Eigen plan eerst

Als ik de ene kant op kijk, zie ik daar mijn maatjes van de atletiekclub. Ik train met een groep redelijk fanatieke lopers, van wie er relatief veel hun hand niet omdraaien voor een marathon. De gangbare opvatting onder hen is dat je maximaal twee marathons per jaar kunt of moet lopen, meer niet.

Kijk ik de andere kant op, dan zie ik daar het ultraloperswereldje. Hier huldigt men de opvatting dat je niet maximaal twee marathons, maar maximaal twee 100-mijlers kunt of moet lopen, meer niet. Per maand dan, welteverstaan. Nou ja, bij wijze van spreken natuurlijk.

Kijk ik naar mijzelf, dan zie ik iemand die zich te veel vergelijkt met anderen, die geneigd is vooral te kijken naar de mensen die de hele wereld aan lijken te kunnen, die nooit last van blessures lijken te hebben, de ene mooie, lange loop na de andere doen, en daar maar niet moe van lijken te worden. Ik zie, als ik naar mezelf kijk, iemand die niet alleen lijdt aan het fomo-syndroom, maar die ook nog eens bang is een pieperd te zijn, niet stoer. Iemand die lichtelijk gestoord wordt van alle aankondigingen en prachtige filmpjes op facebook van mensen die zich voor het zoveelste leuke loopje hebben ingeschreven en er zó veel zin in hebben… Weg, weg, weg ermee, verbergen dan maar, want ik wil ook, maar ik kan niet en ik wil eigenlijk ook niet, maar ik wil tegelijk toch zo graag dat het me onrustig maakt.

Kijk ik naar het afgelopen jaar (het jaar is nog lang niet voorbij, maar qua serieuze loperij sluit ik het over twee weken af), dan ben ik dik tevreden over wat ik heb gedaan (vooral over de beide ‘hoofddoelen’ die ik had: de zestig van Texel liep ik goed, en die tachtig bij de Mont Blanc was een groot en onzeker, maar zeer geslaagd experiment – ik dacht dat ik aan iets dergelijks nog lang niet aan toe was, maar dat bleek wel mee te vallen). Ik zie echter ook hoe mijn fomo (voor wie het niet kent en nog niet heeft opgezocht: fear of missing out) mij regelmatig in de weg gezeten heeft verstandige keuzes te maken. Zo was het, denk ik, niet zo slim om drie weken na Texel (waar ik mijn eerste 60km liep) alweer 60 te gaan lopen bij Limburgs Zwaarste (maar het was wel heel leuk). Of La Grimace (55km) en de Ohmtrail (35km) te veel waren, weet ik niet. Het dubbeldekkerweekend (rondje Houtenburg 50km en de Brabantse Walmarathon) vier weken voor de 80 du Mont Blanc, leek mij op zich een prima training. Na dat befaamde rondje door de bergen, heb ik te weinig rust genomen. Het adrenalineniveau was kennelijk zo hoog, die eerste week, dat ik geen vermoeidheid voelde. Die kwam er later alsnog uit. Voor de Fantomes (50km) in augustus had ik me beslist niet moeten inschrijven, weet ik achteraf. Niet alleen was ik daar blijkbaar, nota bene zeven (7!) weken nadat ik een dagje 20 uur gesjouwd had, fysiek nog niet aan toe, maar ook was ik opeens de hele hyperigheid rond dit soort wedstrijden meer dan zat. Wat dat laatste betreft, was de Lochemtrail, ergens in september, dan weer een verademing.

Vandaag werd in Amsterdam de marathon gelopen. Acht jaar geleden stond ik daar aan de start voor mijn eerste marathon. Ondertussen heb ik er een stuk of wat in de benen, maar ik moet niet vergeten dat ik pas vorig jaar voor het eerst voorbij die 42,195km ben gegaan. Bovendien ben ik meer gaan trainen dan ik altijd deed – mijn eerste marathons heb ik vrijwel allemaal gelopen op 2 à 3 keer in de week trainen. Ik moet me niet te veel vergelijken met mensen die al jaren ultra’s lopen – ik ben nog steeds een broekie in dit wereldje. Ik moet me ook niet te veel vergelijken met mensen die net zulke broekies zijn als ik, maar die het allemaal probleemloos aan lijken te kunnen.

Bij de herfstloop Berg en Dal praat ik er met Hannah over, die een jaartje eerder dan ik de afstand heeft uitgebreid tot voorbij de marathonafstand en die het allemaal veel rustiger opbouwt dan ik. Zij zit niet op facebook, dat scheelt vast (of ze heeft een wat standvastiger karakter, dat zou natuurlijk ook kunnen 😉 ). Na afloop praat ik met Wilbert, die tenminste ook gewoon moe is na zijn UTMB-avontuur (een vals stemmetje in mijn hoofd zegt direct dat dat dan natuurlijk ook wel een rondje is dat twee keer zo lang is als die schamele 80km van mij…) en die gewoon zegt dat Berg en Dal eigenlijk te snel kwam voor hem, en die ervoor kiest de Beartrail eind oktober niet te doen, hoe graag hij dat ook zou willen. Ook hem valt op dat veel mensen aan wel heel veel wedstrijden meedoen. Dat moeten ze natuurlijk vooral lekker blijven doen, maar het is wel handig (voor mij althans) me ervan bewust te blijven dat dat een trend is waar ik niet per se in mee hoef te gaan. Al is het alleen maar omdat mijn lichaam het niet trekt. Terwijl ik met Wilbert zit te praten, komt er zo nu en dan iemand afscheid nemen. Dat gaat als volgt: “Zien we je bij de Beartrail? Nee? Bij Olne-Spa-Olne dan? Nee? Bij de strandloop in januari dan! NEE???” Daar kan ik dan gelukkig nog wel om lachen.

Als ik tegen trainer/coach/masseur Henny zeg dat ik het lastig vind om steeds op de rem te staan, om bijvoorbeeld aan te geven dat ik in december, en met een beetje pech ook in januari, niet mee kan op een voorgenomen genietloopje van zo’n 45km in België, dat ik mezelf zo’n zeurpiet vind als ik steeds moet zeggen dat ik rust nodig heb, last heb van mijn heupen en wat dies meer zij, zegt hij dat veel schaatsers ooit verzucht hebben dat ze graag wat meer zouden zijn geweest als Jan Bos. Ik wist dat niet, maar kennelijk stond Jan Bos bekend als een pieperd. Een kuchje en hij sloeg al een training over. Maar hij stond vervolgens wel altijd op het podium bij belangrijke wedstrijden. Verder laat Henny niet af me te wijzen op sommige veellopers die met chronische blessures (blijven) lopen. De vraag is of ik dat wil.

