Relaxt

“Eenzaam, maar niet …, nee: alleen, maar niet eenzaam, bedoel ik.” Zo begroet Peer me, als hij mij ziet zitten, terwijl hij met zijn hond een rondje over het land en langs de beesten maakt. Het klopt, wat hij zegt. Het stel waarmee ik de afgelopen nacht het kampeerweitje van Den Ouden Dam deelde, heeft vanmorgen al vroeg z’n biezen gepakt, zodat ik de enig overgebleven kampeerder ben. Bij mijn tweede kop koffie ben ik toch maar uitgeweken van het plekje in het gras naast mijn tentje naar de beschutting van het bankje onder de overkapping. Weliswaar regent het niet, en ben ik warm gekleed, maar de wind maakt het toch nét wat fris. Ik lees een lekker boek, drink koffie, eet appeltaart, en staar zo nu en dan wat voor me uit over het Betuwse land. Ik heb het goed.

Het kampeerterrein is nieuw voor me. Ik had bedacht om op zaterdag de Galgenbergmarathon te gaan lopen, wilde op zondagmiddag graag naar een lezing van Jan van Delden in Nijmegen, en zocht een mogelijkheid om de nacht tussen die beide activiteiten kamperend door te brengen. De meeste campings uit het Groene Boekje gaan pas begin april open, maar Den Ouden Dam, bij Kesteren, bleek niet alleen uiterst gunstig te zijn gelegen voor mijn plannen, er geweldig romantisch uit te zien, een mogelijkheid te hebben om droog te zitten, mocht er onverhoopt wat water uit de hemel vallen, maar ook nog eens op 1 maart al open te gaan. De omgeving blijkt in het echt weliswaar iets minder romantisch te zijn dan ik mij heb voorgesteld, maar het terrein oogt aangenaam rommelig, ik hoor ’s nachts niet alleen autoverkeer maar ook de nodige uilen, en de eigenaar (althans: de mannelijke helft ervan – de vrouwelijke heb ik niet gezien) blijkt een sympathiek soort eigenheimer te zijn.

En de Galgenbergmarathon loopt op zaterdag ook al zo ontspannen. De start en finish zijn bij Rhesidence Rhenen. Bij ‘rhesidence’ stel ik me altijd iets prots-en-pralerigs voor, maar de Rhenense variant ziet er – aan de buitenkant althans – redelijk no-nonsense uit. Iets met vakwerk, en dan midden in de bossen, daar ben ik wel gevoelig voor – over romantiek gesproken. Wilbert is vlak voor mij aangekomen, en heeft de kaart van de VSB en een hoogteprofielkaartje meegenomen. Leuk. Alleen is zo’n georganiseerd loopje niet helemaal de geschikte gelegenheid om een en ander eens uitgebreid te gaan zitten bestuderen; daar gaan we een andere afspraak voor maken. Later voegt Edwin zich bij ons, en vlak voor we naar buiten gaan voor de groepsfoto zie ik eindelijk Matthew ook. Met elkaar besluiten we om met de langzaamste groep mee te lopen.

Van de omgeving krijg ik eigenlijk niet zoveel mee. Ik merk het natuurlijk als we omhoog lopen, en ook als het bergaf gaat, ik merk het als we mul zand hebben (pff), en ik herken de punten waarop we de UHT kruisen of daar een stukje gelijk mee oplopen. We praten over de combinatie lopen – relatie/gezin, over hypes en weerzin daartegen, over nut en noodzaak van krachttraining, over afdalen, over hoogtemeters, over genieten versus willen presteren, en over de vraag of die twee samen kunnen gaan (ja natuurlijk, wat mij betreft), over kamperen, over mooie loopplannen. In het laatste deel van de tocht heeft een loper zich bij ons gevoegd die het hoogste woord voert. Hij blijkt (bewust) met de snelste groep te zijn gestart, om vervolgens met een langzamere groep de tocht uit te lopen (om daarna in zijn eentje nog even naar zijn huis in Amersfoort te lopen). Ik ken hem niet, maar als hij vertelt over een kop boven een krantenartikel met een foto van hem, “Big Mac voor big Mik,” bedenk ik dat het waarschijnlijk Mik Borsten zal zijn – geen idee wat die zoal gepresteerd heeft, maar het is een bekende ultranaam. Zo te horen is het iemand met uitgesproken meningen, waar ik wel om moet lachen. De meest opvallende uitspraak die ik hoor, is dat traillopers niet kunnen hardlopen – “met alle respect,” voegt hij daaraan toe. Wel een komisch type, als ik dat zo snel even mag beoordelen – met alle respect, uiteraard.

Het lopen gaat verrassend makkelijk, zeker voor mijn eerste veertig plus sinds Berg en Dal in oktober. Het tempo is prima te doen – hoewel er op het laatst momenten zijn waarop ik graag een beetje meer door zou willen lopen. Ik denk echter dat vooral het feit dat ik genoeg eet, doordat we om de zeven kilometer een verzorgingspost aantreffen, maakt dat ik een stuk makkelijker loop dan in de laatste kilometers van de 35 van afgelopen zondag. Bemoedigend. Na 4 uur en 56 minuten zijn we bij de finish. “Maak er geen wedstrijd van,” zei Henny vrijdag nog. Nou, dat is vrij aardig gelukt, zou ik zeggen. Champignonsoep toe, een beetje waterig, maar vegetarisch, en ik ben blij dat ik mijn behoefte aan zout kan stillen. Nog even napraten en dan in de auto naar de overkant van de Nederrijn, naar Den Ouden Dam.

Schuin tegenover een nachtmerrie-wekkend vakantiepark tref ik een boerderij met rieten dak, hooischuur, kippen en hanen, bijenkasten, geiten, katten, een oude, grijze hond, een varken, fruitbomen en nog van alles. Daar wil ik mijn tent wel opzetten. En als die dan staat, ik de rest van de zooi uit de auto ernaartoe gesleept heb en een poosje onder de hete douche heb gestaan, is het tijd voor de gebruikelijke rituelen – stoeltje in elkaar zetten, mij daarop neervlijen, een boek erbij, drinken en wat snaaien; hetgeen naadloos overgaat in: brander in elkaar zetten, potje koken, eten, afwassen, kop thee, en, tja, wat nu? Het is donker, de wind is frissig, het is nog geen acht uur, maar zal ik toch maar gewoon tanden poetsen en naar bed? Lijkt me een strak plan. Voor de vorm lees ik in bed nog een hoofdstuk, maar dan is het toch echt de hoogste tijd om te gaan slapen.

