Nog meer in de war

Hoe kan ik nou ooit een trailloper zijn, als ik die rondjes op de atletiekbaan zo alleronwaarschijnlijkst leuk vind om te doen?

Manmanman, wat weer een lekkere training was dat. In de tropische hitte, beschenen en misschien wel bespot door een donkergele maan. Druipend van het zweet, lachend mopperend over de warmte en het programma. Vijf maal 800m-200m en stiekem ging het nog best snel ook.

Na afloop nog even groepsgewijs planken en mijn geluk is compleet. En dán nog sjezend op de fiets door de stad naar huis met het zicht op diezelfde maan. Wat een overvloed.

Geplaatst in hardlopen, identiteit | 2 reacties

In de war

Al met al had ik een verwarrende vakantie.

Ik rijd op vrijdag, twee weken voor de wedstrijd, naar de Vanoise, een berggebied net ten oosten van het Belledonne-massief. Vóór het weekend, zodat ik de laatste nog een klein beetje serieuze duurloop mooi in de bergen kan doen. Op zaterdagmorgen doe ik de eigenlijke vrijdagtraining. Nog weinig hoogtemeters, maar pittig genoeg. Ik had niet anders verwacht, na een reisdag en zonder acclimatisatie op een hoogte van krap 1500 meter boven zeeniveau. Op zondag mag ik dan die duurloop doen. Rugzak op de rug, stokken in de hand, net echt. Het pad tegenover de camping omhoog, langs een boerderij met schaapskudde en bijbehorende hond (kan ik daar mooi meteen mee oefenen, want die schijn ik tijdens de wedstrijd ook tegen te kunnen komen), naar de col, en achterlangs de topjes die je vanaf de camping ziet weer naar beneden, met op het laatst nog een stukje stippels op de kaart – lastig terrein. Vanaf de col naar beneden, kom ik langs een afslag naar links. Het pad leidt naar de top met kruis, en ik kan het niet laten het klimmetje er nog even bij te nemen. Het gestippelde stukje is niet al te ingewikkeld, maar net spannend genoeg om te gaan wandelen in plaats van te blijven hardlopen. Ik voel een dilemma: als ik hier nog echt iets aan wil hebben, trainingstechnisch gesproken, moet ik niet al te tuttig voorzichtig afdalen, maar aan de andere kant is een enkel verstuiken zo anderhalve week voor de wedstrijd natuurlijk wel het laatste wat ik wil. Ik kies voor de voorzichtige kant.

Op maandag neem ik, verstandigerwijs, een rustdag (ik ben tenslotte aan het taperen), maar dinsdags mag ik dan van mezelf een wandeltocht maken. Ik heb mijn zinnen gezet op een rondje dat D&GJ, die vorige maand op deze zelfde camping stonden, maakten. Daar zit een col in die zuslief D een beetje al te spannend vond, en ze vindt het dan ook niks dat ik dat rondje in mijn eentje wil gaan maken. Ik besluit om het in tegengestelde richting te lopen, dan krijg ik het spannende deel stijgend, en dat is altijd minder eng dan dalend. Bovendien, denk ik, heb ik wat meer ervaring dan zij in alpien terrein, en heb ik weinig last van hoogtevrees, dus ik verwacht dat het wel los zal lopen. En ik zeg maar niet tegen haar dat ik verwacht in mijn wedstrijd ook wel wat spannende passages tegen te zullen komen. Toch ben ik gespannen, zeker als ik de helling waar ik doorheen zal moeten, heb zien liggen en herkend heb van een van hun foto’s. Van een afstand ziet het er ondoenlijk uit, maar uit ervaring weet ik dat het van dichtbij dan meestal toch blijkt mee te vallen. Ondanks de wens om het lastige deel maar achter de rug te hebben, dwing ik mezelf eerst een kop koffie te gaan drinken bij de hut waar D&GJ overnachtten. De koffie is op, en er wordt verse voor me gezet. Hij smaakt me heerlijk, maar bevat te weinig cafeïne om te voorkomen dat ik later op de dag barstende koppijn krijg. Ik verzuim om tegen de huttenwaard te zeggen waar ik naartoe ga, al heb ik me nog zo voorgenomen dat te doen. Als ik na de kop koffie verder loop, hoop ik tegen beter weten in nog dat de col toch wat meer naar rechts ligt, een beetje om de hoek. Daar lijkt het me veel beter te doen. Maar nee, het is toch echt die wand van de foto waar de markeringen me naartoe leiden. Ik neem me voor om, wanneer het spannend wordt, even te stoppen om wat losse dingen (zonnebril, telefoon) in mijn rugzak te stoppen, en ook de stokken weg te steken, zodat ik mijn handen vrij heb. Als het zo ver is, doe ik dat braaf. Het valt overigens mee. Het is een redelijk begaanbaar pad, het is alleen retesmal, retesteil en vooral reteluchtig. Ik hoef niet per se naar beneden te kijken en zoek hier en daar met mijn handen steun bij de rotsen. De kettingen die er hangen, negeer ik. Al valt het me mee, ik denk ondertussen toch wel: ik hoop maar dat dit het is, wat D bedoelde, want spannender dan dit hoeft het van mij nou ook weer niet te worden. Eigenlijk was ik van plan om een poosje op de col te blijven met het oog op de acclimatisatie, maar als ik boven ben – de col is lager dan ik in mijn hoofd had, dus ook dat valt weer mee – en het blokkenterrein en de plukjes sneeuw aan de andere kant zie, en er bovendien wat donkere wolken in de lucht hangen, wil ik daar toch maar zo snel mogelijk weer weg zijn. Mijn grootste angst is dat ik de route niet kan vinden en ga lopen dwalen. Zorgen om niks, want door het eerste sneeuwveldje loopt een spoor, en daarna zie ik al snel het eerste steenmannetje. En weer een, en weer een. Bij de volgende hut loop ik door. Het blijft lastig voor me, in mijn eentje ergens iets gaan drinken of eten. Later in de afdaling dwing ik mezelf echter om toch nog even te gaan lunchen in het gras. Ja, natuurlijk kan ik in een ruk door naar beneden lopen, maar dit was toch bedoeld als een dagtocht? Wat heb ik eraan om zo snel mogelijk weer beneden te zijn, terwijl ik toch al zoveel tijd op de camping doorbreng? Bovendien: hoe langer op hoogte, hoe beter. Echt lang houd ik het niet vol, de onrust is nog niet uit mijn lijf, al zit ik weer op een eenvoudig pad en zijn ook de donkere wolken verdwenen. Na de stop volgt nog een vervelend en lang pad naar beneden – blij dat ik het rondje andersom gelopen heb en dit niet heb hoeven stijgen. Zeven uur na vertrek ben ik weer bij mijn tent terug. Super gelopen, maar behoorlijk gesloopt en, zoals gezegd, met een barstende koppijn. En met twijfels. Laurens zei het zo makkelijk, dat ik natuurlijk ook wel wat mocht wandelen in die laatste weken, maar daarbij heeft hij misschien een iets ander soort wandelingen in gedachten gehad dan wat ik vandaag gedaan heb. Dit was veel zwaarder dan die hele Trail du Val d’Heure van anderhalve week geleden, terwijl dat in mijn piekweek was, en ik nu zwaar in de taperperiode zit. Ik heb nog negen dagen om hiervan bij te komen, hopelijk is dat genoeg.

Dit is mijn grootste dilemma deze vakantie. Ik denk van tevoren dat ik het perfect georganiseerd heb voor mijzelf: twee weken voor de wedstrijd naar de bergen, zodat ik volop kan acclimatiseren en nog wat kan trainen in lastig terrein. Dat laatste levert al een dilemma op zich, zoals ik al schreef. Maar ik moet niet alleen acclimatiseren, maar ook taperen. En nu heb ik, voor het eerst van mijn leven, deze keer toch al niet zoveel zin om te taperen, maar taperen terwijl ik ook nog eens in de bergen ben, zet me helemaal klem. Ik houd echt veel van bij m’n tent zitten, het is ook nog eens prachtig weer en ik heb gelukkig heerlijke boeken bij me, maar dit jaar is het een beetje veel van het goede. Ik heb natuurlijk nog wat (korte) hardlooptrainingen af te werken, maar daar vul ik mijn dagen niet mee. Ik wil omhoog, ik wil weg. Niet elke dag, maar zo om de andere dag zou mooi zijn. Maar de vermoeidheid na die eerste wandeltocht maakt wel duidelijk dat ik dat niet nog een keer moet doen. De hele tijd ben ik aan het wikken en wegen: wat wel en wat niet. Wat is verstandig? Ik wil natuurlijk niet mijn voorbereiding op de EB verknallen, maar aan de andere kant: het is ook vakantie en zo vaak ben ik niet in de bergen.

Nou, dat dus. Ik mag nog een keer een wandeltocht maken van mezelf, maar doe het die dag bewust een stuk rustiger aan, en blijf nu wél ter acclimatisatie wat langer op de beide cols die ik over moet. Het is veel relaxter, maar duidelijk minder bevredigend. En ik wandel nog een keer naar het dorp, waarbij ik het niet kan laten de afdalingen hard te lopen. Niet hard hard dan, maar rustig hard. Het blijft leuk, hardlopen in de bergen, ook als dat hardlopen feitelijk een beetje dribbelen is.

Verwarrend, zei ik. Het alleen op vakantie zijn, vind ik dit jaar wat minder ideaal dan anders. Ik zal nooit ontkennen dat alleen zijn zo z’n nadelen heeft, maar meestal zie ik ook veel voordelen. En bovendien: het is nu eenmaal niet anders. Maar dit jaar vind ik het lastig. Het is niet zo dat ik me zielig voel (om)dat ik alleen ben, en ik voel me echt niet ongelukkig, maar helemaal blij en tevreden voel ik me evenmin. Ik heb niet veel contact met andere mensen op de camping, dat helpt niet. Het lijkt wel of mijn vaardigheid om in het Frans te converseren elk jaar achteruit gaat. En ik ben misschien te veel geneigd te denken dat ik geen anderen nodig heb – op dat punt kom ik altijd weer bedrogen uit.

Tijdens die tweede wandeling loop ik een echtpaar achterop dat met een verrekijker een groepje steenbokken aan het bekijken is. Zij rusten niet voor ik de ‘bouquetins’ ook ontdekt heb. Gelukkig hebben ze veel geduld ;). We lopen door, ik ga wat sneller dan zij en zeg dat ik hen op de col wel weer zal zien. Daar komen ze inderdaad een poosje na mij aan, ze lopen even door en komen dan weer terug. Ik vraag hun wat ze doen, waar ze naartoe gaan. We raken in gesprek, en ik vertel dat ik de week erop een wedstrijd in het Belledonne-massief ga doen. “O, l’Echappée Belledonne?” vragen ze. Wtf, kennen ze die? Nou, hun zoon (ze zeggen wel steeds ‘fils,’ maar de man zegt in het begin ook ‘our brother,’ en tijdens het gesprek denk ik steeds: is het nou haar broer of de zijne? later tijdens de afdaling bedenk ik pas dat het natuurlijk om hun zoon ging, en dat daarom dat ‘notre’ de hele tijd volkomen op z’n plek was) gaat hem ook lopen, en zij gaan hem supporteren. Nou ja, hoe leuk is dat nou toch! Ze vragen mijn naam (ik zeg dat die waarschijnlijk ook wel op het startnummer staat), en zullen me inderdaad tijdens de wedstrijd een paar keer aanmoedigen – vlak na de start, en ergens tussen post 1 en 2. Ik hoop maar dat hun zoon de wedstrijd wél heeft uitgelopen. Maar goed, dat zijn details. Tijdens die wandeling merk ik hoeveel goed het doet om even contact te hebben met een paar aardige mensen; en dat dat dan ook nog mensen zijn die een beetje snappen wat ik ga doen, beschouw ik als een bonus. Op de camping beperkt het contact zich tot een ‘bonjour’ en een ‘bonsoir’ op z’n tijd, met soms een ultrakort gesprekje. Het is geen drama, en de gratis wifi zorgt ervoor dat ik me in elk geval regelmatig verbonden voel met het thuisfront, maar het alleen zijn voelt deze keer een beetje leeg.

