Toetje van het jaar: The Real Kick

Nog geen twee minuten nadat ik tegen Hannah heb gezegd dat we het zéker binnen de 22 uur gaan redden, zie ik het zigzaglijntje op het schermpje van de gps. O shit ja, daar heeft Michael gisteravond iets over gezegd, dat is ook zo. Even later sjokken we omhoog, de Teufelskanzel op. Later lees ik iets over “eine alpine Streckenführung” en “Trittsicherheit erforderlich.” Ietwat overdreven, maar zwaar is het. Geen fut meer, geen tempo meer. Ik loop dit laatste stuk met de gps in mijn hand, nu Hannah eindelijk overstag gegaan is en haar stokken gepakt heeft. Ik durf de gps niet goed weg te stoppen, uit angst voor nog meer extra meters in deze fase van de strijd, en mis mijn stokken om de broodnodige opwaartse kracht wat te vergroten. Het kan niet veel verder meer zijn dan een paar kilometer, die we nog moeten afleggen naar onze luxe kamer in het Laacher Seehaus, maar over deze ene kilometer die ons over de Teufelskanzel voert, doen we zo’n drie kwartier en die 22 uur kunnen we shaken. Niet dat onze eindtijd ertoe doet, maar we zijn aan het eind van ons latijn en snakken naar de finish van deze lange, lange kick.

De start is om kwart voor negen zaterdagmorgen in het stadje Moselkern, waar we met de bus naartoe zijn gebracht. Het idee is om over een afstand van 120 kilometer een gps-track te volgen, zo goed en zo kwaad als dat gaat, en om bij voorkeur vóór zondagmorgen kwart voor negen te arriveren bij het Laacher Seehaus in Mendig, waar we dan kunnen douchen en ontbijten, en idealiter nog wat slaap kunnen pakken voor we weer in de auto stappen. Een simpeler dagbesteding kan ik me nauwelijks wensen. Er zijn vijf verzorgingsposten voorzien, waarbij we vanaf post 2 twee (verschillende) rondes lopen, zodat VP2=VP3=VP4.

Ik hoef niks te presteren vandaag. Mijn loopdoelen voor 2015 heb ik al lang en breed gehaald, en ik zou in een diepe winterslaap zijn gesukkeld, ware het niet dat mijn oog op enig moment viel op dit ietwat obscure loopje in de Eifel. Een loop met in 2014 negen deelnemers, waarvan vijf finishers. Ik ben meteen gegrepen – dit lijkt me nou leuk. Ik zoek en vind een mede-slachtoffer in Hannah. Geen idee of we dit kunnen, maar we spreken af dat we er gewoon aan beginnen en wel zullen zien waar het schip strandt. Ik voel dan ook nauwelijks spanning, en heb er vooral veel zin in om de hele dag (en nacht, maar dáár denk ik dan liever weer niet te veel aan) buiten te zijn.

Het eerste stuk is gemoedelijk. Het gaat wat op en neer door het bos, over prima paden. We arriveren bij Burg Eltz en genieten van de aanblik van dit slot, zoals ons door organisator Michael opgedragen is. Soms twijfelen we over de juiste route, maar die twijfel is meestal van korte duur. Hannah heeft een hand-held gps aangeschaft, met een kaart waarop elk paadje te zien is, dat helpt enorm bij het oriënteren. Als back-up loop ik met de Suunto. Op een bepaald moment komen we op een weg uit, die weer op een grotere weg uitkomt, en is het verre van duidelijk waar het pad van de gps-track loopt. We lopen naar de grote weg, we lopen terug. Weer naar de grote weg, en weer terug. De lopers die nog achter ons zaten, hebben zich inmiddels bij ons gevoegd. Een van hen meent iets verderop een pad naar links het bos in te zien gaan, en we doen een poging dat te bereiken. De beek loopt echter door tot een steile rotswand en het wordt ingewikkeld daar langs te komen. Aan de overkant zien we iemand, en hem wordt gevraagd of er verderop een pad is. Het schijnt van niet. Terug maar weer. Uiteindelijk beseffen we dat er kennelijk geen pad is, en we klauteren de helling op. We zitten weer op de gps-track, en na een poosje weer op een pad. Dit heeft tijd gekost, veel tijd.

