Rondjes draaien

Zes weken na Limburgs Zwaarste loop ik de UHT met Hannah. Met enkele subtiele en minder subtiele route-aanpassingen van Hannah’s hand komen we uit op 34,4km. Ai, dat valt me niet mee. In de afgelopen vier weken heb ik, na twee weken van totale rust, de afstand rustig weer opgebouwd naar ruim 20km, maar van 20 naar 34 blijkt een grote sprong te zijn, al lijkt het nog maar zo kort geleden dat het lopen van een dergelijke afstand de gewoonste zaak van de wereld was. En dan te bedenken dat ik zes dagen later nog zo’n sprong mag maken, en wel naar 50km.

Het plan was eigenlijk om begin juni met Hannah en nog een paar lopers de zuidelijke helft van het Pieterpad te lopen. 250km in vier dagen. Als Henny mijn voorlopige schema richting een lange bergloop in augustus in elkaar puzzelt, moet hem echter van het hart dat hij het eigenlijk opbouwtechnisch gesproken niet verantwoord acht om in dit stadium vier dagen van 60km elk te lopen. Jammer, maar ik heb geen trainer om me niks van zijn adviezen aan te trekken, dus ga ik voor een van de alternatieven voor dit weekend: 50km bij de Self Transcendence in het Amsterdamse Bos. Lekker dichtbij huis, daardoor makkelijk te organiseren en aangenaam betaalbaar.

Na de UHT ben ik moe. Dinsdagmiddag pers ik mijn training eruit. Woensdagavond op de baan hou ik het inlopen al nauwelijks vol. Nou ja, de week ervoor was ik ook bekaf, en toen ging het eigenlijke programma heerlijk. Deze keer staan er slechts vijftien 200’jes op het schema, dat moet toch te doen zijn. Niet dus. Ik beperk me tot tien stuks. Ben gesloopt. Normaal gesproken zou ik denken dat ik die 50km binnen 5 uur zou kunnen lopen, maar nu begin ik daaraan te twijfelen. Niet dat het belangrijk is, het is een training, en dan nog wel eentje die redelijk aan het begin van het schema staat. Met deze benen kan het echter weleens een lijdensweg worden. Donderdag een massage bij Henny, en vrijdagochtend een half uurtje ‘rustig, op gevoel.’ Hee, verrassend, nu voelen de benen toch weer aardig goed. Zo goed, dat ik weer zin krijg in die 50km.

Of ik weleens eerder rondjes heb gelopen, vraagt Nitish als hij me mijn startnummer geeft. Meer dan een keer dezelfde ronde per wedstrijd, bedoelt hij. Ja, tijdens de zes uur op de baan in Heerde. Niet dat ik daar nou zulke goede herinneringen aan heb. Later bedenk ik dat de oliebollenmarathon bij Willem en Annemarie ook uit rondjes bestond. Daar beviel het me juist wel, elke keer een afstand van 7km, dat is te overzien. En nog weer later bedenk ik dat ik lang geleden, bij de Königsforstmarathon, feitelijk ook al rondjes heb gelopen – alleen waren dat dan rondjes van 21,1km. Vandaag zijn het rondjes van ruim 2,2km. Een aanloopje van 600m, en daarna 22 keer hetzelfde rondje draaien. Ik ben benieuwd.

De 100km-lopers zijn al een paar uur bezig met hun rondjes als wij om 12 uur starten. Sommige lopers gaan er als een haas vandoor. Me niet laten opjutten, een rustig tempo zoeken. Mijn plan is om, zeker in het begin, niet sneller te lopen dan 10 per uur; als het goed voelt, kan ik wat later altijd nog proberen te versnellen. De realiteit is dat ik me meestal niet aan mijn plannen hou. Ik zoek een tempo dat comfortabel voelt, en dat ligt (nu nog) iets hoger. Wel ben ik zo verstandig om in de eerste ronde al even de bosjes in te duiken om mijn blaas te legen. Ik ken mezelf: uit angst voor tijdverspilling loop ik vaak onnodig lang met een volle blaas. Laat ik nou maar even slim zijn en die tijd meteen in het begin al verspillen; heb ik nog tijd zat om het goed te maken en het loopt wel zo lekker zonder de hele tijd het gevoel te hebben dat je moet plassen.

Het rondje is fraai. Grotendeels tussen de bomen, een paar open stukken. Verhard en zo’n beetje halfverhard. Halverwege gaat het iets omhoog, maar dat mag geen naam hebben. Mijn Suunto telt achteraf 20 hoogtemeters, dat betekent per rondje nog geen meter D+. Toch ga je die ene meter na verloop van tijd voelen… Regelmatig word ik ingehaald, zo nu en dan haal ik in. Met sommige lopers wissel ik een enkel woord, een groet, een aanmoediging, een heel enkele keer een kort praatje. Tot elf rondjes tel ik op, daarna begint het aftellen. De afstand van 2,2km is lekker overzichtelijk, terwijl het toch zoden aan de dijk zet. Ik heb van tevoren uitgerekend hoe lang ik over een rondje doe bij 10km/u – dat is 13 minuten en 27 seconden. Ik lap braaf bij elke doorkomst, maar vergeet meestal te kijken hoe lang ik erover deed. Nou ja, leuk voor de analyse achteraf. Aanvankelijk heb ik mijn gemiddelde snelheid zichtbaar in mijn horlogeschermpje, maar dat maakt me te onrustig – ga ik niet te snel? val ik niet te veel terug? – daarom vervang ik dat door de afstand. Dat is lekker, zo weet ik ook zeker dat ik me niet vertel met de rondjes. Wel zie ik de actuele snelheid, maar omdat die vaak onder de bomen wat achterblijft, en dan op een open stuk zichzelf weer inhaalt, kan ik daar niet al te veel peil op trekken. Ik gebruik het vooral om mezelf tot rust te manen.

De aanmoedigingen van de vrijwilligers bij de doorkomst en van supporters worden steeds enthousiaster. De vrouw die mijn rondjes telt, lijkt me een soort van geadopteerd te hebben, zodat het voelt alsof ze een persoonlijke fan van me is. Het is verrassend hoe fijn het is om steeds weer je naam te horen, en te horen dat je het goed doet – ook op momenten waarop dat beslist niet zo voelt. Overigens is dat laatste niet zo lang het geval. Tot en met rondje pak ‘m beet vijftien loop ik verdacht lekker. Daarna valt het me een beetje tegen hoe lang zeven rondjes eigenlijk nog zijn. In rondje 19 en 20 laat ik het tempo wat zakken. De grens van 5 uur wordt niet bedreigd, als ik mijn vermogen tot hoofdrekenen niet helemaal verloren ben, dus bekijk het maar. In rondje 21 vind ik de ontspanning terug, en gaat het meteen weer een stuk lekkerder. Ik ben van plan om in het laatste rondje het tempo weer wat op te voeren, maar daar kan ik me pas in de laatste kilometer toe zetten. Als derde vrouw ga ik, na 4 uur, 50 minuten en 55 seconden, door het lint dat door twee vrijwilligers omhoog wordt gehouden. Een bosje fairtrade bloemen en een beker zijn mijn deel.