Over verwarring gesproken. Tijdens de pastamaaltijd voorafgaand aan de grote dag, voorspelt Hans dat die wedstrijd echt he-le-maal niet leuk gaat zijn. En hij kan het weten, want hij waagt dit jaar zijn derde poging. In het eerste jaar wist hij helemaal niet waar hij aan begon, vertelt hij, en zat hij bij de base vie in Pleynet zo stuk dat hij z’n startnummer inleverde. In het tweede jaar werd hij ziek. Maar ik denk: jaja, het zal wel. Als het echt helemaal niet leuk is, waarom ga je het dan nu wéér proberen? Om iets te bewijzen? Maar zo iemand lijkt hij me helemaal niet. Ja, het zal zwaar zijn. Ja, het zal zwaarder zijn dan wat je hiervoor hebt gedaan. Maar zwaar ís toch juist leuk? Hans heeft ook de eerste editie, afgelopen winter, van de Legends Trail gelopen. En is daar gefinisht, wat niet bepaald vanzelf spreekt. 250 kilometer lang door de Ardennen, onder niet echt lichte omstandigheden. Hij is zo’n 60 uur onderweg geweest, en heeft het daarvan misschien 1 uur naar zijn zin gehad, zegt hij. Ik reageeer ongelovig. Niet zozeer omdat ik hem niet geloof, maar omdat ik er gewoon niet bij kan met mijn hoofd. Zoals ik in mijn vorige blog al schreef: het is echt niet zo dat ik zo naïef ben dat ik denk dat het steeds maar leuk is onderweg, tijdens zo’n ultra. Ik drijf zelfs een beetje de spot met een paar mensen van wie ik weet dat ze tijdens de race van hun leven uitstapten ‘omdat ze het niet leuk meer vonden.’ Niet léuk meer vonden, niet léuk meer vonden? Ben je nou helemaal belazerd? Natúúrlijk vind je het niet leuk, maar daarom stap je toch niet uit? “Ik loop door tot het niet leuk meer is, en daarna loop ik door tot het weer leuk is,” is een uitspraak die op facebook rondging toen ik daar nog, iets te veel naar mijn zin, rondhing. Maar toch. Als je het niet doet omdat je het, op welke wonderlijke en ondoorgrondelijke manier dan ook, leuk vindt, waarom doe je het dán in vredesnaam?

Ik denk terug aan mijn vier enigszins lange berg(achtige)lopen. Van de eerste, de 80 du Mont Blanc, herinner ik me vooral verwondering en enthousiasme. Vond ik het steeds maar leuk? Nee, zeer zeker niet, daarvoor was het bij vlagen toch te zwaar. En dzjie, wat deden mijn bovenbenen zeer in de afdalingen! Maar toch vond ik het ook weer wél (bijna) steeds maar leuk. Wat een mooi werk, om zo de hele dag een beetje door de bergen te banjeren. Ik wist nauwelijks waar ik aan begonnen was, maar voelde dat ik het kon, dat ik het zou gaan halen. Als toetje kregen we toen, oké, oké, nog gevolgd door een vrij ellendige en eindeloos durende afdaling, dat hoogtepad met het volle zicht op de Mont Blanc daar voor ons, en links van ons de rotsige toppen van de Aiguilles de huppeldepup, dit alles beschenen door een heldere maan.

Het moment waaraan ik altijd moet denken wanneer ik me afvraag wat er nu eigenlijk leuk is aan dit lange geloop, is er een tijdens de Trail Verbier-Saint Bernard. Toen ik daar bij de Lacs de Fenêtres liep, voelde ik me zo onwaarschijnlijk gelukkig. De omgeving droeg zeker bij aan dat gevoel van geluk, maar ik meen dat het gevoel van kracht dat ik op dat moment ten volle ervaarde, nog bepalender was. Maar als ik er dan aan denk hoe ik later, ’s nachts, liep te ploeteren door de modder, hardop mopperend en vervuld van zelfmedelijden, tja, was dat nog leuk? Nee, helemaal niet. En toch? Ik zou het zo weer doen. Prachtige race.

Van een heel ander kaliber was dan The Real Kick, in de Eifel. Die liep ik samen met Hannah, wat al een (plezierig) verschil maakt ten opzichte van alleen lopen. Ik had het hier zwaar, maar toch vond ik het ook weer erg leuk. De kleinschaligheid droeg daaraan bij, maar ook de afwisseling van redelijke paden en kruip-door-sluip-door door de bosjes. En het maffe, van in het stikkedonker je pad proberen te vinden door of langs een ruïne, midden in de nacht door de Duitse bossen met ter afwisseling zo nu en dan een uitgestorven plaatsje, als laatste verzorgingspost een bankje in the middle of nowhere met wat flessen cola en een vuistvol pinda’s verpakt in chocola. En ook hier, net als in Chamonix en in Verbier in de twee voorafgaande jaren, finish ik met het gevoel dat ik nog wel even door zou kunnen gaan. Als het zou moeten, dan.

Dat gevoel ontbreekt bij de finish in Grainau, bij de Zugspitz ultra, dit jaar. Vond ik die leuk? Nou, het ging wel. Niet bijster. Maar ook daar maakte het gevoel dat ik het kón, terwijl het ook zwaar was, terwijl het regende, terwijl ik me onbehaaglijk voelde in mijn natte kleren, terwijl ik mopperde op de route, me toch weer blij.

Het gevoel dat je hebt wanneer je de grens opzoekt van wat je fysiek aankunt, en dan net onder die grens blijft, is een verslavend lekker gevoel. Daarom kan een pr lopen op een 10 kilometer of een halve marathon ook zo bevredigend zijn. Dat gaat maar zeer ten dele om de prestatie op zich – veel meer is het het gevoel dat je het niet meer kunt volhouden, en dat je dan tóch volhoudt. Het gevoel dat je hebt wanneer je je reserves aanspreekt. Waarom dat dan precies zo bevredigend is? Geen idee. Het zal wel een stofje vrijmaken in je hersenen of zo. Maar ondertussen doet het pijn. Genieten? Dat doe je maar een andere keer, daar heb je nu even geen tijd voor. De beloning krijg je later.

Die mogelijke beloning na afloop was deze keer te virtueel om me op de been te houden. Het vlees te onwillig, de geest te zwak. Of net andersom. Dat geeft niet, mag ook best eens een keer. Het is alleen een beetje onbevredigend. Onvermijdelijk val ik na afloop ten prooi aan ‘wat als’-gedachten. Daarvan zijn er de gebruikelijke: wat als ik beter getaperd zou hebben, wat als ik rustiger gestart zou zijn, wat als ik vaker gestopt was, wat als ik beter zou hebben kunnen eten, meer zou hebben gedronken? Klein bier, allemaal. Een gedachte is nieuw, en nogal hardnekkig aanwezig – wat als er in Pleynet iemand zou hebben gestaan, die me niet alleen met de praktische dingetjes zou hebben geholpen, maar die vooral tegen me zou hebben gezegd: kom op, Schreuder, je bent niet geblesseerd, je bent niet ziek; zorg dat je goed eet en rust en natúúrlijk ga je dan verder. Er is geen enkele reden om hier te stoppen. Hier, eet je soep op. Wat dan? Dan zou ik de volgende post waarschijnlijk gehaald hebben, de rest blijft onzeker. Laurens vraagt na afloop waarom ik hem niet gebeld heb. Nou eh, het was kwart over twee ’s nachts. Nou en? Oh, nou, dat moet ik de volgende keer dus even met hem afspreken, dat mag en kan blijkbaar.

Laurens vraagt me ook plannen te maken voor de rest van dit jaar, en alvast na te denken over wat ik volgend jaar zou willen doen. Voor concrete plannen is het te vroeg. Ik verlang ernaar om op eigen gelegenheid in de bergen onderweg te zijn (niet per se alleen, daar heb ik op dit moment even mijn buik van vol, maar met een klein groepje), maar zal ook wel weer een wedstrijd gaan lopen, verwacht ik. De stip aan de horizon, die sinds enkele jaren werd gevormd door de Tor des Geants, is vervaagd door het geruzie in de Aosta-vallei. In 2017 ben ik er sowieso nog niet aan toe, dus ik kan nog even rustig afwachten hoe het zich daar ontwikkelt en wat er van de race(s) overblijft. En misschien kom ik er wel nooit aan toe, want ik ben er niet meer zo zeker van dat ik (veel) langer dan een etmaal onderweg zijn goed aan zal kunnen. Dat zal nog moeten blijken. Ik sudder.

En terwijl ik sudder, zijn de trainingen weer begonnen. Op z’n Laurens’: bam bam bam. No mercy.

Geplaatst in hardlopen, kamperen, twijfel | 3 reacties

No mercy

Als ik aan kom lopen om m’n startnummer te halen, zie ik in de rij direct Jonathan staan. Hij draagt een t-shirt met op de rug de tekst:
no off days
no excuses
no mercy
In kapitalen uiteraard.

Over die eerste hoef ik het niet te hebben. Volgens mij heeft iedereen wel eens een off day, maar is de strekking hier meer dat je dat niet als excuus kunt aanvoeren, zodat ie eigenlijk valt onder de tweede. Twee en drie zijn interessant.

Jonathan is ook degene met wie ik in het startvak sta. Stella heeft in Vizille geslapen, en haar hebben we sinds gisteren niet meer gezien. Hans zijn we kwijt sinds die een paar uur eerder in Aiguebelle in een andere bus stapte dan wij. Ik neem tenminste maar aan dat hij wel inderdaad in een bus gestapt is en niet bij nader inzien heeft besloten terug te gaan naar z’n tent. Van de Japanners met wie we gisteren aan de pasta zaten geen spoor. Het is een minuut over zes, en nog wordt er niet afgeteld, alleen maar geluld. Het kost me moeite mijn ongeduld te bedwingen, laten we alsjeblieft beginnen. Ik ben helemaal niet zenuwachtig, maar heb wel maar een uurtje of zo geslapen (no excuses) en dat is toch een beetje gek, als je niet zenuwachtig bent.

In de eerste etappe, tot de verzorgingspost van Arselle (R1), op 16,5km (1488mD+, 148mD-), is de Echappée Belle ons nog genadig. Het terrein is met de kleur groen gewaardeerd – ‘sans difficulté.’ Het begint met een stukje vlak, tot we een vriendelijk stijgend bospad op mogen. In dat bos is overigens de warmte van de afgelopen week flink blijven hangen, maar bij het stijgen wordt het vanzelf koeler (no excuses). Ik laat Jonathan meteen gaan, maar als ik zie dat hij op dezelfde afstand van me, een paar meter voor me, blijft lopen, versnel ik toch maar even om naast hem te komen. Wel zo gezellig. We houden allebei van de Ecrins – vakanties in de bergen, het beste gespreksonderwerp dat er is. Als er wat meer ruimte op het pad ontstaat, loopt Jonathan van me weg. Ik zal hem tijdens de race nog éénmaal terugzien. Na een uur of drie ben ik al bij de post. Een tussentijd die me meevalt (nu nog even: mercy).

