? Doorlopen jij!

Ik volg de rode paaltjes terug, maar ergens ontgaat mij weer iets en opeens zit ik weer op groen. Dat is niet erg, want ik wilde toch al afsluiten met de Brederodeberg. Nu loop ik eerst om en loop ik via de lange helling omhoog. Holy moly, zwaar is het. Over de trap naar beneden, en even later over de trap weer omhoog. Ik probeer rechtop te blijven lopen en fier en fris de treden op te dansen, maar merk dat ik in de tweede helft toch weer inzak. De hardheid is er op dit moment gewoon even niet. En al denk ik automatisch: kom op, een schop onder je kont moet je hebben, tegelijkertijd weet ik dat het niet zo erg is dat ik nu even niet zo gehard ben. Ik zal nog wel een paar georganiseerde loopjes lopen de komende maanden, maar die vormen een toegift op de prachtige dingen die ik dit jaar al gedaan heb. De hardheid komt over een paar maanden wel weer.

De contouren van het loopjaar 2015 worden zoetjesaan zichtbaar. Ik krijg nu al buikpijn bij de gedachte aan de trainingen die daarvoor nodig zijn.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Daan

Daan Roosegaarde schuift aan bij DWDD. Vorig jaar was hij zomergast in een uitzending waar ik nogal blij van werd. Ik schreef daar toen iets over.

Maar nu lijkt het wel alsof er iets veranderd is in Daan. Hij heeft misschien zijn dag niet, of hij heeft het zo druk met mooie dingen bedenken en de wereld rond reizen, dat hij wat moe is en minder ontspannen dan vorig jaar bij Zomergasten. Zeker, hij spreekt nog steeds met bevlogenheid over de dingen die hij doet, en zeker, zijn ogen sprankelen nog steeds, en zeer zeker, zijn studio bedenkt nog steeds de gaafste dingen (ik bedoel maar: een apparaat ontwerpen dat smog uit de lucht van Beijing moet gaan opzuigen, en dan de koolstof uit die smog weer samenpersen tot diamant; en ik bedoel maar: met lichtgevende verf een schilderij van Van Gogh tot leven wekken op een fietspad in Nuenen).

Maar ik moet een beetje zoeken naar de man die over het leven en over zijn eigen werk kon zeggen: “Het is ook gewoon leuk.” Ik hoor hem nu tot twee keer iets zeggen over hoe ‘de nieuwe wereld’ eruitziet. Eh, pardon Daan, maar zeg je nou ‘de nieuwe wereld’? Maar de wereld is toch vloeibaar, zoals je destijds tegen Wilfried zei? En dat vond je toch, net als ik, juist zo mooi? Maar betekent dat voor jou dan niet dat je die wereld helemaal niet in een bepaalde vorm wilt gieten en laten stollen, hoe prachtig die vorm je ook lijkt? Dat je niet wilt bepalen hoe de wereld eruit dient te zien? Vloeibaar is toch iets anders dan kneedbaar?

Ik hoop maar dat het niet zo is dat de man met passie heeft plaatsgemaakt voor een man met een missie – dat zou nou jammer zijn.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Duurloopjes

Het is weer de tijd van de lange duurlopen. Ik ben niet geheel en al ongevoelig voor het feit dat ogenschijnlijk steeds meer mensen vinden dat die langzame, lange lopen geen deel zouden moeten uitmaken van een verstandig (ultra)marathonschema, maar ik vind het nou eenmaal zo lekker om te doen (en ik durf er ook niet goed zonder). Als de bekende uitspraak van Jan Knippenberg, dat lopen geen sport is, maar een manier van reizen, ergens op van toepassing is, dan toch eerder op die lange duurlopen dan op het korte intervalwerk.

Als ik in de Dordogne ben, loop ik op maandag, in de regen, 28 kilometer. De eerste kilometers gaan over asfalt, richting Bars, een plaatsje ten noorden van waar ik zit. Liep die weg altijd al zo lang achter elkaar omhoog? Even voorbij Bars kan ik een van de vele boucles die hier lopen op. Geen idee hoe lang deze is, maar ik weet dat het in principe een rondwandeling is, en dat ik me er geen buil aan kan vallen de gele paaltjes te volgen. Een feest is het. Bossen, weilanden, het pad soms een tapijt van tamme kastanjes, stijgen, dalen, zeiknatte voeten. Ik prijs me gelukkig dat het regent, stel je voor dat het zo warm zou zijn en de zon zo fel zou schijnen als gisteren. Soms verloop ik me, niet mijn schuld natuurlijk, zo nu en dan moet ik kiezen: rechtdoor of rechtsaf, en stop ik even om de kaart te raadplegen. Toen we op zaterdag naar de Dordogne toe reden, voelde het haast tegennatuurlijk om zo’n eind te reizen, en dan niet naar de bergen te gaan, maar inmiddels heb ik me er helemaal mee verzoend dat ik ‘slechts’ in de heuvels van de Dordogne ben. Voor nu beschouw ik het als een lopersparadijs. Of ik niet moe ben, vraagt Hans (roker, gezet postuur) me, wanneer ik me na afloop, gedoucht en wel, bij het gezelschap op het terras heb gevoegd. Ja duh, wat denk jij dan?

Als ik het weekend erna terug ben in Nederland, lukt het even niet met de duurloop. Ik ben van plan om een relatief kort rondje te lopen, van 21 kilometer, in de duinen, maar het gaat voor geen meter en ik ben blij als ik na 13 kilometer weer bij mijn fiets ben. De fietstocht naar huis is een crime. Pap in de benen.

Het weekend daar weer na (vorige week), zit ik in het oost’n van het land. Berg en Dal laat ik voor wat het is. In de nacht van zaterdag op zondag slaap ik bij mijn ouders in Nijverdal. Ik ben van plan om een kilometer of 30 te lopen. Hmm, niet zo’n zin in wat geslinger over de Holterberg deze keer. Ook niet in de noordelijke lus van de 50km van de Sallandtrail. En zéker niet in de van-knooppunt-naar-knooppunt-actie die ik daar ook weleens gedaan heb – veel te veel gewone verkeerswegen, mét verkeer, kreeg ik toen voor mijn kiezen. Eens kijken op wandelnet of er niet een wandelroute in de buurt van Nijverdal ligt. Yes! Het Havezatepad, van Oldenzaal naar Steenwijk, loopt nota bene via Nijverdal. Van Markelo naar het huis van mijn ouders zou weleens net zo’n beetje 30km kunnen zijn. Ik wil iets regelen met openbaar vervoer, maar Markelo blijkt op zondag niet al te ruim bemeten, of zeg maar gewoon: níet bemeten, met openbaar vervoer te zijn, dus vraag ik mijn ouders om een lift. Heen of terug, dat maakt me niet uit. Tot mijn verrassing vindt mijn vader, bepaald geen ochtendmens, het niet erg om vroeg op te staan, en hij brengt me naar Markelo. Het bekende ritueel: horloge op navigeren zetten, de juiste route kiezen, en het lijntje volgen maar (met als back up de wit-rode markeringen). Weer bof ik met het weer: het is potdicht van de mist, zodat ik niet bang hoef te zijn het te warm te krijgen. Dit ervaar ik nu werkelijk als een manier van reizen: de omgeving is nieuw voor me, de route is dat zeker. En de route is mooi, heel mooi. Landweggetjes, een smal paadje over de hei, bospaden, een graspad langs de Regge, het komt allemaal voorbij. Halverwege even een (iets langer) verdwaalmomentje, als de gps-route me zwemmend de Regge wil laten oversteken, en ik daar toch niet zo heel veel zin in heb, en ik vervolgens de onhandige beslissing neem om de markering te blijven volgen, in plaats van bij de eerste gelegenheid weer richting het lijntje op mijn horloge te gaan. Een déja-vu: toen ik eerder dit jaar het eerste stuk van het Pieterpad liep, wilde de gps-route me bij Garnwerd dwars door het Reitdiep hebben. Dat moet een complot zijn!