Ik blijf nog een poosje nagenieten en drink en eet van alles door elkaar. Een andere loper, die naast me komt zitten, zegt dat hij nooit een hap of een slok door zijn keel kan krijgen na zo’n loop; ik kan juist nooit stoppen met eten en drinken. De eerste lopers van de 100km komen binnen. Sterk werk – ik moet er op dit moment niet aan denken om zo’n eind te lopen. Op een bepaald moment ga ik toch maar richting mijn auto en naar huis. Achteraf gezien net te vroeg: als ik nog even zou zijn gebleven, had ik Linda Voets kunnen zien finishen. Zij is de eerste vrouw op de 100, en finisht in een razend knappe (in mijn ogen) 9 uur en een kwartier.

Over mijn eigen lopen ben ik vandaag dik tevreden. Het ging grotendeels behoorlijk gemakkelijk, en ik had het naar mijn zin. Die tijd ga ik nog weleens verbeteren. Het rondjes draaien, bevalt me eerlijk gezegd wel. De organisatie was geweldig en hartelijk, het Amsterdamse Bos op deze zonnige dag druk, maar prettig om doorheen te lopen, de ontelbare loslopende honden goed opgevoed.

Van de uitspraken van Sri Chinmoy die op borden langs het parcours staan, is er een waar ik wat langer op blijf kauwen:

Geluk is enthousiasme zonder verwachtingen.

Vandaag was zo’n geluksdag.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Van FOMO naar JOMO?

Toen ik, een jaar of tien geleden, ontslag nam en voor mezelf begon, vond ik de stilte, de afwezigheid van elke vorm van contact op sommige dagen, het lastigst van alles. De dagen waarop ik thuis was, en niet gebeld werd, geen e-mails kreeg – ik ging er bijna aan twijfelen of ik wel bestond. Serieus: dat klinkt misschien onzinnig, maar ik werd me er steeds meer van bewust dat ik kennelijk een belangrijk deel van mijn identiteit ontleen aan de bevestiging van mijn bestaan door anderen. En misschien niet alleen de bevestiging van m’n bestaan, maar ook de waardering voor dat bestaan, de bevestiging van een zeker nut van dat bestaan. En dat terwijl ik niet eens geloof in de zin van het leven – behalve dan dat je er zin in hebt (een uitspraak van Armando, meen ik, maar ik kan het zo snel niet terugvinden).

Al eerder werd ik me ervan bewust dat ik mijn identiteit ontleen aan allerlei bijzaken. Ik werd op het spoor gezet door de docent t’ai chi, die tegen mij zei: “Oké, jij bent dus goed in wiskunde, maar stel nu eens dat je dat níet zou zijn, zou je dan niet nog steeds jij zijn?” Pang, het was meteen duidelijk waar ze naartoe wilde en het was voor mij direct duidelijk dat ze daar volkomen gelijk in had. En wat voor een wiskunde- of talenknobbel geldt, geldt natuurlijk voor álles. Wie ik ben, is niet mijn zogenaamde slimheid, maar ook niet mijn domheid. Het is niet mijn empathische vermogen, maar evenmin mijn steeds weer de kop opstekende jaloezie. Het is niet mijn liefde voor sport, en het zijn ook niet mijn vreetbuien. Het is niet de goede band die ik heb met mijn familie en het zijn niet mijn onhandigheid en verlegenheid in contacten met anderen. Het is noch mijn vermogen om volkomen gelukkig te zijn in mijn eentje, noch zijn het de gevoelens van volstrekte eenzaamheid die er op andere momenten zijn. Het is niet mijn eigen beeld van mezelf als iemand die sommige dingen best goed en andere helemaal niet kan, maar het is al helemaal niet het beeld dat ánderen van mij hebben.

Later kwam ik bij Jan van Delden terecht, die spreekt over aangevinktheden. Sommige eigenschappen en kwaliteiten zijn nu eenmaal bij je aangevinkt, andere niet. No big deal. Dit helpt mij enorm het belang van zo ongeveer álles, maar vooral van wie of wat ik denk te zijn, te relativeren, en daar ben ik blij mee. Als je niet zoveel waarde hecht aan het beeld dat je van jezelf hebt, of aan het beeld dat anderen van je hebben, voel je je ook niet snel aangevallen. Wat men ogenschijnlijk kán aanvallen, is altijd slechts een plaatje, nooit jouzelf!

Maar goed, ik dwaal een beetje af. Het ging me om dat gebrek aan contact met de buitenwereld, waar ik het in het begin van mijn bestaan als zzp’er moeilijk mee had. De uitnodigingen in mijn mailbox om toe te treden tot de wereld van Hyves had ik altijd weten te weerstaan, maar Hyves maakte plaats voor Facebook, en op een bepaald moment ging ik overstag. Er ging een wereld voor me open. Wat vond ik dit leuk! Al die contacten, al die verhalen, die hele hardloopwereld – heerlijk. Ik dompelde me erin onder. Ik bestond, dat was nu wel duidelijk. Sterker: ik werd gezien. Mijn teksten werden gelezen en ik kreeg likes. Ik genoot ervan, en bekeek mijn eigen gedrag tegelijk met argusogen. Wat een behoefte aan aandacht! Bij anderen lag die behoefte er duimendik bovenop, vond ik, maar zelf was en ben ik er ook beslist niet vrij van.

Na een poos trad een gevoel van verzadiging op. Het was gewoon te veel, al die mensen, al die berichtjes. En al was het te veel, en al raakte ik verzadigd, ik kon toch niet stoppen ernaar te kijken. Ik bleek behoorlijk verslavingsgevoelig voor nieuwtjes, en bleef maar kijken of er nog iets nieuws gebeurd was in de halve minuut waarin ik afwezig was geweest. Facebook bleek bovendien een goede voedingsbodem voor mijn FOMO, the Fear Of Missing Out. Op een bepaald moment was de maat vol – mijn angst om dingen  te missen, bleek uiteindelijk toch kleiner te zijn dan mijn behoefte aan rust. Ik stopte met Facebook. Uit zelfbescherming.

Een goede stap, denk ik nog steeds. Ik kreeg de rust waar ik naar verlangde. Soms zat ik zomaar de hele dag een boek te lezen – ik had het gevoel dat ik mijn leven teruggekregen had. Toch blijkt stoppen met Facebook ook weer geen Haarlemmerolie te zijn; nog steeds zijn er dagen van onrust en onvrede, en als ik mijn computer aan heb staan, kan ik het nog steeds niet laten veel te vaak een rondje hardloopblogs te doen, ook al gebeurt er vaak maar bitter weinig op die blogs (net als op het mijne).

Vriendin Ellen stuurde afgelopen weekend een tekstje door over Randi Zuckerberg (de zus van), die adviseert om je aandacht niet te richten op FOMO, maar op JOMO, the Joy Of Missing Out. Klinkt aardig, al is het volgens mij al genoeg om het niet erg te vinden dat je dingen mist; je hoeft daar nou ook weer niet per se over te verheugen. Het gaat er meer om dat je snapt dat het nou eenmaal de realiteit is dat je meer mist dan je meemaakt – Martin Bril was niet gek – en dat je verzetten tegen die realiteit een hopeloze zaak is. Dat gevecht verlies je altijd.

Volgens Ellen ben ik goed bezig, maar laat ik de zaken niet mooier voorstellen dan ze zijn. Zeker, heel vaak ben ik volmaakt tevreden met hoe het is, waar ik ben en wat ik doe. Maar er zijn ook dagen waarop ik denk dat iedereen leukere dingen doet dan ik, dat iedereen contact met elkaar heeft en dat ik overal helemaal buiten sta.