Ik gedraag me voorbeeldig bij de post. Eerst waterzak bijvullen, het belangrijkste. Dan eten en drinken. Voor vertrek denk ik er ook nog aan een behoorlijk irritant steentje uit m’n rechterschoen te verwijderen. Uiterst efficiënt allemaal. Tevreden over mezelf ga ik dan ook weer op pad, maar met die tevredenheid is het al snel gedaan. Ik stel er een eer in om in de bergen ‘netjes’ te lopen. Beheerst, niet te grote stappen, geconcentreerd. Nou kan die eer me gestolen worden, maar het feit dat ik om de haverklap tegen stenen aan schop, m’n evenwicht verlies, onhandig ben en daardoor slordig loop, belooft weinig goeds. Ik schaam me voor de mensen die achter me lopen (want zo ben ik wel), maar belangrijker: ik probeer te analyseren wat er aan de hand is en, nog belangrijker, het tij te keren. Die analyse heeft weinig om het lijf. Ik weet best wat er in dit soort gevallen eigenlijk altijd aan de hand is: ik loop boven m’n macht. Het lijkt niet alsof ik te snel ga, maar kennelijk is dat toch het geval. Ik voel me opgejaagd doordat er mensen vlak achter me lopen, en stap aan de kant om hen te laten passeren. Dat zal ik de rest van de dag nog minstens een keer of honderd doen, schat ik. Ik vind het een zwaar stuk, en zie achteraf tot mijn schrik dat deze etappe grotendeels blauw (‘facile’) gewaardeerd is, met het laatste gedeelte rood (‘difficile’). Bij de Refuge de La Pra (R2), op 27,7km (2412mD+, 594mD-) vul ik eerst weer waterzak en flesje sportdrank, en ga ik me daarna te buiten aan soep, brood met kaas, zoute cashewnoten en sinaasappel. Ik wil eigenlijk bijna nooit fruit tijdens loopjes, maar mijn lichaam laat er geen misverstand over bestaan: sinaasappel móet nu. Ik smeer me nog een keer in met factor 50. Het lopen gaat dan misschien niet geweldig, maar ik ben er met m’n kop goed bij, merk ik.

Bij vertrek van de hut loopt een groep kinderen in de weg. Wat gaan ze doen? Een van de begeleiders feliciteert me alvast. Dat is me iets te voorbarig, al bedoelt ze natuurlijk niet met de finish, maar met wat ik tot nu toe al gedaan heb. We beginnen aan de klim naar La Croix de Belledonne, en, jawel! Ik kom in mijn ritme en krijg het sterke gevoel te pakken. Eindelijk m’n steady state bereikt. Denk ik. Dan wordt het weer steiler. Weg steady state, weg lekkere gevoel. Maar hee, wat ik gehad heb, kan ik ook weer terugkrijgen, toch? Bovendien lopen we door een allerprachtigst gebied hier. De meertjes, de stroompjes. Wie zei er nou dat dit niet leuk zou zijn? Nou eh, ik zie dan misschien nog wel dat het mooi is, maar echt leuk kan ik het toch niet vinden. My goodness, wat is dit zwaar! Geen spatje genade kan ervan af. Ik denk, reconstruerend, dat het hier al ergens moet zijn dat ik verlangend naar een mooi groen veldje naast een van de meertjes kijk. Een perfect kampeerplekje. Waarom zet ik nu niet gewoon mijn tentje op na een wandeldag, om in de ondergaande zon te genieten van een van de culinaire hoogstandjes van de droogvoerproducenten? En om dan morgen uitgerust, na een ontbijt met bergbeton en een kop oploskoffie, de rugzak weer op te hijsen voor een nieuwe wandeldag?

Als we een sneeuwveld op moeten – zo nu en dan zien we de top liggen, maar die is nog ver weg – loopt de route terug van de top even samen met die van ons. Elke loper die afdaalt, en dus al een stukje verder is dan wij, wenst ons “allez, bon courage!” Zo aardig. En ik maar “merci, toi aussi”-en. Ik kom boven, bij het kruis, en begin meteen aan de afdaling. Hier voor het eerst een stukje paars (‘très délicat’), maar ik kan me niet herinneren het op dit punt specifiek zwaarder te hebben dan elders. De afdaling door de sneeuw gaat goed en ik durf zelfs even te skiën, waar ik meestal te schijterig voor ben. Het doet me deugd te mogen constateren dat ik niet achteraan loop – er komen nog steeds mensen naar boven, die ik op mijn beurt weer goede moed toewens.

Van het vervolg kan ik me weinig herinneren. Ik zie in het roadbook dat het vrijwel alleen nog maar dalen is tot post 3, maar dat er ook een stuk met zwart gewaardeerd is (‘très difficile’). Is dat het waardoor het in mijn beleving allemaal zo lang duurt? De avond ervoor heb ik met Hans (een sympathieke Vlaming én finisher in de legendarische Legends Trail – maar dat geheel terzijde) gesproken over de race. Dit wordt zijn derde poging om hier de finish te bereiken, en ik vraag hem wat het nu precies is dat de race zo zwaar maakt. Hij denkt daar even over na, en zegt dan dat het is dat je hier geen enkel moment respijt krijgt. Bij een normale bergloop (wat heet normaal), heb je na een zware beklimming toch eigenlijk altijd wel weer een stuk waarin je lekker wat naar beneden, of min of meer vlak, kunt lopen en weer een beetje op adem kunt komen. Die stukken ontbreken in de Echappée Belledonne nagenoeg. Ben je met veel inspanning op een col aangekomen en verheug je je al op de afdaling, zie je dat je aan de andere kant een blokkenterrein wacht, of zo’n steile afdaling dat van hardlopen geen sprake kan zijn (voor ons gewone stervelingen dan). Ik bedenk onderweg regelmatig dat hij hierin volkomen gelijk heeft. Ik heb me daarop verkeken. Ik wist dat het een heel technisch parcours zou zijn, maar heb bedacht dat dat in wezen geen probleem voor me zou moeten zijn, dat ik weliswaar niet snel ben, zeker in dergelijk terrein niet, maar dat ik ook niet bang ben, en ik weet van mezelf dat ik wel door de moeilijke stukken heen kom. Ik heb wél bedacht dat de tijd die ik ervoor nodig zou hebben een probleem zou kunnen zijn, maar wat ik me onvoldoende heb gerealiseerd, is dat lopen in zulk terrein ook extreem vermoeiend voor me is. Misschien doordat ik niet echt gezegend ben met een grote motorische begaafdheid, misschien doordat ik niet bijster sterk ben in mijn bovenbenen, wie zal het zeggen.

De derde post: Refuge Jean Collet, 38,4km (3268mD+, 1615mD-). Ik arriveer hier om een uur of vier ’s middags, en moet er voor half zeven weg zijn. De tijdsmarge is ruim genoeg om me daar voorlopig niet druk om te hoeven maken. Bij deze post maak ik voor het eerst een fout: ik heb het idee dat ik de afgelopen etappe maar weinig water gedronken heb, en vul alleen het flesje sportdrank. De waterzak in de rugzak blijft dicht. Uit het feit dat de andere mensen me in de weg lopen, kan ik afleiden dat ik me niet al te denderend voel. O ja, en de soep is op, terwijl soep eigenlijk het enige is dat me nog smaakt. Toch vertrek ik vol goede moed. De volgende etappe is maar 8,7km lang, en telt maar ruim 700 positieve hoogtemeters (en ruim 900 negatieve, maar het besef is nog niet tot me doorgedrongen dat die negatieve vrijwel net zo zwaar wegen als de positieve). Dat moet toch een makkie zijn, zou je denken, ook al zitten er enkele zwarte passages in. Niets is minder waar. We beginnen met een stijging. Best een lange. Mooi, die 700 meter stijgen hebben we gehad. Maar na een korte afdaling begint het gewoon wéér te stijgen. Klopt dat wel? Volgens mij niet. Dit móet meer dan 700 meter zijn, dat kan gewoon niet kloppen. De afdaling is razend steil. Ik word weer ingehaald bij het leven – stap maar weer aan de kant, en nog een keer, en nog een keer. Er volgt een derde stijging. Nu weet ik zeker dat we meer stijgen dan in het boekje staat. En dat van die 8,7km kan ook vast niet kloppen. O ja, en het water in m’n waterzak is natuurlijk al heel lang op, dus ik moet het doen met de paar slokken isostar die ik nog heb. Er komt geen eind aan, aan deze passage. Op een bepaald moment hoor ik beneden me geroep en gejuich, en ik zie een meer. Mooi, daar zal dan wel de verzorgingspost zijn, al zie ik verder nergens iets wat daarop duidt. En inderdaad: er zitten wel wat supporters beneden, maar er is geen post. Het kost me moeite het de mensen niet kwalijk te nemen dat ze mij op het verkeerde been zetten met hun gejuich. Gelukkig zie ik al snel daarna de post liggen, al ligt die dan nog weer een stuk verder weg dan mij lief is. We dalen nu af over een redelijk normaal pad, maar de gang is er bij mij volkomen uit. Ik voel dat ik veel tijd begin te verliezen – ik loop steeds langzamer.

Ergens in de vorige of in deze passage, ben ik begonnen te spelen met de gedachte dat ik zou kunnen uitstappen in Pleynet, de vijfde verzorgingspost en Base Vie. Hoe lekker zou dat wel niet zijn? Dan kan ik misschien nog een paar uur slapen, en dan zaterdag al de tent opbreken en naar Argentière rijden in plaats van zondag. Dat betekent dat ik óf daar nog een dag langer kan zijn, lekker relaxt op de camping, óf een dag eerder naar huis kan rijden, wat ook zo z’n voordelen heeft. Ik heb er eerlijk gezegd deze keer geen spat plezier in, in wat ik aan het doen ben. Ik ben heus niet zo naïef om te denken dat dat lange lopen altijd maar leuk zou moeten en kunnen zijn, er zijn altijd momenten (vaak vrij langdurige momenten) waarop je het niet bepaald naar je zin hebt, maar die momenten worden ook altijd weer afgewisseld met geluksmomenten, of op z’n minst momenten waarop je het wel best vindt wat je aan het doen bent. De laatste blijven vandaag wel akelig lang achterwege. Als ik bedenk dat ik de hele nacht door moet lopen, en dan nog een hele dag, en daarna dan weer een hele nacht, en tot slot nog een halve dag (gesteld uiteraard dat ik de tijdslimieten nog net voor zou kunnen blijven), dan word ik wanhopig. Ik vind er echt geen flikker (excusez le mot) aan vandaag, dat is de realiteit. En dat is beslist niet te wijten aan de wedstrijd, of aan de omgeving (no excuses), maar aan het feit, of het gevoel, dat ik er niet tegen opgewassen ben. Ik maak een klassieke fout: bedenken wat de voordelen zijn van uitstappen. Dergelijke gedachten moet je jezelf helemaal niet toestaan, en in mijn wedstrijden tot nu toe heb ik nooit veel moeite hoeven doen om ze verre van me te houden. Maar nu heeft de gedachte aan stoppen zich in mijn hoofd genesteld. Erger: ik vind dat ik weleens een beetje zacht voor mezelf mag zijn door mezelf toe te staan om uit te stappen. Have mercy.

Met gejuich en koeiegebel word ik ontvangen bij Habert d’Aiguebelle (R4), op 47,1km (na in totaal 3991mD+ en 2544mD-). Vanaf R3 ben ik 3,5 uur onderweg geweest, voor dus 8,7km. Het eerste wat ik doe is nu natuurlijk mijn waterzak en flesje vullen. Terwijl mijn bak soep afkoelt, plak ik een blaar af en pak ik het roadbook. Ik was zo onaangenaam verrast doordat de stijgende hoogtemeters in de vorige passage verdeeld waren over drie hellingen, dat ik me op de volgende passage beter wil voorbereiden. Die etappe bestaat echter uit zoveel segmenten, dat ik dat onmogelijk allemaal kan onthouden. Oké, laat ik dan maar proberen op standje ‘reken je vooral niet rijk, dan kan het nooit tegenvallen’ te gaan. Twee mannen die naast me zitten, overleggen over vervoer naar het dal. Die hebben blijkbaar hier hun startnummer ingeleverd. O, dat kan ook. Maar ik heb me voorgenomen in elk geval tot Pleynet te gaan, dus geen gelul, Schreuder. Dat slappe gedoe! No mercy.