De volgende morgen zetten de rituelen zich voort. Het is grijs en fris, maar ik voel me lekker waar ik ben. Ik aarzel nog een beetje of ik niet naar Jan in Nijmegen moet gaan, maar heb eigenlijk al besloten dat niet te doen. Tijdens een van de laatste bijeenkomsten van het bestuur van de stichting die het werk van Jan ondersteunt, vroeg Huub wat mij eigenlijk trekt bij Jan van Delden. Ik antwoordde daarop dat ik bij Jan vooral ervaar dat het er helemaal niets toe doet wie of wat ik ben, dat ik alleen maar hoef te zijn, dat dat hoe dan ook al goed is. Maar laat dat nou ook precies de reden zijn waarom ik er met enige regelmaat met mijn tentje op uittrek, om ergens in de natuur te gaan zitten. Ik weet natuurlijk dat het er in theorie niets toe doet waar je bent of wat je doet, dat het altíjd goed is zoals het is, dus ook thuis, in de stad, en op het werk, maar in de praktijk vind ik dat toch vaak net iets makkelijker te ervaren ergens buiten (en in mijn eentje, misschien ook …).

Ik kan het niet afdwingen, dat gevoel van rust, het gevoel dat er niets anders hoeft te zijn dan het is, maar ik krijg het dit weekend zomaar weer in mijn schoot geworpen. Volgens mij doe ik mijzelf dan ook een groot plezier door hier maar gewoon te blijven zitten, beschut tegen de wind, met nog steeds dat lekkere boek, mijn allerfavorietste koppen koffie, de appeltaart, en buiten, vooral buiten.

Als Peer een paar uur later weer over het terrein loopt, vraagt hij of hij me nog ergens mee van dienst kan zijn, met een fleecedekentje of zo. Als ik bedank, maar zeg dat het niet nodig is, zegt hij dat het er goed uitziet zo, rustig, ik daar zittend in mijn eentje. En zo voelt het ook.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 6 reacties

Statistieken

Sinds een poosje heb ik door dat ik hier ergens ook mijn statistieken kan bekijken. Die bezoekersaantallen zeggen me niet zoveel, maar de landen van waaruit mensen mijn blog bekijken, intrigeren me. Frankrijk, Duitsland, België, die kan ik wel plaatsen. Nederland ook enigszins. Noorwegen en Oostenrijk: ja, nogal wiedes, het is in een deel van Nederland voorjaarsvakantie, en een deel van mijn enórme vriendenschaar (ha!) staat irgendwo op de lange latten of een board. Maar wie de f* ken ik die op dit moment in de Verenigde Staten zit? En vooral: Estonia? Ik weet ternauwernood dat dat Estland is. En wie in vredesnaam zit er in Nigeria?

Wie zíjn jullie?

(No answers required.)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

D+

Toen ik mij vorig jaar tot mijn schrik bleek te hebben ingeschreven voor een iets langer loopje in de bergen, waren het nog niet eens de kilometers (te veel) en de hoogtemeters (veel te veel) waar ik me druk om maakte. Nee, ik maakte me vooral zorgen om dat D+ dat op de website vermeld werd. Bij bergtochten had ik mij nooit gewaagd, en zou ik mij ook niet durven wagen, aan tochten die hoger gewaardeerd werden dan PD – peu difficile, terwijl ik me liever nog beperkte tot F – facile. Ik heb te weinig vertrouwen in mijzelf om aan tochten te beginnen die met D gewaardeerd worden, laat staan als er dan ook nog een + achter staat. Hoe zou ik die waardering D+ bij een bergloop moeten interpreteren? Heb ik niet een veel te lastige loop uitgezocht? Maar hoe ervaren in lastig terrein zijn al die andere hardlopers die meedoen dan?

Later leerde ik het berg- en traillopersjargon wat beter kennen en begreep ik dat de D hier niet voor difficile staat, maar voor dénivelée, en dat het plusje aangeeft dat alleen de stijgende meters worden vermeld – er schijnen ook loopjes te zijn waar de stijg- en daalmeters vrolijk bij elkaar worden opgeteld om aan een beetje respectabel aantal te komen. Nog weer later, tijdens het bewuste loopje namelijk, kwam ik erachter dat dat D+ niet eens zozeer het probleem was, maar dat diezelfde meters D- pas echt lastig waren. Mijn arme bovenbenen! En toen had ik nog driekwart te gaan…

Voor komende zomer staat een loopje gepland waarbij het aantal meters D+ nog wat hoger is. Inmiddels weet ik dat ik daar niet te licht over moet denken. Tuurlijk, omhoog zal het veel wandelen worden, zodat het tempo laag zal liggen en ik er lang over zal doen, maar, iets wijzer dan vorig jaar, vrees ik vooral de afdalingen. Gisteren, op een doordeweekse dinsdagochtend, deed ik mijn eerste heuveltraining in Middenduin. Ik moet er even voor op de fiets, wat vervelend is voor een gemakzuchtig loper als ik nu eenmaal ben, maar daar krijg ik dan bos, een zachte en oneffen ondergrond en vooral een mooie heuvel voor terug. Aan een kant steil omhoog (redelijk steil dan hè, we zijn natuurlijk niet in de Alpen), bovenop een glooiend stuk, aan de andere kant een wat langere helling weer naar beneden. Mooi trainingsgebied. Dat vinden ook heel veel andere lopers, zo bleek. Het kon nog weleens druk worden, in de bergen.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Alleen

De kerkklok van Rhenen slaat acht als ik over het fietspad langs de Nederrijn loop. IJskoud is het. Niet letterlijk dan, want het vriest niet, maar veel scheelt dat ook weer niet. Ik heb net, toen de trein het station binnen reed, nog snel mijn jasje uitgetrokken en in mijn rugzakje gepropt. Nu loop ik in een dun thermoshirt met een korte-mouwenshirt eroverheen. Dat is enigszins fris. En net zoals toen ik hier drie weken geleden liep, vraag ik me toch even af of ik geen handschoenen had moeten meenemen. Maar ik weet dat de kou van korte duur zal zijn. Niet alleen zal de temperatuur al snel stijgen als de zon wat hoger staat, maar vooral zal ik het zelf warm krijgen als ik even aan het lopen ben – zeker als de route zometeen stijgt, het dorp uit en het bos in.