Er volgen nog veel van dit soort zoekacties. Als je eenmaal weet dat er blijkbaar niet altijd een pad is, neem je wel makkelijker de beslissing dan maar ergens in te duiken, maar al dat kruip-door-sluip-door-gedoe vreet tijd. Zo lopen we een poosje later met z’n vieren een poosje door een soort beekbedding. Regelmatig is de route versperd, en moeten we even de helling op, over bomen heen, op onze kont weer naar beneden. Hoe lang duurt het nog voor we weer op een fatsoenlijk pad terechtkomen? Het is dat ik dit leuk vind, anders zou ik het nu even niet leuk meer vinden…

Maar los daarvan ben ik blij. Geen moment vraag ik me af waarom ik dit ook alweer doe, dat is me volkomen duidelijk. Meer dan dit heb ik niet nodig om gelukkig te zijn. We lopen lekker door het bos en soms door een weids landschap. Soms gaat het steil omhoog, soms ben je een poosje aan het hannesen, loop je es een stukje verkeerd, soms kun je zomaar weer een tijd achter elkaar lekker doorlopen. Geen moment verveelt het. Laat ik dit nu alsjeblieft niet meer vergeten – geen Winschotens meer, niet urenlang ergens rondjes draaien, of dat nou rondjes van 400 meter zijn, of iets langere rondjes. Ach, noem me hardleers, maar de eerste rondjesdraaienactiviteit staat voor 2016 alweer op m’n programma.

Na een kilometer of 40 bereiken we de tweede post. Ik eet van alles door elkaar: chocola, brood met kaas, pinda’s. Beetje cola erbij, een goeie mix. Michael vertelt dat de eerste ronde eenvoudiger is dan wat we tot nu toe gehad hebben. Brede bospaden, niet steil, makkelijk te vinden. Het begint te schemeren, en we zullen niet voor het donker is terug zijn bij de post. Niet zonder koplamp mee te nemen aan de ronde beginnen dus. Het is inderdaad een heerlijk rondje, met als enige nadeel dat het maar 15 kilometer lang is, zodat we bij post 3 nog niet op de helft van de totale route zitten. We hebben inmiddels onze regenjas aan, en na deze ronde gaat er ook een extra laagje ónder de jas – de wind is behoorlijk aangetrokken en is guur te noemen.

In de tweede ronde kunnen we grotendeels een gemarkeerde wandelroute volgen, maar we moeten de gps in de gaten houden, waarschuwt Michael. Lang gaat het goed, maar als we op een ruïne stuiten, waar het een wirwar van paden en paadjes is, raken we het spoor bijster. We proberen de gps goed te interpreteren, maar dat is lastig. Ik zie iets wat me nauwelijks een pad lijkt, en denk nog steeds aan die gemarkeerde wandelroute, en wijs het af. We zoeken verder. Lopen verder, keren op onze schreden terug. En dat een aantal keren. Soms omdat het pad toch echt de verkeerde richting neemt, soms lopen we dood op een helling die te steil voor ons is om ook maar te proberen via de helling de juiste route weer te vinden. We komen terug bij dat ene spoor, en Hannah stelt voor het toch een stukje te proberen. Grr, het blijkt na een paar meter een prima pad te zijn en het loopt nog samen met de gps-track ook. Weer onnodig veel tijd verspeeld. Terug bij de post feliciteert Michael ons. We hebben de ruïne overleefd, daarmee hebben we volgens hem iets bereikt. Aha, het lag dus niet alleen aan ons dat we het daar moeilijk hadden.

We doen ons nog even flink tegoed bij post 4. Nog 46 kilometer te gaan, en volgens Michael komen we nu in een andere fase van het ultralopen. We lopen de nacht in, in de dorpjes die we passeren, zal niets meer open zijn, er rijden geen bussen meer, en we komen al die tijd geen bemensde verzorgingspost meer tegen – post 5 is onbemand. We moeten ons goed realiseren waar we aan beginnen, wanneer we doorlopen. Hannah en ik realiseren ons vooral dat het nog een roteind lopen is. We komen nu in de Vulkaaneifel. We krijgen drie van die vulkanen voor onze kiezen, en maken dan een lange ronde om de Laacher See, een kratermeer. In dat rondje om het meer komt er dan tot slot nog iets op ons pad, waarvan ik de ernst onderschat, tot ik die zigzaglijntjes op het gps-scherm zie verschijnen.