En als dat laatste zo is, besta ik dan eigenlijk wel?

Geplaatst in identiteit, twijfel | 4 reacties

Gaan en beleven

Toen ik een poosje geleden met Adriaan een rondje waterfietste door de bossen bij Baarn, vertelde hij over de activiteiten die hij, vergezeld van andere lopers/fietsers/kanoërs, beleeft, onderneemt, ondergaat, whatever, en die gebundeld worden onder de naam Gaan en Beleven. Gaan en Beleven heeft een website, waar je enthousiasmerende verhalen, foto’s en filmpjes kunt bewonderen (gaanenbeleven.nl). Op die website staat ook een groeiend aantal interviews met, nou ja, wat zij noemen: avonturiers. Interviews met een vast format, iedereen beantwoordt in principe dezelfde vragen. Adriaan vroeg mij om deze vragen ook te beantwoorden.

Op z’n Jacoliens duurde het een poosje voor ik aan zijn verzoek tegemoetkwam. Ik maakte een kladversie, maar was daar niet over te spreken. Ik vind het heel leuk om de antwoorden van anderen te lezen, maar als ik zelf iets schrijf over ervaringen en mijn favoriete materiaal, vind ik het opeens buitengewoon oninteressant allemaal. Ik denk wat na over een mogelijk stukje naar aanleiding van de laatste vraag van het interview, de vraag die ik aan mezelf stel. Adriaan vindt het prima als ik iets heel anders schrijf dan de antwoorden op de vaste vragen. Ik denk na, ik denk na en ik denk dat ik een, voor mij, interessant onderwerp te pakken heb. Maar ja, nadenken is nog niet schrijven – als dat zo zou zijn, zou dit blog ook bloeien van de teksten waar ik heel tevreden over zou zijn, en dat is jammer genoeg niet zo…

Nu liep ik weer een loopje, schreef er een stukje over waar Adriaan op reageerde, en ik bedacht dat ik dat stukje voor Gaan en Beleven nu niet langer moest uitstellen. Beloofd is beloofd, tenslotte. Ik pakte de kladversie van een poos terug, las ‘m en zag dat het goed was. Waarom zou ik nou per se weer iets anders moeten doen dan anderen? Ik stuurde de tekst, zonder er al te veel aan te veranderen, naar Adriaan. Wat foto’s erbij en klaar.

Al vind ik het, zodra het gepubliceerd is, toch eigenlijk weer aanstellerij allemaal, tóch plaats ik het interview ook hier. In de stille hoop dat ik mijzelf zo dwing om vervolgens ook dat stukje te schrijven waarin ik inga op mijn eigen vraag. En in de hoop dat het bij anderen werkt zoals het bij mij werkt: dat je dit soort dingen van een ander wél leuk vindt om te lezen.

Wie is Jacolien?
Laat ik ermee beginnen te zeggen dat ik mijzelf niet als avonturier beschouw [dat zeg ik omdat de interviews op de site onder het kopje ‘Vragen aan avonturiers’ geplaatst zijn]. Niet alleen omdat de dingen die ik doe niet zo vreselijk avontuurlijk zijn (al vind ik het soms wel spannend), maar ook en vooral omdat ik de dingen niet doe omdát ze avontuurlijk zouden zijn. Ik ben gewoon graag buiten, in de natuur, en ik vind het nu eenmaal lekker om me fysiek in te spannen – maar ik kan ook eindeloos genieten van rustig om me heen kijken, een beetje mijmeren, een beetje lezen, terwijl ik bij mijn tentje ergens op een groene camping zit.

Aan welke meerdaagse tochten bewaar je de mooiste herinneringen?
Tja, eigenlijk bewaar ik aan alle meerdaagse tochten die ik maakte wel mooie herinneringen. Soms zijn het goede herinneringen aan het gezelschap, soms bleek de sfeer tijdens de tocht juist niet zo geweldig te zijn, maar waren we onderweg in een onbeschrijflijk mooie omgeving. Tijdens de bivakweekendjes met een groep vrienden zijn het de lol die we hadden, en de avondjes bij het kampvuur, met dan daarna juist de nacht onder de tarp, terwijl de stilte slechts wordt doorbroken door het geroep van een paar bosuilen, die het tot memorabele gebeurtenissen maakten. Van één tocht in de Berner Alpen herinner ik me hoe we na een lange klimdag doodmoe en met doorweekte schoenen onze tent op de gletsjer opzetten, en hoe goddelijk toen de wonderstamppot smaakte. En van een tocht in de schitterende Ecrins herinner ik me dan weer hoe ik er op een middag totaal doorheen zat, ik kón echt niet meer, en hoe ik, toen er onweer dreigde, toch nog heel veel kracht in me bleek te herbergen om in noodtempo te proberen in de buurt van een berghut te komen voordat het los zou barsten.

Welke (dag)rugzak gebruik je en wat is daar prettig aan?
Ik heb verschillende rugzakken, maar ben op dat punt nog niet verzadigd. Bij kampeerwandeltrektochten gebruik ik een rugzak van Macpac. Die is nogal gewichtig, maar heerlijk stabiel. Bij het hardlopen gebruik ik een Salomon S-lab, prijzig, maar z’n geld meer dan waard. Ook deze draagt heel stabiel, en heeft veel vakjes waar je bij kunt zonder de rugzak af te hoeven doen. Met z’n 12 liter is hij echter wat te klein voor meerdaagse kampeer- of bivakhardlooptochten, dus daarvoor zoek ik nog een grotere.

Welke kleding draag je tijdens de tochten?
Het mooie van sportkleding is dat het bruikbaar is bij allerlei activiteiten en onder verschillende omstandigheden. Mijn twee thermoshirts van Helly Hansen (met de bekende wit-blauwe strepen op de mouwen) zijn esthetisch niet helemaal verantwoord, maar gaan wel al dertig jaar mee. Vorig jaar heb ik mezelf eindelijk de aanschaf van een donsjas gegund – sindsdien vraag ik mij af hoe ik al die tijd heb weten te overleven zónder…

Slaap je in de buitenlucht?
Toen ik nog klom, sliep ik wel in berghutten, maar veel liever slaap ik buiten. Dat kan zowel in een tent zijn, als onder een tarp. Een tent is wat beschutter, dat slaapt rustiger, onder een tarp ben je meer buiten. Sinds kort heb ik een hybride, een tarptent – een heel licht tentje dat je met je loopstokken opzet. Dat heb ik alleen nog niet uitgeprobeerd, dus daar kan ik weinig over zeggen.

 Hoe kook je onderweg?
Tot nu toe meestal op een benzinebrander, ideaal onder koude omstandigheden en op hoogte. Voor het hardlopen-met-bepakking zoek ik nog een lichtere oplossing.

Wat moet er altijd mee?
Minstens één buff – als sjaal, maar als het nodig is, doet hij dienst als muts.

Wat is je absolute favoriete item?
Dat heb ik niet echt, maar aan mijn zakmes ben ik wel gehecht. Net als die thermoshirts heb ik dit mes al dertig jaar. Het is een zwarte Victorinox, en er zit al die jaren een koordje aan, voorheen rood, voorheen elastisch, dat geen enkele functie dient en er nogal groezelig en vervallen uitziet, maar dat ik er for old times’ sake niet af kan halen.

