Verlangen naar zin (1)

Ik verlang naar een doel, iets van richting. Dat komt: het loopt niet zo lekker, de laatste tijd. Ja, behalve het lopen dan, dat loopt heerlijk. Ik weet natuurlijk best dat al dat gehardloop op z’n minst voor een deel dient om het gemis aan vervulling op andere vlakken te compenseren (ik spreek uiteraard alleen voor mezelf) – maar terwijl het daar de afgelopen jaren in afwisselend meer of mindere mate in leek te slagen, lijkt het nu al geruime tijd hopeloos ontoereikend te zijn.

Als ik een stukje terugkijk in mijn leven, zie ik een golfbeweging. Een jaar of twintig geleden werkte ik bij een accountantskantoor. Hoewel dat kantoor en de collega’s best oké waren, vond ik het niet leuk. Toen ging ik op schaatsles. Dat vond ik wél leuk. Na een poosje was ik een keer of vier per week op de ijsbaan te vinden. In de winter dan. Wat ik verder deed? Klimmen. Ook dat was leuk, erg leuk. Niet in de laatste plaats dankzij de groep mensen met wie ik het deed. Het sporten en de vele sociale en actieve weekendjes en weken weg, gaven me voldoende bevrediging om dan maar voor lief te nemen dat ik mijn werk niet leuk vond. Ik leefde voor iets anders.

Dat werkte een paar jaar vrij goed, maar toen stak de onvrede, die al die tijd sluimerde, de kop op en moest er weer iets gebeuren. Ik moest iets met m’n hoofd doen, daar verlangde ik nu naar. Ik schreef me in voor een tweejarige cursus ‘Wijsbegeerte en Spiritualiteit’ aan de VU. Een goede stap. Van cursist werd ik een enthousiaste filosofiestudent. De vakken boeiden me, en wat was het heerlijk om mijn hersenen eindelijk weer eens serieus te laten kraken. Natuurlijk bleef ik sporten, dat was en is een onmisbaar deel van mijn leven, maar sporten hoefde niet meer te compenseren wat ik elders miste.

Tot ik in m’n master zat. Ik maakte een aantal onhandige keuzes, en het afstudeertraject werd een crime. Wat een verspilling. Ik had het enorme voorrecht te mogen en kunnen studeren (zoals hardloopvriendin Martine me onder ogen bracht, toen ik weer eens besloten had te stoppen met die k*-scriptie), ik deed de allermooiste studie die er bestaat, maar was de lol in wat ik deed volkomen kwijt. Ik bestudeerde een vervelende filosoof, kreeg het onderwerp dat me in wezen zo aansprak – abstractie versus intuïtie – maar niet in m’n vingers, had een begeleider die mijn onzekerheid flink wist te stimuleren, en leverde uiteindelijk een matige en oninteressante scriptie af. Weinig bevredigend, dat moge duidelijk zijn.

Geen wonder dat ik in deze periode weer enig fanatisme ontwikkelde op sportgebied. Schaatsen en klimmen hadden inmiddels allang plaatsgemaakt voor hardlopen, marathons werden ultra’s, naast wegwedstrijden kwamen er trails en, het allermooiste, berglopen. Elke keer weer dook ik in de trail- en ultrakalenders, legde ze naast mijn schema, en oh, dat heerlijke gevoel als er een match was! Scriptietechnisch gesproken was het misschien niet handig, maar ik had het meer dan nodig voor mijn geestelijk welbevinden, hield ik mezelf voor.

Nu lijkt het wondermiddel voorlopig weer uitgewerkt te zijn. Sport is heerlijk, sport moet, sport doet me goed, maar het is niet genoeg om me de dip van het lijf te houden. De winterdip is dieper en duurt langer dan anders. Alles wankelt, niets is zeker. Ik worstel. Ik verlang naar een doel, iets van richting.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 9 reacties

Lofzang

Het schijnt dat er mensen bestaan die niet van hardlopen houden. Het is mij een raadsel hoe dat kan.

Er zijn ook mensen die wel van hardlopen houden, maar dan weer niet van op de baan lopen. Ik mag sommige van hen zelfs tot mijn vrienden rekenen (ja Edwin, ik bedoel oa jou). Ze weten niet wat ze missen.

Wat weer een heerlijke training vanavond. Een lekker pittig voorprogramma, met de nadruk op kracht, en op mooi rechtop blijven lopen, ook als je zware benen krijgt. Een trainer met visie. Een groep lopers die er lol in hebben. En dan een hoofdprogramma van vijf keer 1200 meter. Aardig tempo.

Beetje wind, beetje regen, beetje kou.

Als je dáár niet blij van wordt…

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Oefenstof

De materie is me niet bepaald welgezind, de laatste maanden. Of moet ik misschien dieper kijken, en is de materie me juist zeer welgezind? Zoals Dreverhaven uiteindelijk al die tijd het beste voor blijkt te hebben gehad met Katadreuffe?

Het begint met een auto. Er kwam, kort voor de zomer, eindelijk een nieuwe. Een nieuwe oude dan natuurlijk. Niet zo’n kek modelletje misschien, maar een keurig onderhouden exemplaar en een verstandige koop, denk ik. Een paar maanden later word ik aangereden. Ik blijf relaxt. Tot ik de term ‘total loss’ voorbij hoor komen. Aanvankelijk reageer ik ook daar nog lacherig op, maar wanneer die term wel degelijk op mijn auto blijkt te slaan, verandert mijn lach in die van een boer met kiespijn. Weer op zoek naar een andere. Het wordt er een met een iets vlotter uiterlijk, iets vlotter rijdend ook. Maar het is een wat minder verstandige koop, vrees ik. Al snel gaat er een controlelampje branden. Katalysator vervangen. Vervolgens breekt de rechtervoorveer, en neemt daarbij de (een) ABS-sensor in z’n val mee. Eén veer vervangen = twee veren vervangen. Twee veren vervangen + een nieuwe ABS-sensor = veel geld. Niet over nadenken. Afrekenen en hup, weg ermee.

In Arnhem heb ik non stop problemen met het water. Aftappertje warm water lek. Vervangen is geen grote klus. Als de waterdruk er weer op gezet wordt, blijkt echter ook de geiser te lekken. Niet een koppeling helaas, maar de generator. De man die het aftappertje verving, waagt zich hier niet aan. Ik doe het er al een poosje zonder warm water, en ga daar dan nog maar een poosje mee door.