Het grootste deel van de tijd loop ik achter Hannah. Niet alleen is zij hoofd-navigator, maar ook heeft ze de discipline om telkens weer te beginnen met hardlopen, zodra het terrein wat vlakker wordt, terwijl ik het allang best vind om te blijven wandelen. Met moeite zet ik me dan ook maar weer in beweging, inwendig mopperend, maar eigenlijk ben ik er blij mee dat ze dit op kan brengen, en mij met zich meetrekt. Als ik later de gps hanteer, begrijp ik haar drive iets beter. In het scherm staat ook het aantal afgelegde kilometers. Wandelend duurt het werkelijk eindeloos voor er weer een kilometertje bij komt. Frustrerend.

Na de Teufelskanzel (ik vervloek hier route-ontwerper Michael) zijn we er nog niet. Zelfs het navigeren is nog een poosje lastig, maar dan komen we gelukkig weer op een duidelijk pad zonder zijwegen, zodat ik de gps een poosje durf weg te stoppen en met m’n stokken kan lopen. Het wordt langzaam maar zeker licht. Het is hier schitterend, maar de natuurpracht kan me op dit moment gestolen worden. Het is mooi geweest, het is klaar.

22 uur en 42 minuten na onze start, arriveren we bij het Laacher Seehaus. Het was een toetje, maar een met de voedingswaarde van een hoofdmaaltijd. Het lekkerste toetje van het jaar.

PS Verslag (in het Duits) met foto’s en link naar filmpje: http://www.team-meldelaeufer.de/neuigke … -realkick/

Geplaatst in hardlopen | 18 reacties

Over rust, disciplinemoeheid, en stiekem toch weer zin hebben

Monika reageert geschokt als ze hoort dat ik na Winschoten een week niet gelopen heb. Zo geschokt dat ik maar niet beken dat het eigenlijk 9 dagen waren. En dan ben ik voor mijn doen nog behoorlijk snel weer up and running. Niet dat ik anders langer rust zou hebben genomen, maar dat ik vier weken na Winschoten Berg en Dal loop, is gedurfd. Ik heb er zin in en Winschoten lijkt weinig schade aan te hebben gericht. Bovendien heb ik besloten om een poosje trainerloos te lopen, dus nu is het tijd om alles te doen wat de trainer (de mijne dan) me doorgaans afraadt.

Het is in de kleedkamer bij Berg en Dal dat ik Monika spreek. We hebben het ook over de komende langstenachtloop, op de atletiekbaan in Santpoort. Monika heeft daar twee keer meegedaan aan de 12-uur, en al heeft ze beide keren na afloop haar partner Ron gesmeekt haar tegen te houden, mocht ze het in haar hoofd halen zich het jaar erop weer in te schrijven, waarschijnlijk is dat laatste precies wat ze ook dit jaar weer zal doen. Het hoort een beetje bij de feestdagen, zegt ze. Ik twijfel al een poosje of ik me zal inschrijven. Het lijkt me vreselijk en trekt me wonderlijk genoeg toch ook aan. In de week na Berg en Dal kijk ik weer even op de site om het aantal inschrijvingen te tellen, zoals ik de afgelopen periode regelmatig gedaan heb, zodat ik weet dat ik rustig nog een poosje kan blijven twijfelen. Help! Er staan opeens 51 mensen op de lijst, terwijl er maar 55 mogen meedoen. Dus ik moet snel zijn! Ik klik op inschrijven, en krijg de melding dat inschrijven niet meer mogelijk is, omdat het maximum aantal lopers bereikt is. Shit, te laat! Maar het kan nog niet lang vol zijn, dus als ik nou direct een mailtje stuur, dan sta ik vast hoog op de wachtlijst en weet ik bijna zeker dat ik toch kan meedoen – er zijn altijd wel geblesseerden, zieken of afvallers anderszins. Contactpagina, mailadres aanklikken, snel snel laten weten dat ik ook wil meedoen, voordat het écht te laat is.

Hooooooo Schreuder, wacht eens even. Vijf minuten geleden wist je nog helemaal niet zeker of je mee zou willen doen, en nu er schaarste blijkt te heersen, ben je opeens vreselijk bang buiten de boot te vallen, achter het net te vissen en meer van dat soort zaken. Maar is dit niet een prachtig teken dat je het juist níet moet doen? Nee, niet een teken van hogerhand, dat voert me te ver, maar ik heb allang bedacht dat het misschien toch wel slim is om ergens een keer een maand of zo rust in te bouwen en december is eigenlijk de enige maand die daarvoor in aanmerking komt, duzzz…