Tegen acht uur vertrek ik weer, tegelijk met wat anderen. De verzorgingspostofficial meent dat we om twaalf in Pleynet kunnen zijn, mogelijk om een uur in de morgen. Maar aangezien ik al 3,5 uur nodig had voor de vorige etappe, van 8,7km, en de volgende etappe 16,3km lang is, met 1200mD+, is vier of vijf uur gaan natuurlijk rijkelijk optimistisch gerekend. Toch hoop ik, tegen beter weten in, dat hij dat goed heeft ingeschat, en dat ik om een uur in Pleynet zal zijn. Stel dat ik doorga, dan moet ik daar voor vier uur weer vertrokken zijn. Dat geeft me, in theorie, drie uur om tanden te poetsen, te douchen, misschien even te slapen, en de gewone verzorgingspostdingen te doen. Alleen wil ik natuurlijk niet pas om vier uur vertrekken, maar om uiterlijk drie uur, om nog een klein beetje speling over te houden. Het wordt krap.

In de klim naar de Col de l’Aigleton loop ik achter een man met een plezierig tempo. Hè hè, dat is vandaag geloof ik voor het eerst dat ik me een tijdlang aan iemand op kan trekken. Het wordt heel snel donker, en hij en ik zijn de enigen die nog zonder koplamp lopen. Had ik die nou tóch maar bij de verzorgingspost al op mijn hoofd gezet. Op zeker moment is het mij te donker, en stop ik om mijn lamp te pakken. Mijn tempomaker loopt door en ik mag weer verder op eigen kracht. Het is op die col, of op de volgende, de Col de la Vache, dat ik opeens zomaar, vanuit bijna stilstand, zijwaarts val en mijn stok breek. Vloek. Al wel vijftig keer is die stok vandaag blijven steken tussen de rotsen, en elke keer voelde ik het op tijd, zodat ik hem niet brak, en ik had mezelf al gelukgewenst met het feit dat het me vandaag wéér zou lukken mijn carbonstokken heel te houden, maar dus niet. Hij is gebroken net onder het handvat, en moet volgens mij best te spalken zijn. In mijn dropbag zit genoeg sporttape; ik zal alleen een stuk hout nodig hebben. Kennelijk ben ik in die fase nog steeds niet helemaal bezweken voor de verleidelijke gedachte aan stoppen, realiseer ik me achteraf. Ik pak de stok onder het handvat beet, en dat gaat eigenlijk best. Alleen jammer dat ik later een paar keer denk dat het wel handiger kan, en blijk ik daarmee nu juist de reparatie-optie te verspelen. De stok scheurt helemaal open. Scherp spul, dat carbon. Maar: no excuses. Met één stok kun je ook lopen.

Het gaat beroerder en beroerder, en ook deze ruim 16 kilometer valt me akelig lang. Heb me natuurlijk toch weer rijk gerekend. Ik struikel. Ik verlies m’n evenwicht. Ik schop eerst een steen tegen de binnenkant van m’n linkerenkel aan, en meteen daarna tegen de buitenkant van mijn rechterenkel (al is het me een raadsel hoe ik dat klaarspeel). Vervolgens sla ik keihard met m’n stok tegen diezelfde rechterenkel. Maag en darmen zijn het uiteraard heel erg niet eens met wat ik aan het doen ben. Ik moet heel nodig poepen, maar het terrein leent zich daar totaal niet voor. Uit arren moede ga ik op een bepaald moment toch maar een paar meter boven het pad zitten, en doe mijn koplamp uit, zodat ik niet al te zeer te kijk zit voor de andere lopers. Ik zit zo ongemakkelijk dat de aandrang verdwijnt, maar ik vergeet niet om even naar de prachtige sterrenhemel te kijken (het kan wél, Hans!). Waarom is die hemel in de bergen altijd zoveel mooier dan thuis in Nederland? De laatste ehbo’er die ik tegenkom, vraagt me of het wel gaat. Ik zeg dat het niet best gaat, maar dat ik Pleynet wel zal halen en dat ik daar uitstap. Ik denk natuurlijk dat ik er bijna ben en even natuurlijk is dat niet het geval. Het laatste stuk is niet zo moeilijk meer, maar ik presteer het nog steeds om regelmatig (bijna) te struikelen. Eén uur ga ik zeker niet halen. Stel dat ik er om twee uur ben, kan ik dan nog verder? Ik gun mezelf dan niet de tijd om nog te slapen, en vind ik het wel verantwoord om zonder slaap verder te gaan? Lijkt me niet. Ik ben kapot. Ik val steeds net niet, en het is me echt geen ongeluk waard. Nee, ik moet stoppen, dat is wel duidelijk. Nu ook die stok nog kapot is…

Het smalle paadje komt, voor m’n gevoel na uren en uren, uit op een bosweg. Hèhè, we zijn er. Om de hoek ligt natuurlijk de post. Er staat iemand van de organisatie. Een medeloper vraagt hem hoe ver het nog is. Maar dat is toch duidelijk? Hooguit nog 200 meter. “Twee kilometer” zegt de organisatiemeneer. Wát? Twee? Als in 2? Kílometer? Het is dat ik niet mag vloeken van mijn moeder, maar anders… Ach, nog maar twintig minuten, zegt de man er geruststellend achteraan. Ja, bekijk het effe. Echt niet dat ik nog twintig minuten ga lopen tot ik bij de post ben. Ik begin met hardlopen, onderwijl bedenkend dat ik dat ook zou doen als Pleynet de officiële finish was, en dat het dan best raar is om het niet te doen nu Pleynet (R5, na 63,4km, 5197mD+, 4022mD-) slechts mijn Waterloo zal zijn. Hardlopen kan hier namelijk. Met gemak zelfs. Al valt het me dan wel weer zwaar om het de volle twee kilometer lang vol te houden. Maar wat ben ik blij dat ik het gedaan heb, want wat schetst mijn verbazing als ik bij de post aankom en Jonathan daar net wil vertrekken. Hij is er al een tijdje, en heeft gegeten, gedoucht en een tijdje geslapen. Bofkont. Maar wat ben ik ontzettend blij om hem te zien, wat doet me dat goed. Ik vertel hem dat ik stop. Ik ben kapot, maar dat is hij ook. “Ik heb geen reden om te stoppen, dus ik ga verder,” zegt hij. Oeps, dat wil ik niet horen. Heel snel overtuig ik mezelf ervan dat ik heel veel redenen heb om te stoppen, maar een deel van me weet best dat ik ook door zou kunnen gaan, als ik dat per se zou willen. No excuses. Ik snoer dat laatste deel van me de mond.

Jonathan vertrekt. Voor de vorm ga ik eerst iets eten en drinken, voor ik definitief besluit wat ik doe. Misschien had ik me ook nog eerst moeten douchen, schone kleren aan, tandenpoetsen, maar voor het idee om verder te lopen, heb ik eigenlijk geen ruimte meer in mijn hoofd. De stopgedachte heeft om zich heen gevreten. Ik kan me niet meer opladen. Ik lever mijn startnummer in.

Op zaterdagochtend drink ik koffie met Hans, die al eerder in de race blijkt te zijn uitgestapt. We vinden bevestiging bij elkaar dat het echt een heel zware wedstrijd is, en dat we blij zijn dat we uitgestapt zijn. Ik breek m’n tent af en rijd naar Argentière, waar ik ‘m weer opzet. Ik voel me verrot en ben weliswaar teleurgesteld, maar voel geen spijt. Zó moe. Geen enkele genade kent die wedstrijd.

Het eerste wat ik doe als ik op zondagmorgen, na elf uur slaap, wakker word, is het roadbook pakken om de etappe na Pleynet op te zoeken. Gatverdarrie, blauw en groen, nog een stuk asfalt in het begin ook, en pas op het laatst een paar kilometer rood. Ik had dus makkelijk door kunnen lopen. Al was het maar tot Gleyzin.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 23 reacties

Trail (mal)Heure

Ik voel me net Emelie Forsberg, die fout loopt tijdens de Zegama Aizkorri en daardoor een zekere eerste plaats verspeelt. Of, als ik dan toch lekker aan het dramatiseren ben, Sven Kramer, die door een bepaalde actie tijdens een bepaalde Olympische race, een nog veel zekerder gouden medaille misloopt.

Derde vrouw zou ik zijn geworden bij de Trail’Heure, ware het niet dat we een paar kilometer te vroeg bij de finish terug zijn. Aan de mannen en vrouwen van de organisatie ligt het niet – die gunnen mij van harte de tweede plaats (ik kom als tweede binnen), of, als ik er dan op sta, de derde, want ach, die paar kilometer… Maar dat wil ik natuurlijk niet. Dikke pech, maar ik kom niet in de uitslagenlijst. Voor het eerst.
(Strikt genomen miste ik al eens eerder tijdens een wedstrijd een lusje. Dat was bij de Ardennes Mega Trail, waar je bij een verzorgingspost kennelijk een rondje door de fabriek had moeten lopen. Dat is mij volkomen ontgaan. Maar omdat het daar om misschien een paar honderd meter ging, en het volgens mij nauwelijks van invloed was op m’n eindtijd, en ik er bovendien pas op weg naar huis achterkwam, doordat Edwin het over die fabriekspassage had, én ik er nu ook niet bepaald een podiumplaats had of zo, heb ik er geen enkele moeite mee dat ik daar met de tijd in de uitslagen sta zoals ik er nu eenmaal in sta. Ik zou het hele feit zelfs al vergeten zijn, als Edwin me er niet onlangs aan hielp herinneren.)

Hoe irritant is het om vlakbij de finish te zijn terwijl je weet dat dat helemaal nog niet kan. Een paar kilometer te weinig op je horloge kan kloppen, maar 6 kilometer op 20 (de lengte van de tweede ronde van de trail) is onmogelijk. Aanvankelijk geen idee waar het mis kan zijn gegaan, dat vind ik zo mogelijk nóg frustrerender. We spreken een vrouw die de 20 gelopen heeft, en die zegt welke lus we waarschijnlijk gemist hebben – zij was daar zelf ook bijna fout gelopen, zegt ze. En dan weet ik dat het was waar we nog mensen hebben horen roepen en ik wel éven dacht dat ze misschien naar ons riepen, maar die gedachte vervolgens verwierp. Grr. Wat kun je toch balen van jezelf. Jos houdt het erop dat we ongeveer 3 kilometer gemist hebben, maar ik weet eigenlijk wel zeker dat het er wel 5 zijn.

Jos vindt het niet echt vervelend, dat die finish er opeens zo snel al is. Hij zou vandaag eigenlijk 36 kilometer lopen, maar het lopen gaat hem zo gemakkelijk af in die eerste ronde, dat hij besluit de tweede ronde met me mee te lopen. Hannah heeft vandaag een iets mindere dag, en hebben we in de eerste ronde achter ons gelaten. Voor we de tweede ronde ingaan, spreken we haar nog even, en zij geeft aan het rustig aan te doen. Gaan jullie maar. We gaan, maar waar Jos op z’n Jos’ de eerste 36 km doorfladderde, komt hij nu moeilijk op gang en blijft het zwoegen tot het eind.