Dan houdt in Haarlem de cv-ketel ermee op. Ook daar even geen warm water dus, en ook geen verwarming. Gelukkig heb ik een paar dagen eerder, in de trein van Castricum naar Den Helder, net Christiaan gesproken over diens opleiding bij Iceman Wim Hof. Christiaan mag zich nu instructeur noemen in de Wim-Hofmethode. Ik ben geen held, maar wel geïnteresseerd. Heb me toevallig net een paar weken eerder na het hardlopen door een paar medelopers laten verleiden om, net als zij, een duik te nemen in het Vogelmeer. Watertemperatuur net iets boven nul. Aiaiai, dat valt niet mee; ik weet niet hoe snel ik het water weer uit moet komen. Maar dat schijn je dus te kunnen trainen. Ik beschouw de drie dagen in een onverwarmd huis als een beginnetje, net als de koude douche na het hardlopen (nogmaals: ik ben geen held – ik zeep me in, zet dan pas de douchekraan open en spoel me heel snel af). Ik moet nog iets doen met m’n ademhaling, weet ik, maar dat deel van de training bewaar ik voor later.

Dan kom ik weer in Arnhem, waar ik dan weliswaar nog steeds geen warm water heb, maar waar de kachel het wel doet, voor zover ik weet. Inderdaad, die doet het, maar als ik de afsluitkraan van het koude water opendraai, hoor ik water stromen onder de caravan. Snel dicht dus maar weer. Gelukkig heb ik nog een buitenkraan. Die doet het ook en er is niks gesprongen. Emmer vullen, en ook de fluitketel en de waterflesjes die ik heb staan. Loodgieter bellen. De loodgieter die me eerder een keer flink heeft afgezet en die ik daarom eigenlijk niet meer wilde inschakelen. Maar hij kent de situatie en is niet te beroerd om onder de caravan te kruipen. Hij kan pas maandag komen. Weer een weekendje kamperen, qua water halen en zo. Niet erg, ik vind het wel een sport.

Kijk, dat zijn dan nog wel grappige dingen. Bijna net als de basaltblokken die, als strekdam, het strand zo hier en daar onderbreken tijdens de DCURbN. Het lijken lastige hindernissen. Bij de eerste neig ik tot wandelen. Oei, eng: oneffen en waarschijnlijk nog glad ook. Maar ik corrigeer mezelf meteen. Die blokken vormen juist kleine doch fijne mogelijkheden om te trainen voor in de rotsen. Rustig hardlopend erover dus. Leuke hobby is het toch.

Maar het geld, jongens, het geld. Die loodgieter ligt alweer uren onder de caravan. Niet over piekeren, ik heb het nog, ik kan het nog betalen, pech, klaar. Maar pfff, de euro’s vliegen er in een paar maanden tijd met wel een heleboel tegelijk uit. Een prachtige oefening om hier relaxt in te blijven ja. Een besef van overvloed te behouden, of anders wel het besef dat het niet om geld draait in het leven. Maar ik vind dat ik wel weer even genoeg getraind heb. Lief universum: mag het een onsje minder met dat oefenmateriaal? Alsjeblieft?

Geplaatst in hardlopen, kamperen | Plaats een reactie

Een nachtje doorhalen

Ik heb het beloofd, min of meer, al is het maar aan mijzelf. Eindelijk weer eens een blog schrijven, al is het maar over hardlopen. En er is een directe aanleiding – ik liep weer eens een georganiseerd loopje. Afgelopen nacht. Over het strand nog wel. Ik, die niet van zand houd, meer van het bos dan van de zee ben.

De Dutch Coast Ultra Run by Night, en dan de wintereditie, staat al jaren op mijn lijstje, en al jaren ben ik blij dat hij ook deze keer weer niet past in de plannen die ik heb. Of bij mijn lichamelijke gesteldheid van dat moment. Whatever. Maar als Jos begin januari voorstelt deze samen te gaan lopen, kan ik zo snel geen goed excuus verzinnen om daar niet ja tegen te zeggen. Misschien moet het er deze keer maar eens van komen. Al is het maar om ‘m te kunnen schrappen van mijn lijstje.

Veel bekende namen op de startlijst. Ik maak me zorgen dat een uur voor de start in Den Helder te kort zal zijn om alle bekenden op z’n minst te begroeten en liefst ook even te spreken. Gelukkig ontmoeten we de meeste al op het station van Castricum, en biedt de treinreis tijd om met een paar van hen wat uitgebreider te praten. Het uur voor de start duurt vervolgens lang. Het is bloedheet in het hotel en als er een vrouw naast me komt staan die geen jas aan heeft, beslis ik op het laatste moment om het er ook op te gokken en mijn jas uit te trekken. Hij past er nog nét bij in mijn rugzak – Jos moet me even helpen om de rits dicht te kunnen krijgen. Ik heb idioot veel bij me, ben voorbereid op veel kouder weer dan het uiteindelijk blijkt te zijn. Toch heb ik daar geen spijt van, ik houd rekening met geval van nood. Als ik uit moet stappen, om welke reden dan ook, weet ik mezelf vast wel warm te houden door me in m’n reddingsdeken te wikkelen, maar ik trek liever mijn donsjas aan. En de verplichte twee liter water/sportdrank drink ik, tegen de verwachting in, bijna helemaal op. Maar het is een zware bult op mijn rug, dat is waar.

Jos en ik lopen samen, is de afspraak. En met wie we verder nog samenlopen, zullen we onderweg wel zien. Dat is niet met Christiaan – die zijn we meteen na de start al kwijt. Wij blijven bij Renske en Lisenka in de buurt, die voor de 100 kilometer gaan (Jos en ik stoppen na 50). Jonathan loopt tijdens het eerste stuk een tijd met ons mee, ik zie mijn neef, Klaas, zo nu en dan opduiken en loop een stukje met hem samen (dat is lang geleden!). We lopen in een groepje, met voorin Dick en Angela. Mooi rustig tempo, maar Lisenka gaat er voorbij en Jos volgt. Dilemma. Ik heb er slechte ervaringen mee om Dick en Angela voorbij te gaan (Winschoten). Bang dat ik ook deze keer weer overmoedig ben. Maar ik wil bij mijn loopvrienden blijven, en haast mij achter hen aan.

Het lopen gaat makkelijk. Het strand ligt er goed bij en de wind is tegen, matig van kracht. Ik vind het wel lekker, zo tegen de wind in. Na de kou van de afgelopen weken lijkt de wind nu bijna zwoel. Blij dat ik zonder jas loop. De handschoenen gaan telkens uit en dan toch maar weer een poosje aan. Op het punt, na ruim 30 kilometer, waar we even door het water moeten, en daarna een stukje door het mulle zand wandelen, krijg ik het koud aan mijn hoofd, en doe ik de capuchon van mijn loopshirt op. Na een tijd irriteert me dat dan weer, en het laatste stuk loop ik weer blootshoofds. We lopen met z’n vieren. Soms een tijdje een andere loper in de buurt. Al een hele tijd wordt alleen nog het hoogstnoodzakelijke gezegd. Heerlijk. We naderen Egmond. We naderen Egmond heel lang. Het komt maar niet dichterbij. Hopeloos. Toch loop ik nog steeds lekker. Jos heeft al een dipje achter de rug, maar bij mij blijft die vooralsnog uit.