Dat ik hier nu loop, is voor mezelf nog een beetje een verrassing. Drie keer eerder liep ik de UHT: een keer in groot, twee keer in klein, maar alle keren in aangenaam gezelschap. Alle keren bedacht ik echter tijdens of achteraf, dat ik ‘m ook een keer in mijn eentje zou willen lopen. Voor vandaag was hij helemaal niet gepland, maar Henny had me gisteren wat rondjes en hellinkjes laten zien en proeven die hij in het kader van de broodnodige heuveltrainingen op mijn schema zal zetten, zodat ik even goed van de ernst en noodzaak van het maken van hoogtemeters doordrongen ben geraakt, en toen mailde Martine me dat ze niet zou komen lopen vanmorgen, en op mijn schema voor vandaag stond toevallig net dertig kilometer, en bovendien is mijn verlangen naar bos de laatste tijd buitenproportioneel groot, en opeens bedacht ik dat ik vandaag de UHT dan wel mooi zou kunnen gaan lopen. Het bedenken en het dan ook doen, zijn twee verschillende dingen. Ik heb het de hele dag zo’n beetje aangekeken, wel wetend dat de kans groot zou zijn dat ik het uiteindelijk toch niet zou doen. Ik ken mijzelf een beetje en meestal laat ik de praktische nadelen zwaarder wegen dan de emotionele voordelen. Vanuit huis een rondje doen, kost tenslotte minder tijd en geen geld. En het vervuilt niets. Toch bereid ik me ’s avonds voor alsof ik zal gaan. Vul de waterzak alvast, maak een rugzak klaar met droge kleren en schoenen voor na afloop, smeer twee krentenbollen, stop OV-chipkaart en rijbewijs in het looprugzakje en zet de wekker op zes uur. Ik slaap deze keer licht, en bedenk meermalen dat, als puntje bij paaltje komt, en vooral: als de wekker straks veel te vroeg afloopt, ik vermoedelijk toch zal besluiten tot een rondje vanuit huis. Maar gek genoeg maakt het lichte slapen het juist makkelijker om om zes uur mijn bed uit te komen, zodat ik iets na half zeven in de auto kan stappen naar Driebergen.

Ik verkeer in een staat van neutraliteit. Ik weet niet precies of ik er nu zin in heb of niet. De vorige keren trof ik medelopers in Driebergen, nu is daar niemand te bekennen. In Rhenen staat niemand (“Verrassing!”) me op te wachten. Waarom wilde ik dit ook alweer? Ik check uit, stop de chipkaart weg, en stel mijn horloge in op navigatie naar Driebergen. Lopen maar, daar ben ik tenslotte voor gekomen. En net zoals ik weet dat mijn lichaamstemperatuur even nodig heeft om standje comfortabel te bereiken, zo weet ik dat dat ook voor mijn gemoedstoestand geldt. Ik maak me er dan ook niet al te druk om dat ik nog even moet wennen. Als het lopen maar een beetje lekker gaat (dat kan ik niet afdwingen, helaas), dan ga ik ook lekker. En dat is precies wat er gebeurt. De eerste kilometers ben ik me erg van mezelf bewust, maar na een poosje ga ik op in de activiteit en de omgeving. Ik registreer de fysieke sensaties natuurlijk wel, en die zijn niet allemaal per se prettig, maar ben er niet langer mee bezig of ik het nu wel of niet naar mijn zin heb. Ik loop gewoon, dat is wat ik doe en dat is wat ik wil. Oók in mijn eentje.

Ik ben lichtgewicht op pad gegaan, en heb mijn kleine rugzakje om. Dat heeft als nadeel dat ik het af moet doen om iets te eten te pakken. Halverwege stop ik even om een gel te pakken. Als ik later weer honger krijg, heb ik echter geen zin om nogmaals te stoppen om iets te pakken. Dat eten onderweg blijft een dingetje. Aan de ene kant denk ik dat ik tijdens de trainingen moet oefenen om wél de moeite te nemen om dingen te pakken, omdat dat tijdens wedstrijden vaak een zwak punt is, maar aan de andere kant denk ik ook dat het niet verkeerd is om mijzelf te trainen om met honger door te lopen. Met een beetje mazzel verbrand ik zo ook nog wat extra vet.

Ik loop alleen, maar dat alleen is nogal relatief. Ik deel het bos niet alleen met ontelbaar veel vogels en wat herten (meer dan de drie die ik er zie, vermoed ik zo), maar ook met veel andere actievelingen. Ik ben dan wel vroeg op pad gegaan, maar het blíjft natuurlijk niet vroeg, als je dertig kilometer loopt. Ik kom wandelaars en hardlopers tegen, maar verbaas me over het grote aantal mountainbikers dat op pad is. Ik neem het hun beslist niet kwalijk, het is er heerlijk weer en een prachtig gebied voor, en als ik een fietser zou zijn, zou ik nu ook fietsen, maar ik bedenk wel dat ik een volgende keer misschien toch maar weer een andere dag moet uitzoeken voor deze route.