Nou, goh, en dan hoef ik opeens alleen nog maar vol te houden tot 14 november, de dag waarop ik nog een obscuur loopje in de Eifel mag afraffelen, en heb ik het heerlijke vooruitzicht om daarna een poosje niet alleen trainerloos, maar vooral ook disciplineloos een beetje voor me uit te kunnen lopen lopen. Want de discipline ben ik wel een beetje zat, moet ik zeggen. Dat bedenk ik natuurlijk vooral op die ene maandagavond waarop ik de wekker op half 6 zet, om op dinsdagochtend voor het werk aan de training te doen. Hoe hard ik ook aan ‘eats marathons for breakfast’-Léonie denk, die rond die tijd waarschijnlijk al een uurtje of zo aan het lopen is, het helpt me niet. Want al gaan de meeste trainingen behoorlijk lekker, ik heb er even genoeg van om steeds bezig te zijn met het oog op iets anders, iets in de toekomst, al is het dan een nabije toekomst.

Aan dat loopje in Duitsland ontkom ik echter niet. Ik was zo dom of zo verstandig, daar ben ik nog niet uit, om Hannah een paar dagen vóór Winschoten te polsen of zij eventueel samen met mij aan The Real Kick mee zou willen doen. In mijn eentje zou ik het niet doen, maar samen met Hannah is een ander verhaal. Zij heeft er wel oren naar, maar houdt aanvankelijk een slag om de arm vanwege hielspoor. Bij Berg en Dal tref ik haar, en ik hoop dat ze zal zeggen dat ze het toch niet ziet zitten, maar helaas: die ontsnappingsmogelijkheid biedt ze me niet. Wat haar betreft gaan we, ondanks de hielspoor. Sterker: ze heeft er zelfs al een gps voor aangeschaft. Tja, dan kan ik zonder geldige blessure natuurlijk niet afhaken.

We gaan dus, en spreken af om twee weken voor datum nog een laatste lange duurloop samen te doen. Die duurloop lopen we in mijn tweede achtertuin: het gebied van de Loenermark en de Posbank. Het weer is geweldig, de omgeving schitterend, het met elkaar lopen vanzelfsprekend. Er is eigenlijk niets dat tegenzit, al mislukt het oefenen met de gps jammerlijk en al trek ik de rits van mijn rugzak kapot. Maar ik zou ik niet zijn als ik het niet zwaar zou vinden, en ik vraag me vaker dan één keer af waarom ik me in godsnaam heb ingeschreven voor die loop in Duitsland. Waarom, waarom toch moet ik nou weer zo nodig zo’n eind gaan lopen? Je wordt er alleen maar hartstikke moe van.

Het kan verkeren. Na het weekend ben ik in gedachten bezig met uitrusting, voedsel en logistiek, en zorg ik ervoor dat m’n rugzak gerepareerd wordt. Op woensdag krijgen we een mailtje van de organisator met nog wat praktische informatie, een lijstje met verplichte uitrustingsstukken, en een gpx-bestand. Nu het zo dichtbij komt, begint het gewoon weer te kriebelen. Zoals eigenlijk altijd.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Niets boven Winschoten

Leeg ben ik, volkomen leeg. Maar ik loop nog, dus ik leef, beweert men. Het is donker geworden in Winschoten, en het regent lichtjes. De toeschouwers hebben niet veel meer te doen – de lopers van de 50 kilometer zijn uren geleden gefinisht, en er is nauwelijks nog een loper van een estafetteploeg op het parcours te bekennen. Resteert een handjevol lopers die bezig zijn met de laatste kilometers van hun lijdensweg – of zou ik de enige zijn die dat zo ervaart? De jolige en joelende groep op de hoek is met zichzelf bezig als ik aankom. Als ik er net voorbij ben, krijgt een van hen me echter in de gaten, en word ik alsnog toegejuicht. Een ronde eerder kreeg ik hier een biertje aangeboden. Op andere plaatsen zitten mensen heel rustig onder een paraplu te wachten tot er een loper langskomt die ze een uiterst welkom hart onder de riem kunnen steken. De stands voor de landenteams in de verzorgingszone zijn niet meer als zodanig in gebruik. Nu staat er een lange rij waxinelichtjes. Op sommige plaatsen staan al de hele dag supporters die er speciaal voor mij lijken te staan. Het afscheid van hen tijdens die laatste ronde is hartelijk. Alleen al vanwege deze aardige mensen zou ik hier wel terug willen komen.