Het nieuwe van de route maakt het speciaal en leuk, en toch is het uitermate plezierig om uiteindelijk weer op bekend terrein te komen en mijn eigen pad te kunnen volgen. Met de wetenschap dat vanaf dat moment de afstand tot de douche en de koffie-met-taart te overzien is, heeft dat uiteraard in het geheel niets te maken.

Vandaag mag ik dan 35 kilometer, en dat gewoon vanaf huis. Ik wil wel naar de duinen, maar heb geen zin om twee keer de stad door te moeten. Dan maar weer een stuk van het Rondje Haarlem, dan kan ik gewoon hier aan de oostkant de stad uit, en hoef ik alleen terug door de stad. De route is bekend, het voelt minder als een dagje uit, maar soms loop je nu eenmaal gewoon omdat je het je voorgenomen hebt, en daar is ook niks mis mee. Ik loop braaf binnen de voorgenomen hartslagzone (nou ja, grotendeels dan), en blijk achteraf een voor mijn doen vrij aardig tempo te hebben gelopen.

Alleen met het weer bof ik deze keer wat minder: het begint pas te regenen als ik net mijn straat weer in loop.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Fomo revisited

Natuurlijk vraag ik me regelmatig af waarom ik er nog op blijf kijken, als het me veel vaker een rotgevoel oplevert dan dat het me blij maakt. Een verslaving, dat is het in mijn geval, daar ben ik me allang van bewust. Niet voor niets wil ik nog steeds niet aan de smartphone – tijdens mijn onderduikweekendjes en vakanties mis ik het totaal niet, maar als ik internet op mijn telefoon zou hebben, zou ik het tóch niet kunnen laten mijn e-mail te checken (dat zou nog niet zo erg zijn) en op facebook te gaan neuzen, hoe lekker het bos ook ruikt en hoe weldadig de stilte er ook is.

De weekendjes in de natuur lijk ik nodig te hebben om de boel even te resetten. Alsof ik de rust buiten me nodig heb om de rust binnenin te hervinden. Dat werkt meestal prima, maar als ik thuiskom, gaat steevast als eerste de laptop aan. Ik moet toch even kijken wat er allemaal gebeurd is tijdens mijn afwezigheid, niet? En steeds meer word ik me ervan bewust dat ik de energie uit me voel weglekken als ik door de berichtjes scroll en zo hier en daar doorklik naar een wat langere tekst of een filmpje. Diverse pogingen heb ik al gedaan – mensen ontvrienden, pagina’s ontleuken, vrienden indelen in groepen, vrienden ontvolgen, zelf weinig updates plaatsen – maar het blijft te veel, en het wordt alleen maar meer. En het blijft trekken, ook al word ik er niet blij van.

Ik heb natuurlijk ook echt heel leuke vrienden, op facebook (in het echt ook hoor – dat jullie niet denken dat ik zielig ben), die ook echt heel vaak echt leuke berichtjes plaatsen en echt gevatte opmerkingen maken, die mij soms echt aan het denken zetten, waar ik soms echt door word geraakt en vaak echt hard om moet lachen. En facebook is de plaats waar ik veel nieuwtjes en wetenswaardigheden rond hardlopen en mooie loopjes oppik, daar wil ik toch echt niet zonder. Dan is er nog een handjevol vrienden van vroeger, met wie ik niet direct ga mailen of koffiedrinken, maar van wie ik het leuk vind zo nu en dan via een update te zien dat ze nog in leven zijn en wat ze zoal uitspoken in dat leven. Maar, eerlijk is eerlijk, ik ben vooral bang van alles te missen op het gebied van het lopen, als ik niet langer op facebook verkeer.

Terwijl ik mij voorhoud dat ik veel minder last van fomo heb dan, pak ‘m beet, een jaar geleden, toen ik het nog vreselijk vond om niet bij loopjes aanwezig te zijn waar verder alle leuke mensen bij zouden zijn, is er in feite maar weinig veranderd: ik ben nog steeds hartstikke bang om dingen te missen en niet op de hoogte te zijn van wat er allemaal gebeurt!

Beleef ik in de onderduikweekendjes een zachte reset, een harde reset volgt tijdens een weekje bij Jan van Delden in de Dordogne. Het er gewoon zijn, de aangename gesprekken met vrienden, de verhelderende inzichten die Jan tussen een heleboel onzin en drukte door vlecht, de spontane didgeridoo- en klankschaalsessies, de heldere sterrenhemel, de nachten die gevuld zijn met het geluid van bosuilen, de hand- en spandiensten bij het houthakken, het rapen van walnoten, het plukken van frambozen, de niet te versmaden hardlooprondjes – ze dragen allemaal bij aan die reset. De meeste indruk maakt echter een gesprekje met Daphne, die ook in Frankrijk woont. Zij heeft geen computer, geen televisie, geen mobiele telefoon, leeft op de manier waarop ze wil, en mist niets. Zo kan het dus ook.

Daphnes verhaal raakt aan een diep verlangen. Ik benijd haar om hoe ze leeft, maar weet dat ik zelf in de hand heb waar ik mijn aandacht aan geef. Het is niet nodig om op het Franse platteland te wonen om innerlijke rust te ervaren – al ben ik geneigd te denken dat het wel zou kunnen helpen, in elk geval als je Jacolien heet. Het is ook vast niet zo dat iedereen onrustig wordt van facebookachtige activiteiten, en dan is het misschien ook nog eens niet zo dat iedereen onrust als vervelend ervaart, maar ik doe dat wel. Ik kies ervoor de aandacht wat meer bij mezelf te houden, en wat minder te volgen van wat er in de (hardloop)wereld allemaal gebeurt. Niet omdat dat beter is, wel omdat het lekkerder is.

De eerste dagen als ex-facebookgebruiker ben ik goed doorgekomen, dank u.