Het is bijna hoogwater, en het stuk strand dat nog goed beloopbaar is, bevindt zich elders op de wereld, niet langer tussen Egmond en Castricum in elk geval. Dat is wel goed voor het betere zeegevoel. Smal strandje, je kunt niet anders dan vlak langs of door het water lopen. Die golven, hun eeuwige beweging, het eeuwige geruis. Er is geen maan, we moeten het doen met de sterren. Ik krijg het zwaar nu, de fut is er na 45 kilometer wel een beetje uit. Jos bijt door, en ik probeer hem zo goed mogelijk te volgen. We wachten nog even op Renske en Lisenka, maar die wandelen de laatste kilometers tot de Deining. Zij mogen daarna nog een stukje, en sparen zich. Gaan jullie maar. Wij gaan. Op naar de finish. Die bereiken we na zes uur en een paar minuten. Sneller dan ik had verwacht. Makkelijker dan ik had verwacht. Leuker dan ik had verwacht. Geweldig loopje eigenlijk, zeker qua sfeer.

Jammer, kan ik ‘m toch niet schrappen van m’n lijstje.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Gemis

Mijn vader stierf op 22 november 2016.

Zeker, we wisten dat het er een keer van moest komen. Hij was de jongste niet, en zijn gezondheid holde de laatste jaren achteruit.

Zeker, zijn dood was zo mooi als je je maar kunt wensen, en ik ben blij dat hem, en ons, een ziekenhuisopname bespaard is gebleven. Het is goed zo.

Zeker, ik ben nu 51 jaar oud en ben dankbaar dat ik zo lang mijn beide ouders heb gehad. Niet iedereen heeft dat geluk. Ik klaag niet.

Zeker, het leven gaat verder en ik zou ook niet anders willen.

Zeker, ik geniet van een rondje Veluwezoom op de mountainbike. Ik geniet van het hardlopen, van het buiten zijn, van een zware training soms.

Zeker, ik heb plezier en kan soms keihard lachen.

Zeker, ik zing mee met zowel het Weihnachtsoratorium als met de Top 2000 – om vervolgens weer een potje te huilen.

Zeker, het verdriet zal slijten. Doet dat al een beetje.

Zeker, 2017 is begonnen en ik wens ons allen een prachtig jaar toe. Dat we maar mogen blijven zien dat we allemaal mensen zijn, hoe verschillend ook. Het gaat om wat ons verbindt, niet om wat ons – ogenschijnlijk – scheidt.

Zeker, het leven gaat verder en ik zou niet anders willen.

Maar op dit moment is er, in mijn privé-wereldje, eigenlijk maar één ding dat ertoe lijkt te doen. Mijn vader is dood. Wat mis ik die man.

Geplaatst in Geen categorie | 12 reacties

Alles moet anders!

Afgelopen zomer was het weer eens zo ver: terwijl ik rustig van mijn vakantie aan het genieten was, overviel me het gevoel dat alles anders moet in mijn dagelijkse leven. Met uitroepteken nog wel. Nou ja, dat kenden we al, story of my life. Waarschijnlijk verander ik na de vakantie toch weer niks, en vind ik het dan tot op zekere hoogte ook wel weer best zoals het is, dus laat ik het gevoel niet al te serieus nemen. Maar laat ik het ook niet helemaal negeren, want misschien is de tijd nu rijp om wél iets te veranderen.

Ik ben niet iemand die goed weet wat ze wil. En áls ik dan iets denk te willen, bejegen ik mijn motieven met wantrouwen – zijn ze wel zuiver? Met het onderzoek van mijn motieven kan lange tijd gemoeid zijn, vaak zonder dat ik tot een duidelijke conclusie kom. Ik kan soms jaren heen en weer geslingerd worden tussen ‘ik ga dat en dat doen’ en ‘ja maar.’ Ik spits het even toe op het wonen, want over het terrein waarop ik écht iets zou moeten veranderen, het werken, wil ik het nu niet hebben.

Ruim 20 jaar geleden ben ik vanuit Dieren verhuisd naar de Randstad. Hoewel ik nog best weet waarom ik daar, in de gegeven situatie, destijds voor gekozen heb, en ik mijzelf die keuze niet kwalijk neem, hoewel Haarlem een fijne stad is, waar ik het goed naar mijn zin heb, hoewel ik een lekker huis heb, een relatief ruime tuin en prettige buren bovendien, heb ik altijd een vaag gevoel van spijt gehouden van die verhuizing van de Veluwezoom naar het westen. It’s no use crying over spilt milk, dus niet te serieus nemen, dat vage gevoel, maar er ondertussen wel met een half oog naar blijven kijken. Verdwijnen doet het niet, dus misschien is het slim als ik er iets mee doe. De stap om mijn huis te verkopen en uit Haarlem te vertrekken, is te groot voor me. Maar de behoefte aan een plek in de natuur laat zich weliswaar onderzoeken, maar niet wegredeneren. Een recreatiehuisje is een compromis tussen angst en wens. Jaren doe ik erover om de wens de overhand te laten nemen op de angst. Soms was de wens weliswaar groot, maar meestal viel dan het aanbod tegen. Vorig jaar vond ik eindelijk iets dat voor een belangrijk deel aan mijn wensen tegemoetkwam. Weer moest ik uitgebreid mijn motieven onder de loep nemen: verwacht ik nou niet stiekem toch dat omstandigheden buiten mijzelf me gelukkig kunnen maken? Ik weet toch allang dat dat onmogelijk is?

De kachel brandt. Ik mijmer wat en kijk naar buiten. De merels die rondscharrelen, zag ik gisteren ook, maar vandaag worden ze vergezeld door allerlei fladderend grut. De meesjes en de boomklevers hebben eindelijk de vetbol ontdekt die er al een paar dagen hangt. Het roodborstje komt weer eens een kijkje nemen, en hé, is dat nou een mus? Díe heb ik lang niet gezien! Het mooiste vind ik het winterkoninkje met z’n opstaande staartje, dat zoals altijd verrassend dicht bij het huisje komt. Wat vindt ie daar toch? Dan zit er opeens een eekhoorn, juist onder de boom waarin de vetbol hangt. Zou hij het doorhebben? Kennelijk niet, want hij rent naar een andere boom waarin hij omhoog gaat. Ik zie hem nog een sprongetje maken naar een volgende boom, maar verlies ‘m dan uit het oog. Het grut gaat onverstoorbaar door met fladderen en scharrelen.

Natuurlijk kleven er, voor mij althans, ook nadelen aan zo’n tweede huisje. Ik ben nooit goed geweest in het verdelen van mijn aandacht, en ook ben ik nooit een hartstochtelijk klusser geweest, en nu heb ik maar liefst twéé plekken waar van alles moet gebeuren of in elkaar dreigt te storten. Zorgen, zorgen, zorgen. Toch heb ik nog geen moment spijt gehad van m’n aanschaf. Geluk komt dan misschien niet van buiten mezelf, maar ik vind het in de praktijk toch echt makkelijker om me bewust te zijn van het geluk in mijzelf wanneer ik in de natuur ben dan wanneer ik in de stad, tussen de huizen en de auto’s, zit.