Het is een groot verschil: Jos zit drie weken ná zijn wedstrijd (de Eigertrail 51km), ik zit er drie weken vóór. Ik voel me fitter dan ooit. Als Linda me na de baantraining vraagt hoe ik ervoor sta, met het oog op de grote wedstrijd, zeg ik dat ook: fitter dan dit word ik niet, volgens mij. Als ik nú niet klaar ben voor dat loopje, dan zal ik het nooit zijn. Dat merk ik tijdens de Trail’Heure: niet vaak loop ik zo gemakkelijk en lekker als vandaag. Ik heb het naar mijn zin. Registreer wel dat er misschien wat veel asfalt zit in de eerste ronde, er zitten een paar steile klimmen in die ook niet per se de mooiste van de wereld zijn, maar ik vind de omgeving mooi en geniet van het lopen. Ben blij dat ik Jos en Hannah zo gek heb gekregen om mee te gaan vandaag (erg veel overredingskracht had ik niet nodig), want anders zou ik misschien toch maar een alternatieve training dichterbij huis hebben gedaan. Maar dit is heerlijk, en een goede training bovendien.

En dat probeer ik me ook maar voor te houden, dat het een training was, en dat het in dat licht bezien nou ook weer niet zo erg is dat het een paar kilometer minder was. Liever een DNF tijdens een trainingswedstrijd dan tijdens een doel der doelen. Maar ik had die kilometers er ontzettend graag bij willen lopen, en gewoon met een redelijke eindtijd in de uitslagen willen staan. Of dat dan een derde of een tiende plaats had opgeleverd, doet er niet echt toe – hoewel ik me afvraag wat er in die fles zat waarmee de vrouw die nu derde werd, naar huis ging.

Nog altijd krijg ik buikpijn, als ik aan dat moment van de wissel van Sven denk. Ik hoop maar dat het chagrijn over mijn eigen misser wat sneller slijt.

Geplaatst in hardlopen | 8 reacties

Ongewis

“Het is een ongewis avontuur,” zegt Laurens over mijn EB-deelname, als ik hem, een paar weken geleden alweer, aan de telefoon heb. Of hij echt ‘avontuur’ zegt, weet ik niet zeker, maar het woordje ‘ongewis’ zoemt na in mijn hoofd. Heel veel vertrouwen spreekt er niet uit, maar hij heeft natuurlijk gelijk, en ik beaam dan ook onmiddellijk wat hij zegt. Ongewis.

Ik ben ook in het ongewisse over hoe de trainingen nu eigenlijk gaan. Vroeger, nog niet eens zo lang geleden, liep ik op dinsdag en vrijdag bijna altijd een van mijn vaste rondjes vanuit huis, vlak, grotendeels geasfalteerd. Als ik weer bij m’n voordeur terug was en m’n klokje indrukte, wist ik meteen of ik een beetje een goeie tijd gelopen had of niet. Soms, als ik heel tevreden was over mijn eindtijd en dacht nu echt een pr te hebben gelopen, bladerde ik na afloop terug in mijn loopschrift om te kijken of ik dit rondje al eens eerder zo snel had gelopen – meestal wel, helaas, al moest ik er soms ver voor terugbladeren. Niet altijd paste een van de vaste rondjes precies in m’n programma, en deed ik er een stukje bij of kortte ik het rondje wat in; met enige regelmaat liep ik natuurlijk ook elders in het land, maar zolang het maar redelijk vlak en verhard was, had ik altijd de gemiddelde snelheid om uit af te kunnen leiden of het goed gegaan was of niet.

Maar nu? Als ik moet afgaan op de gemiddelde snelheden die ik loop, word ik depressief, dus dat probeer ik maar niet te doen. De omvang in kilometers per week? Aangezien de trainingen in tijd zijn opgegeven en niet in afstand, en ik in de meeste weken nou ook weer niet zo héél veel uren aan de bak hoef én ik dus langzaam loop, schiet het met die omvang niet erg op. Een lage hartslag tijdens het lopen? Tja, vroeger was dat een indicatie dat het goed ging, maar nu ik over het algemeen juist in wat hogere zones moet lopen, betekent ‘laag’ meestal ‘te laag’ en ben ik daarom eerder bang dat ik niet hard genoeg mijn best doe. Het enige harde gegeven waar ik me na afloop van een training aan kan vastklampen, is het aantal hoogtemeters dat ik heb weten te vergaren. In mijn excelletje heb ik nu dan ook maar de hoogtemeters toegevoegd, zodat ik de afgelegde weekomvang niet alleen in afstand zie, maar ook in hoogte.

Natuurlijk is er ook nog zoiets als het gevoel.
Soms gaat het pruts. Zoals die zondag, bijna twee weken geleden, dat ik met de fiets naar de Posbank ben gegaan om daar wat kilo- en hoogtemeters te maken. Vier (4!) keer ging ik op mijn snufferd. Mijn god, wat was ik moe en wat vond ik dit een waardeloze training. Nou ja, niet waardeloos, want het hoeft echt niet altijd makkelijk te gaan, maar leuk vond ik het niet, en ik besloot om de volgende duurloop maar weer eens gewoon een lange ronde te maken. Dan maar wat minder hoogtemeters.
Vaak gaat het heerlijk. Zoals afgelopen dinsdag in Middenduin. Ik vloog over de paden. Dacht ik. Vol verwachting keek ik na afloop wat mijn maximale snelheid was. Wát? Maar 13,9 km/u? Terwijl hij een paar weken geleden 17,9 aangaf, en vorige week dan tenminste nog meer dan 15? De gps-ontvangst is in Middenduin niet optimaal, daar klamp ik me aan vast (dat kan overigens ook die 17,9 verklaren), en verder zet ik het zo snel mogelijk uit mijn hoofd.

Een paar keer schrijf ik na afloop van mijn training in m’n schrift dat ik lekker gelopen heb, maar dat ik geen idee heb of ik ook góed gelopen heb. Dat blijft ongewis. Voor veel mensen zal ‘lekker lopen’ voldoende zijn. Voor mij niet. Als ik alleen maar lekker zou willen lopen, kon ik ook wel gaan wandelen, dat loopt ook lekker (al geeft wandelen gek genoeg niet de bevrediging die hardlopen geeft). Ik houd ervan mezelf een beetje te pushen, en loop echt niet alleen om te genieten, maar ook om te presteren. Al doe ik dat dan weer omdat ik het nu eenmaal leuk vind en het voor mij werkelijk iets toevoegt aan de beleving. Dat klinkt vaag, ik realiseer het me, maar ik kan er niet goed grip op krijgen wat die toevoeging precies is.

Gelukkig is daar op woensdag de baantraining. Gewoon, ouderwets 600’jes. Ik loop ze alle 10 onder de 2’40”, en volgens mij is dát dan toch echt voor het eerst. En dat zonder helemaal dood te gaan. Tel daarbij op een uitermate tevreden stemmende rusthartslag, en een gewicht dat ik volgens mij sinds mijn tienerjaren niet meer gekend heb, en ik weet dat het me aan vorm momenteel niet ontbreekt.

Vandaag over vier weken ben ik hopelijk nog in de race. Over vier weken plus ongeveer een dag hoop ik de bel te mogen luiden.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Persona

vuurtje

Eigen haard is goud waard

Voor het eerst van mijn leven geheel zelfstandig een fikkie gestookt.

Dat werd tijd, voor iemand wier favoriete masker (persona) dat van de stoere en zelfstandige vrouw is…

Geplaatst in identiteit | 3 reacties

Juichen

Mijn juichtekst (‘o, wat voel ik me sterk’) plaats ik vlak voor ik naar de atletiekbaan vertrek. Ik verheug me op de baantraining – zoals ik bijna altijd doe. Het verenigingsschema staat nog niet op de site, en ik neem me voor om even af te wachten wat de trainer voor ons in petto heeft – is dat 6000 meter of langer, dan loop ik het clubprogramma, is het minder, dan doe ik wat Laurens voor me heeft bedacht. Het wordt het laatste. Dat is 1-3-4 minuten in zone E, en dat 5 maal. Twee keer 1 minuut rust, serierust 3 minuten. Bij Laurens gaat het niet in meters maar in minuten. Op de baan loop ik sneller dan 5’ per kilometer, dus kom ik op meer dan 8000 meter. Dat is vrij lang, voor op de baan. Ik begin wat eerder aan mijn programma dan de anderen aan dat van hen, maar dat verhindert niet dat ik nog een hele serie moet doen als zij al klaar zijn. Ik houd vol, maar daarmee heb je het dan ook wel zo’n beetje gezegd. Ben kapot.

Thuis bekijk ik het officiële filmpje van de eerste editie, in 2013, van de Echappée Belle nog maar eens. Om te begrijpen wat de lopers zeggen, heb je geen al te uitgebreid vocabulaire nodig. “Très difficile,” “très technique” en “très, très dur.” Jaja, ik snap het.

Voor de training van vrijdagochtend check ik mijn rusthartslag. Die is maar liefst 7 slagen hoger dan vorige week. Hoezo nog niet hersteld? Gelukkig had ik al besloten om af te zien van m’n voornemen om naar de Posbank te fietsen om daar nog wat heuveltraining te doen. Niet vanwege de zwaarte weliswaar, maar vanwege de extra tijd die dat zou kosten – ik wil nog meer doen die dag. Het wordt gewoon een rondje door Warnsborn (altijd mooi) en Schaarsbergen. Het voldoet niet helemaal aan de opdracht, er zitten veel vlakke meters in, weinig hoogtemeters en ook een stukje asfalt. Sorry, trainer. Het wordt geen heel makkelijke training, maar niemand heeft gezegd dat het altijd makkelijk zou moeten gaan, toch? Niet ontevreden.

Zaterdagochtend word ik met buikpijn wakker. Niks aan de hand, zenuwen. Waarom zenuwachtig? Ik probeer het te analyseren. Is het vanwege het lopen vanmiddag? Dat kan ik me niet goed voorstellen. Oké, weliswaar ben ik nog moe, maar het is gewoon een training en ik mag 5 uur doen over 36 kilometer, dat moet te doen zijn, ook met vermoeide benen. Nee, het zal eerder te maken hebben met het lange eind rijden, in m’n eentje naar iets onbekends toe. Ook dat lijkt me nou niet per se iets om zenuwachtig voor te zijn. Rijden kan ik echt wel, de bestemming vinden is met behulp van meneer T. Tom ook niet echt lastig, en daar in m’n eentje aankomen, een parkeerplek vinden, m’n startnummer halen en de tijd doden tot we het startvak in kunnen, ja hoor, heel spannend allemaal, maar ook dat overleef je echt wel, Schreuder. Het is nou ook weer niet zo dat je zoiets voor het eerst doet of zo.

Ik schreef me in voor de Trail Schönberg toen ik van Laurens het schema van de duurlopen tot aan de EB had gekregen, plus de opdracht om in die duurlopen geen meter meer vlak te lopen en lastig terrein op te zoeken. Dit weekend mag ik vier uur aan de bak. De trail heeft volgens de site 1000 hoogtemeters. Niet extreem veel, maar toch vrij aardig als je het vergelijkt met de Utrechtse Heuvelrug Trail (ruim 300m op 31km) – het zijn er overigens slechts 850, blijkt na afloop. Schönberg ligt in de Eifel, aan de Belgische kant van de grens dan. De communicatie gaat in het Duits en het Frans, maar ook deels in het Nederlands. Het enige bezwaar is dat het een roteind rijden is, maar ik vind dat ik me daar maar eens overheen moet zetten. Alles voor het hogere doel daar straks in Frankrijk, eind augustus. Even lijkt het erop dat ik een lift heb, maar jammer genoeg raakt een van de lopers met wie ik mee zou rijden geblesseerd, en dat doet de ander besluiten om ook niet te gaan. Dat snap ik, zou ik in zijn geval waarschijnlijk ook doen. Ik voel mijn eigen twijfel wel, maar probeer die te negeren.