Geplaatst in Geen categorie | 6 reacties

Zin

Vanaf het moment dat me duidelijk is geworden dat ik de RUN niet zal lopen, doe ik een paar weken helemaal niks. Niks aan sport, welteverstaan, want ik zit nog aardig in de scriptie- en andere afstudeerstress. De overgang van 4 tot 6 naar 0 keer per week sporten, valt me verdacht gemakkelijk. Hoewel ik denk dat het goed voor me is om even flink uit te rusten, is er ook een stemmetje dat zegt: “Zie je wel? Nu komt je ware aard naar boven: lui, luier, luist” – en mét dat stemmetje de angst dat het me vanaf nu nooit meer zal lukken om ’s morgens vroeg m’n bed uit te stappen om, geheel vrijwillig, de loopschoenen aan te trekken.

Na twee weken begin ik daarom weer te lopen. Kleine stukjes, overwegend in rustig tempo. Het gaat redelijk lekker en ik loop beslist niet met tegenzin, al blijft dat hele blije gevoel dat je soms kunt hebben uit. Ik denk zo tussen de bedrijven door wat na over loopjes voor najaar en winter, maar merk dat ik nog geen zin heb in een strakke planning. Ik merk ook dat het me eigenlijk wel bevalt om even schemaloos door het leven te gaan. Toen Henny me vlak na de Trail VSB voorstelde om een tijdje te freewheelen, wees ik dat voorstel geschrokken van de hand. Freewheelen oké, maar dat dan wel graag onder begeleiding en volgens schema. Nu denk ik dat hij gelijk had. Ik ben niet zozeer hardloopmoe, en zelfs niet disciplinemoe, maar wel een beetje schemamoe en gevoel-van-verplichtingenmoe.

Na weer twee weken sta ik een lang weekend op het natuurterreintje bij Kootwijk. Op zondag loop ik daar de iets langere wandelroute – officieel 16 kilometer, ik kom, met aan- en afloop, uit op 18,9. En ja, nu is die overdreven blijheid volkomen aanwezig. Wat is het prachtig in het bos, tussen de bloeiende heidevelden en op het o zo vertrouwde Kootwijkerzand. En wat is het heerlijk om zo te lopen, niet met het oog op een ander loopje, ergens in de toekomst, maar te lopen om het lopen zelf, het lopen op precies datzelfde moment.

Paradoxalerwijze maakt juist die blijheid van het lopen zonder plan, dat ik zin krijg om weer plannen te maken. Ik speur wat in de diverse loopagenda’s en maak lijstjes voor 2015 en voor de rest van 2014. Dat van 2015 is nog uiterst overzichtelijk, dat van 2014 is een rommeltje. Ik weet niet goed wat ik wil, maar dat maakt niet uit. De dingen worden vanzelf duidelijk, zoals dat met de RUN ook gebeurde. Vorig jaar rond deze tijd was ik enorm gefocust op het lopen en baalde ik er stevig van dat ik vanwege allerlei vage pijntjes geen plannen kon maken. Nu ben ik fysiek prima in orde (denk ik) en laat ik het maar een beetje komen zoals het komt. Wel zo aangenaam, als je het mij vraagt – op dit moment althans; ik vermoed dat de focus en drive er vanzelf weer zullen komen, maar alles op z’n tijd.

Het lekkere lopen ervaar ik ook tijdens het weekend van de RUN, als ik niet in Winschoten ben, maar met vrienden in de Franse Ardennen zit, waar twee van hen een huisje hebben. Op vrijdag loop ik er een rondje met Conny, op zaterdag met Petra. Ha! Dit is toch echt weer andere koek dan een rondje (of tien) in Nederland. Zalig, de inspanning die het kost om bergop te gaan en het gemak waarmee je naar beneden vliegt. Heerlijk, het zo slim mogelijk plaatsen van je voeten op de oneffen paden zodat je niks verzwikt en niet op je plaat gaat (dat laatste mislukt – en als ik het bloed in straaltjes van mijn knie naar beneden zie lopen, bespeur ik de aanwezigheid van mijn moeder in mijn eerste gedachte: shit, mijn sokken). Zo heerlijk dat ik me zondag, als we met een groepje een eind wandelen, niet kan inhouden en een paar keer op mijn Teva’s een helling naar beneden hol.

Wat een mooi spelletje is het toch. Daar heb ik geen plannen voor nodig. En met die luiheid valt het misschien toch ook wel mee.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Straf

Voor de baantraining begint, vraagt Marion me wat mijn plannen voor volgend jaar zijn. Ik zeg dat ik hoop komend jaar ergens 160 kilometer te kunnen lopen.
Dus je wilt steeds langer lopen?
Ja, nou ja, als het goed blijft gaan volgend jaar dus 160, en ooit hoop ik de Tor des Géants te kunnen lopen.
Hoe lang die dan is, vraagt Marion.
330 kilometer, in zes dagen?
Hm, zegt Patrick, doe dan maar meteen aan die woestijnloop mee. (Noot van de redactie: hij bedoelt natuurlijk de Marathon des Sables en denkt waarschijnlijk dat die zwaarder is dan de Tor.)
Nee, echt niet, ik haat hitte en ik haat zand, dus daar begin ik niet aan.
Maar dat is dan toch juist een extra uitdaging? meent een ander, ik weet niet meer wie.

Pas als ik op de fiets op weg naar huis zit, bedenk ik dat het bijna lijkt alsof sommige mensen denken dat uitdaging synoniem is aan straf. Maar ik loop toch echt niet om mezelf te straffen. Waarom zou ik, tenslotte?

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

Gekeerd

Ik heb heus wel iets geleerd van vorig jaar hoor. Zo liep ik toen al na twee dagen weer een stukje hard (kwestie van overmacht, het was mijn laatste dag in de bergen) en heb ik nu toch wel twee weken rust genomen. Het verbaast me ook minder dan toen dat ik na een paar weken nog moe ben. Maar een beetje verbaast het me toch nog steeds. En ervan balen doe ik iets meer.

Ik schreef ergens vorig jaar over mijn neiging me met anderen te vergelijken, en over mijn angst om loopjes te missen, er niet bij te zijn (zie hier). Door wat fysieke klachten te ontwikkelen, en omdat ik er enig belang bij had me niet nóg een keer in te hoeven schrijven op de VU, heb ik van na- tot en met voorjaar goed kunnen oefenen in het ‘er’ (als enige, snik 😉 ) niet bij te zijn. Ik begin bovendien eindelijk te geloven wat door enkele mensen al een paar jaar tegen mij gezegd wordt: het opbouwen van dat ultrageloop kost wat langer dan een of twee jaar. Natuurlijk is de neiging me met anderen te vergelijken niet opeens verdwenen, en ik zie nog steeds dat anderen, die ook nog maar kort lang lopen, veel meer aan lijken te kunnen dan ik, maar mijn gedachten daarover zijn geëvolueerd van ‘als zij het kunnen, moet ik het ook kunnen,’ via het zelfmedelijdende ‘waarom zij wel en ik niet?’, via het jaloerse ‘vroeg of laat moeten ze zichzelf een keer tegenkomen, dat kan niet anders,’ naar ‘het is jammer, ik zou meer willen doen, maar meer dan dit trekt mijn lichaam (nog) niet.’