Aan de sfeer lag het niet, dat het niet ging. Aan de verzorging ook niet. Trainer Henny was helemaal naar Winschoten gekomen om dienst te doen als mijn verzorgingstafeltje. Nou ja, als iets meer dan dat. Ook om elke ronde weer te zeggen dat ik moet proberen de ontspanning te bewaren. Rechtop te lopen. En wanneer ik er doorheen zit, dat ik het rondje best kan opdelen in tweeën, door bij de verzorgingspost, op 6 kilometer, even een minuutje te gaan wandelen. En om op mijn rug te kloppen, als ik eigenlijk wil huilen. En om te zeggen dat ik het goed doe, alleen al omdat ik doorga.

Het eerste rondje gebruik ik om een beetje bij te praten met wat bekenden. Daarna loop ik grotendeels alleen. Rondje twee en drie gaan goed. Ik loop wat sneller dan gepland, maar voel geen enkele druk en loop ontspannen, en denk niet dat het kwaad kan. In rondje vier bespeur ik de eerste tekenen van vermoeidheid, maar het gaat nog steeds lekker. Ik weet dat ik niet overmoedig moet worden, herinner me onder andere Berg en Dal waar ik instortte na de marathonafstand. Maar so far, so good. De rondetijden lopen iets op, maar vallen nog binnen mijn gehoopte max van 1 uur en 5 minuten. In rondje zes krijg ik last van mijn darmen. Ik heb echter een probleem: ik ben eerder al twee keer een dixie in geweest om te plassen, en heb opgemerkt dat er geen wc-papier is. Hoe ga ik dat doen? Normaal loop ik met een rugzakje, waarin ik altijd wc-papier heb, maar met de overvloed aan verzorgingsposten op dit rondje van 10 kilometer, en met de bedoeling om een serieuze hárdloopwedstrijd te lopen, heb ik dat rugzakje vandaag thuisgelaten. En dus ook het wc-papier. Na de doorkomst op 60 kilometer staan Ada en Gosse langs de kant, net voor de verzorgingszone. Dan bedenk ik dat Ada misschien wel zakdoekjes bij zich heeft. Dat heeft ze niet, maar opeens weet ik weer dat ik in de rugzak die bij Henny staat, zélf gewoon papieren zakdoekjes heb. Voor Henny die heeft kunnen pakken, heb ik er ook al een paar in mijn handen gedrukt gekregen door de mevrouw in de tent naast Henny.

Ronde zeven is een klein drama. De dixies bij de eerste post ontgaan me. Dat betekent dat ik door moet lopen tot de grote post op 6 kilometer. Daar stop ik eerst even om wat cola te drinken, en dat gaat net niet helemaal goed. Met moeite bereik ik de dixie. Ik voel me ongelukkig, al is het legen van de darmen een opluchting. Als ik weer loop, krijg ik last van mijn maag. Toch neem ik een gel, omdat ik denk dat ik toch íets moet nemen dat energie geeft, zolang dat nog gaat. De gel valt niet goed, ik word misselijk. Een poosje lijkt het alsof ik moet overgeven, maar ik houd hem binnen. En als dan later de misselijkheid gezakt is, denk ik dat ik er misschien toch goed aan heb gedaan de gel te nemen. Is toch weer brandstof.

Bij Henny wil ik eigenlijk even huilen, maar dat lukt niet echt. Dan maar de quadriceps een beetje rekken. En, in opdracht van Henny, een brul geven. De twee vrouwen die net passeren, brullen terug. Oké, gaan we weer.  En ronde acht gaat weliswaar nog langzamer, maar mentaal ben ik er weer. En tijdens deze ronde realiseer ik me dat ik deze wedstrijd ga uitlopen. Ik houd na 80 kilometer meer dan 3 uur over voor de laatste twee ronden, dat moet te doen zijn. De toeschouwers vragen of dit mijn laatste ronde is. Nee, was dat maar waar, al zeg ik soms dat ik het zo leuk vind, dat ik er nóg eentje ga doen. Nou, tot straks dan. Na de doorkomst op 90 staat mede-Haarlemmer en allang gefinishte Simon Luckett bij mijn persoonlijke begeleidingsteam. Hij zegt dat ik het heel goed doe, en dat ik het zwaarste achter de rug heb. De laatste ronde zal minder zwaar zijn. Mentaal is het inderdaad niet de zwaarste ronde, vanwege het enkele feit dat het de laatste is. Fysiek is het dat voor mij echter wel. Ik zie achteraf dat mijn kilometertijden hier boven de 8 minuten komen. Ik voel dat het uiterst langzaam gaat, maar ben blij dat ik een dribbelpas weet vast te houden en niet ga wandelen. Ik ben leeg, volkomen leeg. Alleen mijn darmen zijn dat kennelijk nog niet, jammer genoeg. De dixies loop ik voorbij – ik zal nu toch wel de finish halen zonder nog een keer uit de broek te moeten? Helaas, een beslissing waar ik al snel spijt van heb.