Van Gideon krijg ik ondertussen wat tips voor komend jaar – hij schrijft in zijn berichtje vast niet voor niets de woorden RUST en HERSTELLEN in hoofdletters.

Als ik dan toch geneigd ben te veel naar anderen te kijken, laat ik dan de mensen naar wie ik kijk maar een beetje handig uitkiezen.

En verder heb ik práchtige plannen voor volgend jaar!

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 15 reacties

Langs bergen en door dalen

Het is een dag voordat code oranje wordt afgegeven in Nederland, dat bange landje aan de kust. Bij mij staat de code voor het rondje Berg en Dal, een natuurloop van 60 kilometer, allang op oranje, zo niet op rood. Schematechnisch gesproken valt ie net niet zo handig, drie weken voor de Berenloop – niet omdat drie weken te kort zou zijn voor het herstel, maar wel omdat een loopje van 60 kilometer op z’n minst een week minder snelheidstrainingen betekent. En dát zou weer niet erg zijn, ware het niet dat ik de Berenloop graag snel (voor mijn doen snel, dan altijd) zou willen lopen. Los van schema’s en snelheid echter, is Berg en Dal ook niet echt een aanrader op dit moment, omdat mijn lijf de laatste maanden wat krakkemikkig is. Heupen en rug vinden kennelijk dat het nu wel eens even mooi geweest is, met al dat lange geloop.

Zelf vind ik echter dat Berg en Dal gewoon moet, dit jaar. Vorig jaar had ik ‘m ook al graag willen lopen, maar kon het niet (al heb ik geen idee meer waarom dat was), en verstandige mensen kunnen nog zo hard tegen me zeggen dat zo’n loopje niet wegloopt, dat ik ‘m ook volgend jaar gewoon kan doen, maar volgend jaar is er weer iets anders waardoor het misschien niet uitkomt. En zeker als ik de deelnemerslijst zie, waarop veel oude en nieuwe bekenden, mensen die ik graag wil zien en spreken, verklaar ik mijzelf kleurenblind, en zie ik oranje/rood aan voor groen. Wel besluit ik tijdens mijn laatste lange duurloop, waarbij opnieuw na ruim 20 kilometer mijn energie op is, en ik om de haverklap door mijn heupen zak, om weliswaar te stárten, maar er nu eens serieus rekening mee te houden dat ik na 30 of 40 kilometer zal stoppen.

En dus stap ik op zaterdagmorgen om kwart voor 7 in de auto richting Berg en Dal. Het is donker, erg donker. Ik ben verbaasd dat er al meer mensen buiten zijn, tot ik me realiseer dat het nu ook weer niet echt midden in de nacht is, al voelt het wel zo. Onderweg wisselen mistbanken en uitzichten op de opkomende zon elkaar af. Het belooft een mooie dag te worden, maar als ik mijn auto daar bij Berg en Dal geparkeerd heb en naar de kantine van de tennisbaan loop, is het mistig en ijskoud. Ik vraag me zelfs heel even af of ik geen handschoenen had moeten meenemen.

In de kantine heerst de bekende drukte en gezelligheid. Het lijkt alweer lang geleden dat ik Willem en Annemarie zag. Ik begroet zoveel mogelijk bekenden, en maak kennis met een enkele voorheen onbekende, maar er is natuurlijk veel te weinig tijd om met iedereen fatsoenlijk bij te praten. Willem houdt een praatje en weg zijn we. Rustig aan, kletsend in de meute, een bospaadje op en voor we het weten, komen we wat snellere lopers in tegengestelde richting tegen (ik zie de verbaasde blikken van Cinta en Mildred) – kennelijk hebben we al ergens een bordje gemist en zijn we foutgelopen. Verwarring alom. Rechtsaf maar, we zien toch al snel weer een bordje naar links, en een poosje later lopen we de trap af waar de snelle lopers vandaan kwamen. De grote meute is nu verdwenen, waarschijnlijk heeft niet iedereen het rondje nog even ‘goedgemaakt.’ Ik heb de route in mijn gps gezet, en heb me voorgenomen nu toch maar wat beter op te letten of we wel op de juiste route blijven. Toch blijken we niet veel later weer, geheel en al per ongeluk, een stukje afgesneden te hebben. Bij ons groepje van dat moment, loopt iemand die het rondje vanaf het begin elke keer heeft gelopen, en hij weet zeker dat we van een andere kant bij een open veld hadden moeten aankomen dan wij doen. Van de drie mogelijke schermpjes waar ik tijdens het navigeren uit kan kiezen, is er maar een waar ik iets van snap en waar ik iets mee kan. Wanneer de route zichzelf echter ergens kruist, kan ik op dit schermpje alleen zien waar de lijntjes heen lopen, maar niet welk lijntje ik op dat moment moet volgen. Daarvoor zijn de pijltjes aan de bomen dan weer handig, maar ja, die weet ik ook nogal eens te missen. Gelukkig loop ik veel later nog een keer een stukje fout, zodat ik de hier gemiste meters goedmaak en toch aan de (ruim) 60 kilometer kom.

Na deze twee vroege missertjes loopt het echter voorlopig goed. Het is ontspannen lopen, en de omgeving en het weer zijn zo mooi, dat ik het ene oh-en-ah-moment na het andere beleef. Als het de hele dag zou hebben geregend, waar ik vrijdag van uitging, had ik het ook best gevonden, maar ik ervaar de zonneschijn als een extra cadeautje. Wat een bof om hier te lopen en wat geef ik mezelf groot gelijk dat ik de kleuren van de code een beetje door elkaar heb gehaald.

Bij de eerste verzorgingspost (cola!) gaat het thermoshirt uit. Handschoenen? Wie heeft het over handschoenen? Bij de tweede post (meer cola) waag ik me aan een witte boterham met kaas. Lekker. En een stukje ontbijtkoek, want suikers zijn handig, zit ergens in mijn hoofd opgeslagen. Bij de derde post (we zitten inmiddels op 32 kilometer) staat Annemarie met de camper. Een bekertje vanillevla natuurlijk. En voor deze pseudovegetariër wordt een bekertje tomatensoep-met-ballen zonder ballen geregeld. Dat smaakt goed – en dat is maar goed ook, want ik heb er zeker nog een kilometer of 20 plezier van, van die soep. Bij de vierde post (geen cola? ai!) snaai ik tucjes en stop ik bij vertrek een dropje in mijn mond voor onderweg.