Ik merk regelmatig dat ik ernaar verlang om daar, in mijn huisje in het bos, te gaan wonen. Daar kleven onnoemelijk veel nadelen aan, waarvan een van de belangrijkste misschien wel is, dat het, wanneer ik daar wóón, niet langer de paradijselijke status heeft die het nu heeft. Zoals gebruikelijk probeer ik mijn motieven te analyseren. De ‘ja, ik wil’-stem die in me leeft, wordt bestookt met vele varianten van de vraag in hoeverre daar gaan wonen een vlucht is. De ‘nee, ik laat de situatie maar zoals die is’-stem krijgt in eindeloze herhaling de vraag voorgelegd of hij niet door angst ingegeven is.

Ik overhaast niks. Maar ik hoop dat ik het aandurf ooit de stap te zetten.

Geplaatst in twijfel | 8 reacties

Niet bepaald een trail

Het werd zo’n stukje tekst dat nu nog op het bureaublad prijkt, maar dat binnenkort in de prullenbak zal verdwijnen. Komt het doordat ik te serieus ben? Moet het allemaal weer te genuanceerd? Of komt het domweg doordat ik te veel onderwerpen in een stukje wil persen? Het schrijft niet lekker, en ondanks meerdere keren opnieuw beginnen, blijf ik ontevreden.

Een van de dingen waarover ik schrijf, is hoe goed het is dat het hardloopseizoen voor mij ten einde loopt. Niet alleen fysiek ben ik toe aan rust – de klachten nemen in aantal toe, en de hardnekkigste ervan lijkt bovendien in ernst toe te nemen – maar ook merk ik dat ik de gretigheid om nieuwe plannen te maken een beetje kwijt ben. Kennelijk ben ik eraan toe de aandacht eens even op wat andere dingen te richten – al blijf ik uiteraard ondertussen gewoon hardlopen. Ik mag de Beartrail nog lopen, eind oktober, en dan zit het er voorlopig even op voor mij, qua langloperij.

Wat ik ook schrijf, is dat het vagelijk blijft knagen dat ik de ongekende vorm die ik met al mijn gretigheid dit jaar heb weten te bereiken, niet heb weten om te zetten in klinkende cijfers, of in een finish op het koningsnummer van dit jaar. Best leuk hoor, om op de atletiekbaan met een sneller clubje mee te kunnen lopen. Nog leuker misschien om complimenten van de trainer te krijgen, maar wat koop ik ervoor? Harde cijfers willen we, en dat is niet gelukt. Maar desondanks, nee, ik ben blij dat ik een poosje kan stoppen, het is goed zo.

Dan laat Jos weten dat hij niet mee kan naar de Beartrail. Zelf heb ik geen auto tot mijn beschikking, omdat de mijne twee weken geleden total loss gereden is. Ik weet vrijwel meteen dat ik dan ook niet zal gaan. Dat is in bijna alle opzichten slimmer – al zal ik jullie het beschrijven van die opzichten besparen. Maar help! Paniek in de tent. Het is één ding om te bedenken dat het lekker is om te stoppen terwijl je nog een serieuze loop te gaan hebt, maar het is iets heel anders als er opeens helemaal geen plannetje meer is om naartoe te leven. Ik schiet meteen in een dip. Winterrust alla, maar hoe zorg ik ervoor dat dat niet ontaardt in een winterdepressie?

Ik móet iets alternatiefs verzinnen voor dit weekend, en dan het liefst voor de zondag. De Duinentrail ligt, achteraf gezien, het meest voor de hand, maar gek genoeg komt die niet in me op. Wel overweeg ik heel even om te proberen een startbewijs voor Etten-Leur te bemachtigen – kan ik eindelijk eens proberen mijn marathontijd te verbeteren. Maar dan ben ik alsnog een hele dag weg, en daar heb ik weinig zin in. Nee, laat ik het gewoon dichtbij huis houden, en lekker kort: de Heemstedeloop, 10 kilometer. Daar kan ik op de fiets naartoe, en dan kan ik mooi nu wél een nieuwe tijd neerzetten, wat me een paar weken geleden in Bergen niet lukte. Onder de 47 minuten zou moeten kunnen lukken, denk ik. 46 zelfs misschien?

Bianca reageert bezorgd als ze op woensdagavond hoort dat ik overweeg om ook in Heemstede te komen lopen. Moet ze mij ook nog achter zich zien te houden. Ik lach erom. Dat moet voor haar geen probleem zijn, met een pr dat minstens 5 minuten sneller is dan dat van mij. Maar goed, zij gaat geen pr lopen deze keer, ik hopelijk wel. Met Bianca, Yvonne en Mark sta ik in het startvak. Ik ben een stuk zenuwachtiger dan een paar weken geleden in Bergen. Er hangt natuurlijk niks van af, maar ik vind het opeens ouderwets spannend.

Ik ben bang dat ik te langzaam start, maar als ik op mijn horloge kijk, zie ik dat ik op dat moment 4’00” per kilometer loop. Oeps, even terugschakelen. Ik zoek een tempo waarmee ik m’n kansen op een snelle eindtijd niet vergooi, maar dat desalniettemin comfortabel voelt. Comfortabel genoeg om het een paar kilometer vol te kunnen houden althans. Een stukje voor me zie ik Yvonne lopen. Ik haal haar in en zij wijst me op Bianca die we nog in het zicht hebben. Volgens Yvonne betekent dat dat wij goed gaan, maar ik vraag me af of het niet betekent dat ik te snel ga. Nou ja, we zullen het zien. Ik kijk weliswaar zo nu en dan op mijn horloge om te zien hoe snel ik ga, maar verbind er weinig conclusies aan. Alleen als ik zie dat ik rond de 5′ de kilometer loop (waarschijnlijk wordt de gps-ontvangst op dat moment gehinderd door de bomen van Groenendaal), schrik ik en heb ik de neiging om te versnellen. Meestal zit ik echter zo tussen de 4’35” en 4’45” en dat is snel zat. Ik word ingehaald door een man die mij bekend voorkomt, maar van wie ik niet weet wie het is. Hij moedigt me aan, en zegt dat dit een makkie voor me moet zijn. Ik loop toch altijd 100 kilometer? Hij blijkt bij mijn praatje voor de vereniging geweest te zijn laatst.