Ik plaats een indrukwekkende versnelling in de laatste kilometer, zodat ik die toch nog onder de 8 minuten loop. Ik ben blij dat Henny, Ada en Gosse bij de finish staan, ik zou me wat sneu gevoeld hebben als ik hier in mijn uppie binnen zou komen. Een warme deken wordt me omgeslagen, het drietal leidt me zorgzaam via de allerlaatste verzorgingspost (bouillon! appel!) naar binnen, de sporthal in. Daar is de ceremonie van de prijsuitreikingen aan de gang. Afwisselend horen we het Zweedse en het Amerikaanse volkslied, voorafgegaan door het verzoek om, voor wie dat kan, op te staan. Leuk om een keer mee te maken, zo’n officieel gebeuren. Als ik weer een klein beetje tot leven ben gekomen, drentel ik wat heen en weer om nog een beetje sociaal te doen en om de benen niet helemaal vast te laten schieten. Ik zoek eigenlijk Wilma, maar die is kennelijk al vertrokken. Ik feliciteer Arenda Scherpenkate, die bij haar debuut op deze afstand Nederlands kampioen is geworden, met een tijd onder de negen uur. Ook Lydia Doornbos liep onder de negen uur. Oké, de wereldtop loopt misschien nog een stukje sneller, maar ik heb er veel bewondering voor.

En mijn eigen tijd dan? Tja. 11 uur en 24 minuten. Bepaald niet wat ik gehoopt, en stiekem toch ook wel verwacht, had. Toch lukt het me niet om teleurgesteld te zijn. Mentaal zat het goed, maar fysiek lukte het vandaag niet zoals gewenst. Voor mijn gevoel niet zozeer doordat ik fouten heb gemaakt, maar, tja, door wat dan eigenlijk wel? Ik ben blij dat de eerste helft goed ging, en dat ik niet na 30 kilometer al instortte, zoals me de laatste tijd ook nogal eens gebeurt. Een wedstrijd van 60 kilometer had ik goed kunnen lopen, denk ik. Maar ja, 60 ≠ 100. Dat ik er nou toch zo’n eind voor moet lopen om daar achter te komen! Ik moet nog vriendschap sluiten met deze afstand, al weet ik op dit moment niet zeker of ik dat nog wel zo nodig wil. In ander terrein: ja, dan wel. Maar op al dat asfalt in het vlakke Groningen moet je eigenlijk echt kunnen hardlopen, en opnieuw bedenk ik dat ik dat niet echt kan. Vooralsnog in elk geval niet op de manier waarop ik het zou willen kunnen. Maar goed, dat is misschien toch ook gewoon een kwestie van nog aan deze afstand moeten wennen. Aan de andere kant ben ik ontzettend blij dat ik gefinisht ben. Als, hou je vast, 263e van de 273 finishers maar liefst! (Maar ook 100 DNF’s.) En als 8e vrouw op het NK (van de 12 vrouwen die aan dat NK deelnamen, 8 finishers).

Dus ik had het anders gewild, en ben toch tevreden. Dit is een waardevolle ervaring voor me. Dat ik nog een keer naar Winschoten ga voor de RUN lijkt me op dit moment onwaarschijnlijk, maar je weet maar nooit. De ontmoetingen met en begroetingen van zoveel ‘onbekende bekenden’ en vrienden voelden als een warm bad. Wat vind ik het een heerlijk wereldje, dat ultra-wereldje. Wat voel ik er me thuis. Dank aan iedereen die er was.

Geplaatst in hardlopen | 13 reacties

Beestenboel

Opeens een boel gekraak, wel heel dichtbij. Een fractie van een seconde hoop ik op een edelhert, maar die hoop wordt onmiddellijk de grond ingeboord bij de aanblik van een enorm rund van het mannelijk geslacht, met enorme horens, wel heel dichtbij. Ondanks zijn enorme afmetingen heb ik hem totaal niet in de gaten gehad, zodat ik nietsvermoedend zijn aura ben binnengehobbeld. Daar is het beest niet van gediend, en dat geeft hij met veel misbaar te kennen. Op de bordjes staat te lezen dat de grazers binnen dit gebied onvoorspelbaar op de aanwezigheid van mensen kunnen reageren – ik voorspel je: als je plotseling heel dichtbij hen komt, schrikken ze, en die schrik uiten ze met vertoon van agressie.