Tja, ik loop dus. Krap 31 kilometer lang. Een fractie sneller dan de vorige keren, en nog steeds niet snel. Het is onbelangrijk. De zon schijnt, ik ben buiten, in het bos, denk nauwelijks na, krijg het zwaar en denk te merken dat ik toch nog iets kan versnellen als ik de stal ruik (die versnelling wordt niet gestaafd door de data, blijkt later). Met een razende honger kom ik aan bij mijn auto, die bij het station geparkeerd staat. Drie weken geleden sloten we af met Orval in de bierbus en een pannenkoek in het restaurant, vandaag houd ik het bij chocomel en een krentenbol met kaas. Twee zelfs, doe maar ruig.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Onwillig

Ultralopers beweren weleens dat goed presteren in hun sport wellicht eerder een mentale dan een fysieke kwestie is. Niet zo gek als je bedenkt dat sommige van hen rustig 24 uur lang rondjes door een suf dorp of over een suffe atletiekbaan lopen, daarbij al dan niet geterroriseerd door dramatisch slechte muziek uit de speakers. Of als je bedenkt dat anderen zich in hebben geschreven voor iets dat op papier een trail zou moeten zijn, maar dat in de praktijk voor wel 20% uit asfalt bestaat. Gruwelijk! Of als je bedenkt dat het kan gebeuren dat iemand zo goed in vorm is dat hij in staat is de Spartathlon op zijn naam te zetten, maar dat de overwinning hem door een onduidelijke markering en door tegenwerking van de organisatie door de neus wordt geboord. En dat deze loper dan toch nog 75 kilometer doorloopt om dan maar als tweede de voeten van Leonidas te kussen.

Vanavond ervaarde ik weer eens dat ook een simpele, woensdagse baantraining een mentaal spelletje kan zijn.

Voor vertrek van huis doe ik nog snel even de rek- en rompstabiliteitsoefeningen van de fysio. Met dit weer is de kans dat we bij de training iets aan buikspieroefeningen doen nagenoeg nihil, en mijn rug herinnert me er maar wat graag aan dat het belangrijk is om op dit punt niet te verzaken. Als ik om zeven uur de deur uitstap, blijkt het te regenen. Nee! Snel stap ik weer naar binnen. O, wat heb ik hier geen zin in. Even, werkelijk héél even, schiet het door me heen dat ik ook thuis kan blijven, maar nee, zo zijn we niet getrouwd, Schreuder. Ik vervang mijn softshell door een hardshell, en trek er een regenbroek bij aan. Koud is het in elk geval niet, en op de fiets valt het met de regen eigenlijk ook wel mee.

Bij de warming up heb ik al gezien dat ik het programma in mijn eentje zal moeten afwerken. Elise, Sigrid en Wim, met wie ik hoopte samen te kunnen lopen, blinken alle drie uit door afwezigheid. Ik praat bij met Jos, die ik een tijd niet gezien heb, en doe de oefeningen niet al te geconcentreerd. Voor we met de loopscholing beginnen, houdt Thea een praatje over op tijd komen en zo. Ik snap haar punt wel, maar ben ongeduldig. Moet dat nú? Het waait, het regent, het duurt me allemaal te lang. Ook bij de loopscholing. Ik doe plichtmatig mee met de oefeningen, maar ben niet bepaald gemotiveerd. Ik overweeg een paar keer om af te haken en alvast met het programma te beginnen, maar houd vol.

Als we klaar zijn met de loopscholing en Thea gaat vertellen wat het programma is, loop ik vast naar het startpunt. Ik weet wat er op het schema staat, en heb gezien dat ik niet alleen alleen zal moeten lopen, maar dat ik ook vermoedelijk de langzaamste zal zijn die het A-programma doet. En met vijftien 400’jes is het toch al een lang programma – niet die 6000 meter op zich, die is vrij gebruikelijk voor een baantraining, maar in vijftien stukken verdeeld, met telkens 200 meter pauze, is het een beduidend langere training dan een van bijvoorbeeld vijf keer 1200 meter. Alle reden in elk geval voor mij om zo snel mogelijk te willen starten.

Na een rondje ben ik er eigenlijk al klaar mee. Fysiek gaat het niet eens zo slecht, maar ik heb gewoon geen zin. Nu al stoppen, slaat natuurlijk nergens op, dus ik worstel mij door rondje twee en rondje drie. De helft van het rondje wind mee, de andere helft wind tegen. Afwisselend het eerste deel van het rondje tegen of het laatste deel. Van mijn groep zie ik alleen Linda lopen, die een heel ander soort training afwerkt, en het drieman(v/m)schap Marion, Jos en John, maar die lopen 200’jes. Ik voel me niet top, heb last van mijn darmen (het zal eens niet), en vind er geen moer aan. Waar is iedereen trouwens? Ik ben dan wel iets eerder begonnen dan de rest, maar de snelle lopers zouden me toch al lang een keer ingehaald moeten hebben nu? Of zijn die naar huis gegaan of zo? Ben ik soms de enige die hier braaf in de regen d’r 400’jes aan het afleggen is?

De godganse tijd ben ik met mijn central governor in conclaaf. Vijftien klinkt als oneindig. Ik voel mijn kuiten en Henny heeft gezegd dat ik moet stoppen als ik anders ga lopen vanwege de last van mijn kuiten en achillespezen. Ik mág stoppen, misschien is het zelfs verstandig, maar het is niet echt nodig, denk ik te voelen. Maar ik heb vanavond echt geen zin, dat mag toch ook wel eens een keer? Ja, dat mag, maar hoe slap voel je je als je zomaar stopt, om niets? Acht keer moet je toch wel minimaal halen. Of het B-programma, dat zal wel twaalf keer zijn. Pff, twaalf klinkt eigenlijk ook als oneindig, dat weet ik niet hoor, of ik dat wel trek. Nou ja, één rondje in elk geval nog.

Het lijkt alsof ik de afgelopen weken elke keer een beetje ongemotiveerd mijn trainingen afwerk. Ik twijfel zelden of ik zal gaan, maar ik ga vaak alleen omdat het nu eenmaal op het schema staat, en omdat ik ergens wel weet dat ik dit op een ander niveau toch echt wil. Dat deze discipline me goed doet, en dat het ook doodordinair nodig is om straks weer de loopjes te kunnen doen waar ik me zo op verheug. Maar het líjkt ook alleen maar zo. Liep ik niet de afgelopen zondagen heerlijke duurlopen door de duinen? En liep ik afgelopen vrijdag niet zalig door het Wierdense veld, vlakbij mijn ouders, volop genietend van de vrieskou, de zon en het witbevroren veengebied? Wat had ik daar toch naar verlangd!