Ik begon ruim twee weken geleden weer met trainen, omdat lopen nu eenmaal het lekkerste antidepressivum is dat er bestaat ik de mogelijkheid open wilde laten om in september de RUN te lopen. Ik had mij daar, wijs geworden door vorig jaar, nog niet voor ingeschreven, en had bedacht dat ik pas eind augustus zou beslissen, maar eigenlijk ging ik er toch wel van uit dat het zou kunnen. De eerste trainingen gingen echter niet overweldigend lekker en soepel. Zo liep ik vorige week zondag mijn vertrouwde rondje om Schalkwijk, van ruim 13 kilometer, en voelde ik me de rest van de dag alsof ik op z’n minst het rondje Haarlem had gelopen. Afgelopen zaterdag liep ik ruim 23 kilometer door de duinen. Heerlijk, de wind, de zon, de weidsheid meestal, de beschutting van het bos soms. Dorstig weertje, dat wel, ik had misschien iets meer water mee moeten nemen (of eerder moeten bijvullen). En aan het eind voelde ik me wat licht in het hoofd – de lunch was inmiddels toch wel lang geleden, en iets te eten had ik niet bij me. Dat ik langzaam gelopen had, maakte me op zich niks uit, ik hoefde niet te scoren of zo, alleen: zo langzaam voelde het niet. En na het fietstochtje naar huis voelde ik me nog uren slap, hoeveel vocht, koolhydraten en eiwitten ik er ook in gooide. Ik ben toch niet de enige die zich na een training ook wel eens belabberd voelt, en niet altijd maar verkwikt en opgeknapt, blij en opgewekt en moe maar voldaan en dat soort zaken? Dat overwoog ik even om op facebook te zetten.

In mijn feedback naar Henny probeer ik eerlijk te zijn, de zaken niet mooier voor te stellen dan ze zijn – ook niet slechter overigens. Henny pikt uit mijn commentaar bij de afgelopen week wat dingen als een hoge rusthartslag, slechte nachtrust, last van hamstring, spierpijn in kuiten, erg vermoeid na een training, excuses om niet te trainen, uren na training nog een belabberd gevoel, en adviseert rust.

Hm, ik was alweer min of meer serieus, zij het voorzichtig, begonnen met opbouwen, en mag nu dus weer even terug naar af. Voelt suf, maar liever ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald – het blijft een waarheid als een koe.

Geen Winschoten dit jaar dus. Nou niet zeggen dat ik daar niks aan mis, want alles wat jullie kunnen aanvoeren, kan ik zelf ook bedenken. Ik wil ‘m toch graag een keer doen. Punt. En ja, dat kan later altijd nog een keer. Of niet. En nee, erg is het helemaal niet. Vind ik ook. Zeker nu er een prachtig alternatief voor dat weekend is. Iets met vrienden, kamperen, houtvuurtje, lekker eten en drinken. En ik ben erbij.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 4 reacties

Belangrijk?

Ik kan het wel zo makkelijk schrijven, dat wat je doet, er in wezen niet echt toe doet, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik er ook altijd zo gemakkelijk naar kan leven. Kijk, dat hardlopen een spel is, dat vind ik niet zo heel ingewikkeld om te blijven zien, maar dat ook de studie een spel is, inclusief het geploeter met een scriptie, en dat ook het werk waar ik mijn brood mee verdien een spel is, daarmee ligt het toch wat ingewikkelder. Nou is werk momenteel niet echt een item. Ik neem tijdelijk voor lief dat ik werk doe dat mijn hart niet heeft, maar dat ook weer niet vervelend is om te doen, en dat me veel vrijheid (in de vorm van vrije tijd, zodat ik lekker veel kan hardlopen) geeft. No big deal.

Maar die studie hè, die studie. Amai.

En dan gebeurt het zomaar dat je een docent op de faculteit tegenkomt met wie je ook facebookbevriend bent, en dat ze dan tegen je zegt: “Hee, ik dacht dat jij alleen nog maar aan het lopen was.” En een vriend van je die zegt dat hij dacht dat die scriptie van je al lang klaar was. En wacht, gaf hij je een poos geleden ook niet, nota bene, een hárdloopboek, in plaats van, zoals gewoonlijk, een oosters-filosofisch boek? En die vriendin, die opmerkt dat het zo lekker gaat met hardlopen bij je, en dat je dan denkt: ja maar, ja maar, dat hardlopen is best leuk en aardig, maar ik ben eigenlijk vooral met mijn scriptie bezig – ging het daar maar net zo lekker mee.

Dat ik vooral over hardlopen schrijf, wil dus niet zeggen dat ik hardlopen belangrijker vind dan filosofie en studie, maar gek genoeg betekent het juist dat het me niet zo goed lukt die studie óók als een spel te zien. Op de een of andere manier is mijn zelfbeeld veel nauwer verbonden met mijn studie, en voel ik me dus kwetsbaarder als ik daarover schrijf. Bovendien, ik moet het toegeven, voelde het misschien ook een beetje als falen dat het maar niet wilde lukken, met dat kreng van een scriptie – terwijl het hardlopen over het algemeen best lekker gaat. Nou ja, en op momenten waarop het dáár niet zo lekker gaat, schrijf ik er makkelijker over, omdat ik me er minder mee verbind. Dus.

“Voelde”??? Ja, inderdaad, dit staat in de verleden tijd. Ik schreeuw het niet van de daken, maar mijn scriptie is af. Sinds gisteren. Ik wacht nog op de grote blijdschap.

En ondertussen ben ik aan het herstellen van mijn bergloopje. Ik weet dat daar een week of zes voor staat, maar het valt me toch een beetje tegen dat vier weken na dato mijn rusthartslag nog een aantal slagen hoger is dan wat ik als normaal beschouw. Ik ben na een paar weken voorzichtig weer begonnen met lopen, maar zo nu en dan sla ik nog een training over. Moet kunnen. De geïnteresseerde loper is het misschien opgevallen dat mijn pagina met loopplannen niet verder reikt dan 12 juli jongstleden. Ik heb wel wat ideeën, maar wacht er nog even mee die ideeën om te zetten in plannen. Eerst die vermoeidheid mijn lichaam uit.

Over belangrijk. Vorig jaar na mijn bergloopje, wist ik wat mij te doen stond. Mijn bovenbenen moesten sterker worden, zodat die in de afdalingen niet zo snel zouden verzuren. En als ik sneller wilde zijn tijdens zo’n loopje, viel er ook nog wel wat te winnen door korter bij de verzorgingsposten te blijven hangen. Dit jaar ging het met de bovenbenen een stuk beter. Naar mijn idee heb ik helemaal niet zoveel meer heuvelwerk gedaan dan vorig jaar, maar kennelijk maakten die Middenduintrainingen en die ene mul-zand-heuveltraining in de Waterleidingduinen toch verschil. En de squats, al doe ik die een beetje besmuikt en onder het motto: baat het niet, het schaadt hopelijk ook niet. Maar het terrein was ook lastiger dan vorig jaar, waardoor de afdalingen wellicht wat voorzichtiger gingen, zodat ik ook daardoor minder verzuurde. Wat de verzorgingsposten betreft: bij de eerste twee posten ben ik relatief snel doorgelopen. Daarna interesseerde het me eerlijk gezegd geen moer meer, en bleef ik hangen zo lang als goed voelde, hoe vaag dat als criterium ook is.