Ik vorm inmiddels al een hele poos een tweemanschap (v) met Hannah, en het is voor het eerst dat ik tijdens een loopje mijn plaspauze afstem op die van een ander. Terwijl ik echter in het begin iets sneller liep dan zij, begin ik het vanaf een kilometer of 40 behoorlijk zwaar te krijgen, terwijl Hannah nog steeds lekker draait. Na de post op 42 kilometer loop ik nog een paar fraaie kilometers in haar kielzog over de Mookerheide, en heb ik nog een páár keer een korte opleving, maar op een bepaald moment loopt Hannah bij me weg. Een stukje voor ons zie ik Wilbert lopen, en ik zie de afstand tussen hen beiden kleiner worden, maar ik moet hen laten gaan. Ik heb al een poosje last van mijn darmen en het is niet anders, ik moet de bosjes in. In de tussentijd word ik door een aantal lopers voorbijgegaan, en ik loop in mijn eentje verder.

Bij een verkeersweg moeten we rechtsaf over het fietspad. Even verderop zie ik een geel lint hangen bij een pad naar rechts. Hoewel dat geen afgesproken markering is, denk ik dat het wel zal kloppen. Ik loop over iets dat eruitziet en zwaar is als een mtb-pad, en ik heb niet bepaald het idee dat mij al enkele tientallen hardlopers zijn voorgegaan over dit pad. Volgens de gps zit ik echter nog steeds op de route, en het pad blijft parallel lopen aan de weg en het fietspad, dus ik denk dat ik me er geen buil aan kan vallen het te blijven volgen. Vlak voor een kruispunt pak ik het fietspad weer op. Het is alleen wel gek dat ik nergens markeringen zie, maar mijn schermpje lijkt aan te geven dat ik nog steeds op de route zit, en ik steek de weg maar gewoon over. Nu wordt het echter onduidelijk. Nergens markering, als ik het schermpje volg, moet ik een mtb-route op, ik volg nog wat kleine paadjes, totdat ik zeker en beslist van de route af ben. Tja, officieel moet je dan terug naar de laatste markering die je hebt gezien, maar het is werkelijk kilometers geleden dat ik zo’n zwarte pijl op een wit bordje heb gezien en ik zit er inmiddels al gedurende een kilometer of 10 een beetje doorheen, en ik moet er ook nog een stuk of 10, dus terug naar de laatste markering is een niet erg aanlokkelijke optie. Toch keer ik maar om en probeer dan maar op z’n minst het pijltje op mijn schermpje weer samen te laten vallen met het zwarte lijntje. En zowaar, na een poosje zie ik links van het pad een verheugend bekende markering. Bovendien twee wandelaars een stukje voor me op het pad dat de pijl me wijst – weliswaar lopen zij de tocht van 40 kilometer, en denken zij daarom dat ik fout zit, maar ik heb toch iets te veel vertrouwen in de route op m’n gps om mij dat wijs te laten maken. Ik neem aan dat de 40 en de 60 kilometer inmiddels weer versmolten zijn.

Ik heb een paar krentenbollen in mijn rugzak, ik heb een paar prachtige, lekkere, officiële sportrepen bij me, maar ik loop al een hele poos met een enorm energietekort, alleen maar omdat ik de moed niet kan opbrengen om iets te eten te pakken. Nu móet ik van mezelf een reep nemen. Die smaakt goed, maar brengt de energie niet terug. Mijn darmen blijven van slag en ik word rillerig. De zon is inmiddels ook al een poosje weg, en het wordt killer in het bos. Het is nu een kwestie van afzien en gewoon maar doorlopen. Ja, ik heb ook last van mijn heup, bil en hamstring, maar eigenlijk valt die pijn me alles mee. Stoppen is allang geen optie meer, en lijkt me ook niet nodig. Ik hoop dat er nog een verzorgingspost komt, al is het alleen maar omdat dat een welkome afwisseling zou zijn. En ja, na een poosje staan er midden in het bos weer een paar vrijwilligers achter een tafeltje met plastic bekertjes en flessen frisdrank (verbazing: “bijna iedereen wil cola”). Ik sla nog zo’n bekertje verrukkelijk vergif achterover, en waag me aan de laatste kilometers.

In de kantine heerst de bekende drukte en gezelligheid.

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

“Het gaat goed, hè?”

Bij de Lochemtrail staan ergens redelijk in het begin, bij een toren (een watertoren?) een man en een vrouw in van die oranje hesjes. Parcourswachten? EHBO’ers? Ik gok met terugwerkende kracht het laatste.

De vrouw zegt tegen me: “Het gaat goed, hè?” Ik ben al vanaf de eerste meter met mezelf aan het knokken, op zoek naar enige vorm van vorm, die volkomen onvindbaar zal blijken die dag, en antwoord: “Nou, dat zou ik niet durven beweren!” – het lopen mag dan niet zo lekker gaan, maar ik kan nog wel een volledige zin formuleren, met uitroepteken op de koop toe.

Kilometers later hetzelfde stel langs het parcours. Weer zegt de vrouw op opgewekte toon tegen me dat het goed gaat. Het gaat natuurlijk helemaal niet goed, maar deze keer ga ik er maar niet tegenin, alleen al om mijn energie te sparen, en ik volsta met wat gehum en een lach.

Een paar kilometer voor het eind staan ze er weer. “Zie je wel dat het goed gaat,” zegt de vrouw, “je loopt nog steeds!”

O, bedoelde ze dát? Zou ik gewoon te hoge eisen aan ‘goed gaan’ stellen?

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Fitter

“Wat ben je van plan?” vraagt Henny, als ik dinsdag bij hem op de bank lig voor een massage van zo goed als mijn hele achterkant. Ai, dat is een wel heel directe vraag. Ik laat het altijd graag een beetje in het midden, wat ik van plan ben, zodat ik niet afga als ik mijn doel niet haal. Schijterd. Als íemand mag weten wat ik van plan ben, is het Henny wel – de trainer immers, die geacht wordt mij, indien nodig, te behoeden voor al te doldrieste plannen. En als ik me tegenover íemand ook niet hoef te schamen, wanneer ik mijn doel niet haal, is het Henny wel. “1 uur 50,” zeg ik dus eerlijk. Henny vraagt of ik weet welke kilometertijd ik dan moet lopen. Ik gok op 5’20”. Thuis bereken ik dat het 5’12” moet zijn. Nogmaals: ai. Ik heb weleens sneller gelopen op een halve, maar of dat nu ook lukt? Ik gun mezelf dat het ook iets tussen de 1:50 en 1:55 mag worden. Lekker lopen, het is een immens cliché, maar toch ga ik er deze keer gewoon weer voor.