Ik denk dat het, naast de eeuwige angst voor het onbekende, die twijfel is die mijn buikpijn veroorzaakt. Moet ik dit wel doen? Zo’n eind rijden, voor wat precies? Ik hoef pas om 12 uur te vertrekken, en heb ruimschoots de tijd me voor te bereiden, en daarnaast nog koffie te drinken. Ik heb het goed, zo in het bos, en realiseer me, niet voor het eerst, dat ik eigenlijk niets anders nodig heb dan dit. Dus waarom al die loopjes? Om de verveling tegen te gaan? Stop nu maar, Jacolien, dit is niet het moment voor dit soort gedachten. Je hebt er nu eenmaal voor gekozen je voor de EB in te schrijven, en in het verlengde daarvan voor deze trail vanmiddag – na augustus mag je je weer lekker gaan afvragen waar al dat geloop eigenlijk goed voor is.

De zenuwen blijven me parten spelen gedurende de rit, de volle drie uren lang. Ik probeer er niet te veel aandacht aan te schenken, maar merk dat het me eigenlijk irriteert. Kom op zeg! Je blíjft toch niet zenuwachtig? Het enige wat een beetje helpt, is bedenken dat ik dit straks allemaal vergeten ben, als ik lekker over de paden loop.

Voor de start tref ik een paar bekenden, altijd fijn. Jonge Ruud en Patrick opteren voor een podiumplaats, en springen over het hek voorin het startvak. Oudere Ruud en ik starten ergens achteraan. Ruud suggereert om samen te lopen, en ik zeg dat hij maar moet kijken. Van mij hoeft het niet per se. Waarschijnlijk is hij sneller, en ik heb geen zin me op te laten jutten. Ik start sowieso langzaam, en het is nog warm ook, niet echt mijn favoriete weersgesteldheid. Doe mij maar een start om zes uur ’s morgens – hoewel het voordeel van vandaag is dat de zon in de loop van de loop minder kracht krijgt, zodat het koeler wordt. Ieder nadeel enzovoort. Tot de eerste post, na 4km, lopen we samen met de korte afstanden, 7 en 15 kilometer. Dat betekent drukte en op het laatst een paar keer een opstopping, wanneer we over een trappetje over prikkeldraad heen moeten. Ik moet wennen aan de warmte, en mijn hartslag is torenhoog. Eigenlijk zou ik proberen hem mooi laag te houden, maar dan moet ik gaan wandelen, en dat lijkt me nou ook weer niet de bedoeling. Ik check ‘m wel zo nu en dan, maar trek me er vervolgens weinig van aan. Tot op het laatst. Dan zie ik opeens dat ie 132 is of zo. Ja, verdorie zeg, is dat al lang zo? Dan kon ik ook wel wat sneller lopen. Peper in je reet, Jac, kom op!

Ik ben blij als we uit de drukte zijn, en helemaal als we een tijdje later het saaie brede pad verruilen voor een mooi, groen bospaadje. Inderdaad liggen de zenuwen nu ver achter me. Er is alleen maar dit, groenheid, lopendheid, stilheid. Een paar andere lopers. Hellingen die niet zo steil zijn dat je moet gaan wandelen, maar waar je toch wel moe van wordt. Warmte. Vliegen. Bij post 2 blijkt dat ik tweede vrouw lig. Vrouw nummer 3 ben ik net voorbij gegaan, en zij vertrekt bij de post terwijl ik in gesprek ben met niemand minder dan de Rennende Raadsman. Ho, dat gaat zo maar niet, ik moet erachteraan (sorry, Rob). Ik ben haar al snel weer voorbij, had al bedacht dat ik waarschijnlijk een langere adem heb dan zij. De zegeningen van het ultralopen. De route is afwisselend leuk en wat minder leuk. Vrij veel bos, maar daar heb ik geen bezwaar tegen, al is het alleen al vanwege de schaduw. Maar ook relatief veel asfalt en brede paden. En soms van die hele dorre stukken. Nou ja, het maakt me weinig uit, en ik bedenk zélfs niet dat het zonde is dat ik hiervoor dat hele eind gereden heb – dat ligt nu achter me, kan ik hooguit op de terugweg weer bedenken – maar mijn deelname aan deze trail zal vermoedelijk eenmalig zijn.

Bij post 3 tref ik Ruud (de oudere), die een blaar afplakt. Ik neem hier even de tijd om een flink stuk cake naar binnen te werken. En weer twee bekertjes cola natuurlijk. En een paar tucjes. Goed eten blijft de grote uitdaging, en ik ben erg tevreden over het feit dat ik tijdens het lopen al een energiereep én een gel naar binnen heb gewerkt. Vooral die gel ging tegen heug en meug. Terwijl de beide Ruuds na afloop aangeven dat ze op het laatst door hun energie heen waren, heb ik daar in het geheel geen last van. Tot aan de laatste post, op 29 kilometer, loop ik bij Ruud in de buurt. Hardlopend loopt hij van me weg, klimmend haal ik hem weer bij. Vanaf die post blijft hij echter achter. Ik loop niet erg hard, maar houd mezelf voor dat dat ook niet hoeft, het is tenslotte een training. Alleen wanneer ik die lage hartslag zie, vind ik mezelf plotseling toch een slappeling (niet echt hoor). We mogen, kort voor we Schönberg weer inlopen, nog even de Our doorkruisen, om onze modderschoenen schoon te spoelen. Ach, het is misschien een beetje geforceerd, zo’n waterdoorsteek, maar ik vind het altijd wel lollig. Ik zet in het dorp nog even aan, niet per se om de man die voor me ligt nog voorbij te gaan, maar dat hij daar loopt, helpt wel.

Mijn tweede plek kwam niet in gevaar. Het is niet eerlijk – terwijl die mannen zich het vuur uit de sloffen moeten lopen voor een podiumplaats, kan ik er behoorlijk relaxt bijna vier en een half uur over doen (snelste man 2:53’ geloof ik), en val ik nog in de prijzen. Wat wil je, als er maar vier vrouwen meedoen? Ik dacht dat ik waarschijnlijk minstens een half uur na de nummer 1 zou zitten, maar dat schijnt ook nog eens niet zo te zijn. Geen snelle vrouwen hier aan de start, dus. Met mijn prijzen’geld’ haal ik de benzinekosten er net uit. Een waardebon voor een plaatselijke sportwinkel van 40 euro, en, omdat ik ook nog eerste dame in mijn categorie ben, een waardebon voor de plaatselijke Spar van 15 euro. Een beetje jammer, maar ik verwacht niet dat ik binnen een jaar nog eens in deze regio ben. Had ik de bonnen mee moeten nemen voor je weet maar nooit? Ik wil er graag iemand anders blij mee maken, maar heb echt geen idee aan wie ik ze zou moeten geven. Teruggeven aan de organisatie lijkt zo ondankbaar, maar dat is wat ik uiteindelijk toch doe, in de hoop dat zij er een goed doel voor weten. Zij maken zich echter meer zorgen over het feit dat ik nu geen prijs heb – precies waar ik bang voor was. Achterin de kofferbak liggen nog wat prijzen. Een barbecuebestekset (ik háát barbecueën), een klokje, een bus, eh hoe heet het, van dat spul voor bodybuilders, creatonine. Met elk ‘nee, bedankt’ voel ik me ongelukkiger. Dan neem ik de enorme paraplu maar mee. Stormbestendig, staat erop. De vrouw die hem me geeft, maakt een grapje dat ik niet begrijp. Ik vraag waar de douches zijn.

De verleiding is groot om, net als Ruud en Ruud doen, ongedoucht de auto in te stappen, zeker nu ik na de finish nog vrij lang heb moeten wachten in verband met die prijsuitreiking, maar ik weet dat ik daar spijt van zal krijgen. Nog even doorzetten dus maar. In een uiterst eenvoudig hokje, waar de voetballers van Schönberg (de ‘Jrashoppers’ – vanwaar die J, en hoe moet je dat in godsnaam uitspreken?) het kennelijk mee moeten doen, sta ik met vrouw nummer 3 onder een wisseldouche. Ik sjouw terug naar de auto, aan de andere kant van start/finish, met een zware tas en een stormparaplu. Tom Tom aan, raam open, eten en drinken binnen handbereik. Tegen de verwachting in, gaat de terugreis van een leien dakje. Ik houd mijn ogen open tot ik, tegen half een, thuis in Arnhem ben. Ik installeer me op de bank om nog even lekker door te zakken, maar dat doorzakken beperkt zich tot slechts een pilsje en een bakje impulsaankoopcocktailnootjes (soms is het heel fijn als je je impulsen niet hebt kunnen bedwingen).

De volgende dag probeer ik bij mijn vieze sokken uit de buurt te blijven. Ik ben tamelijk moe. Benieuwd of er dinsdag in Middenduin nog wat te juichen valt.

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Stug

Ik weet heus wel dat ik een beetje stug over kan komen, maar dacht eigenlijk dat het contact met mijn gloednieuwe fysiotherapeut best hartelijk en gezellig was. Toch zegt hij tijdens mijn bezoek wel drie keer dat ik nogal stug ben. Als hij met mijn enkels bezig is, als hij m’n onderrug in een soort wokkel draait, én als hij dan op het laatst ook nog maar iets engs met m’n bovenrug doet. Alles wat vastzit, wordt gemobiliseerd, gemanipuleerd, dan wel gemasseerd. En ik maar denken dat veel bewegen synoniem is met beweeglijk zijn. Denk opnieuw, Jac. Bij m’n vertrek zegt JW dat ik het rustig aan moet doen. Ja zeg, gaan we lelijke taal uitslaan? Doe het lekker zelf rustig aan, joh!

De volgende ochtend jaag ik dat stugge lijf van me opnieuw over de paadjes in Middenduin. Ik snel voort met de tong op mijn schoenen en kom tot een gemiddelde snelheid van een duizelingwekkende 8,3 km/u 😀 ! (Maar de maximale snelheid die ik haal, is 17,3, dat dan weer wel. Ik hoef nog net geen valhelm op.) Het is al de vijfde achtereenvolgende training waarin ik rondjes en heen-en-weertjes loop, maar ik ben als een kind zo blij. Man man man, wat voel ik me sterk en wat vind ik dit leuk.

Tussendoor bekijk ik filmpjes van de Echappée Belle. Een prachtgebied, dat Belledonne-massief. Nog maar ruim zeven weken!

 

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Achteromkijken, op de plaats (geen rust) en weer vooruit

Als ik een ruime week voor de Zugspitze van hem moet horen hoe laat de start zal zijn, verbaast Edwin zich erover hoe slecht ik me voorbereid. En dat terwijl ik toch vaak genoeg verkondig dat ik maar wat doe. Nou is dat laatste natuurlijk deels een pose, dat weet ik ook wel, maar het is ook echt zo dat het me niet lukt me in detail voor te bereiden op zo’n wedstrijd. Ik neem me voor om goed te eten, maar ik weet niet precies hoeveel kilocalorieën ik binnen moet krijgen, en al helemaal niet hoeveel van die dingen er zitten in elke reep en gel die ik bij me heb. Ik houd er rekening mee dat het warm kan zijn, dat het koud kan zijn en dat het nat kan zijn, maar ga echt niet een week van tevoren kijken wat de weersverwachtingen zijn voor het gebied waar ik ga lopen. Ik zie wel. Ik probeer me heus wel een beeld te vormen van het parcours dat me te wachten staat, maar dat lukt me de ene keer beter dan de andere. Deze keer kwam ik niet veel verder dan dat er in het begin twee bergjes zouden komen, dan een heel stuk vlak, en dan op het laatst nog een berg. Ik had wel een lijstje waarop ik de cut-off tijden bij de verzorgingsposten had geschreven, maar op de site stonden niet de meters + en – tussen de posten, terwijl dat nou juist de echt interessante informatie is. Nou ja, dan niet. En het beviel me eigenlijk wel, op deze manier lopen. Ik wist het ongeveer, maar niet precies, en doordat ik niet precies wist wat ik kon verwachten, viel het ook nooit tegen. Oké, behalve dan die ene kilometer voor de post op 80km. Voor elke post stonden er bordjes om aan te kondigen dat de post nog 1km, respectievelijk 500m lopen was. Het was duidelijk dat ze voor het meten van die afstanden niet even de standaardmeter uit Parijs hadden gehaald – vrijwel elke keer waren de twee keer 500m aangenaam kort, maar die kilometer voor de post op 80 was verreweg de langste kilometer van het hele parcours. Sadistisch lang, vooral omdat het ook nog eens een heel lullig stuk klimmen was. Begon ik er in de loop van de afdaling ernaartoe werkelijk naar te snakken om weer eens even een stukje te stijgen, toen dat eenmaal mocht, wilde ik na 2 meter alweer niets liever dan dalen. Of een stukje vlak lopen – wat dachten jullie daarvan, bergbewoners?