Het stukje door Groenendaal is mooi – onverhard, maar stevig. De rest van het parcours is oké. Maar eigenlijk heb ik er weinig oog voor, vrees ik. Het tempo dat ik loop, is comfortabel genoeg voor 7 kilometer, maar daarna slaat het discomfort toe. Ik ben inmiddels Bianca gepasseerd. Zij roept me na dat het gaat om dat pr en dat ik door moet zetten. Dat pr komt er wel, weet ik, maar het doorzetten, de druk op de benen blijven houden, begint nu serieus pijn te doen. Mijn longen protesteren, de adem giert door de luchtwegen. Nog 2 kilometer, wat een roteind. Het liefst had ik nog willen versnellen, maar ik ben bang dat ik mijn kruit daarvoor te vroeg verschoten heb. Consolideren, als me dat lukt, mag ik allang blij zijn. Ik steek nog steeds mijn duim op naar toeschouwers en probeer te lachen, maar ben bang dat die lach inmiddels meer weg heeft van een pijnlijke grimas. Nog 1 kilometer, 2,5 rondjes op de atletiekbaan. Dat moet ik kunnen volhouden, toch? Minder dan 5 minuten lopen nog, kom op! Steeds denk ik dat Bianca me weer voorbij zal gaan, maar ik kan wel sneller wíllen, maar sneller gaan dan ik ga, lukt me domweg niet. Ik heb ook te weinig energie om in competitie te gaan met anderen, trek me hooguit heel even aan iemand op, maar heb de handen vol aan mezelf. Een paar honderd meter nog.

Dan is daar de finish. Met 45’10” een vet pr. Ik neem me voor er deze keer mijn mond over te houden dat de route iets te kort was ;). Bianca zit 2 seconden achter me. Als het parcours 100 meter langer was, zou ze me nog ingehaald hebben. Maar ja, dat was het niet.

Met trailen had het niks te maken. Met ultralopen evenmin. Het leek nog het meest op hardlopen. Joh, het moet niet gekker worden. Ik kan hiermee niets afstrepen van een lijstje, maar mijn behoefte aan harde cijfers is voor dit moment even bevredigd. Ga ik nu toch maar die winterrust in.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Snelle schoenen

Het werd tijd dat ik weer eens ouderwets een wedstrijd zou uitlopen, vond ik. Dus zonder geheel per ongeluk een stuk af te snijden, of eerder dan bij de finish de handdoek in de ring te gooien, met wat voor vage smoesjes dan ook. Dus (ja, alweer dus) schreef ik me voor de zekerheid maar in voor een 10 kilometer – de kans dat ik die zou kunnen finishen, leek me geruststellend groot. Het Rondje Bergen moest ‘m worden, en dat stond voor vandaag op het programma.

In het kleedhok heeft een vrouw het over mul zand. Eh, wacht even, mul zand zeg je? Maar heb ik me dan niet ingeschreven voor een verharde loop? Een andere vrouw vindt dat ik niet moet zeuren, zij heeft het MST-logo op mijn shirt gezien. Jaja, tuurlijk, maar eigenlijk ging ik vandaag voor een PR. Nou ja, ik voelde me toch al een beetje brak (geen handige korte-termijn-voorbereiding), en met mul zand heb ik alvast een goed excuus voorhanden wanneer de eindtijd tegenvalt.

Het parcours blijkt maar 0,4 keer zo verhard te zijn als ik dacht toen ik me inschreef. Het zijn twee rondjes van 5 kilometer (dat wist ik dan weer wél), waarvan grofweg de eerste en de laatste kilometer verhard zijn. De rest loopt door het bos en door de duinen. Het is lekker nat en dus modderig in het bos, en in de duinen hebben we, inderdaad, mul zand. En nog een paar hoogtemeters ook. Twintig in totaal, voor een beetje bergloper is dat natuurlijk te verwaarlozen, maar voor een trailloper met een identiteitsprobleem en nog zwakke bovenbenen ook, tellen ze wel degelijk. Het is dus een veel leuker parcours dan ik had verwacht, maar wat minder handig voor een snelle tijd. Ik heb mijn supersnelle impulsaankoop-wedstrijdschoenen aangetrokken, uitermate geschikt voor het tartan van de atletiekbaan en voor gladgeschoren asfaltwegen. Vandaag waren trailschoenen beter op hun plaats geweest.

Als het me zou lukken de kilometertijden op 4’45” te houden, zou ik een PR lopen, wist ik. Ik kijk regelmatig op mijn klokje, maar heb niet de moed of de power om écht op een tijd te  lopen. In de wat zwaardere stukken moet ik accepteren dat ik soms even boven de 5’ zit. De derde kilometer is het zwaarst, daar zit het mulle zand in en ook het meeste hoogteverschil. De achtste kilometer is logischerwijs opnieuw het zwaarst. Toch zie ik achteraf dat mijn negende kilometer de langzaamste was. Dat is de enige kilometer waar ik langer dan 5 minuten over heb gedaan. Gek, zo voelde dat helemaal niet. Om het een beetje goed te maken, was de volgende, de laatste, dan wel weer de snelste kilometer van de hele wedstrijd.

Ik klok zelf bij de finish 47’51” en dat is geen PR, weet ik. Maar toch een goede tijd, en in verhouding tot die PR-wedstrijd eigenlijk een betere, weet ik ook. Ik mag er tevreden mee zijn, maar ik had op iets sneller gehoopt. Ik ben bovendien een beetje boos op mijzelf, omdat ik niet verstandig vroeg naar bed ben gegaan, gisteravond. En ook heb ik bij de eerste doorkomst geen bekertje water genomen – het eeuwige dilemma: vaart minderen om een bekertje aan te pakken en om iets te kunnen drinken, kost tijd, maar drinken had de tweede ronde misschien gemakkelijker voor me gemaakt.

Als de uitslagen online staan, zie ik dat mijn officiële eindtijd 47’43” is. Toch maar eens opzoeken wat die PR-tijd nu eigenlijk precies was. Ik blader terug naar de Velserbroekloop 2012. Verrek joh: 47’43”. Exact dezelfde tijd. (Later liep ik eens 47’06”, maar die loop was volgens mij te kort, dus die tel ik niet mee.) Hoef ik me alleen nog maar af te vragen waardoor die negende kilometer zo langzaam ging.

Leuke wedstrijd, mooi rondje. En altijd weer leuk om óók die korte afstanden te lopen. Voor herhaling vatbaar. Tijdens het lopen zelf kun je behoorlijk diep gaan, maar, anders dan na een 100 kilometer, je voelt je 10 seconden na de finish alweer zo goed als nieuw. Heerlijk.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Nog meer in de war

Hoe kan ik nou ooit een trailloper zijn, als ik die rondjes op de atletiekbaan zo alleronwaarschijnlijkst leuk vind om te doen?

Manmanman, wat weer een lekkere training was dat. In de tropische hitte, beschenen en misschien wel bespot door een donkergele maan. Druipend van het zweet, lachend mopperend over de warmte en het programma. Vijf maal 800m-200m en stiekem ging het nog best snel ook.