Maar nu loop ik te zwoegen op de baan. Het regent steeds harder, en ik merk hoe mijn gezicht vertrekt als ik tegen de wind in worstel. Ik weet hoe ik hiervan op andere momenten kan genieten. Hoe levend ik me kan voelen, juist als de omstandigheden wat zwaarder zijn. Vanavond niet. Vanavond ben ik een watje. Tijdens het zesde rondje komt eindelijk het snelle clubje me voorbij. Ik ben toch niet alleen. Even later ook een iets minder snel groepje van drie. De rondjes gaan ze me iets te snel, maar in de pauzes lukt het me om steeds weer bij hen aan te haken, door nét iets eerder met dribbelen te beginnen dan zij doen. Voor deze zelfverklaarde individualist is hun gezelschap deze avond van groot belang om de training te volbrengen en ik klamp mij dan ook aan het drietal vast.

Het gesprek in mijn hoofd is verstomd. Die vijftien rondjes worden gewoon gelopen. Genoten? Welnee.

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

Nat

Woensdag. ’s Morgens naar een afscheidsdienst voor een medestudent. Mijn leeftijd, ontzettend aardige vent, vader van twee kleine kinderen. Klopt helemaal niks van. ’s Middags zit ik als een zombie op het werk. ’s Avonds regent en waait het. Zelden zo weinig zin om naar de baan te gaan. Maar: nait soez’n, woensdag is baantrainingdag, geen gelul.

Het weer valt reuze mee. Het miezert, en ik ben de enige van mijn groepje van vier die het niet koud heeft. Mazzeltje. Toch bedenk ik dat ik donderdag met de auto naar Amstelveen zal gaan in plaats van met de fiets, als het ’s morgens nog steeds regent. Ik hoor het ’s nachts steeds regenen en weet dus dat ik met de auto zal gaan. Toch trek ik mijn fietskleren aan als ik opgestaan ben. Geen gelul, fietsen is lekkerder dan filerijden. Regenpak aan.

Op de heenweg regent het de hele tijd. Drijfnat kom ik aan. Mijn kleren en schoenen kunnen op het werk gelukkig drogen, en tegen half zes trek ik alles droog weer aan. Nee, niet alles, de regenbroek kan uitblijven, want het is droog. Dat blijft het de eerste helft van de tocht naar huis, maar het gebrek aan water wordt meer dan dubbel en dwars goedgemaakt tijdens de tweede helft. En als om mij te sarren, is ook de wind opgestoken – of is hij gedraaid? Had ik de eerste helft het gevoel dat ik eindelijk weer eens een beetje vooruitkwam, heb ik de tweede helft het gevoel dat ik stilsta. Het is gewoon idioot, zo hard als het regent. Herman van Veen begint te zingen in mijn hoofd, hij komt alleen jammer genoeg niet verder dan “Lekker buitje, zeiden de mensen…” Thuis is er godzijdank een warme douche.

Tijdens mijn loopje vrijdagmorgen in het donker zie ik een vage maan achter de wolken. Ook spettert het een beetje, maar dat mag geen naam hebben. Het enige dat niet deugt, is dat ik te warm gekleed ben. Als ik na de training (en na douche en ontbijt) op de fiets stap om naar Henny te gaan voor een kuitmassage, zie ik donkere wolken boven Haarlem. Geen rekening gehouden met regen, en dus geen regenkleding aan. Niet helemaal droog kom ik over.

Zaterdag rustdag. Hèhè.

Zondag onder de best denkbare weersomstandigheden een heerlijk rondje (halve-marathonlengte) door de duinen. Bofkont. Desondanks de rest van de dag moe en lamlendig. Voor de zoveelste keer de band van mijn fiets in de hoop dat ik hem er nu zonder vouwen en bobbels weer om kan leggen. Even later begint het te regenen.

Morgen maar eens kijken of de auto wil starten. Lekker gemakzuchtig. Lekker droog.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Over strepen en appelflappen

Rond oud en nieuw raak ik een beetje ontmoedigd. Het lijkt alsof een spoedig herstel er niet in zit. Sinds kerst ben ik rugpijnvrij, maar nu lijkt de zeurende pijn in heupen, billen en hamstrings terug te keren. Ach ja, pijn is een groot woord, maar irritant is het wel. De 30e december is bovendien de rugpijn terug, en op oudejaarsavond doet zo ongeveer mijn hele lichaam me pijn. Die nacht slaap ik slecht – op mijn zij kan ik niet goed liggen omdat beide heupen zeer doen, op mijn rug kan ik niet liggen omdat ik last heb van mijn rug. Tegen de ochtend leg ik een kussen in mijn knieholtes, daardoor trekt mijn rug wat boller, en is ie minder pijnlijk. Ik val in slaap, maar word wakker van mijn eigen gesnurk (ja sorry, sexyer kan ik het niet maken) – ik had overdag ook opeens keelpijn en ben verkouden geworden. Ergens weet ik wel dat het pijnlijke, irritante gevoel in mijn lijf te heftig is om door de trainingen veroorzaakt te zijn – al liep ik afgelopen zondag per ongeluk 5 kwartier in plaats van een uur, en al liep ik tweede kerstdag per ongeluk iets sneller dan verstandig, deze pijn is groter dan waar ik mijn blessuretijd mee begonnen ben, en zo heftig ben ik nu ook weer niet in de weer met lopen, momenteel. Nee, al voel ik me niet ziek genoeg om het griep te mogen noemen, ik hoop toch dat deze zeurpijn een griepachtig randverschijnsel is.

In alle wakkerliggerij realiseer ik me dat het niet heel realistisch is om aan te nemen dat mijn eerste serieuze plan voor 2014 haalbaar is. Ik had graag op 5 april bij Limburgs Zwaarste mijn debuut op de 100 kilometer willen maken. Niet als trainingsloop, maar als een van mijn hoofddoelen voor dit jaar. Ik heb dat plan steeds met de nodige slagen om de arm, maar tegelijk met een behoorlijke dosis optimisme, in mijn hoofd gehad (en in kleine kring verkondigd). Ik heb steeds gedacht dat het mogelijk zou zijn, mits ik vanaf januari weer volop aan de bak zou kunnen. Dat laatste lijkt niet het geval te zijn. Een streep door Limburgs Zwaarste dus. Volgend jaar een nieuwe ronde, met nieuwe kansen.