Over belangrijk. Ik was 125e finisher van de 173 finishers, 9e van de 10 gefinishte vrouwen. Niet echt iets om indruk mee te maken. Maar hoe onbelangrijk ook, stiekem vind ik het toch erg leuk dat ik een van de finishers ben, terwijl meer dan 50% heeft moeten uitstappen. En dat ik een van de 10 vrouwen ben die gefinisht zijn, terwijl er 27 van start zijn gegaan. Dus dat heb ik nu toch even en plein publique gezegd.

En dat ik dan tóch achteraf denk: had dat nou niet wat sneller gekund? Steil bergop, daar laat ik veel liggen, naar mijn idee. Daar wil ik komend jaar graag aan werken, dat ik daar sneller op word. Krachttrainingen? U zegt het maar. En wederom: korter bij de verzorgingsposten blijven hangen misschien. Dat kan. Maar ik weet nu eigenlijk al: als ik volgend jaar weer zo’n dag, of misschien wel twee dagen, door de bergen loop, vind ik het wel best. Dan kan het me helemaal niks schelen hoe lang ik erover doe (zolang ik me maar geen zorgen hoef te maken over de cut-off times). Presteren is mooi, maar alleen zolang het bijdraagt aan het plezier, en niet als het er ten koste van gaat. Zoiets.

Zo nu en dan denk ik aan de tocht terug. Vooral het gedeelte rond de Grote Sint-Bernhard heeft indruk op me gemaakt. Wat voelde ik me gelukkig, toen ik daar liep. Wat een zegen, om zomaar 28,5 uur achter elkaar door de bergen te kunnen lopen. Ik verheug me op volgend jaar.

 

Geplaatst in filosofie, hardlopen | 4 reacties

Serieus, niet belangrijk

“Ich nehme meine Arbeit ernst, aber nicht wichtig.”
Woorden van Alfred Polgar, door Han Voskuil geciteerd in een van de recensies van zijn hand, die nu opnieuw zijn verschenen in het boek Ik ben ik niet. Ik lees de woorden tijdens een van de ruim vier dagen die ik onder de wing naast mijn tentje doorbreng op de camping in La Fouly, luisterend naar het gestage getik van de regen. Regelmatig kijk ik van mijn boek op om te genieten van het prachtige uitzicht op de Glacier de l’A Neuve, waar ik mijn plekje, zo hoog mogelijk op de camping, speciaal op heb uitgezocht. Wat ik zie, is echter geen gletsjer, maar een dikke, grijze mist.

De woorden van deze Polgar spreken mij aan. Wat je doet in je leven, is volgens mij in wezen onbelangrijk, maar dat wil niet zeggen dat je het niet met de grootst mogelijke toewijding kunt doen. Hardlopen is wat mij betreft exemplarisch hiervoor. Natuurlijk is het maar spel, maar toevallig wel een spel waar ik buitengewoon veel plezier aan beleef, en ik heb er dan ook veel voor over het spel zo lang mogelijk te kunnen spelen, op zo hoog mogelijk niveau. Een hoger niveau (een gamer zou ‘volgend level’ zeggen) hoef ik niet te bereiken vanwege enige vorm van status of aanzien, maar omdat een deel van de lol van het spel er voor mij nu eenmaal in bestaat het maximale uit mijzelf te halen. Dat betekent dat ik mij met veel plezier behoorlijk serieus en gedisciplineerd voorbereid op de loopjes die ik op mijn agenda heb staan, ondertussen proberend het belang van die loopjes te blijven relativeren.

Dat laatste blijkt even niet gemakkelijk te zijn als ik de dag voor de grote wedstrijd, de Trail Verbier Saint-Bernard, een sms’je van de organisatie krijg waarin gezegd wordt dat de route is aangepast. De Catogne en de Col de Breya zijn, uit veiligheidsoverwegingen, uit het parcours gehaald. Vooral het aantal hoogtemeters gaat daardoor drastisch omlaag. Shit, daar baal ik van. Ik weet dat ik me heb ingeschreven voor een zware wedstrijd, en had erg graag de originele route gelopen. (Dit betekent geen kritiek op de organisatie, overigens. Ik ga ervan uit dat die dit naar alle eer en geweten zo besloten heeft, en óók liever het originele parcours had aangehouden.) Als ik mijn teleurstelling tegen mijn hardloopvrienden uit door te zeggen dat het nu geen bikkel-, maar juist een watjeseditie wordt, leidt dat bij een van hen tot onbegrip. Hij denkt dat dit betekent dat ik de zwaarte van de route onderschat, dan wel mijzelf overschat, wat misschien op hetzelfde neerkomt. Maar als je dat denkt, dan ken je mij niet. Ik realiseer mij donders goed dat ik het retezwaar ga krijgen, met aangepaste route nog steeds, maar dat is toch ook wat ik hierin opzoek? Nou ja, en ik baal ervan dat áls ik de race uitloop, ik toch het gevoel zal houden dat ik hem net niet helemaal echt heb gelopen. En daar komt het belang van het relativeren om de hoek kijken. Gaat het me dan misschien stiekem tóch om de status en de vergelijking met anderen?

vsb startfoto frans

foto: Frans van Huizen

Ik sta de volgende morgen vrij ontspannen in het startvak. Ik sta dan wel bekend als een twijfelaar, en inderdaad heb ik in de aanloop naar de race genoeg getwijfeld (over de terugkeer van voorbijgedachte blessures, over de eventuele onverstandigheid van het lopen van ruim 90 kilometer op het Twentepad, over het al of niet doortrainen daarna, over de eventuele onverstandigheid van het lopen van vier dagen met bepakking in de week voor de loop der lopen), maar gek genoeg heb ik tegelijk van mezelf het idee dat ik dit wel kan. De positieve ervaring van vorig jaar, bij de 80 du Mont Blanc, draagt bij aan dat vertrouwen. Ik weet nu beter wat ik kan verwachten, ook al is het een andere race.

De andere twee zijn van plan om samen te gaan lopen, zolang als dat gaat. Ik moet daar eerlijk gezegd niet aan denken, en trek mijn eigen plan. Dat plan bestaat uit: rustig weg, en verder maar zien. En zelfs dat tamelijk simpele plan blijkt al te ingewikkeld – zo heel rustig ga ik niet weg. Zolang we hardlopen door de straten van Verbier gaat het lekker, maar zodra we begonnen zijn met de helling naar Le Chateau merk ik dat ik boven mijn macht loop. Ik loop te zweten als een otter en te hijgen als een oud trekpaard, maar wil eigenlijk niet aan de kant stappen om anderen voor te laten gaan. Ik ben deze keer (hèhè) ook niet echt bang dat ik hier mijn kruit al verschiet. Ik herinner me dat ik het vorig jaar ook in het begin zwaarder had dan op het eind, en ik herinner me ook dat ik het tijdens mijn Alpencursussen eigenlijk óók altijd erg zwaar had aan het begin van de dag, terwijl ik dan later over het algemeen toch vrij goed mee kon komen.