Ik ben wat aan het klooien, de laatste weken. Niet alleen zit ik mentaal niet zo lekker in m’n vel (huh? mentaal in een vel zitten? interessant…), maar ook lichamelijk valt er over van alles te klagen en te jammeren. Twee dagen na de Skyradiorun loop ik met Paula een superzalig rondje door de Kennemerduinen. We lopen rustig, en het gaat prima, maar na een kilometer of 24 is het op. Als we op het laatst de Brederodeberg oplopen, zak ik totaal door mijn heupen, ik kan onmogelijk rechtop blijven lopen. Thuisgekomen wil ik op de deurmat mijn schoenen uittrekken, die nat en zanderig zijn, en oef, het schiet in mijn rug. Niet vreselijk dramatisch, ik kan nog zitten, liggen, staan en lopen, maar lekker is het niet en pijnlijk is het wel.

De week erna is het bij de Lochemtrail 30 kilometer lang vechten voor me. Een prachtige loop overigens, met alles wat ik leuk vind bij een hardloopwedstrijd (kleinschaligheid, een mooie omgeving, sympathieke mensen, een gemoedelijke sfeer, lekker no-nonsense), maar jeetje, wat heb ik het zwaar. De week daar weer na loop ik een duurloop vanuit Nijverdal, waar ik een ruime week in het huis van mijn ouders zit. Als ik mijn schoenen aan wil trekken, herinnert de knoop in de veters van een van mijn Triumphs me aan het moment waarop het in mijn rug schoot… Het lopen gaat aanvankelijk verrassend goed, maar na 20 kilometer is de koek wederom op. Die heupen, gék word ik ervan. En natuurlijk verloop ik me in het zicht van de haven ook nog eens, zodat ik twee volkomen overbodige extra kilometers maak. Hoe frustrerend.

Voor vertrek naar Nijverdal heb ik me al ingeschreven voor de ZKA-loop, het jaarlijkse thuisloopje vanuit Haarlem – als ik dat niet gedaan had, zou ik ‘m misschien dit jaar hebben laten schieten, maar ja, es ist bezahlt, also es soll ‘runter, of zoiets. Dus spring ik vandaag om kwart over 12 op de fiets naar de stad. De start is pas om half 2, maar ik heb bedacht dat ik mijn kuiten vooraf misschien even kan laten masseren door Henny. Op die kuiten van mij kun je momenteel een liedje tokkelen – muzikaal gezien wellicht een interessante mogelijkheid, maar looptechnisch gesproken brengt deze situatie enig risico met zich mee. Het is nog rustig in de sportzaal waar de masseurs aan het werk zijn, zoals ik al verwachtte, maar dat neemt niet weg dat ik een kwartiertje moet wachten, omdat er net iemand voor me was die door Henny onder handen wordt genomen. Ondertussen klets ik wat met Stef, die op zaterdagmorgen met de groep van Henny traint – en die eigenlijk Steven blijkt te heten, zoals ik nu dankzij wat speurwerk op facebook ontdek – en voorzie ik ene Cor van kledingadvies (nee, je kunt rustig een hemdje aandoen – al heet dat bij mannen singlet, geloof ik: als je het koud krijgt, ga je vanzelf wat harder lopen). Als ik dan op de bank lig en Henny mijn kuiten onder handen neemt, levert hij voor deze ene keer geen commentaar op wat hij voelt. Hij is voorzichtig, vanwege het feit dat ik zo nog aan de bak moet, vermoed ik, en deze keer vlieg ik voor de verandering niet tegen het plafond. Als ik opsta en mijn schoenen weer aantrek, zeg ik toch nog maar even snel dat ik dat van die 1:50 niet weet. Altijd even indekken, je weet maar nooit. Henny maakt het natuurlijk niks uit, gewoon lekker gaan lopen, is zijn advies. Oké, zal ik doen.

Vanaf de start loopt het inderdaad lekker. Zo lekker, dat ik mezelf een beetje in moet tomen. Als ik op mijn horloge kijk en zie dat ik op dat moment 4’10” per kilometer loop, blijkt de noodzaak van dat intomen wel heel duidelijk. Zelfs in mijn aller-, aller-, allermeestoptimistische bui, zou ik er nog niet van durven dromen dat ik zo’n kilometertijd gemiddeld op een 10 zou lopen, laat staan op een 21. De stad door, het saaie stuk langs de Randweg, en dan afbuigen richting Elswout – een van mijn favoriete stukjes. Ik probeer vooral niet met anderen bezig te zijn, en ook niet te veel met mijn kilometertijden, behalve dan om ervoor te zorgen dat ik niet al te hard van stapel loop. Ik merk dat ik behoorlijk hard loop, daar heb ik mijn horloge niet voor nodig, om me dat te vertellen. Maar hoe voelt het? Kan ik op een ontspannen manier dit tempo blijven lopen? Als dat lukt, dan ben ik blij.

Bij Kraantje Lek de duinen in, het Visserspad op. We lopen hier nogal beschut, en het is warm. Heuvelop is niet mijn sterkste kant, merk ik ook vandaag weer – daar word ik ingehaald door mensen die ik heuvelaf weer voorbij ga. Maar het is nog vroeg in het parcours, we zitten op een kilometer of 8, en ik voel me prima. Bij de verzorgingspost op 10 kilometer krijgen we de wind van voren. Heerlijk vind ik de verkoeling die dat geeft, maar het wordt nu wel zwaarder om op tempo te blijven lopen. Ik hoor iemand zeggen tegen een loper die hier vandaag voor het eerst loopt, dat we nu nog een zwaar stuk door de duinen hebben, maar dat we dan op de Zeeweg komen en het alleen nog maar naar beneden gaat. Nou eh, die ervaring heb ik bepaald niet. In de Zeeweg zitten wat verraderlijke stukken vals plat, en dan krijg je het stuk langs de Brouwerskolkweg nog, waar je overduidelijk nog even mag klimmen, en dan de bruggetjes in/bij? het Houtmanpad nog…

Nou ja, veel valt er niet te melden, eigenlijk. Zoals gewoonlijk zijn de laatste kilometers zwaar. Het is heerlijk om niet naar mijn tijd te kijken bij de diverse kilometerborden, om vervolgens te berekenen wat een mogelijke eindtijd wordt. Ik weet dat ik gemiddeld nog boven de 12 km/u zit, en dat die 1:50 een gelopen race is, en met een pr ben ik niet bezig. Niet dat ik het niet bedenk hoor, dat een pr misschien mogelijk zou zijn, maar elke keer weet ik mezelf er weer heel gemakkelijk van te overtuigen dat dat niet is waar ik nu op uit ben, dat komt een andere keer wel weer. Lekker lopen – hoewel de laatste kilometers heus wel zo zwaar zijn dat je je kunt afvragen of dat nog wel onder de definitie van ‘lekker’ valt.