Heb je tips voor beginnende avonturiers?
Hou het simpel. Buiten zijn is heerlijk, maar dat kan ook dichtbij huis. En ga als je het leuk vindt, omdát je het leuk vindt, niet om iets te bewijzen.

Vraag van Jacolien aan zichzelf.
Moet ik GAAN om te LEVEN?
Ofwel: heb ik de stilte buiten me nodig om me bewust te zijn van de stilte die ik bén?

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Tweede debuut

Kun je twee keer je debuut op dezelfde afstand maken? Ik wel. Officieel maakte ik afgelopen zomer m’n debuut op de 100 kilometer tijdens een rondje door de bergen, maar terwijl ik me voorbereid op Limburgs Zwaarste, weet ik dat ik gewoon weer voor het eerst 100 kilometer ga lopen. Ik ervaar het als een heel andere discipline, al gebruik ik er geen andere benaming voor. Limburgs Zwaarste is het doel der doelen voor dit voorjaar. Al het andere (op loopgebied dan, want ik doe ook nog weleens iets anders dan lopen) stond in dienst van deze ene wedstrijd. Binnen de 14 uur uitlopen, is het doel, maar eigenlijk hoop ik dat het nog wat sneller kan.

Op vrijdag laat ik eerst mijn creditcard wapperen bij Scarabee. Maar liefst twee paar nieuwe trailschoenen koop ik, lekker onverantwoord. Daarna rij ik door naar Wijlre, waar ik op De Gele Anemoon neerstrijk, een beetje apart van de wielrenners in hun caravans en campers. Onze route blijkt langs de camping te komen – de gastvrouw laat me de bekende markeringsbordjes met een pijltje en twee voetjes zien. Men vindt het razend interessant; dat veel kampeergasten morgen een flink eind gaan fietsen, daar kijkt niemand van op, maar dat er ook een hardloopwedstrijd over 100 kilometer bestaat, en dat een van de kampeerders daar zelfs aan mee gaat doen, dat is andere koek.

Dat ik waardeloos slaap, heeft niet met de kou te maken, mijn slaapzak is behaaglijk dik. Ik maak me zorgen over van alles en nog wat. Totaal overbodig natuurlijk. Na het opstaan, gaat het allemaal soepel en efficiënt. De thee die ik ’s avonds al gezet heb, is nog goed warm, de boterhammen zijn gesmeerd, de rugzak staat klaar. Alleen dat het nodig zou zijn om de autoruiten te krabben, had ik niet voorzien. Gelukkig start de motor deze keer zonder problemen, dat is de laatste tijd weleens anders. Ook het rijden gaat goed, al zijn de donkere smalle weggetjes op de vroege ochtend enigszins spannend voor deze zenuwpees. Gelukkig is de ontvangst door Willem en Annemarie in de sportkantine dan weer veilig en vertrouwd hartelijk.

Iets na zessen stuurt Willem ons het bos in. Ik heb m’n lampje op m’n hoofd, maar het is eigenlijk niet nodig. Even doe ik het aan, voor de zekerheid, maar zodra we het bos uitlopen, doe ik het af en stop ik het weg. Rustig aan, is het devies. Ik ga ervan uit dat ik het in het begin zwaar zal hebben, en dat rustig aan me geen enkele moeite zal kosten. Mijn benen voelen echter goed, en misschien begin ik daardoor te snel, al voelt het rustig. Ik maak kennis met Wilma Vissers, met wie ik een eind op loop. Zij woont zo’n beetje in Zwitserland, en gaat over een paar maanden lopend van Nederland naar Zwitserland. Kijk, dat zijn de betere plannen.

Na de tweede verzorgingspost, op een kilometer of 24, is het over met de soepele benen. Opeens heb ik behoorlijk last van mijn rechterheup, en krijg ik met enige regelmaat een pijnscheut vanuit die heup naar m’n been, zodat ik erdoorheen lijk te zullen zakken. Deze pijn ken ik van anderhalf jaar geleden, en ik merkte de laatste weken al dat ie terug was, al hoopte ik dat de taperperiode wonderen zou hebben verricht. Ik begin me wat zorgen te maken over de rest van de dag. Ook beginnen er opeens allerlei mensen me in te halen, mensen die ik in het begin van de wedstrijd helemaal niet gezien heb. Ik realiseer me dat ik kennelijk niet zo ver achteraan ben gestart als ik van plan was. Dat, gecombineerd met het feit dat het niet meer zo lekker gaat, maakt dan weer dat ik een beetje boos op mezelf ben. Een beetje, ook weer niet al te erg. Ik was van plan vandaag als wedstrijd te lopen, maar ik heb niet de moed om de strijd met mezelf aan te gaan. Het is zo al zwaar genoeg, en ik mag blij zijn als ik vandaag 100 kilometer loop.

Als ik er dan geen wedstrijd van maak, dan zou het mooi zijn als ik er een genotsloopje van zou kunnen maken. De omstandigheden zijn er ideaal voor. Het weer is prachtig, de omgeving idem dito, het stijgen wordt afgewisseld met dalen, het dalen met stijgen. De mensen onderweg en bij de posten, ach, moet ik het nu nóg een keer zeggen? Zo enorm aardig, iedereen. De stukken vlaai zijn verrukkelijk, en de vanillevla glijdt zo lekker naar binnen. Inmiddels loopt Esther al tijdenlang bij me in de buurt, lopen we soms samen, soms ook niet, maar dan vinden we elkaar wel weer bij een post terug. Het is aangenaam. De twee vrienden die me keer op keer achterop komen lopen – waar ze elke keer vandaan komen, is me een raadsel – en die dan tegen elkaar zeggen: “Kijk, nou lopen we alwéér achter die mevrouw.” Bij de post op 70 kilometer splitsen hun wegen zich, en degene die de lus voor de 100 ingaat, wil graag even tegen Esther en mij zeggen dat hij veel bewondering voor ons heeft. Met de Vlaamse jongeman die we tijdens de laatste 30 kilometer regelmatig tegen het lijf lopen, grappen we wat. Niet al te veel, daarvoor zijn we te moe en doet het lijf te veel pijn, maar de sfeer is goed.

Alle ingrediënten zijn aanwezig voor een genotsloopje dus. Toch is het dat niet. Daarvoor sta ik te veel op standje overleven. Na 60 kilometer wil ik eigenlijk alleen nog maar wandelen. Wandelen voelt goed, comfortabel, dat kan ik nog uren volhouden. Maar wandelen duurt te lang, hardlopen moet ik, hardlopen zal ik, en zelfs hardlopend zal ik het nog uren móeten volhouden. Ondanks de pijn in de bovenbenen dus elke keer weer een dribbelpas inzetten, ook op de momenten waarop je alles wilt behalve dat – en dat is eigenlijk de hele tijd. Voor de betere mentale training lopen we na ruim 90 kilometer nog een kilometertje fout. Niet goed opgelet, de markering wijst luid en duidelijk naar rechts, maar wij lopen rechtdoor. Het laatste stuk is nog wat afzien omdat Willem de route voor de lopers van de 100 heeft afgestemd op de laatste lopers, die in het donker finishen, en dit deel daardoor over wat minder fraaie asfaltwegen gaat. Op het allerlaatst dan nog weer even een stukje verrassend onverhard. Esther en ik in elkaars kielzog, en vervolgens zij aan zij naar de kantine, waar de finish gemarkeerd wordt door een zoen van Willem. We hebben 13 uur en 48 minuten buiten mogen spelen, en ons doel is bereikt.