De problemen ontstaan tijdens de afdaling. We lopen in het bos; ik vind het te donker om zonder lamp te lopen, maar met lamp beschijn je vooral de mist, zodat je nog niet echt lekker scherp zicht op de ondergrond hebt. Ik ga een keer onderuit zonder al te vervelende gevolgen. Wel vervelend is dat ik op een ander moment mijn linkerenkel verzwik. Gelukkig niet zo erg dat ik er niet mee door kan lopen, maar later, vooral op vlakkere stukken, voel ik dat de enkel gevoeliger is dan ik in eerste instantie dacht. Rottiger dan de pijn is echter dat de banden kennelijk opgerekt zijn (zo denk ik met mijn lekenverstand tenminste), zodat ik er maar doorheen blíjf gaan. Grrr. Elk lullig steentje waar ik op stap, en bam, het is weer raak. Dát maakt me dan toch wel even aan het twijfelen: als de pijn blijft zoals die nu is, loop ik er rustig mee door, maar hoe zorg ik ervoor dat het niet alsnog echt misgaat? Voorzichtig aan maar, er zit weinig anders op.

Bij de eerste verzorgingsposten blijf ik maar kort hangen. Twee bekertjes cola, wat klein snaaiwerk, en hup, on the go. Bij de lange stijging naar Cabane d’Orny, moet ik bezuren dat ik zo kort bij de post in Champex ben blijven hangen: om de haverklap moet ik plaatsmaken voor iemand die sneller is dan ik. Anders dan tijdens die eerste, korte, stijging, doe ik nu geen moeite het tempo van anderen bij te benen. Het is zwaar genoeg, de dag duurt nog lang, laat mij maar lekker mijn gang gaan. Als we in de buurt van de hut komen, klinkt het ietwat melancholische geluid van een trompet, en zie, het eerste moment van ontroering is daar. De hut is prachtig gelegen, en ademt een sympathieke sfeer. Ik krijg glimpen van de Glacier d’Orny en de Col d’Orny te zien als de bewolking even optrekt. Genoeg om te weten dat het hier schitterend is, maar pas nu ik de kaart nog eens bestudeer, begrijp ik dat er nog veel meer te zien zou zijn geweest als de wolken niet zo laag zouden hebben gehangen. Voor ik vertrek, arriveren er enkele groepen klimmers bij de hut. Ik vraag het hun niet, maar wellicht hebben zij de Aiguille du Tour beklommen. Met hun stijgijzervaste schoenen lijken zij hier meer op hun plaats dan wij, op onze trailschoenen, en ik hoor een van hen zeggen dat ze wel pech hebben dat de Cabane d’Orny net vandaag als verzorgingspost dienst doet voor een hardloopwedstrijd. Ik snap dat maar al te goed en tot mijn plezier weerhoudt het hem er niet van mij ‘bon courage’ te wensen als ik weer op pad ga.

IMG_6352

foto: Wilbert Vlassak

Als ik net aan de afdaling begonnen ben, kom ik eerst Wilbert, en even later Edwin tegen, op weg omhoog naar de hut. Edwin heeft het zwaar – en dat is een understatement – en baalt daar enorm van – en ook dat is een understatement. Ik geef hem een hug (jaja, als het erop aankomt, ben ook ik gewoon een softie), en wat goedbedoelde adviezen. Later bedenk ik dat zijn slechte gevoel vermoedelijk door de hoogte veroorzaakt wordt, en dat ik nog duidelijker had moeten zeggen dat hij een half uur in de hut zou moeten gaan zitten, in de hoop dat hij zich daarna tijdens de afdaling beter zou voelen. Ik hoop echt dat hij opknapt en het redt, maar heb het donkerbruine vermoeden dat dat niet het geval zal zijn. En als dat zo is, hoop ik dat Wilbert, die daarover in tweestrijd stond, besluiten zal om voor zijn eigen race te gaan… Best ingewikkeld, wat je allemaal kunt bedenken.

Tijdens de afdaling haal ik de een na de ander in, die stopt om zijn jas uit te trekken. Boven was het koud, maar gelukkig durfde ik erop te vertrouwen dat het iets lager, en tijdens het lopen, vanzelf weer warmer zou worden. Goed gegokt. Ik haal in, ik word ook ingehaald, en soms zeg ik tegen mezelf, net als tijdens de stijging naar de Orny: geen competitie jac, noch met mannen, noch met vrouwen; rustig aan, de dag is nog jong, en het gaat er alleen maar om dat je je eigen race loopt, zo goed als je kunt – maar dat betekent niet eens per se: zo snel als je kunt. Het duurt eindeloos voor ik beneden ben, en vervolgens duurt het nog eens eindeloos voor ik weer wat hoger (maar kilometers verderop) de camping van La Fouly bereik. Bij de post is het druk. Ik zoek brood en kaas, maar vind het niet. Dan maar weer zoetigheid. Ik lees sms’jes van twee vrienden in Nederland die me blijken te volgen via internet. Het tweede moment van ontroering. Ik ga maar eens plassen op een gore dixy en zie daarna geen excuus mijn vertrek nog langer uit te stellen. Het is ongeveer kwart voor drie, en ik loop mooi op het schema dat ik van tevoren zo’n beetje had bedacht.

We gaan nu het Val Ferret verder in. Het allereerste stukje van de klim die nu volgt, heb ik tijdens een van de regendagen op de camping verkend, maar dat was werkelijk maar een piepklein stukje. Henny had me vermanend ge-sms’t om “nu geen gekke dingen meer” te doen, maar alleen een paar keer een stukje te gaan hardlopen om het hardloopgevoel terug te krijgen na de vierdaagse trektocht in Gran Paradiso, en braaf als ik ben, hield ik mij daar keurig aan. Als we vanaf het brede pad een smal pad door graslanden opgaan, begint de modderellende. Fijn vind ik het niet, maar in dit stadium is de modder nog niet in staat mijn humeur te bederven. Ik haal een man in die behoorlijk langzaam loopt, en vraag hem: “Ça va?” Om niet al te onbeleefd te zijn, kijkt hij opzij, en antwoordt: “Ça va.” Oef, die was niet blij met mijn aandacht. Mij heeft-ie er niet mee hoor, ik blijf het heus wel naar mijn zin hebben, hoe onblij hij ook op me reageert. Ik ben inmiddels echt met ‘mijn’ wedstrijd bezig. Nait soez’n, moar deurlopen. Ik loop lekker in mijn eigen coconnetje. Het is prachtig hier, hoe dieper we het dal in komen, hoe mooier het wordt. Het enige dat een beetje irritatie bij me wekt, zijn de vele vliegen, maar hogerop laten die het vanzelf afweten. Het heeft al een paar keer wat geregend, maar ik heb het nog niet nodig gevonden mijn jas aan te trekken. Nu gaat het echter zo hard, dat ik besluit mijn rugzak toch maar even af te doen om mijn jas te pakken. Als ik weer verder wil gaan, besluit ik om toch ook nog mijn regenbroek te pakken. Ik heb maar een lange tight bij me, en ben bang te verkleumen als die zeiknat wordt. Ik voel me vervolgens behaaglijk in mijn regenkleding en ben weer eens blij met mijzelf.