Na 1:44’27” ga ik over de finish. 15 seconden langzamer dan mijn pr, maar op een iets zwaarder parcours en met meer wind. En zonder te streven naar zo’n snelle tijd, wat ik die keer dat ik dat pr liep wél deed. Dik, dik, heel dik tevreden.

En meteen voel ik me ook een beetje bezwaard over het geklaag en gejammer over mijn lichamelijke kwaaltjes, de laatste tijd (nou ja, ik heb geprobeerd er niet al te veel over te zaniken, maar ik maak(te) me wel wat zorgen, eerlijk gezegd). Was dat dan allemaal onzin? Neuh, dat geloof ik toch niet, zeker niet als ik mijn linkerheup/bil/been zo voel na afloop. Maar conditioneel is er kennelijk niet zo heel veel aan de hand – al fitter ik dan niet mee met de ZKA, fit ben ik wel. Op naar Terschelling – nog 5 weken!

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

101fm

Ik kan het niet helpen, het is iets van het werk. En als ik voor datzelfde werk naar een dansfeest ga, dan kan toch niemand van me verwachten dat ik niet meedoe, wanneer dat werk vanwege iets met sponsoring is uitgenodigd om mee te doen aan een hardloopwedstrijdje?

Dus loop ik op vrijdagmiddag rond in het Amsterdamse Bos. Een beetje onwennig. De laatste tijd doe ik vooral aan loopjes mee waar ik voor mijn doen best veel mensen ken, maar hier speur ik tevergeefs naar mijn collega’s – de enige bekenden die ik verwacht aan te treffen. In de kleedkamer verbaas ik me vooral over de jeugdigheid van mijn medeloopsters. Een enkeling werkt haar make-up nog even bij. Juist ja. Je moet weten wat belangrijk is als je meedoet aan een hardloopwedstrijd.

Ik ben vroeger dan nodig is, het zal eens niet. Nadat ik ongeveer vijf keer de kleedkamer ben ingelopen om zogenaamd iets uit mijn rugzak te pakken of nog een slokje te drinken, besluit ik maar even een stukje te gaan inlopen. Ook dat ben ik niet gewend. De meeste loopjes die ik doe, zijn zo lang dat ik rustig de eerste kilometers kan gebruiken om in te lopen, maar als ik dat vandaag doe, is het loopje voorbij voor ik klaar ben met inlopen. Hoe doe je dat eigenlijk, inlopen? Ik loop rustig, en trek een paar keer een sprintje. Geen idee of dat ergens goed voor is, maar het voelt wel profi. Een beetje hakken-bil en kniehef – ook dat moet de indruk wekken dat ik weet wat ik doe. Ondertussen loop ik vooral te zweten en te hijgen, en vraag ik me af waar ik aan begin. Het is benauwd, ik heb dorst en ben drijfnat. En dan moet de wedstrijd nog beginnen. Tien kilometer staat er op het programma, twee rondjes om de Bosbaan. Geen idee of me dat heel snel zal lukken, richting pr-tijd bijvoorbeeld, maar onder de 50 minuten wil ik het toch in elk geval graag doen. Alleen dat voornemen al, legt een druk op het loopje die ik óók al niet meer zo gewend ben.

Een kwartier voor de start ga ik toch maar eens naar het startvak. Maar wat gek dat er nu nog steeds bijna niemand staat. Aha, de start is de andere kant op dan ik dacht, en de lopers staan allemaal áchter het hek, in plaats van ervoor. Als ik naar de ingang van het vak loop, zie ik Cinta staan. Kijk, dat vind ik nu eens leuk, om haar te zien, maar wat doet zij nu hier? Dit evenement is bestemd voor mensen/bedrijven die in de marketing- en communicatiebranche werkzaam zijn, en dat is zij bij mijn weten niet. Ze komt niet om te lopen, maar om te supporteren, zo blijkt. Wie of wat, wordt me niet duidelijk – een ander gespreksonderwerp heeft voorrang, en zoveel tijd hebben we nu ook weer niet om met elkaar te praten. Er bekruipt mij enige onrust bij het zien van het volle startvak waarin ik achteraan kan sluiten. Daar stuit ik meteen op mijn collega’s, drie in getal. Ik kan het niet maken om niet bij hen te blijven staan, vind ik, maar anders zou ik me stiekem toch een stukje naar voren hebben proberen te dringen. Vooral als me duidelijk wordt dat de groene ballonnen, die ik ergens heel in de verte bij de startlijn zie, de ballonnen van de 5’/km-pacers zijn. Ik doe heel relaxed, alsof het me allemaal niets uitmaakt, maar wat ik voel, is onrust. Dat gaat me wel wat kilometers kosten, om die groene ballonnen bij te halen en er (hopelijk) voorbij te gaan.

Na het startschot, dat ik overigens niet hoor, wandelen we gedurende 58 seconden naar de start. Daarna ga ik er als een speer vandoor, de iets langzamere lopers om me heen nodigen uit om er heel snel voorbij te gaan, in de hoop dat ik daarna het pad voor mijzelf heb. IJdele hoop natuurlijk, het duurt tot het tweede rondje, als de 5km-lopers eraf zijn, voor we normaal kunnen doorlopen. Inhalen via links is dat eerste stuk lastig, omdat meteen naast het fietspad het talud begint naar de weg – dat loopt iets te steil omhoog. Dan maar naar rechts en daar via het iets vlakkere gras. Ik zie later dat ik die eerste kilometers een paar keer een snelheidspiekje heb – ik vermoed dat dat mijn inhaalacties zijn. Ik kijk in het begin een aantal keren op mijn horloge om mijn snelheid te checken – een paar keer is die iets te hoog, maar de meeste keren ligt hij zo rond de snelheid die ik al eens eerder gelopen heb op deze afstand en op een 10 engelse mijl. Alleen heb ik het nogal zwaar. Het is echt warm en benauwd en ik heb dorst. Ik heb er spijt van dat ik uiteindelijk besloten heb mijn drinkgordel thuis te laten.

Dit is echter nog niets vergeleken bij de terugweg langs de andere kant van het water. Daar lopen we over een grindpad, en in de drukte loop ik in een grote stofwolk. Als trailloper mag ik misschien niet al te kritisch zijn over de ondergrond, maar dat grind zet niet erg lekker af, dus ga ik over het gras aan de linkerkant lopen. Als ik iemand achter me hoor, ga ik snel naar rechts, zodat de snellere loper me links kan inhalen. Ondertussen lopen de groene ballonnen nog steeds ergens voor me, maar dat duurt nu niet lang meer. De beide pacers lopen niet al te dicht bij elkaar, en ik overweeg even om een poosje te blijven hangen achter de voorste van de twee (die een bekende van een van mijn baantrainers blijkt te zijn – we wisselen een paar woorden met elkaar), maar daarvoor hoop ik toch nog net iets te sterk op een wat snellere tijd.