Anderhalf uur later stap ik in de auto op weg naar mijn tentje en die dikke slaapzak. Op een van de donkere smalle weggetjes kom ik een groepje lopers met hoofdlampen tegen. Wandelend. Zij moeten nog een paar kilometer. Ik benijd hen niet. Ik ben blij dat ik zonder problemen aankom op de camping, en parkeer mijn auto schots en scheef op twee parkeerplaatsen – dat zie ik de volgende dag pas. Van tevoren had ik visioenen van na afloop nog lekker even bij de tent zitten, ik heb er een olielamp voor meegenomen, beetje wijn drinken, borrelnootjes snaaien, maar het is freezing koud, en ik vind het al heel wat dat ik de energie nog op kan brengen om mijn toilettas te pakken om mijn tanden te gaan poetsen. In het toiletgebouw een wildvreemde mevrouw die me vraagt hoe het gegaan is. De hele camping lijkt op de hoogte. De nacht is onhandig. Ik moet er een aantal keren uit om te plassen, en zowel overeind komen als weer gaan zitten of liggen, zijn behoorlijk dramatisch. Echt weer goed bedacht van me, om te gaan kamperen.

’s Morgens zorg ik dat ik alles, maar dan ook echt álles om me heen heb verzameld voor ontbijt tot en met koffie, voor ik ter aarde stort op mijn laag-bij-de-grondse stoeltje. Het is nog koud, maar de wollen onderbroek en donsjas doen hun werk. De vogels zingen erop los, terwijl wat later de kerkklokken inzetten. Toch best een goed idee, kamperen.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 10 reacties

Daarom dus

Vandaag zit ik voor de verandering eens op de fiets. Niet om te fietsen, maar om een loper te begeleiden en volgens diens wensen van eten en drinken te voorzien. Die loper start om half vijf in de morgen in Den Burg op Texel, om 120 kilometer te gaan lopen. Deze fietsbegeleider stapt iets vroeger dan dat op de fiets om op tijd bij de start te zijn en eten en drinken van de loper over te nemen.

Over de amateuristische voorbereiding (die twee gevallen van materiaal’pech’ tot gevolg heeft, nog voordat ik gestart ben, en in beide gevallen een volkomen afhankelijkheid van materiaal en vaardigheden van een ander, om me in staat te stellen überhaupt te kunnen fietsen en begeleiden) zal ik verder maar niks zeggen – ik kan wat verzachtende omstandigheden aanvoeren, maar de stress en het gevoel van knulligheid zijn er nauwelijks minder om.

Mijn loper heeft het zwaar en besluit om na zestig kilometer te stoppen. Hij wandelt de hele tweede strandpassage. Ik wacht lang op hem bij de Horsmeertjes, waar hij het asfalt weer op komt. Nog vijf kilometer tot het keerpunt op zestig kilometer bij de veerdienst. Hij begint weer hard te lopen en is vrolijker dan toen hij het strand nog te gaan had. Het einde is in zicht.

Nog een kilometertje en het hele peloton lopers van de zojuist gestarte zestig kilometer komt ons tegemoet. Iedereen, werkelijk iedereen, snel of langzaam, applaudisseert, steekt zijn duim op, wenst hem succes of drukt op een andere manier zijn waardering uit voor deze loper die gestart is op de 120 kilometer. Waarschijnlijk weten ook zij dat de kans groot is dat hij het niet zal redden, maar de waardering is er niet minder om. Soms win je wat, soms verlies je wat. Als je de sprong niet waagt, kom je nooit verder, zoals Loesje zegt. Deze man is een kanjer, en krijgt een enorme oppepper door alle aanmoedigingen. En ik? Ik fiets met een brede glimlach achter of naast hem en voel tegelijk de tranen in mijn ogen.

Wat is het toch een prachtige sport.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

DAT dus

Ik open op het werk het schema dat Henny gestuurd heeft en kijk even globaal naar een paar trainingen die er voor de komende weken in staan. Woensdag Middenduin, vierhonderdjes. Volgende week woensdag duizendjes op de baan (mag ook in Middenduin). Komend weekend slechts driemaal een uurtje. In de laatste week voor de wedstrijd, zoals gebruikelijk, nog wat relatief kort en snel werk. Ik sluit het bestand en ga aan het werk.

Het is eigenlijk niet mijn bedoeling om van de laatste lange duurloop, 50 kilometer staat er op het programma, nog een dagje uit te maken. De Sallandtrail is nog maar twee weken geleden, over drie weken zit ik weer in Limburg en met Pasen wordt er traditiegetrouw gekampeerd. Een weekendje rustig thuis is aangenaam, en ik kan best weer eens een rondje Haarlem doen, of een route van 50 kilometer verzinnen met veel duin en strand. Maar ja, eigenlijk zie ik er een beetje tegen op, tegen dat lange eind lopen, en ik heb nog een goedkope dagkaart van de NS, en er is een route van MST van de juiste lengte die ik weleens zou willen lopen. Weet je wat? Ik pols Edwin of hij heel misschien toevallig zin en gelegenheid heeft om dit weekend de Deventer-Arnhem-Trail te lopen. Schikt het hem niet, prima. Schikt het hem wel, tja, dan zal het wel voorbestemd zijn.

Het schikt, Edwin juicht het plan zelfs toe, alleen dan wel op zondag, en niet op zaterdag, zoals ik voorstelde. Ik kijk naar de dienstregeling op zondag. Dat valt niet mee. Met de eerste beetje normale verbinding ben ik om tien uur in Deventer; Edwins trein komt om kwart over aan, dus dat wordt een late start en dientengevolge ook een late finish. Er is een mogelijkheid eerder, namelijk bij een vertrek om zes uur vanaf Haarlem, maar dan moet ik drie kwartier wachten in Amsterdam. Niet aanlokkelijk, maar ik ben bereid het in overweging te nemen, tot ik bedenk dat dit weekend ook de zomertijd nog ingaat. Ja, da-ag.

Het wordt de auto naar Velp, en daar de trein van 7:41 uur naar Deventer. Dat betekent voor mij toch nog de wekker op iets na half zes, gevoelstemperatuur half vijf. Ik slaap ruk, maar mopper niet. Als ik vandaag in mijn eentje op pad had gemoeten voor een duurloop van 50 kilometer zou ik ook geen zin hebben gehad. Dus.

De trein heeft een wc, waar ik erg blij mee ben. Hij heeft een een goedgemutste conducteur, die blij is dat hij mag werken op deze grijze, stormachtige en naar verwachting doornatte zondag. En hij brengt ons naar Deventer, wat handig is, omdat ons loopje daar start. We krijgen er steeds meer zin in.

Een stukje door het centrum van Deventer om bij de brug over de IJssel te komen. We steken de rivier over en gaan van het asfalt af. De pasfrequentie van Edwin is hoog, en het is voor mij de kunst om me daar niet door te laten meeslepen. Ik moet zoeken naar mijn eigen ritme en mijn eigen tempo, dat zoals gewoonlijk in het begin wat lager ligt. Het landschap is open en de wind is tegen. We praten wat. Nog wel.