Maar goed, gebrek aan voorbereiding is natuurlijk relatief. Als ik niet met Edwin die kant op zou zijn gegaan, zou ik heus nog steeds keurig op tijd in het startvak hebben gestaan. En die houding van ‘ik doe maar wat’ en ‘ik zie wel,’ geldt, voor alle duidelijkheid, niet het trainen voor de wedstrijd. Ik zeg het vaker, en nu nog maar eens: ik houd ervan om met een schema te trainen, en werk de trainingen van dat schema tamelijk gedisciplineerd en fanatiek (of is het nou toch autistisch?) af.

Voor eind augustus staat de Echappée Belle op mijn programma. Een loop door het Belledonne-massief (ik kende het ook niet), van Vizille naar Aiguebelle. 144 kilometer lang, 10.900 hoogtemeters. Naar het schijnt erg technisch terrein. De afstand moet in principe geen probleem voor me zijn. Denk ik. Het, weliswaar ontzagwekkende, aantal hoogtemeters ook niet. Het terrein? Hmm. Daar worstel ik me normaal gesproken ook wel doorheen, verwacht ik, maar dan wel als ik er zo lang over mag doen als ik nodig heb. En dát nu, lieve lezers, is wat de grote uitdaging zal worden, zo niet een onmogelijke klus: het halen van de tijdslimieten. Een loper die ik een paar jaar geleden ontmoette in Chamonix, zei toen dat hij meestal ongeveer twee keer zo lang over zijn (berg)wedstrijden deed als de winnaar, en ik heb gemerkt dat dat een vuistregel is die ook voor mij opgaat. Maar dan heb ik deze keer toch echt een probleem. De winnaars deden er in de afgelopen jaren (krap) 28 uur over, en de limiet is 54 uur. Ik moet er serieus, serieus rekening mee houden dat ik het niet ga redden (dat zou dan mijn eerste echte officiële DNF worden, aargh), maar ga er ondertussen natuurlijk zoveel mogelijk aan doen om het wél te halen.

Na de Zugspitze heb ik een week rust. Op maandagavond mailt Laurens me een vers schema. Ik heb in Zuid-Duitsland weer mogen merken dat mijn conditie weinig te wensen overlaat, maar ook dat mijn snelheid in de afdalingen in de loop van de wedstrijd ernstig terugzakt door de pijn in mijn bovenbenen. Ik train te veel in (relatief) vlak terrein; dat weet ik eigenlijk wel, maar je wordt er pas echt mee geconfronteerd in de bergen. Ik had me daarom al voorgenomen om in elk geval de dinsdagtrainingen vanaf nu standaard in Middenduin af te werken, werk of geen werk, dat moet dan maar even wachten. Die quadriceps móeten sterker! Laurens geeft me nu ook het dwingende dringende advies om tijdens mijn duurlopen geen meter vlak meer te lopen, en liefst tijdens de intervallen ook. Hmm, en dat terwijl ik juist dit weekend in Haarlem zou blijven.

Het wordt een week van rondjes lopen.
Op dinsdag dus in Middenduin. Ik loop in via de lange route buitenom. Dat is eigenlijk een verspilling van tijd, want die ronde is vrij vlak, en ik doe er langer over dan de 10 minuten die ik voor het inlopen gereserveerd heb. De volgende keer meteen de steile helling op. Ik mag 7′-19′-19′ in zone D lopen (met wisselende rustperiodes). Bergop zit ik al snel in D of in E, ook tijdens de herstelfases, en bergaf is het behoorlijk lastig om de hartslag hoger dan in B te houden. Maar ik doe mijn best, het gaat lekker en vooral die laatste 19′ vliegt voorbij. Ik ben haast een beetje teleurgesteld dat het klaar is.
Woensdagavond baantraining. Tja, zo’n atletiekbaan is natuurlijk niet echt hobbelig, maar ik vind het zo leuk… 9 x 600m, elke 200m versnellen. Dat versnellen lukt me niet zo goed. Het middelste deel hebben we tegenwind – dat is voor mij verreweg het lekkerste stuk.
Op vrijdagochtend zit ik om 8 uur bij de fysiotherapeut, en dan ben ik al halverwege Bleek en Berg, dus na afloop van de fysio fiets ik door. Ik begin met de groene route, en blijf op en rond de Brederodeberg hangen. Een gemiddelde snelheid van likmevesje, maar ik scoor wel mooi 340 hoogtemeters in 12,6km. Ik loop een stukje samen met een Nieuw-Zeelander uit IJmuiden, die hier ook een heuveltraining afwerkt. Aardige vent, goede loper.
Op zondag hetzelfde liedje, afgezien van het fysiobezoek dan. En twee keer zo lang. Ik mag 3 uur lopen, en dat is best lang om steeds dezelfde paadjes te nemen. Maar ik lees weleens verhalen van mensen die gedurende 12 uur rondjes gaan lopen op steeds dezelfde voormalige vuilnisbelt, dus 3 uur moet mij toch zeker lukken. Helemaal 3 uur is het trouwens niet, want ik begin weer met groen. Ik heb de neiging om al in het begin te gaan bedenken hoe lang nog, maar het lukt me die neiging uit te zetten. Gewoon lopen, niet nadenken, elke 15e minuut aanzetten, dat breekt de boel een beetje, en telkens weer bedenken welk pad ik omhoog en welk ik omlaag zal nemen. En wanneer ik de trap neem: erover of ernaast? Het is mooi weer, de omgeving kan ook een stuk beroerder, ik voel me lekker, kom nog wat bekenden tegen, kortom: een heerlijke training. En 730 hoogtemeters in the pocket.

Op het schema staan maar confronterend weinig duurlopen tot aan de EB. Tussen Zugspitze en EB zitten 10 weken. Klinkt comfortabel lang. Maar zo’n rustweek is in een vloek en een zucht voorbij, en als het schema na het weekend komt, en de loop is al op vrijdag, dan is het opeens nog maar ruim 8 weken. Opeens zit ik er helemaal in. Een mengeling van vreselijk veel zin (zo niet in het loopje, dan wel in de twee weken vakantie waarmee ik het combineer) en vreselijk veel zenuwen. En het besef dat ik me moet voorbereiden, goed voorbereiden.

 

 

Geplaatst in hardlopen | 7 reacties

Doorgaan

Mijn rugzak zit stampvol. Dat vindt ook de man die zou moeten controleren of ik al het verplichte materiaal bij me heb. Ik weet hem er gemakkelijk van te overtuigen dat dat het geval is, zonder dat ik ook maar iets hoef te laten zien. Er valt natuurlijk wat voor te zeggen om de materiaalcheck pas vlak voor de start te doen, en niet al bij het ophalen van het startnummer, zoals ik tot nu toe gewend ben, maar ik moet er niet aan denken om nu nog mijn rugzak open te moeten maken om mijn ehbo-setje eruit op te diepen – en waar heb ik mijn handschoenen ook alweer gestopt?

In de aanloop naar deze wedstrijd heb ik maar één pre-racedroom gehad. Meestal verdwaal ik in dergelijke dromen – vaak ergens in een groot gebouw waar de wedstrijd in die droom doorheen loopt – maar deze keer droom ik over materiaal dat ik, vlak voor de start, niet bij me blijk te hebben. Een pre-pre-racedroom dus eigenlijk. Het hele gedoe vóór de start vind ik ook in werkelijkheid het meest stressvolle gedeelte van de hele wedstrijd. Als je eenmaal loopt, moet je het doen met de spullen die je uiteindelijk besloten hebt mee te nemen. Vaak te veel, soms te weinig. Verder is het dan alleen nog maar een kwestie van doorgaan, steeds maar doorgaan, de ene voet voor de andere, tot je bij de finish bent. Niet te veel nadenken. Niet te veel op je klokje kijken. Niet gaan piekeren over hoe ver je nog moet. Niet gaan twijfelen of je dat wel kunt en of je het nog wel leuk vindt. Gewoon lopen. Doorgaan, steeds maar doorgaan.

Het is prachtig weer, maar als ik er voor het gemak van uitga dat dat de hele dag zo zal blijven, word ik door het startpraatje uit de droom geholpen. Aan het begin van de middag slaat het om, dan krijgen we slecht weer. Wat er vervolgens in de tussenperiode zal gebeuren, is me niet helemaal duidelijk, maar in de avond zal het gaan regenen en dat zal het dan de hele nacht blijven doen, zo is de voorspelling. Het zij zo. Ook ik loop liever met mooi weer, maar als het regent, vind ik het nog steeds leuk. Meestal dan. Na de start loop ik in de buurt van Edwin en Matthew. Zij praten. Voor mij is het daarvoor nog te vroeg – het gezellige deel van mijn karakter slaapt nog. Geen koffie gehad ook, dat helpt niet. Mijn benen voelen niet onaardig, maar qua gemoed moet ik er nog een beetje inkomen. Gelukkig heb ik daar nog even de tijd voor, ik heb aardig wat uurtjes voor de boeg. Het eerste stuk is mooi en niet al te zwaar, het glooit wat. Bij de verzorging ligt heerlijke taart, goed voor m’n humeur. Ik moet vanaf het begin goed eten vandaag, heb ik me voorgenomen. Bij de laatste lange duurloop, de Deventer-Arnhem Trail met Hannah, ging dat weer eens mis, met als gevolg dat na een paar uur de fut eruit was bij me. Op een bepaald moment lukt eten niet meer goed, dan heb ik nog wel honger, maar totaal geen trek meer – het is zaak om, tot het zover is, zoveel mogelijk brandstof binnen te krijgen. Taart helpt.

Met z’n drieën gaan we verder. Inmiddels ben ik wakker, en praat ik bij met Matthew, die ik al lang niet gesproken heb. Er zit een venijnig klimmetje in dit deel en ik merk dat ik moet terugschakelen in tempo. Ik kan best gestaag doorlopen, maar ik kan het niet al te snel. Zijn dat die zwakke bovenbenen van me? De laatste afdaling voor post 2 is echter nog venijniger. Het gaat een grashelling af, die zo steil is dat ik me niet durf te laten gaan, en dat continue inhouden, de rem erop, is de pest voor je bovenbenen en knieën. Gelukkig hebben ze bij de verzorging weer taart, Käsetorte deze keer. Het leven is goed. En is het hier dat ze die heerlijke zoute stukjes stokbrood met kaas hebben? Of is dat pas bij post 3? Ik herinner me van dit gedeelte weinig – wellicht een teken dat de tocht nu echt begonnen is.