In de tweede ronde heb ik het nog steeds zwaar, maar de zon is inmiddels verdwenen, en na anderhalve kilometer in die ronde, begint het zowaar te regenen. Zalig! Ik kijk allang niet meer op mijn horloge, maar probeer zo ontspannen mogelijk te lopen, waarbij ik de druk niet al te zeer laat varen, zodat het tempo redelijk blijft. Ik voel op dit moment niet de hardheid om kapot te gaan, maar wil dit wel zo goed mogelijk afronden. Ik loop naar groepjes lopers toe, haal ze in, en word zelf ook soms ingehaald. Een groepje waarmee ik een poosje haasje over heb gespeeld, moet ik op de terugweg over het grind laten gaan. Het maakt niet uit. Ik ben tevreden over hoe het gaat, ik vind het toch weer leuk, zo’n 10 kilometer op een iets hoger tempo, en als ik over de finish ga, blijk ik nog een pr gelopen te hebben ook. Wie doet me wat?

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Vloeibaar

Zomergast van dienst afgelopen zondag was Daan Roosegaarde. Iets met kunst, met ontwerp, met technologie, met vooruitgang. Maar vooral iets met enthousiasme, met verwondering en openheid. Een schitterende uitzending, een prachtig mens. Het is stom om te vergelijken, maar ik kan het niet laten: een paar weken eerder zat Johan Simons aan tafel, en ook dat was een schitterende uitzending met een prachtig mens. Johan Simons is misschien iets meer ‘mijn soort mens,’ met hem voel ik me meer verwant, en die uitzending vond ik ontroerender, die raakte mij meer, maar ook deze Daan Roosegaarde is een feestje op zichzelf. Slim, een open blik en een open houding, enthousiast, verwonderd – alle filosofische kwaliteiten die een mens maar kan hebben, lijken zich in hem vergaard te hebben. En dan schijnt hij ook nog heel mooie en handige dingen te bedenken en te maken.

Twee uitspraken die hij in de laatste paar minuten doet, plaats ik op facebook – om op mijn manier iets van mijn enthousiasme over de man te delen. “De wereld is vloeibaar,” en “het is ook gewoon leuk.”

De laatste lijkt me niet al te ingewikkeld. Het is een cadeautje om te mogen leven, hier, nu, met beide benen op deze aarde van ons. Toch?

Maar wat spreekt me aan in de uitspraak dat de wereld vloeibaar is? Voor mij betekent het dat niets vaststaat, dat wij weliswaar geneigd zijn ons te concentreren op de vormen, maar dat het meer gaat om de leegte waarin die vormen verschijnen. Dat niets vaststaat, is echter moeilijk te verteren voor de mens – die is geneigd alles te bepalen, vast te stellen, er een begrip aan te hangen. Op een heel simpel niveau merk ik dat op facebook. Als ik iets plaats waaruit blijkt dat ik verschillende, tegenstrijdige gevoelens ervaar, dat ik zoekende ben, krijg ik 9 van de 10 keer adviezen om het een, dan wel het ander te doen. Maar waarom mogen die tegenstrijdige gevoelens niet gewoon allebei bestaan – het ene gevoel is niet waarder of beter dan het andere, wat mij betreft. Maar veel mensen willen kennelijk graag duidelijkheid – zo is het, en niet anders.

Nietzsches definitie van de mens als het nog niet vastgestelde dier, spreekt mij erg aan. Wij houden het echter niet uit om niet vastgesteld te zijn, en zoeken uit alle macht naar een identiteit die ons past. In wezen is die identiteit echter niet meer dan een vormpje, een vormpje waar wij ons aan vastklampen. In de kern zijn wij de open ruimte waarin die vorm verschijnt, de stilte waarin de geluiden verschijnen. In wezen zijn we volkomen vrij, maar gek genoeg verkiezen we onvrijheid boven deze absolute vrijheid, door ons te hechten aan van alles en nog wat. En het woordje ‘nog’ in Nietzsches definitie geeft prachtig de paradoxaliteit van het geheel weer – het suggereert dat in een later stadium de mens wél vastgesteld zal zijn, maar het ‘nog’ schuift met ons mee. Wij zullen nooit vastgesteld zijn, identiteit is maar een gedachte – en zoals bekend: je moet niet alles geloven wat je denkt.

“De wereld is vloeibaar,” uit de mond van iemand die met zo’n open blik in de wereld staat, ja, dat vind ik mooi.

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, filosofie | 1 reactie

Beetje doorlopen nu!

Het is vloeken in de trailrunkerk, maar ik houd niet alleen van lang lopen, niet alleen van in een mooie omgeving over onverharde en smalle en heuvelachtige paadjes lopen, maar ik houd er ook van om me zo nu en dan het snot voor de ogen te lopen om een zo scherp mogelijke tijd neer te zetten. Dat mag zélfs op asfalt zijn.

Zo, dat is er uit.

Vanmiddag voor een broodnodige massage bij Henny. Overleg over het programma in de rest van dit jaar, en over mijn plannen voor volgend jaar. In 2013 heb ik aan veel georganiseerde loopjes meegedaan – dat vindt niet alleen Henny, dat vindt ook een, eh, hoe zal ik hem noemen, een goede ultra/bergloper die er zo nu en dan iets van vindt, van wat ik doe. Dat vind ik zelf ook wel, alleen weet ik niet beter dan dat dat best moet kunnen – ik zie ‘iedereen’ om me heen immers hetzelfde doen.

Ik merk echter dat sommige van deze loopjes me niet helemaal het tevreden gevoel geven dat ik ervan verwacht. Dat ik vorige week vrij veel tijd nodig had om de Trail des Fantomes te lopen, boeide me werkelijk niet echt – ik had het niet al te zwaar gehad onderweg en had een prachtig loopje gelopen – en toch was een van de eerste dingen die ik na afloop bedacht, dat ik nú wel weer eens gewoon een echte wedstrijd zou willen lopen. Ergens serieus voor trainen, rekening houden met opbouwen en weer afbouwen, en dan gewoon zo hard mogelijk lopen. (Dat had natuurlijk bij de Fantomes ook gekund, maar niet onder de gegeven omstandigheden – lees: voor mij iets te snel na het rondje in de bergen.)

Gelukkig ga ik dit jaar de Berenloop nog lopen, en ben ik van plan om daar een beetje door te lopen – het hoeft geen pr op te leveren, maar een aardige tijd zou leuk zijn. Drie weken ervoor loop ik 60 kilometer bij Berg en Dal. Voor mijn snelheid is dat niet goed, zegt Henny. Ook al loop ik er rustig, het is alleen al door de afstand een flinke inspanning waarvan ik in de week erna zal moeten herstellen, zodat ik dan niet aan tempowerk toekom.