Ik ontmoet het beest tussen Delhuijzen en de Zwarte Bulten (of zijn het nou klonten?). Mijn hartslag, die tot dit moment keurig het schema volgt en nog in zone 1 zit, schiet door de ontmoeting naar zone 3. Ik ben meteen goed wakker en trek me, verontschuldigingen mompelend tegen het beest, terug achter wat onooglijke boompjes. Kennelijk leidt het beest hieruit af dat ik zijn overwicht erken, zodat hij wat indimt. Ik blaas de aftocht en kies een ander pad.

Een paar weken eerder, de woensdag na mijn Boxtweedaagse, staan er 200’jes op mijn schema. Ik heb vergeten tegen Henny te zeggen dat ik de hele week in Arnhem blijf, en op woensdag dus niet naar de atletiekbaan ga. Maar geen probleem, dan zet ik die 200’jes wel ergens op een rustige asfaltweg uit. Het wordt een rustig zandpad. Aan een kant bos, aan de andere kant glooit goudgeel het graan. Na 200’je nummer zeven, keer ik me om om naar de startlijn terug te dribbelen, en ik zie een beest me over het pad tegemoetlopen. Nee hè, niet weer een loslopende hond. Het gaat tegenwoordig best goed tussen mij en de honden, maar ik vind dat mijn dapperheid ten opzichte van onze trouwe viervoeter de laatste tijd wel voldoende op de proef is gesteld. Deze hond staat echter wel heel hoog op de poten. Het is dan ook geen hond, maar een ree. Die duikt eerst het bos in als hij mij ziet, maar bedenkt dan dat hij toch echt naar de andere van dat graanveld wil (ik meen daar aan de overkant een soortgenoot van hem te zien, maar als ik een tweede keer kijk, is het dier verdwenen), en ik kan hem nog een hele tijd volgen. Dan weer hoog boven de haver uitspringend, dan weer, alsof hij zich realiseert dat hij zo wel een erg makkelijke prooi voor een wildliefhebber vormt (weet het beest veel dat ik geen vlees eet), een tijdlang sluipend in de hoop onzichtbaar te zijn – alleen een beetje jammer dat zijn kop daarbij boven het graan uitsteekt.

Kijk, dat vind ik nou leuk. Ik heb mijn huisje nog maar net, en nu ontmoet ik al een ree. In de duinen zitten zoveel damherten, dat je er een beetje blasé van wordt. “O, een hert. Gaap.” “O, veertig herten. Ja leuk. Wat zullen we vanavond gaan eten?” Maar een ree zomaar in het wild, dat is nog eens wat anders, daar ben ik wel van onder de indruk. De zaterdag erna ga ik een rondje fietsen. Richting Loenermark en zo. Het is nogal druk met medeweggebruikers in de vorm van wandelaars, ruiters en fietsers. Op een rustig stukje steken twee reeën vlak voor me het pad over. Gaap.

Geen internet en tv in mijn huisje. De eerste weken dat ik er zit, taal ik niet naar de film die ik eventueel op mijn laptop kan bekijken. ’s Avonds lig ik heel vroeg in bed, of zit ik bij het licht van een olielamp en wat kaarsen (al heb ik wel elektriciteit hoor) op het terras nog wat te lezen of te mijmeren. Mijn oren gespitst op de roep van bosuilen. Een enkele keer hoor ik er eentje, maar een klein poosje, en wel heel ver weg. Net niet helemaal bevredigend. Thuis in Haarlem begin ik aan seizoen 3 van Game of Thrones. Na die 60 kilometer lopen op zaterdag, vorig weekend, vind ik het wel heel lekker om nog een afleveringetje te bekijken. Ik zit buiten, heerlijk weer, laptop op schoot, oortjes in de oren zodat anderen niet mee hoeven te genieten. Onder een bepaalde scène zit het geluid van een bosuil. Ja hoor, het is avond, bosuil natuurlijk. In detectiveseries zijn ze daar ook tuk op – te pas en te onpas de roep van een bosuil, om het extra spannend te maken of zo. Volgende scène. Nog steeds die bosuil. Eh? Spatiebalk, oortjes uit. Verrek joh, die uil zit hier links van me, irl, een beetje te jagen. Is hij nou helemaal gek geworden?