Op een bepaald moment ga ik me ook afvragen of Egmond wel zo’n slim plan is. Ik zal heus wel die 21 kilometers kunnen lopen (op mijn ruggenmerg, zoals de fysio opmerkte), ik voel me over het algemeen fit genoeg en voor veel pijn tijdens het lopen ben ik ook niet bang, maar wat levert het me op en wat kost het me? Ik weet niet in hoeverre het de rustige en verstandige (jaja!) opbouw schaadt, en hoeveel klachten ik nadien weer zal hebben. Ik ga tijdens zo’n wedstrijd natuurlijk (?) toch zo hard mogelijk lopen, terwijl een echt goede tijd nu niet heel waarschijnlijk is. En als ik niet al te hard loop, loop ik dan niet liever een stukje door de duinen? Bovendien: Egmond kost me een hele dag, hoeveel tijd kan ik me wel niet besparen door níet te gaan? Het is een beetje jammer van het inschrijfgeld, maar dat ben ik ook kwijt als ik wél ga. Ook een streep door Egmond dus.

Nou, en daarmee is, op mijn zomerse bergloopje na, mijn hele loopkalender voor 2014 op dit moment leeg. Behalve nog een met-potlood-in-de-agenda-uht-afspraak begin februari dan (ik hoop dat het me lukt, M!). Ik vind het lastig en prima tegelijk. Voorlopig even geen plannen maken, afgezien van de trainingen voor de komende week. Eigenlijk best lekker. Maar vaak ook juist helemaal niet lekker…

Wat in elk geval wel kon en mocht en gewenst was en zo, was de Flappenrace van hedenmorgen. Astrid, Bianca en Linda organiseren al 6 jaar zo ergens in het begin van het nieuwe jaar de Flappenrace. Alternatief voor de plaatselijke Oliebollenloop, waar enkele bezwaren tegen bestaan bij genoemd drietal. Vanwege de route, maar vooral constateert men dat een appelflap nu eenmaal lekkerder is dan een oliebol. IJzersterke argumentatie. Vanmorgen liepen we met een behoorlijke groep door de Kennemerduinen. Voor het eerst  in de geschiedenis was er ook een wandelafdeling, die bestond uit een zieke en enkele permanent- dan wel tijdelijk-geblesseerden. Zo geblesseerd ben ik niet dat ik niet mee kon met de hardloopgroep, gelukkig. Veel vrienden van de atletiekbaan. Fijn om iedereen weer eens te zien. Een mooi rondje bovendien, ruim 12 kilometer in rustig tempo, nauwelijks pijn (ook achteraf), afsluiten met warme chocomel en een overheerlijke appelflap. En het vooruitzicht dat ik een deel van deze mensen woensdag weer zie. Dat wordt mijn eerste training op de atletiekbaan sinds ruim twee maanden. Het komt allemaal wel weer goed.

O ja, en iets geheel anders. In een eerder verhaal schreef ik over mijn gemiddelde snelheid van over de 20 km/u. Niet iedereen begreep dat ik echt never nooit niet 20 km/u loop, zelfs niet gedurende 2 passen. Misschien begreep ook niet iedereen dat ik mij echt niet verbeeld dat (ooit) wél te kunnen. En misschien begreep ook niet iedereen dat het geen afleesfout van mij betrof, maar dat mijn Ambit werkelijk deze snelheid had gemeten en weergaf. Hij mat een extra kilometertje over een afstand van nog geen kilometer – ja, dan schiet het wel lekker op met je snelheid. Niet alleen de mens is feilbaar, zelfs de Suunto Ambit is feilbaar. Dat de fans van dit kostbare speeltje het maar even weten…

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Ongeduld

En opeens is het weer mis. Of raak – het hangt er maar van af welk perspectief je kiest. Het is de schuld van Sylvia, de helft van mijn enige beetje-zoden-aan-de-dijk-zettende opdrachtgever. Tijdens een etentje afgelopen vrijdag, spreekt ze eerst haar verbijstering uit over het feit dat ik nog nooit de Dam tot Dam heb gelopen, en tipt ze me vervolgens over twee andere loopjes, die me wel wat lijken: geen poeha, kleinschalig, niet te ver uit de buurt, en weer eens wat anders dan de usual suspects.

De volgende dag sta ik, als gevolg van te weinig slaap en te veel eten, wat chagrijnig op, zonder een spat zin om te gaan lopen, maar ik loop desondanks (of desdankzij – als dat tenminste een bestaand woord zou zijn) zo’n superzalig trainingsloopje als je nu eenmaal zo nu en dan loopt. Zo eentje waarbij je nog minstens een half uur nadien ‘hè, wat lekker’ aan het verzuchten bent.

Als ik mijn loopdagboek heb bijgewerkt, denk ik aan de loopjes waar Sylvia het over had. Even opzoeken wanneer ze zijn, dan kan ik ze op het 2014-lijstje zetten. Niet om ze dan per se ook te gaan dóen, maar als ze er niet op staan, vergeet ik ze sowieso. En voor ik het weet, verlies ik me in de plannenmakerij. Ik kijk wie zich al ingeschreven hebben voor Limburgs Zwaarste, en de verleiding is groot om zelf ook alvast een mailtje naar Annemarie te sturen. Ik kan me er nog net van weerhouden – nodig is het zeker niet om het nu al te doen, en had ik me niet juist voorgenomen om de beslissing om daar te gaan lopen uit te stellen tot januari, omdat ik eerst eens moet kijken hoe het herstel van de overbelastingsblessure vlot?

O ja. Maar verdorie, ik wil plannen maken, ik wil vooruitzichten, ik wil dromen, ik wil me verlekkeren, ik wil trainen, ik wil richting!

Het is nog te vroeg.