O.

Als Henny het zó stelt, wordt het opeens wel weer heel serieus. Ik begrijp dat het voor een goede tijd op Terschelling wellicht niet slim is, maar ik wil Berg en Dal zo graag lopen, dat ik dan maar een iets mindere Berenloop voor lief neem.

Wat verder nog? Volgende week een 10 kilometer. Ga maar gewoon snel weg, loop zo hard als je kunt en kijk als je over de finish komt wat je tijd is. Als je bij een 50 kilometer na 20 kilometer doodgaat, heb je een probleem, maar bij een 10 kilometer kun je best na 7 kilometer doodgaan, en dan houd je dat nog maar even vol, die laatste 3 kilometers.

Eh…

Dan in september de Lochemtrail, ongeveer 30 kilometer, geloof ik. Die kan ik ook best snel doen, meent Henny. Ga maar op marathontempo weg, ga maar uit van een marathontijd van 3:45 uur. Eh, maar dat is nog onder mijn snelste tijd. Moet ik op 5:20 of zo de kilometer weggaan? Weet je wel hoe snel dat is? Nou oké dan, dat hoeft niet per se (het is een trail, tenslotte, en geen wegwedstrijd), maar de boodschap is duidelijk: niet van dat watjesgedrag. Er ook weer niet als een idioot vandoor gaan natuurlijk, wel rekening houden met de afstand, maar ik hoef mezelf niet te sparen en mag best een beetje doorlopen.

Slik.

Bij het weggaan heb ik het nog even over de duurloop van afgelopen zondag. Het tempo van die duurlopen is grotendeels rustig, maar de laatste paar kilometer mag wat sneller. Ik zeg dat ik het laatste deel wel boven de 10 km/u loop, maar toch nog niet bepaald 11. Daarover zegt Henny dat het tijd wordt dat ik dat weer ga opzoeken – vanzelf komt het niet, en na al dat lange werk van de afgelopen maanden is het tempo er een beetje uit. Mezelf een schop onder de kont geven dus, om weer wat snelheid te creëren.

Pfff.

Misschien wil de kerk van het gij-zult-genieten-en-presteren-is-eigenlijk-een-smerig-woord-dogma deze afvallige toch weer in de armen sluiten?

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

Comfortzone

Men zegt dat je zo nu en dan en zo hier en daar uit je comfortzone moet stappen. Daar zou je rijker, rijper, wijzer, dapperder, gelukkiger misschien wel, door worden. Nu geloof ik weliswaar niet in zo’n groeimodel, maar misschien is het hiermee wel net zo gesteld als met dat hoefijzer boven je deur – dat het ook werkt als je er niet in gelooft (wie was dat toch ook alweer, die dat zei?).

Dus ga ik vanavond niet naar de atletiekbaan, maar naar een heuse party, in een bar ergens in het centrum van de grote stad. Iets met DJ’s en BN’ers. Met champagne en cocktails.

Eens kijken hoe ik mijzelf overeind weet te houden als ik zo ver buiten mijn comfortzone treed, en hoe ik me daarin lekker kan blijven voelen. Ik denk door goed bij mezelf te blijven, ervoor te zorgen dat ik ‘met mezelf blijf samenvallen,’ zoals Johan Simons dat zo mooi uitdrukte.

Door lekker binnenin mijn eigen comfortzone te blijven, dus eigenlijk.

Geplaatst in Geen categorie | 7 reacties

Prakkiseren

En weer kom ik terug van een weekend-met-loopje-en-volop-gezelligheid met een onvoldaan gevoel. En weer kan ik het niet laten erover te prakkiseren waar dat toch door komt…

Aan het loopje op zich ligt het niet. Een mooie route (met minder asfalt dan vorig jaar), rust onderweg, prima afstand. Deze keer kan het me ook echt niets schelen dat ik langzaam was – ik heb lekker gelopen, de zwaarte was puur fysiek, mentaal heb ik het geen moment zwaar gehad (nou ja, behalve dan misschien toen we omgekeerd waren na een stukje fout gelopen te hebben, en het wel heeeeeeel lang duurde voor we weer op de route waren), en ach, die tijd (iets langzamer dan verwacht en gehoopt weliswaar), who cares. Ik was allang blij dat de op de achtergrond aanwezige pijntjes zich niet bepaald ontwikkelden tot helse pijnen, en dat het lopen lekker ging als altijd.

Desondanks geloof ik dat ik dit soort loopjes misschien een beetje moet mijden in het vervolg. De hyperigheid (lang leve facebook) rond de Fantomes is allang het niveau ontstegen dat op mij nog als gelegitimeerd enthousiasme overkomt. En de gekkigheid dat je voor je (voor een Belgische trail aanzienlijke) inschrijfgeld een in mijn ogen foeilelijk shirt-met-startnummer krijgt dat je tijdens de loop moet dragen, tja – laten we het erop houden dat ik mijn hele leven al een hekel aan uniformen heb gehad.

Maar de gezelligheid dan? Ja, gezellig was het. Zeker. Ik vind het werkelijk leuk om zoveel bekenden te zien en (even) te spreken – maar toch, maar toch, ik weet het niet. Ik mis een bepaalde rust, denk ik. Die probeer ik in de drukte en gezelligheid wel in mezelf te bewaren en er een deel van mijn aandacht op gericht te houden, en dat lukt ook nog vrij aardig, maar toch – dat kost energie, kennelijk.

Het is een beetje gek om na afloop dan alle enthousiaste verhalen te lezen van andere lopers (gelijk hebben ze, laat dat duidelijk zijn), en te constateren dat ik deze keer niet werkelijk deel in hun enthousiasme. Het was oké, niets aan de hand (geen enkele reden voor bezorgde reacties!), maar net niet helemaal bevredigend. Dat is goed, want het zorgt ervoor dat ik er in het vervolg wellicht nog beter over nadenk waar ik voor kies. Waar word ik blij van? Die vraag moet ik elke keer weer opnieuw stellen. En de ene keer zal ik een gelukkige keuze maken, en de andere keer misschien een iets minder gelukkige. Maar die minder gelukkige zou op een ander moment juist weer een heel gelukkige hebben kunnen zijn en andersom.

En ondertussen leeft het leven zich gewoon voort. En dan kan het opeens zomaar gebeuren dat je van een avond Zomergasten blijer wordt (en verdrietiger ook) dan van een weekendje België.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 11 reacties

Aangenaam?