We komen door Wilp (mooi kerkje), lopen over een grasdijk (niet mijn favoriete ondergrond) langs een beek, moeten hier en daar een (soms iets langer) stukje over asfalt, steken het spoor Zutphen-Apeldoorn over, het Apeldoorns Kanaal, de stoomtreinspoorlijn Dieren-Apeldoorn. We komen langs een golfterrein en maken een sanitaire stop. We lopen de Veluwe op. Het lopen kost me al een poos moeite. De eerste kilometers heb ik nodig om er een beetje in te komen, daarna gaat het een tijdje redelijk, maar na een kilometer of vijftien, misschien twintig, is het op. Mijn benen en heupen doen zeer, en er is iets raars met mijn energie aan de hand. Net of ik er een tekort aan heb of zo.

Ik praat niet veel meer. Ik trek me op aan Edwin. Hij heeft goede benen en loopt sterk, en houdt zich voor mij in. Ik probeer zo goed mogelijk te volgen, zonder me te forceren. Ik weet dat als ik in mijn eentje zou zijn en me zo zou voelen als ik me vandaag voel, ik het tempo veel verder terug zou laten zakken en vaker zou stoppen. Ik ben blij dat ik niet in mijn eentje ben. Zo nu en dan heb ik een kleine opleving. Wanneer het pad naar beneden gaat, lijkt het soms net alsof ik aan het hardlopen ben. Zij het niet al te hard dan.

Of ik nog kan lachen, vraagt Edwin. Met moeite. Er is zelfs een enkel moment waarop ik tranen voel drukken. Niet eens uit zelfmedelijden deze keer (voor zover ik kan beoordelen), maar puur door de pijn en de vermoeidheid. Het duurt een seconde, langer niet. Het helpt dat de route mooi is. Afwisselend ook. Al kan die afwisseling me gestolen worden als we eenmaal in Arnhem zijn en ik alleen nog maar bij het station wil zijn en de trein van 14:24 uur wil halen. Die trein halen we, met minder dan twee minuten speling. Pas als we ingestapt zijn, feliciteren we elkaar. Ik ben blij – blij dat ik niet meer hoef te lopen, maar ook ernstig blij en tevreden over wat we vandaag gedaan hebben.

DAT-4

met dank aan Edwin, ook voor de foto

Bij Edwin en Monique gaat de natte zooi uit en neem ik een douche. Daarna koffie (mijn eerste kop van vandaag!) en een stuk overheerlijke, zelfgebakken appeltaart. Ik bof maar weer. In de auto op weg naar huis gaan de ruitenwissers op de hoogste stand.

Als ik een paar uur aan het werk ben, vraag ik me opeens af wat ik morgenochtend eigenlijk moet lopen. Ik open het schema nogmaals, en zie bij dinsdag 31 maart ‘rust’ staan. Wat is het toch een heerlijke sport, hardlopen.

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

Saai

“Maar is dat dan niet saai?” Deze week werd de vraag me gesteld door een jonge loopster, die tot haar verrassing ontdekt dat er mensen zijn die verder lopen dan een marathon, terwijl ze zich nog niet kan voorstellen dat zij zelf ooit verder zal lopen dan een halve. En een paar weken geleden stelde een ervaren marathonloper mij dezelfde vraag toen ik in mijn eentje van Den Haag naar Haarlem wilde gaan lopen.

Ik weet nooit zo goed wat ik op deze vraag moet antwoorden. Ik kan natuurlijk glashard ontkennen dat hardlopen saai is – dat deed ik in het verleden, uit onbegrip, en ook een beetje uit ergernis, over mensen die altijd maar schijnen te moeten denken dat hardlopen een saaie sport is, of dat rondjes schaatsen op een ijsbaan saai is. Maar ik realiseer me inmiddels dat ik niet helemaal begrijp wat men met ‘saai’ bedoelt, zodat een ontkenning misschien niet op zijn plek is. Ja, hardlopen gaat relatief langzaam, en ja, je maakt in grote lijnen steeds dezelfde beweging, en ja, als je ver loopt, ben je misschien wat monomaan bezig, zij het volstrekt onschuldig. Hardlopen is ook beslist niet altijd en op elk moment leuk om te doen. Ieder die dat beweert, liegt volgens mij dat hij barst (of hij loopt niet hard of niet ver genoeg).

Maar saai? Ik weet niet. Zwaar ja, zwaar kan het soms zijn, verdomd zwaar zelfs. Een mooie omgeving kan afleiden van de zwaarte. Goed gezelschap ook. Sommigen zoeken afleiding in de vorm van muziek op hun hoofd. (Gek genoeg heb ik daar dan weer weinig begrip voor. Ga dan iets anders doen dan hardlopen, denk ik stiekem, als je niet genoeg hebt aan de omgeving waar je in loopt. Maar ik heb er natuurlijk in het geheel geen last van dat ze het doen, en op mijn keuzes valt vast ook van alles af te dingen.) De moeilijke momenten horen er echter ook gewoon bij, denk ik. Eind 2014 deed ik mee aan een zesuursloop op een baan, om eens te ervaren hoe dat was. Ik zocht de saaiheid (ja, hierop vond ik het woord wel van toepassing, geloof ik) bewust op. Dat viel niet mee. Ik had gehoopt in een soort trance te raken, een soort meditatieve bewustzijnstoestand waarin je nauwelijks besef hebt van het verstrijken van de tijd, maar ik bleef de minuten aftellen. Het duurde maar en duurde maar. Na afloop dacht ik: dit nooit weer. Inmiddels kan ik me voorstellen dat ik nog weleens zoiets zal doen, en mogelijk zelfs wat langer dan die zes uur.

Misschien is wat anderen saai noemen, voor mij wel een deel van de charme van het lopen. Ik ben heus niet vies van een snelle kick op zijn tijd, maar ben toch eerder een rustzoeker dan een thrillseeker. Lang lopen past bij die behoefte aan rust, denk ik. Lekker simpel, hoofd leeg, ene voet voor de andere, en maar doorgaan, doorgaan, doorgaan, uur na uur. Saai? Eentonig? Kom maar op dan, ik ben er niet bang voor.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Kilometers vreten in Salland

En soms gaat het dan zomaar weer opeens lekker. Het begint er al mee dat ik als een blok slaap in het logeerbed bij mijn ouders, de nacht voorafgaand aan de Sallandtrail. Op vrijdag ben ik bekaf. Ik wandel een stukje met mijn moeder door het Wierdense veld, en als zij omkeert, loop ik nog een paar honderd meter verder, tot het eind van het pad, in een rustige dribbelpas. Dat voelt niet best. Geen pijn of zo, maar man man man, wat ben ik moe. Om half tien ’s avonds taai ik af, en al snel zak ik weg in een comateuze slaap.

Na ontbijt, het nodige toiletbezoek en twee bekers koffie, stap ik om acht uur op de fiets van mijn moeder. Zij heeft ongeveer 86 keer aangeboden om me met de auto te brengen, maar ik laat me de luxe om met de fiets naar de start van een loopje te kunnen gaan niet ontzeggen. Bij het zwembad loop ik Andries tegen het lijf. Hij vertelt dat hij nooit verder liep dan 60 kilometer, en vandaag dus grenzen gaat verleggen. Tijdens het lopen denk ik zo nu en dan aan hem. Ik denk dat hij achter mij zit, en vraag me af of hij de limiet zal halen. Tot mijn plezier zie ik later in de uitslagen dat hij inderdaad, als laatste officiële finisher, de 75 kilometer heeft uitgelopen. Kanjer.