Ik loop met Matthew een steile en modderige helling op. We zijn bezig met de eerste lange klim, van zo’n 1000 hoogtemeters. Het begint te regenen, en Matthew stopt, net als vele anderen, om zijn regenjas aan te trekken. Ik gok erop dat het mee zal vallen, en wacht nog even. Het is altijd meteen zo warm, met een regenjas aan. Het valt echter niet mee, en even later ga ook ik overstag. Na een afdaling van een paar honderd meter gaat het weer omhoog. De wind trekt aan, de regen verandert in hagel, en ik krijg spijt van mijn korte broek. Mijn benen worden ijskoud, is dit nog verstandig? Ik besluit van niet, en stop om een lange tight aan te trekken. Of nee, bij nader inzien trek ik mijn regenbroek aan. Daarbij kan ik mijn schoenen aanhouden, en bovendien houd ik de tight dan mooi droog voor later. Het slechte weer maakt het hoogalpiene gevoel alleen maar sterker, en ik geniet. Ik kan me niet voorstellen dat er iets mooiers bestaat dan dit door de bergen lopen. Zo simpel is het leven.

Vlak voor we boven zijn, staat er een waarschuwingsbord dat zegt dat er een ‘Gefährliche Strecke’ aankomt en dat we voorzichtig moeten zijn. Bij de eerste stap deze gevaarlijke passage in (het is nogal modderig, en dus glad), laat een man mij hem voorbij gaan, met de verklaring dat hij uit Hamburg komt, en dus geen mogelijkheid heeft dit te oefenen. Ha! Normaal gesproken zou ik iets dergelijks niet zeggen, maar nu kan ik het toch niet laten om te zeggen dat ik uit Nederland kom, en dus gelukkig legio mogelijkheden heb om dit soort werk te oefenen. De afdaling is lang, en vergt de nodige concentratie. Over een sneeuwveld heeft men een touw bevestigd. Een loper gaat op zijn kont naar beneden, en probeert mij ervan te overtuigen dat ook te doen. Ik houd liever de controle in eigen hand, en blijf op mijn voeten staan. Het eerste gedeelte doe ik net als anderen, met mijn gezicht naar de berg en met het touw in de hand naar beneden. Dat loopt belabberd. De tweede helft kijk ik eens goed naar de sneeuw, en bedenk dat ik liever zou doen wat ik anders doe: gewoon gezicht naar beneden, hakken in de sneeuw en stappen maar. Als de sneeuw hard zou zijn, zou ik waarschijnlijk blij zijn geweest met het touw, maar nu maakt het de zaken nodeloos ingewikkeld.

We komen uit op zo’n saai, breed pad – een jeeproad, zeg ik altijd; een ‘Schotterweg,’ volgens de legenda bij het routekaartje. Het weer is inmiddels weer omgeslagen, en ik heb last van die regenbroek. Bovendien moet ik plassen, dus ik zoek een plekje waar ik dat laatste kan doen en dan ook meteen die broek uit kan trekken. Dan blijkt dat ik hem achterstevoren had aangetrokken, vandaar dat hij zo vervelend zat. Blij dat ik weer blote benen heb. De zon schijnt. Bij post 4 nemen de lopers het ervan, zo te zien. Allerlei mensen zitten en liggen in het gras. Ik tref er tot mijn verbazing Christian aan, die besloten heeft te stoppen. Edwin, die hem al langer kent, vertelde me dat hij een goede hardloper is. Een hardloper echter die zich verkeken heeft op het hardloopgehalte van deze Zugspitz Ultratrail en zegt dat de beklimmingen hem zoveel kracht gekost hebben, dat hij daarna niet meer in staat was om nog hard te lopen. Niet geheel ten onrechte merkt hij op dat dit meer met bergwandelen te maken heeft dan met hardlopen. Het is juist de combinatie van die twee waar ik zoveel plezier in heb, denk ik. Kort na mij arriveert Matthew, en even later ook Hans Lems. Het doet me deugd die laatste te zien, want dat is zo’n plezierige mafkees waar ik altijd erg om moet lachen. Mocht ik nog enige wedstrijdspanning voelen, dan lost die op die manier vanzelf op. Van de weeromstuit neem ik hier wel wat langer pauze dan ik eigenlijk van plan was. Matthew weet te vertellen dat Kim Baner bij de Supertrail XL gevallen is, en noodgedwongen is uitgestapt. Zij loopt daarmee de kwalificatie voor het WK Ultratrail mis. Erg jammer voor haar, maar wel weer leuk dat Janne Geurts, die wij op de camping ontmoet hebben, dan waarschijnlijk van start zal mogen op het WK.

Ik vertrek weer samen met Matthew. Nog een keer klimmen we naar 2000 meter, daarna volgt een afdaling naar (onder de) 1000 meter, waar op post 5 (op 53 km) de dropbags liggen, en een relatief vlak deel begint dat doorloopt tot post 8 op 82 km. We hebben nog een mooi stukje alpien terrein voor de kiezen. Mijn verwachtingen over de fraaiheid van het parcours waren niet zo hooggespannen, maar tot nu toe valt het me reuze mee. De zwaarte valt me echter nogal tegen. Of die valt juist ook mee, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. De Zugspitz Ultra heeft niet de naam heel zwaar te zijn. 5400 hoogtemeters op een afstand van ruim 100 km is dan ook niet echt veel. Een groot deel van het parcours is vrij vlak. Wat ik me wel gerealiseerd heb, is dat dat laatste voor mij mogelijk niet echt gunstig is, omdat ik dan geacht word een hele tijd achter elkaar hard te lopen, waar ik nu eenmaal niet zo goed in ben, maar wat ik me níet heb gerealiseerd, is dat het ook betekent dat de hoogtemeters díe er zijn, daardoor feitelijk verdeeld zijn over slechts 70 km. Dat betekent dat er, inderdaad, toch een paar best pittige beklimmingen in zitten. Wat ik niet weet, is of de omstandigheden dit jaar speciaal zwaar zijn, maar ik weet wel dat de modder me na een poosje de neus uitkomt. Dat glibberen en glijden kost behoorlijk wat energie. Nou ja, net goed, vind ik dat voor mezelf. Moet ik maar niet zo blasé zijn om te denken dat ik na het tochtje bij de Mont Blanc en na de Verbier-Saint Bernard deze relatief eenvoudige bergloop wel eventjes als training weg kan tikken. Onderschat nooit een 100 km.

Ondanks alle ongemakken – het regent inmiddels weer, ik ben aan het hannesen met m’n kleding, met m’n stokken, met protesterende darmen, schuurplekken, een blaar (eentje slechts!) – loopt het vrij aardig tot post 7 (op 68 km). Daarna beleef ik tot post 9, op 89 km (en 1600 meter hoogte), wel even een momentje waarop ik het niet zo leuk meer vind allemaal. Oké, een iets langer momentje dan. Als ik bij post 8 wegloop (de eerste waarbij ik Matthew niet meer ontmoet), merk ik dat ik het koud heb. Ik heb nog steeds mijn ‘coole’ crafthemdje en de losse armstukken aan, onder mijn regenjas. Alles is doorweekt. Waarom heb ik in vredesnaam bij de post niet even een thermoshirt aangetrokken? Loop ik me nog warm? Het lijkt er niet op. Dan maar een verkleedsessie langs het pad. Met moeite krijg ik het thermoshirt over mijn natte lijf. Het is iets lekkerder dan zónder, maar echt behaaglijk wordt het niet. Shit. Ik realiseer me dat dat ook nog kan, dat je gewoon onderkoeld raakt en daarom een tocht niet uit zou kunnen lopen. Niet dat ik denk dat dat nu gebeuren zal, maar voor het eerst heb ik onderschat hoe koud je kunt worden, wanneer alles nat en klam is. Blij dat ik wél mijn regenbroek heb meegenomen, ondanks het extra gewicht.

De klim tussen de posten 8 en 9 is niet heel zwaar. Bij post 9 word ik direct voorzien van tomatensoep en warme thee. Gelukkig krijg ik gewoon een plastic bekertje in mijn handen gedrukt, en hoef ik geen moeite te doen mijn eigen beker uit m’n rugzak te vissen. Ik probeer zoveel mogelijk te eten. Hartige dingen, daar heb ik steeds trek in. Ik blijf maar rillen, en wil niet te lang wachten met het laatste rondje voor de afdaling. Een rondje van krap 7 kilometer, en 400 hoogtemeters (+ en -). Ik vraag welke kant ik op moet. De vrijwilliger wijst, en zegt dat ik door de tent heen moet. Door de tent? O juist, daar staat een tent. Wtf – staat daar gewoon een kachel te loeien en staan er ligstoelen om even bij te komen. Die soep en thee waren superlekker, en geen kwaad woord over de mensen die ze staan uit te delen, noch over welke andere vrijwilliger dan ook, maar heeft nou werkelijk niemand kunnen bedenken dat lopers die aankomen even gewezen zouden moeten worden op deze opwarmmogelijkheid? In de tent staat iemand zijn reddingsdeken om zijn bovenlichaam te wikkelen, onder zijn jas. Even vraag ik me af of ik dat ook zou moeten doen, maar het is genoeg te weten dat ik dat altijd nog kan doen, mocht het nodig zijn. De warmte in de tent is aangenaam, maar ik wil nog steeds door en blijf dus niet lang hangen.

Het eerste deel van het rondje is saai, maar makkelijk. Weer over zo’n breed pad. De ene skilift na de andere passeer ik. Gelukkig is het nacht, zodat ik niet al te veel last heb van de treurige aanblik die zo’n skigebied doorgaans biedt. Ik voel me eindelijk weer redelijk, en heb kennelijk voldoende energie om te oordelen over de route. Dit is echt een prutsrondje, ben ik in mezelf aan het mopperen. Zo schiet het ook niet op met de hoogtemeters, als ze ons over zo’n flauw pad sturen. Niks aan. Dan hoor ik links van me water druppen. Ik kijk opzij en blijk vlak naast een loodrechte rotswand te lopen. Ah, toch niet zo saai hier als ik dacht… Even later rechts ook zo’n rotswand. Best mooi hier eigenlijk. De afdaling is van een ander kaliber. Smal paadje, rotsachtig, maar ook nog steeds nat en modderig. Een loper gaat me voorbij met de woorden dat het hier gevaarlijk is. Dat beaam ik. Maar jij loopt nog wel steeds hard, knakker, denk ik erachteraan. Zelf durf ik dat niet, in dit stadium van de race. Veel te bang om te struikelen over een van die uitstekende rotspunten.

Natuurlijk duurt het rondje langer dan gehoopt, maar ik kom ‘vanzelf’ weer bij de verzorgingspost aan. Deze keer ga ik eerst de warme tent in, om de batterijen van mijn lamp te vervangen (uit onwennigheid heb ik niet de economische stand gebruikt, waardoor de batterijen veel eerder leeg zijn dan ik had verwacht), en om eindelijk mijn telefoon eens te pakken om te zien of ik een berichtje van Edwin heb. Inderdaad, dat heb ik. Uitgestapt op 80 km. Shit, maar om eerlijk te zijn, heb ik er deze keer wel begrip voor. Toch kom ik zelf geen moment in de verleiding, niet echt. Waar dat aan ligt, weet ik eigenlijk niet, maar stoppen komt gewoon niet in me op, al ben ik me heus wel bewust van die mogelijkheid, en al heb ik het deze keer best een tijdlang niet echt reuze naar mijn zin gehad. Edwin zal bij de finish op me wachten. Dat is fijn, erg fijn, want lopen in m’n eentje is één, maar finishen helemaal in m’n uppie lijkt me altijd een beetje een treurige toestand. Bovendien zie ik, mijn stoere praat vooraf ten spijt, een beetje op tegen de 3 kilometer die ik dan nog zou moeten lopen naar de camping.

Ik stop m’n telefoon weg, giet nog een tomatensoep naar binnen en begin aan de afdaling. Nog 6 km te gaan. De finish binnen handbereik, maar dat is van ondergeschikt belang. Ik loop in de bergen, de dag breekt aan en voorzichtig beginnen de vogels te zingen.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 21 reacties