Net zoals ik vorig weekend deed, verenig ik vandaag het aangename met het aangename. Vorige week combineerde ik een mooi en pittig loopje over de Posbank met bijpraten en 2014-plannen smeden met Edwin; en combineerde ik dat geheel met een weekendje kamperen in Loenen, wat ik dan weer combineerde met een bezoekje van mijn ouders.

Vandaag zoek ik het wat dichter bij huis: ik heb om acht uur afgesproken bij Bleek en Berg met Conny, een (voorheen klim-)vriendin die ik veel te weinig zie. (Nu geldt dat laatste overigens voor ál mijn vrienden – daar is Conny niet uniek in. Wat frequentie van contact betreft, ben ik een ware prutsvriendin – ik hoop altijd maar dat ik dat dan op een andere manier een beetje goedmaak…) Het aangename van een loopje door de duinen, verenig ik met het aangename van Conny weer eens zien en spreken.

We lopen bijna twee uur samen, vooral door Duin en Kruidberg. Het tempo is aangenaam, niet al te hoog, het weer is goed, de paadjes zijn overwegend smal, onverhard en net iets te vaak naar mijn zin nogal mul. Conny kent het gebied een stuk beter dan ik, en dat loopt lekker ontspannen. Als we bijna terug zijn bij Bleek en Berg, buigt Conny af naar de ingang, en ik maak me op voor nog een rondje groen. Ik ben daar al eens de weg op kwijtgeraakt, en neem me voor vandaag goed op te letten.

Natuurlijk gaat het goed – een tijdje. En natuurlijk gaat het mis – na een tijdje. Ik loop ergens in het bos, het is een lekker pittig pad, en volgens mij staat er een groen paaltje bij een pad heuvelop. Wauw, dit pad kende ik nog niet, dat is een goed pad voor een stevige training. Als ik boven ben, is het me wel duidelijk dat ik mij niet meer op groen bevind – er loopt een heel smal, slingerend pad, met de mulheid van een ruiterpad, steil naar beneden. Dit is echt een goed trainingsgebied! Ik heb het idee dat ik vlakbij de Brederodeberg ben, en verwacht dat ik zo weer op bekend terrein kom. De paadjes zijn echter nogal overwoekerd, en het eerste pad dat ik insla in de juiste richting, loopt dood op een hek. Dan maar de andere kant op. Een overwoekerd, tja, is het een zwembad? Het lijkt erop. Nog een poging loopt dood op een hek en ik zie een kasteel met een prins op een wit paard – het waren twee koningskinderen en zij hadden elkander zo lief, maar het water was veel te diep – nou ja, het hek te hoog dan, in dit geval. Na een poosje zie ik voor me fietsers passeren, laat ik daar maar naartoe gaan en dan maar via het fietspad terug. Daar stuit ik op een hekwerk. Daar zou ik wel overheen hebben kunnen klimmen, maar ik denk nog steeds dat het op een nettere manier ook moet kunnen. Ik steek een groot grasveld over – ondertussen heb ik het hardlopen even opgegeven en ik wandel, en neem hier zelfs de tijd om even te gaan zitten om een schoen te legen. Ik denk dat ik in de goede richting loop, maar even later ben ik weer terug bij het zwembad. Tja, dan weet ik het niet meer. Terug naar waar ik vandaan kom, en dan zie ik verderop een man staan. Ah, die kan ik mooi vragen hoe ik bij Bleek en Berg kom. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de man een uniform draagt. Ah, een boswachter, of duinwachter, of hoe dat ook in zijn functieomschrijving staat. Nou, die kan me zéker helpen.

Dat kan hij inderdaad. Maar niet dan nadat hij mij er eerst op gewezen heeft dat ik mij bevind in een gebied waar ik mij in het geheel niet zou mogen bevinden, en dat hij de bevoegdheid heeft mij daar een bekeuring van 90 euro voor te geven, en dat hij daar niet op uit is, maar dat het toch echt niet mag en dat het is dat ze niet van die bonnenschrijvers zijn, maar dat ik toch echt ergens van het pad ben afgegaan, en dat aan het begin van het gebied borden met plattegronden staan waarop staat dat je je alleen op de paden mag begeven die op die plattegrond staan, en dat het ook in ons eigen belang is dat wij daar niet mogen komen, omdat het er gevaarlijk is, ik heb zelf dat oude, vervallen zwembad gezien, en er zijn allerlei greppels, en zeker in het broedseizoen willen ze dat het er rustig blijft (maar het is nu toch geen broedseizoen?, vraag ik voorzichtig), en, nou ja, eigenlijk is het geen onvriendelijke man, maar een beetje formeel en ik moet er wel goed van doordrongen raken dat ik écht en echt in overtreding ben, en dat ik blij mag zijn dat hij mij er via het hek uitlaat (en passant wijst hij mij er ook even op dat ik inderdaad best over het hekwerk bij het fietspad heen had kunnen klimmen, als ik dat maar vlakbij een paal zou hebben gedaan – maar dat mag hij natuurlijk helemaal niet zeggen, zegt hij erbij).

Allora. Nog een paar kilometer over het fietspad terug naar de fiets. Eerlijk gezegd vind ik het asfalt wel even lekker. Ik heb weliswaar twee kilometer minder gelopen dan ik van plan was, maar ik vind het wel best, en ben blij als ik op de fiets kan stappen. Bij het terras op de hoek stap ik nog even af om een kop koffie te drinken met een hele zwik loopvrienden die daar zitten.

En nu? Komend weekend de Trail des Fantomes, 50 kilometer. Zou dat ook aangenaam zijn? Het reünie-aspect van de onderneming vast wel. Ik vind het leuk om daar allerlei vrienden en bekenden te treffen, en verheug me erop om met een paar van die vrienden een potje te koken en wat bier en wijn te drinken. Maar het lopen? Om eerlijk te zijn, zie ik er als een berg tegen op. Niet alleen is elke vorm van snelheid op dit moment ver te zoeken, en lijk ik ook flink aan duurvermogen te hebben ingeboet (ik had er na 20 kilometer vanmorgen al aardig genoeg van), maar ik lijd de laatste weken ook aan een klassieke vorm van PHPD. Om me mentaal op de been te houden, heb ik het lopen keihard nodig, maar mijn lichaam lijkt er nog steeds niet van overtuigd te zijn dat het werkelijk voor alle partijen beter zou zijn als het een beetje mee zou werken.

Nou ja, laat ik het maar gewoon als een aangenaam uitje beschouwen, en stel dát ik die 50 niet uitloop: eens moet ik toch een keer de ervaring van een DNF ondergaan. Dat kan maar gebeurd zijn. En ach, waarschijnlijk hoort dit soort gejammer nou typisch tot de verschijnselen van een PHPD-aanval, en is er uiteindelijk weer eens niets aan de hand.

Geplaatst in hardlopen | 6 reacties