Zelf heb ik dan weliswaar een paar keer iets verder gelopen, maar dat wil niet zeggen dat ik licht denk over deze afstand. Van de drie keer dat ik verder liep dan, pak ‘m beet, 65 kilometer, liep ik twee keer in de bergen. In de bergen lopen mag dan objectief zwaarder zijn, met al die hoogtemeters, ik denk dat ik het subjectief lichter vind. Natuurlijk, je bent veel langer onderweg, maar je wandelt meer, en ik denk dat ik dat makkelijker lang kan volhouden. En misschien werkt het landschap ook mee – mooier dan de bergen bestaat er voor mij niet. De andere keer dat ik zo ver liep, was tijdens het Twentepad vorig jaar, een tocht waar ik met gemengde gevoelens aan terugdenk. Wat was ik tevreden over het feit dat ik doorzette, maar jemig, wat had ik het zwaar die dag. Tel daarbij op mijn ervaring tijdens de meest recente lange duurloopjes, waarbij het ook al niet bepaald vanzelf ging, en het mag duidelijk zijn dat ik er niet zonder meer van uitga dat het vandaag een makkie zal zijn. Ook al niet vanwege de limiet van negen uur (met eventueel een kwartiertje uitloop, doordat de start een kwartier is vervroegd), want al moet dat in theorie haalbaar voor me zijn, in de praktijk moet ik nog maar zien of ik het binnen die tijd red.

Met Hannah voeg ik me in de achterhoede van het startersveld. Al in de eerste meters merk ik tot mijn verrassing dat ik best goede benen heb. Meestal heb ik er toch wel een aantal kilometers voor nodig, om er een beetje in te komen, maar vandaag gaat het van het begin af aan lekker. Wat een bof. Gedurende de eerste 40 kilometer komen we, afwisselend, steeds dezelfde lopers tegen. De een ken ik van zes uur rondjes lopen op een atletiekbaan, de ander van de heuvels in Zuid-Limburg, weer een ander alleen als naam in diverse uitslagenlijsten – het zijn de usual suspects van het ultrawereldje. Met een aantal van hen zal ik over een ruime maand in Limburg aan de start staan. Gezellig.

Het bos maakt plaats voor de vlakke verbindingszone naar de Archemer- en Lemelerberg. Dat tussenstuk is niet het interessantste deel van de route, en zeker op de terugweg zit er misschien wat veel asfalt in, maar de schitterende omgeving die we daardoor bereiken, maakt die wat saaiere tussenkilometers in mijn ogen ruimschoots goed. Het zwaarste en mooiste deel van de route is het noordelijke deel.

DSC_0206

De Kuil (foto: Irma Jonkman)

Vanaf de laatste verzorgingspost lopen Hannah en ik de rest van de eerste ronde met ons tweeën. We hebben niks afgesproken over samen lopen, maar ons tempo blijkt vandaag goed op elkaar afgestemd. Om en om struikelen we. Hannah blijkt daarbij iets behendiger dan ik in het bewaren van de balans. Voor die eerste lange ronde heb ik ruim twintig minuten langer nodig dan voor de 50 kilometer twee jaar geleden. Toen was ik echter klaar na die 50, nu mag ik nog een stukje. We maken uitgebreid gebruik van de verzorging in het start-finishgebied bij het zwembad. We praten even met Bertus. Ik hoor een paar lopers zeggen dat ze stoppen. Anderen twijfelen. Hannah en ik twijfelen niet.

Hoewel? Het kost moeite om weer op gang te komen, maar tijdens de eerste kilometers vormen de lopers van de 50 kilometer die we hier tegenkomen, en die al bijna bij de finish zijn, een welkome afleiding. Wederzijdse aanmoedigingen en complimenten. Ook komen we de winnaar van de 75 kilometer tegen, al weet ik op dat moment niet dat hij dat is. Als we de weg naar Zwolle zijn overgestoken, slaan wij rechtsaf en zijn we weer op elkaar aangewezen. Onze dipjes wisselen elkaar af, en tijdens zo’n dip trekken we ons aan de ander op. Het lopen gaat goed, ook tijdens dit laatste deel. Moest ik vanmorgen op de Archemer- en Lemelerberg al snel wandelen, nu lukt het steeds om lang te blijven hardlopen, ook als het omhoog gaat. Zo nu en dan zeggen we tegen elkaar dat we wel erg goed lopen. Wat kan een mens toch tevreden zijn over zichzelf.

Nog steeds nemen we ruim de tijd bij de verzorgingsposten. Ongegeneerd laten we ons verwennen door de, als altijd weer erg aardige, vrijwilligers. Ik vind het een geruststellend idee dat ik altijd nog kan gaan wandelen, mocht het hardlopen op een bepaald moment niet meer gaan, tot ik me realiseer dat ik wandelend de limiet met geen mogelijkheid zou kunnen halen. Nou ja, het is gelukkig ook niet nodig. Het is verrassend hoe goed ik me voel. Bijna verdacht. We denderen door richting het eind. In de laatste paar kilometers kunnen we profiteren van een haas in de vorm van Floor, die ons tegemoet is komen lopen. Om ons als haas van dienst te zijn, moet zij zich echter nogal inhouden – oké, zo heel hard denderen we kennelijk nou ook weer niet. Samen over de finish. Een omhelzing van Bertus. Felicitaties van en aan medelopers. Een beetje snaaien, warme thee. Dan even zwemmen, een hete douche, tegenwind op de fiets, thuis bier en patat met een groentenkroket. Wat wil een mens nog meer.

16607018677_299d38c249

Geplaatst in hardlopen | 13 reacties

Hier aan de niet-zo-Zeeuwse kust

Laat ik deze keer maar eens volstaan met een opsomming van wat (her)ontdekkingen, tips en andere zaken.