Na afloop nog even groepsgewijs planken en mijn geluk is compleet. En dán nog sjezend op de fiets door de stad naar huis met het zicht op diezelfde maan. Wat een overvloed.

Geplaatst in hardlopen, identiteit | 2 reacties

In de war

Al met al had ik een verwarrende vakantie.

Ik rijd op vrijdag, twee weken voor de wedstrijd, naar de Vanoise, een berggebied net ten oosten van het Belledonne-massief. Vóór het weekend, zodat ik de laatste nog een klein beetje serieuze duurloop mooi in de bergen kan doen. Op zaterdagmorgen doe ik de eigenlijke vrijdagtraining. Nog weinig hoogtemeters, maar pittig genoeg. Ik had niet anders verwacht, na een reisdag en zonder acclimatisatie op een hoogte van krap 1500 meter boven zeeniveau. Op zondag mag ik dan die duurloop doen. Rugzak op de rug, stokken in de hand, net echt. Het pad tegenover de camping omhoog, langs een boerderij met schaapskudde en bijbehorende hond (kan ik daar mooi meteen mee oefenen, want die schijn ik tijdens de wedstrijd ook tegen te kunnen komen), naar de col, en achterlangs de topjes die je vanaf de camping ziet weer naar beneden, met op het laatst nog een stukje stippels op de kaart – lastig terrein. Vanaf de col naar beneden, kom ik langs een afslag naar links. Het pad leidt naar de top met kruis, en ik kan het niet laten het klimmetje er nog even bij te nemen. Het gestippelde stukje is niet al te ingewikkeld, maar net spannend genoeg om te gaan wandelen in plaats van te blijven hardlopen. Ik voel een dilemma: als ik hier nog echt iets aan wil hebben, trainingstechnisch gesproken, moet ik niet al te tuttig voorzichtig afdalen, maar aan de andere kant is een enkel verstuiken zo anderhalve week voor de wedstrijd natuurlijk wel het laatste wat ik wil. Ik kies voor de voorzichtige kant.

Op maandag neem ik, verstandigerwijs, een rustdag (ik ben tenslotte aan het taperen), maar dinsdags mag ik dan van mezelf een wandeltocht maken. Ik heb mijn zinnen gezet op een rondje dat D&GJ, die vorige maand op deze zelfde camping stonden, maakten. Daar zit een col in die zuslief D een beetje al te spannend vond, en ze vindt het dan ook niks dat ik dat rondje in mijn eentje wil gaan maken. Ik besluit om het in tegengestelde richting te lopen, dan krijg ik het spannende deel stijgend, en dat is altijd minder eng dan dalend. Bovendien, denk ik, heb ik wat meer ervaring dan zij in alpien terrein, en heb ik weinig last van hoogtevrees, dus ik verwacht dat het wel los zal lopen. En ik zeg maar niet tegen haar dat ik verwacht in mijn wedstrijd ook wel wat spannende passages tegen te zullen komen. Toch ben ik gespannen, zeker als ik de helling waar ik doorheen zal moeten, heb zien liggen en herkend heb van een van hun foto’s. Van een afstand ziet het er ondoenlijk uit, maar uit ervaring weet ik dat het van dichtbij dan meestal toch blijkt mee te vallen. Ondanks de wens om het lastige deel maar achter de rug te hebben, dwing ik mezelf eerst een kop koffie te gaan drinken bij de hut waar D&GJ overnachtten. De koffie is op, en er wordt verse voor me gezet. Hij smaakt me heerlijk, maar bevat te weinig cafeïne om te voorkomen dat ik later op de dag barstende koppijn krijg. Ik verzuim om tegen de huttenwaard te zeggen waar ik naartoe ga, al heb ik me nog zo voorgenomen dat te doen. Als ik na de kop koffie verder loop, hoop ik tegen beter weten in nog dat de col toch wat meer naar rechts ligt, een beetje om de hoek. Daar lijkt het me veel beter te doen. Maar nee, het is toch echt die wand van de foto waar de markeringen me naartoe leiden. Ik neem me voor om, wanneer het spannend wordt, even te stoppen om wat losse dingen (zonnebril, telefoon) in mijn rugzak te stoppen, en ook de stokken weg te steken, zodat ik mijn handen vrij heb. Als het zo ver is, doe ik dat braaf. Het valt overigens mee. Het is een redelijk begaanbaar pad, het is alleen retesmal, retesteil en vooral reteluchtig. Ik hoef niet per se naar beneden te kijken en zoek hier en daar met mijn handen steun bij de rotsen. De kettingen die er hangen, negeer ik. Al valt het me mee, ik denk ondertussen toch wel: ik hoop maar dat dit het is, wat D bedoelde, want spannender dan dit hoeft het van mij nou ook weer niet te worden. Eigenlijk was ik van plan om een poosje op de col te blijven met het oog op de acclimatisatie, maar als ik boven ben – de col is lager dan ik in mijn hoofd had, dus ook dat valt weer mee – en het blokkenterrein en de plukjes sneeuw aan de andere kant zie, en er bovendien wat donkere wolken in de lucht hangen, wil ik daar toch maar zo snel mogelijk weer weg zijn. Mijn grootste angst is dat ik de route niet kan vinden en ga lopen dwalen. Zorgen om niks, want door het eerste sneeuwveldje loopt een spoor, en daarna zie ik al snel het eerste steenmannetje. En weer een, en weer een. Bij de volgende hut loop ik door. Het blijft lastig voor me, in mijn eentje ergens iets gaan drinken of eten. Later in de afdaling dwing ik mezelf echter om toch nog even te gaan lunchen in het gras. Ja, natuurlijk kan ik in een ruk door naar beneden lopen, maar dit was toch bedoeld als een dagtocht? Wat heb ik eraan om zo snel mogelijk weer beneden te zijn, terwijl ik toch al zoveel tijd op de camping doorbreng? Bovendien: hoe langer op hoogte, hoe beter. Echt lang houd ik het niet vol, de onrust is nog niet uit mijn lijf, al zit ik weer op een eenvoudig pad en zijn ook de donkere wolken verdwenen. Na de stop volgt nog een vervelend en lang pad naar beneden – blij dat ik het rondje andersom gelopen heb en dit niet heb hoeven stijgen. Zeven uur na vertrek ben ik weer bij mijn tent terug. Super gelopen, maar behoorlijk gesloopt en, zoals gezegd, met een barstende koppijn. En met twijfels. Laurens zei het zo makkelijk, dat ik natuurlijk ook wel wat mocht wandelen in die laatste weken, maar daarbij heeft hij misschien een iets ander soort wandelingen in gedachten gehad dan wat ik vandaag gedaan heb. Dit was veel zwaarder dan die hele Trail du Val d’Heure van anderhalve week geleden, terwijl dat in mijn piekweek was, en ik nu zwaar in de taperperiode zit. Ik heb nog negen dagen om hiervan bij te komen, hopelijk is dat genoeg.