IMG_6371

foto: Wilbert Vlassak

De omgeving wordt almaar mooier. Ik kom nu bij de Lacs de Fenêtre en loop hier in mijn eentje tussendoor. Aan de ene kant is het jammer dat het mistig en bewolkt is, maar de mist verleent tegelijk een heel eigen schoonheid aan de omgeving. Ik voel me zo ongelooflijk sterk, en ik ben zo blij dat ik de hele, lange dag hier in de bergen mag zijn, en het is zo goed allemaal, dat ik alweer ontroerd raak. Deze keer loop ik echt even te huilen. Ik ben gelukkig, en bedenk dat dit lange lopen door deze omgeving het allermooiste is wat er is.

IMG_6374

foto: Wilbert Vlassak

Op de Fenêtre de Ferret staat een controlepost. Op de foto’s van Wilbert zie ik later dat de mannen een tentje hadden, maar dat valt me niet op als ik er langskom. Goedmoedig staan de mannen daar te kleumen, om het een handjevol lopers mogelijk te maken een mooie dag te hebben. Het is dat ik nu weer even uit-ontroerd ben, maar ánders… En anders wel bij de post op de Col du Grand Saint-Bernard. Met stip de hartverwarmendste post van de dag. De zorgzaamheid van de vrijwilligers straalt ervan af. Niet helemaal voor niets – veel lopers komen verkleumd binnen en lijken de deken die hun aangeboden wordt hard nodig te hebben. Op een bepaald moment komt er een mij bekende loper binnen. “Ça va?” wordt hem gevraagd. Met tegenzin antwoordt hij: “Ça va.” Ik grinnik in mijzelf, maar ben bang voor hem dat deze post zijn Waterloo is. Ik vraag aan een van de vrijwilligers of er geen lopers in de problemen zijn gekomen, vandaag. Dat niet, maar er zijn veel uitvallers, zegt hij. Jammer, maar dat liever dan ongelukken, natuurlijk. Een medisch uitziende dame vraagt of ik zeker weet dat ik verder wil gaan. Eerst zeg ik half grappend: “Bien sur,” maar dan zeg ik, wat serieuzer, dat ik me sterk voel, en in elk geval door wil naar Bourg St. Pierre, en dat ik daar wel weer verder zie. Hoewel, en ik wijs naar buiten waar het inmiddels werkelijk hondenweer is, als ik dat zo zie? Inmiddels heb ik haar er echter van overtuigd dat ik me prima voel, geloof ik, want ze maakt een soort wegwerpgebaar, van: ach, als dát alles is? Leuk mens.

Gelukkig bedenk ik nog net op tijd dat het waarschijnlijk wel handig is om een thermoshirt aan te trekken. Ik had het tijdens het laatste deel al niet meer echt warm, en het ziet ernaar uit dat het alleen maar heftiger en kouder is geworden. En wederom ben ik blij met mijzelf en mijn onwaarschijnlijk grote verstandigheid. En dat voor iemand die er prat op gaat dat ze maar wat doet! De beklimming naar de Col des Chevaux is niet zo lang, en aan de andere kant begint het feest. Een steile afdaling, compleet met inhaalverbod.

vsb sneeuwfoto frans

foto: Frans van Huizen

Ik ga nog steeds lekker, en loop zeker en steady in dit terrein. Alleen duurt de afdaling me veel te lang. Ik herinner me uit het roadbook dat we beneden bij een stuwmeer komen, en meen me te herinneren dat aan het eind van dat stuwmeer Bourg St. Pierre ligt. Niet alleen is het stuwmeer veel uitgestrekter dan gedacht, maar aan het eind gekomen blijkt Bourg daar nog niet te zijn. Ik had gehoopt en verwacht voor het donker in Bourg aan te zullen komen, maar dat blijkt valse hoop te zijn geweest. Ik probeer het in de schemer nog een tijdje vol te houden zonder lamp, maar moet me dan toch overgeven. Ergens komen we langs een buitengewoon romantisch huisje in the middle of nowhere, waar geen mens te zien is, maar men de buitenlamp heeft aangedaan. Voor ons, lopers, denk ik zo. De post in Bourg St. Pierre is groot en ongezellig. Ik begin het contact met andere lopers nu toch wel te missen. Vanmorgen had ik nog allemaal kleine gesprekjes, maar vanmiddag en vanavond lijkt men niet zo genegen te zijn tot enige vorm van social talk. Ik eet een bord spaghetti met geraspte kaas en drink, uiteraard, cola. Ik haal mijn zak met reservekleding en -voedsel, maar weet niet goed wat ik zal doen. Ik voel dat ik enorme blaren heb, maar durf niet goed voor andere schoenen te kiezen. Ik weet nu wat ik aan de La Sportiva’s heb, en met de Salomons die in de zak zitten, heb ik nog weinig ervaring. Wel trek ik schone sokken aan, al begrijp ik dat het plezier daarvan van zeer korte duur zal zijn. De verleiding is echter groot om héél eventjes geen steentjes en ander ongemak in mijn sokken te hebben.

Ergens in de afgelopen passages ben ik bang geworden voor de nacht. Ik had niet verwacht zo weinig andere lopers op het parcours te treffen, en bovendien zie ik erg veel markeringsstokken waar het lint-met-reflectiemateriaal van afgewaaid is. Ik zie mijzelf al dwalen door de nacht in het hooggebergte, geen route meer te bekennen, laat staan een andere loper. Maar ja, wat wil ik dan? Ik wil dit toch, en nog veel langer dan dit, dan horen daar ook de nachten bij, dat wist ik toch van tevoren? Ik overweeg om Henny te sms’en, maar ik ben bang dat hij mij hiermee toch echt niet kan helpen. Zijn kundigheid reikt ver, maar dit lijkt mij een beslissing van een andere orde dan die waar de looptrainer een rol in heeft. Petra, van wie ik de hele dag sms’jes krijg, sms ik wel over mijn onzekerheid en twijfel, maar eigenlijk weet ik al dat ik het toch ga proberen. Ik voel me te goed om te stoppen, daar komt het eigenlijk op neer.