En brrrreeeeed (ongeveer synoniem met: zennnnn) maar weer…

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

Allegaartje

Wordt er eigenlijk nog wat gelopen, daar bij huize Binnenstebuiten, vraagt de lezer zich wellicht af. Mondjesmaat, mondjesmaat, kan ik u vertellen. Na de zo goed als gehalveerde Berenloop-in-eigen-beheer adviseerde Henny me om de rest van de maand niet te lopen. Eh, u zégt? Juist ja. Ik had me er ondertussen al helemaal bij neergelegd dat ik het in november en december rustig aan zou doen, maar in een eerdere versie van dit verhaal, betekende ‘rustig’ nog: niet verder dan 10 à 15 kilometer, en niet: de hele maand november helemaal niet. Maar goed, de klachten waren aanwezig genoeg om ze serieus te nemen, dus het moest maar. En na de eerste twee onrustige weken (tip: trek geen hardloopschoenen aan als je gaat wandelen en eigenlijk niet mag rennen – wie heeft er trouwens beweerd dat je in een spijkerbroek niet kunt hardlopen?), ontstond er zowaar rust in het niet lopen. Ik zie lopen als een buitengewoon leuk spelletje, waar ik me heerlijk bij voel, maar soms dreig ik dat spelletje toch wat serieus te gaan nemen. En een poosje niet lopen, hielp me om het belang ervan, zelfs van de mooie loopjes die ik volgend jaar graag zou willen doen, weer behoorlijk te relativeren.

En ondertussen ben ik weer voorzichtig begonnen met hardlopen (niet al te hard, dan). Drie keer in de week 30 minuten, mag. Nou nou, poe poe. Echt moe word je er niet van, dus tussendoor leef ik me soms uit op de fiets, en een heel enkele keer loop ik stiekem iets sneller of iets (maar echt niet veel) langer. De pijn in de heupen lijkt minder geworden te zijn, maar is nog niet weg. De rugpijn komt en gaat naar believen (naar believen van de pijn dan, niet naar mijn believen – dan zou ie alleen maar gaan, en nooit meer terugkomen). Afgelopen week was ik een paar dagen in Nijverdal. Vrijdag en zondag braaf een heen en weertje op de Prinsendijk, door het Wierdenseveld. Zaterdag een rondje wandelen met de gps om, om de afstand van het rondje te meten. Want kort lopen is één, maar geen rondje kunnen lopen, zeker door zo’n mooi gebied, vind ik een crime.

Afgelopen dinsdag: de laatste dag dat ik in Nijverdal ben, en ik waag het erop. Over de Dalkruid naar de schaapskooi, daar het Wierdenseveld in en via Bolderpad en Prinsendijk weer terug. 7,6 kilometer zou het moeten zijn, heb ik zaterdag opgemeten. Na een paar minuten kijk ik op mijn horloge. Huh, wat heb ik nu weer voor wonderlijk schermpje? Bovenaan staat iets van 4:nog wat. Dat kan, dat is de chrono en die geeft nu aan dat ik ruim 4 minuten onderweg ben. In het midden zie ik 6:nog wat. Ook dat kan, iets tussen 6 en 7 minuten per kilometer. Maar daaronder zie ik 20 nog wat staan. Wat zou dat dan kunnen zijn? Ik kijk eens even beter. De 20 wordt voorafgegaan door avg, en gevolgd door km/h. Ah, het is dus toch mijn gewone schermpje, met op deze plaats de gemiddelde snelheid tot nu toe. Die is ruim 20 km/h dus! Natuurlijk heb ik altijd geweten dat ik het in me had, maar dat het er nu, op deze schemerige dinsdagmorgen in Nijverdal, terwijl ik in licht geblesseerde toestand verkeer, zomaar spontaan uit komt, dat mag toch wel een wonder heten. Na afloop blijkt het rondje zomaar een kilometer gegroeid te zijn ten opzichte van zaterdag. Heel gek.

Ik verbaas (en verheug) me over de gretigheid waarmee ik het lopen weer oppak. Al heb ik het laatste derde deel van mijn leven tot nu toe, best veel gesport, en al heb ik de afgelopen twee jaar zelfs met aan fanatisme grenzend enthousiasme mijn trainingen afgewerkt, ik bezie mijn sportiviteit toch nog altijd met een zekere argwaan. Stiekem vertrouw ik het niet helemaal. Ben ik niet eigenlijk liever lui dan moe? Ben ik dit echt, degene die zich onmiddellijk in de loopkleren hijst zodra ze groen licht krijgt om te gaan? Ik denk meestal dat ik een duidelijk doel voor ogen moet hebben om de nodige sportdiscipline op te brengen, maar van zo’n doel is op dit moment niet echt sprake – al piep ik zo nu en dan “Egmond,” wanneer blijkt dat ik vier weken niet mag lopen, in plaats van de twee waar ik op rekende, of wanneer blijkt dat de loopjes zich voorlopig beperken tot een half uurtje (trainer: “Ach, al neem je de hele maand december nog vakantie, dan vormt Egmond nog geen probleem voor je”; fysio: “Ach, Egmond loop jij op je ruggenmerg” [wat hij daar precies mee bedoelt, weet ik niet, maar het klinkt wel interessant]). Zou ik dan toch werkelijk intrinsiek gemotiveerd zijn?

En verder.
Uit een interview met Laurens ten Dam, dat alweer een poosje geleden in de krant stond: “Dit jaar heb ik natuurlijk genoten van de Tour […]. Maar als ik aan mijn jaar terugdenk, komt ook mijn trainingsrit in mei naar boven: zeven uur door de Alpen in de sneeuw. [Toen] ik in het dal kwam, was het ineens twintig graden. Toen heb ik mijn muts en mijn arm- en beenstukken maar aan mijn fiets geknoopt. En wat ik ook niet zal vergeten, is dat ik een keer helemaal stuk van een trainingsrit bij mijn vrouw en zoontje terugkwam op de camping. Thessa was even druk, dus stond ik, nog voordat ik had gedoucht, een poepluier te verschonen. Ook dat is het leven van een wielrenner.” In een paar zinnen zegt hij waar het zo’n beetje om gaat, misschien. Natuurlijk wil je zo goed mogelijk presteren, zo nu en dan. Ten Dam op topsportniveau, ik op mijn niveau. Daar is niks mis mee, vind ik (nee, ik ben niet van het geloof dat denkt dat goed [willen] presteren ten koste zou gaan van leuk vinden wat je doet – sorry, stokpaardje), maar meer dan dat, gaat het erom dat je je zo onwaarschijnlijk lévend kunt voelen door het sporten. En dan vervolgens ook weer de totale relativering van het geheel.