Dit is mijn grootste dilemma deze vakantie. Ik denk van tevoren dat ik het perfect georganiseerd heb voor mijzelf: twee weken voor de wedstrijd naar de bergen, zodat ik volop kan acclimatiseren en nog wat kan trainen in lastig terrein. Dat laatste levert al een dilemma op zich, zoals ik al schreef. Maar ik moet niet alleen acclimatiseren, maar ook taperen. En nu heb ik, voor het eerst van mijn leven, deze keer toch al niet zoveel zin om te taperen, maar taperen terwijl ik ook nog eens in de bergen ben, zet me helemaal klem. Ik houd echt veel van bij m’n tent zitten, het is ook nog eens prachtig weer en ik heb gelukkig heerlijke boeken bij me, maar dit jaar is het een beetje veel van het goede. Ik heb natuurlijk nog wat (korte) hardlooptrainingen af te werken, maar daar vul ik mijn dagen niet mee. Ik wil omhoog, ik wil weg. Niet elke dag, maar zo om de andere dag zou mooi zijn. Maar de vermoeidheid na die eerste wandeltocht maakt wel duidelijk dat ik dat niet nog een keer moet doen. De hele tijd ben ik aan het wikken en wegen: wat wel en wat niet. Wat is verstandig? Ik wil natuurlijk niet mijn voorbereiding op de EB verknallen, maar aan de andere kant: het is ook vakantie en zo vaak ben ik niet in de bergen.

Nou, dat dus. Ik mag nog een keer een wandeltocht maken van mezelf, maar doe het die dag bewust een stuk rustiger aan, en blijf nu wél ter acclimatisatie wat langer op de beide cols die ik over moet. Het is veel relaxter, maar duidelijk minder bevredigend. En ik wandel nog een keer naar het dorp, waarbij ik het niet kan laten de afdalingen hard te lopen. Niet hard hard dan, maar rustig hard. Het blijft leuk, hardlopen in de bergen, ook als dat hardlopen feitelijk een beetje dribbelen is.

Verwarrend, zei ik. Het alleen op vakantie zijn, vind ik dit jaar wat minder ideaal dan anders. Ik zal nooit ontkennen dat alleen zijn zo z’n nadelen heeft, maar meestal zie ik ook veel voordelen. En bovendien: het is nu eenmaal niet anders. Maar dit jaar vind ik het lastig. Het is niet zo dat ik me zielig voel (om)dat ik alleen ben, en ik voel me echt niet ongelukkig, maar helemaal blij en tevreden voel ik me evenmin. Ik heb niet veel contact met andere mensen op de camping, dat helpt niet. Het lijkt wel of mijn vaardigheid om in het Frans te converseren elk jaar achteruit gaat. En ik ben misschien te veel geneigd te denken dat ik geen anderen nodig heb – op dat punt kom ik altijd weer bedrogen uit.

Tijdens die tweede wandeling loop ik een echtpaar achterop dat met een verrekijker een groepje steenbokken aan het bekijken is. Zij rusten niet voor ik de ‘bouquetins’ ook ontdekt heb. Gelukkig hebben ze veel geduld ;). We lopen door, ik ga wat sneller dan zij en zeg dat ik hen op de col wel weer zal zien. Daar komen ze inderdaad een poosje na mij aan, ze lopen even door en komen dan weer terug. Ik vraag hun wat ze doen, waar ze naartoe gaan. We raken in gesprek, en ik vertel dat ik de week erop een wedstrijd in het Belledonne-massief ga doen. “O, l’Echappée Belledonne?” vragen ze. Wtf, kennen ze die? Nou, hun zoon (ze zeggen wel steeds ‘fils,’ maar de man zegt in het begin ook ‘our brother,’ en tijdens het gesprek denk ik steeds: is het nou haar broer of de zijne? later tijdens de afdaling bedenk ik pas dat het natuurlijk om hun zoon ging, en dat daarom dat ‘notre’ de hele tijd volkomen op z’n plek was) gaat hem ook lopen, en zij gaan hem supporteren. Nou ja, hoe leuk is dat nou toch! Ze vragen mijn naam (ik zeg dat die waarschijnlijk ook wel op het startnummer staat), en zullen me inderdaad tijdens de wedstrijd een paar keer aanmoedigen – vlak na de start, en ergens tussen post 1 en 2. Ik hoop maar dat hun zoon de wedstrijd wél heeft uitgelopen. Maar goed, dat zijn details. Tijdens die wandeling merk ik hoeveel goed het doet om even contact te hebben met een paar aardige mensen; en dat dat dan ook nog mensen zijn die een beetje snappen wat ik ga doen, beschouw ik als een bonus. Op de camping beperkt het contact zich tot een ‘bonjour’ en een ‘bonsoir’ op z’n tijd, met soms een ultrakort gesprekje. Het is geen drama, en de gratis wifi zorgt ervoor dat ik me in elk geval regelmatig verbonden voel met het thuisfront, maar het alleen zijn voelt deze keer een beetje leeg.

Over verwarring gesproken. Tijdens de pastamaaltijd voorafgaand aan de grote dag, voorspelt Hans dat die wedstrijd echt he-le-maal niet leuk gaat zijn. En hij kan het weten, want hij waagt dit jaar zijn derde poging. In het eerste jaar wist hij helemaal niet waar hij aan begon, vertelt hij, en zat hij bij de base vie in Pleynet zo stuk dat hij z’n startnummer inleverde. In het tweede jaar werd hij ziek. Maar ik denk: jaja, het zal wel. Als het echt helemaal niet leuk is, waarom ga je het dan nu wéér proberen? Om iets te bewijzen? Maar zo iemand lijkt hij me helemaal niet. Ja, het zal zwaar zijn. Ja, het zal zwaarder zijn dan wat je hiervoor hebt gedaan. Maar zwaar ís toch juist leuk? Hans heeft ook de eerste editie, afgelopen winter, van de Legends Trail gelopen. En is daar gefinisht, wat niet bepaald vanzelf spreekt. 250 kilometer lang door de Ardennen, onder niet echt lichte omstandigheden. Hij is zo’n 60 uur onderweg geweest, en heeft het daarvan misschien 1 uur naar zijn zin gehad, zegt hij. Ik reageeer ongelovig. Niet zozeer omdat ik hem niet geloof, maar omdat ik er gewoon niet bij kan met mijn hoofd. Zoals ik in mijn vorige blog al schreef: het is echt niet zo dat ik zo naïef ben dat ik denk dat het steeds maar leuk is onderweg, tijdens zo’n ultra. Ik drijf zelfs een beetje de spot met een paar mensen van wie ik weet dat ze tijdens de race van hun leven uitstapten ‘omdat ze het niet leuk meer vonden.’ Niet léuk meer vonden, niet léuk meer vonden? Ben je nou helemaal belazerd? Natúúrlijk vind je het niet leuk, maar daarom stap je toch niet uit? “Ik loop door tot het niet leuk meer is, en daarna loop ik door tot het weer leuk is,” is een uitspraak die op facebook rondging toen ik daar nog, iets te veel naar mijn zin, rondhing. Maar toch. Als je het niet doet omdat je het, op welke wonderlijke en ondoorgrondelijke manier dan ook, leuk vindt, waarom doe je het dán in vredesnaam?