Op pad dus maar weer, met op zak nog de waarschuwing dat de Cabane de Mille ‘complet’ is, en wij daar dus niet kunnen blijven, mocht dat gewenst zijn. Nu doorgaan naar de Mille, betekent verplicht doorgaan tot Lourtier. Nou ja, nu doorgaan betekent voor mij: willen finishen, en de finish ligt nu eenmaal voorbij Lourtier. De eerste twee mannen die mij gezelschap hadden kunnen houden tijdens de nacht, gaan me te langzaam en ik stiefel ze voorbij. Dan maar alleen. Over het vinden van de route had ik me geen zorgen hoeven maken. Het begin gaat over een breed pad, niet te missen, en het vervolg gaat over een modderspoor dat getrokken is over grashellingen, evenmin te missen. Hier lijken de markeringen bovendien intact gebleven te zijn. Dat betekent niet dat ik het niet zwaar krijg. Ik ben aan het ploeteren met de modder. Ik glijd de godganse tijd uit, met elke stap blijft mijn schoen een stukje achter bij mijn voet, en ik word behoorlijk chagrijnig. Ik heb de wonderlijke gewoonte om hardop tegen mezelf te praten (sommigen zouden het pathologisch noemen) – “Immer redet sie,” zei de skileraar vroeger over mij – en ik ben nu flink aan het mopperen. Ik vind het allemaal maar oneerlijk en vraag me af waar ik dit aan verdiend heb. Ondertussen blijf ik verstandige dingen tegen mezelf zeggen, zoals dat het niet zoveel zin heeft me zo te verzetten, dat het daar heus niet beter van wordt. Dat is tegen dovemansoren, echter. Als ik al veel te lang aan het vechten ben, word ik ingehaald door een Fransman bij wie ik zowaar aan kan haken. Dat scheelt. Het maakt het lopen geenszins makkelijker, maar absoluut draaglijker. Iets met gedeelde smart en zo.

Om twee uur zijn we in de Cabane de Mille. Mijn tijdsbesef is weer eens volkomen verstoord, ik heb echt geen idee. Pierre-François, of hoe heet de goede man, kletst met de aanwezige vrijwilligers alsof hij ze al jaren kent. Ik ben slaperig, moe, en eerlijk gezegd nu misschien toch niet meer helemaal op mijn allerbest. Het Franse geratel gaat langs mij heen. Op een bepaald moment wordt het woord tegen mij gericht en ik hoor iets over Pays-Bas en football. Ik begrijp dat ‘we’ gewonnen hebben in de strijd om de derde plaats. Boeiuh. Maar ik waardeer dat ze me erbij betrekken. Alors, on y va. Tijdens de afdaling meer van hetzelfde. Modder. Een poosje loopt een jonge vent met ons mee die een schijnwerper op zijn hoofd heeft die de onzichtbare volle maan waarschijnlijk moet vervangen. Een mooi gezicht als hij daarmee rotspartijen beschijnt. We moeten ruim 1400 meter naar beneden, en opnieuw valt me dat lang. Bijkomend ‘dingetje’ is dat ik nu opeens om de haverklap moet plassen. En dan echt nodig plassen, niet zo dat je het ook makkelijk nog een half uurtje op kunt houden of zo… Elke keer zeg ik tegen mijn vriend-voor-de-nacht dat hij maar door moet lopen, ik kom wel weer. Dwingt me mooi om weer eens even wat vaart te maken met de luie benen.

Tegen vijf uur komen we in Lourtier aan, drie uur voor sluitingstijd van de post. Hier is het dan opeens weer vrij druk met lopers. Relatief druk, dan. Het grappige is dat ik natuurlijk heus wel weet dat de grote massa ver voor ons uit is, en dat dat logischerwijs de betere lopers zijn, maar mijn referentiekader wordt gevormd door de lopers die ik om mij heen zie. En vergeleken met hen, voel ik me prima, zo te zien. Van de tafels met eten en drinken naar de zitruimte, moeten we een trappetje af, en het lijkt alsof ik de enige ben die daar nog enigszins normaal naar beneden komt. Sowieso is het met de verzuring in de benen zoveel beter dan vorig jaar! Toen had ik na de eerste lange afdaling al vreselijk zere benen. Nu doen ze natuurlijk ook wel zeer, maar veel minder dan toen. De trainingen werpen hun vruchten af.

Wat volgt is een misdadige stijging. Ruim 1200 meter in net iets meer dan 5 kilometer. Een stijgingspercentage van meer dan 20% dus. Dat is echt niet normaal. In het roadbook staat: “Cette montee est un gros morceau de 1200m, arrivant en fin de parcours. Mieux vaut donc l’avoir anticipée avant.” Grappige jongens, die Fransen. O nee, Zwitsers. Ik zeg tegen Pierre-François dat hij nu echt vooruit moet gaan – dit steile stijgwerk gaat bij mij beduidend langzamer dan bij hem. Maar laat ik mijzelf niet uitvlakken: ik loop misschien niet snel, maar ik loop wel dóór, en zo haal ik langzaam maar zeker toch weer wat mensen in. Ik heb alleen razende honger, en stop even om een gel te nemen. Brr, goor. P-F pauzeert ergens, weer volop kletsend met een andere loper, en dan haal ik hem weer bij. Vlak na hem kom ik aan bij de laatste verzorgingspost. Dit is nu een punt waar ik in mijn eentje misschien wat sneller door zou zijn gelopen, zoals ik anderen ook zie doen, maar P-F gaat er rustig bij zitten, en ik sluit me daar maar bij aan. Ik denk aan wat Wilco van Rooijen schijnt te zeggen tijdens lezingen: “Alleen ga je sneller, samen kom je verder.” Ik was erg blij met het gezelschap van P-F tijdens de nacht, en wil nu ook de laatste afdaling met hem volbrengen. Wij zijn voor die afdaling in Lourtier gewaarschuwd: die zou erg modderig zijn. Op die waarschuwing reageerden de lopers wat lacherig: joh, módderig? Dat hebben we nog niet gehad. De afdaling is modderig. Dus. Erg modderig. Ik zak nu voor het eerst tot over mijn enkel weg. Gevaarlijk wordt het naar mijn idee echter nergens. Nu het weer licht is, gaat het afdalen sowieso veel makkelijker. P-F gaat wel om de haverklap onderuit, maar dat is niet ernstig en komt door gebrek aan concentratie. Denk ik. En vermoeidheid. Maar het eerste zal waarschijnlijk een gevolg zijn van het laatste.

Het laatste stuk is een eitje. En oef, nu vind ik het toch wel even lastig om solidair te zijn. Niet echt, ik twijfel er niet aan dat we samen die finish over moeten gaan, maar o, wat zou ik graag nog even een stuk een beetje doorlopen. Ik kan het, mijn benen doen nauwelijks pijn, mijn voeten doen weliswaar ongelooflijk pijn, maar dat doorsta ik wel. Deze keer ben ik degene die P-F op sleeptouw neemt, in die zin dat hij probeert ook hard te lopen. Snel gaat het niet, maar toch altijd nog sneller dan degenen die wandelend bijna stilstaan. Tergend langzaam gaan we door de straten van Verbier, waar een enkeling ons aanmoedigt. Poepoepoe, had ik al eens gezegd dat geduld niet mijn sterkste kant is? Het levert niet echt een juichende finish op, maar alla. Blij ben ik toch wel. Het is volbracht. Belangrijk was het misschien niet, maar mooi was het, heel mooi. Ik ben een tevreden mens. Serieus.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 9 reacties