* Als je een eind gaat lopen, en je wilt dat je moderne sporthorloge elke meter vastlegt, is het handig om het horloge te vergrendelen.
* Als je een stop maakt waarbij je rugzak afgaat, bestaat er een gerede kans dat je het pauzeknopje van je horloge per ongeluk indrukt.
* Wanneer je op de Suunto Ambit het navigatieschermpje voor hebt staan, zie je niet of de training ‘loopt’ of gepauzeerd is. Daar heb ik al eens vaker over gemopperd, maar nooit eerder had deze tekortkoming zulke dramatische gevolgen als deze keer. Dramatisch met een knipoog, uiteraard. Het levert me wat extra kilometers op. En een tijdelijke verslechtering van mijn humeur. Als dat alles is?
* Wanneer je het horloge pauzeert, stopt ook de navigatie. Kijk, en dat is nieuw voor me. Als je het horloge pauzeert op een moment waarop je je virtueel keurig op het lijntje van de route bevindt, blijf je je vervolgens dan ook keurig op dat lijntje bevinden, welke kant je ook op gaat.
* Kennelijk kan ik heel lang lopen terwijl er niets op mijn schermpje verandert, zonder dat mij dat opvalt.
* Een NS-wandeling is niet hetzelfde als een LAW, al zijn ze beide wit-rood gemarkeerd en bestaat er vaak wel overlap.
* Op het moment dat ik ontdek dat ik (bijna een uur eerder!) het horloge gepauzeerd heb, en ik het knopje indruk om het te herstarten, vertrouw ik er nog volkomen op dat ik nog steeds op de route zit, al loop ik al een poos bij de kust vandaan, en al snap ik ook wel dat dat niet heel logisch is, wanneer je het Nederlands Kustpad volgt.
* Wanneer ik het horloge weer gestart heb en ik opeens kilometers verwijderd blijk te zijn van de route, geloof ik dat in eerste instantie niet en geef ik in tweede instantie de Suunto de schuld. Mijn vertrouwen in het apparaat is danig geschokt. Terwijl ik probeer de weg terug te vinden naar het lijntje, dringt langzaam tot mij door wat er werkelijk aan de hand was. I am the only one to blame.
* Als je terug wilt naar je route, probeer dan geen shortcut te vinden. Niet als je in Wassenaar loopt althans. Elke keer dat ik het probeer, kom ik bedrogen uit en levert mijn poging me alleen nog maar meer meters op.
* Meyendel is prachtig, zoals iedereen altijd zegt.
* Zodra ik op sommige momenten even, heel even maar, ten prooi val aan een gevoel van zelfmedelijden, moet ik daar meteen om lachen. Ach gossie, wat zielig nou toch. Maar de momenten van zelfmedelijden zijn er, al zijn ze niet frequent en van korte duur.
* Kleine passen. Rechtop. Bekken naar voren.
* Waterbedrijf Dunea heeft om de paar meter een waterpomp langs de boulevard in Katwijk staan, met de verleidelijke mededeling dat die drinkwater biedt. Deze pompen geven geen water. Niet op 28 februari 2015 althans. Het kraantje bij De Zilk, van het Amsterdamse Waternet, wel. Betrouwbare lieden, die Amsterdammers.
* Er lopen weer enorme kudden tamme herten in de Waterleidingduinen. En kudden mensen met enorme camera’s.
* Het is een slimme zet geweest om de route van Den Haag naar Haarlem te lopen, en niet andersom. Het laatste deel is bekend, zodat ik vanaf De Zilk zo goed als rechtstreeks, maar nog altijd via een mooie route, naar Haarlem kan lopen. Daarmee pak ik wat van de eerdere foutloopkilometers terug. O, en ook omdat er een zuidenwind staat.
* Ik wil op eigen kracht Haarlem bereiken, en wandel liever het laatste stuk dan dat ik trein of bus pak. Als ik de feedback in mijn schema invul, zie ik staan: “Laatste 3km mogen iets sneller.” Ik glimlach schamper, als schamper glimlachen bestaat.
* Zestig kilometer is ver. Vijfenzestig kilometer is zo mogelijk nog verder.
* Ik wankel tussen pessimisme en optimisme. In dit tempo kan ik de Sallandtrail niet binnen de tijdslimiet lopen. Als het zo moeizaam gaat, wordt Limburgs Zwaarste een hel. Misschien ben ik toch niet geschikt voor dit lange werk. Aan de andere kant: ondanks de fysieke en mentale zwaarte hou ik wel vol, al lijkt het niet veel meer op hardlopen. En na afloop ben ik moe, maar voel ik me verder prima. Bovendien geven de andere trainingen weinig reden tot pessimisme.
* Weer vind ik het verglijden van de tijd tijdens zo’n tamelijk lange duurloop een bijzondere ervaring.
* Het was goed. Niet licht, maar niemand had ook toch ook beweerd dat het altijd licht zou zijn?

Geplaatst in hardlopen | 6 reacties

Over geluk

Vorige week hoorde ik het de gastdocent van mijn opleiding zeggen: de mensen die naar zijn filosofische praktijk komen, gaat het niet om geluk, maar om wijsheid. Ik heb mijn bedenkingen. Ook ik streef naar wijsheid, omdat ik nou eenmaal niet anders lijk te kunnen, maar is het me uiteindelijk niet om geluk te doen? Ik denk van wel. In de Trouw van diezelfde zaterdag een artikel van Gerbert van Loenen met de titel “Geluk is ook niet alles.” Wel vaker hoor je stemmen tegen het gelukkigheidsideaal. Geluk zou een overschatte notie zijn. Geluk is nu eenmaal niet voor iedereen weggelegd, en als het streven naar geluk de norm is, word je dan niet des te ongelukkiger als je in dat streven lijkt te falen?

Van Loenen lijkt in genoemd artikel geluk gelijk te stellen aan zoveel mogelijk genieten. Hij schrijft: “Het klinkt misschien sympathiek, dat het leven is om te genieten. Alles is er dan op gericht ons leven te leiden met een zo groot mogelijke kans op geluk en zo min mogelijk leed. Maar het kan verkeren in het tegendeel als je gelukkig móet zijn, als gelukkig zijn de zin van het bestaan wordt en je leven dus zinloos wordt als je niet gelukkig bent. Dat legt een druk op je die zo groot is, dat het geluk er juist onder kan lijden. Je leven is niet meer goed op zichzelf, het is goed als je er geluk mee vermeerdert.” De auteur haalt vervolgens de filosoof Herman de Dijn aan, die erop wijst dat je heel rusteloos wordt van het streven naar geluk. Als ik het echter goed begrijp (ik ken het werk van De Dijn zelf niet), is er dan sprake van de opvatting dat geluk hetzelfde is als het hebben van gewenste ervaringen, én daarbij de opvatting dat je die ervaringen zelf tot stand kunt brengen. Beide zijn een misvatting. De Dijn pleit voor overgave aan dat wat je niet in de hand hebt. In zijn levensvisie zou geluk dan niet langer een doel van het leven zijn, maar een neveneffect. Een neveneffect dat je niet vindt in een leven zonder tragiek en verlies.

Het lijkt er toch op dat het geluk waar we het nu over hebben, iets anders is dan puur genieten, iets anders dan het hebben van gewenste ervaringen. En terecht, dunkt mij.

Ik kan me slecht voorstellen dat er ook maar iemand is die niet gelukkig wil zijn. Maar als je denkt dat geluk de afwezigheid van pijn in je leven is, kom je bedrogen uit. “Pijn kun je uitschakelen,” zei een vriend laatst terwijl we een helling opzwoegden. Hmm, ik geloof best dat mensen met bepaalde aandachts- en ademhalingstechnieken pijn (tijdelijk) kunnen uitschakelen, maar een leven zonder pijn is natuurlijk een illusie. Meer voel ik voor de uitspraak: “Pijn is onvermijdelijk, lijden is een keuze.” Pijn staat geluk niet in de weg, eraan lijden wel. Lijden betekent in mijn ogen je verzetten tegen dat wat is. En als íets je ongelukkig maakt, is het wel het idee dat het anders zou moeten zijn dan het is. “Reality is never wrong,” houdt advaita-leraar Hans Laurentius zijn bezoekers keer op keer voor ogen. Dat klinkt toch heel aannemelijk, niet?

Maar willen we de realiteit echt onder ogen zien, of leven we liever in een frictieloze droom? Kun je gelukkig zijn in een illusie? Ik denk het niet. De rauwe werkelijkheid, waarvan ook pijn en verlies deel uitmaken, zal zich niet blijvend laten toedekken door de roze wattendeken van de geruststellende illusie. Zoals de hoofddocent van de opleiding, Miriam van Reijen, het een aantal sessies geleden zei: “Als ik zou moeten kiezen tussen waarheid en geluk, zou ik voor de waarheid gaan.” Ze voegde daar onmiddellijk aan toe: “Maar ik heb gemakkelijk praten, want ik weet dat die twee hetzelfde zijn.”

Onderzoek hoe het zit.
Ken uzelve, en gij zult gelukkig zijn.

Geplaatst in filosofie | 1 reactie