Ik denk terug aan mijn vier enigszins lange berg(achtige)lopen. Van de eerste, de 80 du Mont Blanc, herinner ik me vooral verwondering en enthousiasme. Vond ik het steeds maar leuk? Nee, zeer zeker niet, daarvoor was het bij vlagen toch te zwaar. En dzjie, wat deden mijn bovenbenen zeer in de afdalingen! Maar toch vond ik het ook weer wél (bijna) steeds maar leuk. Wat een mooi werk, om zo de hele dag een beetje door de bergen te banjeren. Ik wist nauwelijks waar ik aan begonnen was, maar voelde dat ik het kon, dat ik het zou gaan halen. Als toetje kregen we toen, oké, oké, nog gevolgd door een vrij ellendige en eindeloos durende afdaling, dat hoogtepad met het volle zicht op de Mont Blanc daar voor ons, en links van ons de rotsige toppen van de Aiguilles de huppeldepup, dit alles beschenen door een heldere maan.

Het moment waaraan ik altijd moet denken wanneer ik me afvraag wat er nu eigenlijk leuk is aan dit lange geloop, is er een tijdens de Trail Verbier-Saint Bernard. Toen ik daar bij de Lacs de Fenêtres liep, voelde ik me zo onwaarschijnlijk gelukkig. De omgeving droeg zeker bij aan dat gevoel van geluk, maar ik meen dat het gevoel van kracht dat ik op dat moment ten volle ervaarde, nog bepalender was. Maar als ik er dan aan denk hoe ik later, ’s nachts, liep te ploeteren door de modder, hardop mopperend en vervuld van zelfmedelijden, tja, was dat nog leuk? Nee, helemaal niet. En toch? Ik zou het zo weer doen. Prachtige race.

Van een heel ander kaliber was dan The Real Kick, in de Eifel. Die liep ik samen met Hannah, wat al een (plezierig) verschil maakt ten opzichte van alleen lopen. Ik had het hier zwaar, maar toch vond ik het ook weer erg leuk. De kleinschaligheid droeg daaraan bij, maar ook de afwisseling van redelijke paden en kruip-door-sluip-door door de bosjes. En het maffe, van in het stikkedonker je pad proberen te vinden door of langs een ruïne, midden in de nacht door de Duitse bossen met ter afwisseling zo nu en dan een uitgestorven plaatsje, als laatste verzorgingspost een bankje in the middle of nowhere met wat flessen cola en een vuistvol pinda’s verpakt in chocola. En ook hier, net als in Chamonix en in Verbier in de twee voorafgaande jaren, finish ik met het gevoel dat ik nog wel even door zou kunnen gaan. Als het zou moeten, dan.

Dat gevoel ontbreekt bij de finish in Grainau, bij de Zugspitz ultra, dit jaar. Vond ik die leuk? Nou, het ging wel. Niet bijster. Maar ook daar maakte het gevoel dat ik het kón, terwijl het ook zwaar was, terwijl het regende, terwijl ik me onbehaaglijk voelde in mijn natte kleren, terwijl ik mopperde op de route, me toch weer blij.

Het gevoel dat je hebt wanneer je de grens opzoekt van wat je fysiek aankunt, en dan net onder die grens blijft, is een verslavend lekker gevoel. Daarom kan een pr lopen op een 10 kilometer of een halve marathon ook zo bevredigend zijn. Dat gaat maar zeer ten dele om de prestatie op zich – veel meer is het het gevoel dat je het niet meer kunt volhouden, en dat je dan tóch volhoudt. Het gevoel dat je hebt wanneer je je reserves aanspreekt. Waarom dat dan precies zo bevredigend is? Geen idee. Het zal wel een stofje vrijmaken in je hersenen of zo. Maar ondertussen doet het pijn. Genieten? Dat doe je maar een andere keer, daar heb je nu even geen tijd voor. De beloning krijg je later.

Die mogelijke beloning na afloop was deze keer te virtueel om me op de been te houden. Het vlees te onwillig, de geest te zwak. Of net andersom. Dat geeft niet, mag ook best eens een keer. Het is alleen een beetje onbevredigend. Onvermijdelijk val ik na afloop ten prooi aan ‘wat als’-gedachten. Daarvan zijn er de gebruikelijke: wat als ik beter getaperd zou hebben, wat als ik rustiger gestart zou zijn, wat als ik vaker gestopt was, wat als ik beter zou hebben kunnen eten, meer zou hebben gedronken? Klein bier, allemaal. Een gedachte is nieuw, en nogal hardnekkig aanwezig – wat als er in Pleynet iemand zou hebben gestaan, die me niet alleen met de praktische dingetjes zou hebben geholpen, maar die vooral tegen me zou hebben gezegd: kom op, Schreuder, je bent niet geblesseerd, je bent niet ziek; zorg dat je goed eet en rust en natúúrlijk ga je dan verder. Er is geen enkele reden om hier te stoppen. Hier, eet je soep op. Wat dan? Dan zou ik de volgende post waarschijnlijk gehaald hebben, de rest blijft onzeker. Laurens vraagt na afloop waarom ik hem niet gebeld heb. Nou eh, het was kwart over twee ’s nachts. Nou en? Oh, nou, dat moet ik de volgende keer dus even met hem afspreken, dat mag en kan blijkbaar.

Laurens vraagt me ook plannen te maken voor de rest van dit jaar, en alvast na te denken over wat ik volgend jaar zou willen doen. Voor concrete plannen is het te vroeg. Ik verlang ernaar om op eigen gelegenheid in de bergen onderweg te zijn (niet per se alleen, daar heb ik op dit moment even mijn buik van vol, maar met een klein groepje), maar zal ook wel weer een wedstrijd gaan lopen, verwacht ik. De stip aan de horizon, die sinds enkele jaren werd gevormd door de Tor des Geants, is vervaagd door het geruzie in de Aosta-vallei. In 2017 ben ik er sowieso nog niet aan toe, dus ik kan nog even rustig afwachten hoe het zich daar ontwikkelt en wat er van de race(s) overblijft. En misschien kom ik er wel nooit aan toe, want ik ben er niet meer zo zeker van dat ik (veel) langer dan een etmaal onderweg zijn goed aan zal kunnen. Dat zal nog moeten blijken. Ik sudder.

En terwijl ik sudder, zijn de trainingen weer begonnen. Op z’n Laurens’: bam bam bam. No mercy.

Geplaatst in hardlopen, kamperen, twijfel | 3 reacties