En verder.
Houd ik het voor volgend jaar allemaal lekker open. Op een paar wedstrijdjes na dan. Edwin, die zich voor hetzelfde iets langere bergloopje heeft ingeschreven als ik, zweert erbij om ter voorbereiding elke maand een lange wedstrijd te lopen, en besluit om zich niet meer in te schrijven voor loopjes korter dan 42,195 km. Dat is zijn manier van focussen. Op een andere manier focus ik ook, maar ik doe dat juist door alleen te bedenken dat ik begin april en half juli een iets langer loopje wil doen, en het verder vooral niet in te vullen. Natuurlijk ga ik serieus trainen voor die loopjes, maar ik ga mijn programma veel minder laten bepalen door welke loopjes er wel niet allemaal te doen zijn dan ik afgelopen jaar gedaan heb. Bovendien blijf ik de ruimte willen houden voor korter en sneller werk. Gewoon omdat ik dat ook leuk vind. De innerlijke beweging blijft breed, alles is mogelijk. Spartathlonganger Arie Fröberg schrijft een stukje waar ik mij (wederom: op mijn niveau) ook weer in herken. Het hoeft niet of-of, het mag en-en. Hoop ik.

En verder.
Was Hermansbiograaf Willem Otterspeer te gast bij Boeken. Het schijnt dat de ouders van W.F. bijzonder angstige mensen waren. Die angst uitte zich onder andere in grote hoeveelheden aardappelen en kolen op zolder. Wim Brands is geïntrigeerd door dit gegeven, en komt er een paar keer op terug. Hij doet wat lacherig, wordt zich daar opeens van bewust, en zegt dan: “Ik lach erom, maar dat is natuurlijk puur onvermogen.” Een gouden moment. Ik houd van die man.

En verder.
Is dit een rommeltje. Maar daar heb ik voor gewaarschuwd.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Schijn

“Gij wilt voor uw vriend geen kleed dragen? Het moet uw vriend een eer zijn, dat ge u aan hem geeft, zo als gij zijt? Maar hij wenst u erom naar de duivel!
Wie zich niet verhult, wekt aanstoot: zozeer hebt gij goede grond de naaktheid te vrezen! Ja, zo gij goden waart, dan mocht gij u over uw kleren schamen!
Gij kunt u voor uw vriend niet fraai genoeg sieren: want gij dient hem een pijl te wezen en een hunkering naar de Übermensch.”
(Uit: Friedrich Nietzsche, Aldus sprak Zarathoestra; Een boek voor allen en voor niemand, “Van de vriend,” vertaling: Hendrik Marsman.)

Een mens, een persoon, kan niet zonder masker door het leven gaan. ‘Persona’ betekent zelfs ‘masker.’ Wat wij als onze identiteit beschouwen, is al een vorm van masker. Wat wij werkelijk zijn, heeft niets te maken met ons lichaam, onze naam, onze leeftijd, onze nationaliteit, ons beroep, onze overtuigingen; wat wij werkelijk zijn, is ook geen optelsom van goede en slechte eigenschappen. Wat wij zijn, is ongrijpbaar, niet geïdentificeerd (‘de mens als het nog niet vastgestelde dier’ – ook van Nietzsche). Als dat wat wij zijn totale kwetsbaarheid is, dan kunnen we die nauwelijks níet verhullen met maskers – en niet alleen omdat onze vrienden ons anders naar de duivel wensen, maar ook en vooral omdat we zonder enige vorm van bescherming wel héél bloot en kwetsbaar zouden zijn.

Aan de ene kant streven we allemaal naar authenticiteit, naar iets vaags als ‘jezelf zijn,’ terwijl we aan de andere kant een plaatje van onszelf aan de wereld presenteren waarin het er vaak toch net iets gelukkiger, iets minder onzeker op z’n minst, uitziet dan we ons eigenlijk voelen. Zoals een van de jonge single vrouwen die in de documentaire Tussen bitch en bambi geportretteerd worden, zegt: “Er is maar een ding onaantrekkelijker dan een ongelukkige man, en dat is een ongelukkige vrouw” (op de vraag waarom het zo belangrijk is om dan tenminste een happy single te zijn – of ze dit precies zei, weet ik niet, maar het was iets van deze strekking).

Ik kom op dit onderwerp door een mooi interview met schaatser Stefan Groothuis in de NRC van afgelopen zaterdag. Groothuis blijkt in 2011 te kampen te hebben gehad met een zware depressie. Aanleiding voor het gesprek nu, zijn de wereldbekerwedstrijden in Calgary, en het feit dat in het olympische seizoen, meer nog dan anders, alles in het teken staat van winnen en records. Groothuis plaatst daar kanttekeningen bij: “Een van de belangrijkste dingen is dat topsport op een stereotype manier wordt geprofileerd in de media. Heb ik zelf ook aan meegedaan. Het is een spel waar je met z’n allen aan meedoet. Dat het alleen maar schone schijn moet zijn of zo. Je hebt gefaald of juist niet. Je bent de held of de schlemiel. . . . Voor veel topsporters hebben die extreme oordelen grote impact. Het is makkelijk om iemand knetterhard af te branden omdat hij geen goede sportprestatie levert. Maf eigenlijk. Iedereen doet zijn stinkende best, niemand die van tevoren denkt: ‘ik ga het eens even lekker verneuken op de Spelen.’ Je hoeft je als sporter toch niet te schamen als het niet goed gaat? Het is niet alleen maar mooi.”

Hoewel ik mij ook nog weleens (eh, best vaak eigenlijk) laat bedriegen door de schone schijn in de wereld om mij heen, geloof ik erg in dat “iedereen doet zijn stinkende best.” Niemand weet eigenlijk hoe het moet, leven, iedereen probeert alleen maar om het een beetje goed te doen. En de een is daarbij misschien wat minder bang om de barsten in het beeld te laten zien, en de ander heeft behoefte aan de bescherming van een stevig masker. De een is zich misschien ook wat meer dan een ander bewust van het masker dat zij draagt, en van het spel dat we met ons allen spelen.

De een denkt misschien dat er met het spel iets te winnen valt, terwijl een ander weet dat het leven zelf de winst al is.

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, filosofie, twijfel | 2 reacties