Dilemma. Ik móet natuurlijk naar die uil blijven luisteren, en dat doe ik ook wel even, maar ik wil eigenlijk ook wel erg graag deze aflevering nog even verder zien, en vroeg naar bed want ik ben best moe. Het is te genant voor woorden, maar: oortjes in, spatiebalk. Na een poosje vliegt de uil de Game of Thrones weer uit.

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Lekker

“Wat is het lekker in het bos, hè?” Ik kan alleen maar beamen wat de man zegt. Ik passeer hem en zijn vrouw ergens tussen Rheden en Dieren. Het is schitterend weer, maar nog aangenaam koel hier onder de beuken.

Om 6 uur 50 heb ik mijn klokje ingedrukt in de buurt van Schaarsbergen. Eerst 3,5 kilometer over het fietspad langs de Koningsweg naar de A50, waar ik een etappe van het Veluwe Zwerfpad oppik. Ik heb me goed voorbereid deze keer. Niet alleen de route bestudeerd, maar ook pannenkoeken gegeten de avond ervoor, en zelfs krentenbollen gesmeerd voor onderweg. Een buff om mijn pols gedaan om het zweet van mijn gezicht te vegen. Me bovenal echter strikt voorgenomen om deze keer hoe dan ook na een uur te beginnen met eten, en ook daarna op z’n minst ieder uur iets te nemen. En met het plan om lekker rustig te lopen – ik heb de hele dag de tijd, al weet ik dat het trainingstechnisch gesproken dan weer niet de bedoeling is dat ik uitgebreid ga picknicken onderweg.

Tot aan Dieren ben ik puur aan het genieten. Wat ben ik toch een enorme bofkont dat ik hier na al die jaren (ik woonde ooit in deze contreien) weer met grote regelmaat kan zijn. Vlak is het hier nergens. Op en neer gaat het, op en neer. Ik ben blij. Het lopen gaat lekker. Ik voel me nu weer een trailloper. Op de Posbank ben ik verbluft. Ik ben hier vaak genoeg geweest, maar zo mooi als nu zag ik het nog nooit. Of zou ik dat vergeten zijn? Het landschap glooit in paarse en heldergroene banen naar beneden. De geulen zijn dieper dan ik me herinner. Uitgesleten door het smeltwater van de gletsjers, aan het eind van het Saalien, lees ik later in het routeboekje. Dat Saalien maakt deel uit van het Pleistoceen. Het is maar dat je het weet. Toen waren er hier minder mensen dan nu, ongetwijfeld. Het is nog tamelijk vroeg als ik op de Posbank ben, maar ik ben er bepaald niet de enige. Er zitten wat mensen te mediteren op een bankje. Ook lekker. De meesten zijn echter aan het wandelen, en zijn zo vriendelijk een stapje opzij te doen om mij te laten passeren. We groeten, wisselen een woord.

Vanaf Dieren gaat het richting Eerbeek en Loenen. Nu wordt het toch warmer, en krijg ik het zwaarder. De naaldbomen houden beduidend minder warmte tegen dan het loof waar ik eerder onder liep, zo lijkt het. En de zon zal ook wel meer kracht krijgen, zo langzamerhand – het blíjft natuurlijk geen zeven uur ’s morgens. Als ik langs de Eerbeekse Beek loop, heb ik trek en pak ik een knijpzakje fruit. Aardbei-appel, deze keer. Olvarit: geschikt voor alle leeftijden. Het smaakt me heerlijk. Niet alleen helpt het tegen de honger, maar het helpt ook tegen de dorst. Een stukje verderop loopt het pad het bos uit, en ga ik de heide op. Ik wil mijn pet pakken, maar grijp mis. Shit, verloren. Het is mijn zondagse pet, van het merk met de S, en ik denk hem te hebben verloren toen ik dat fruitzakje pakte, dus ik keer om en loop terug. Hij ligt iets verder terug dan ik dacht, maar omdat ik toch niet precies weet hoe lang mijn route wordt, en ik het idee heb dat ik hoe dan ook na 60 kilometer kan stoppen met hardlopen, en daarna kan gaan wandelen, maakt deze extra kilometer me niet heel veel uit.

De fruitmoes hielp beter tegen de dorst dan tegen de honger, merk ik als ik na tien minuten alweer trek heb. Een half uur geleden wist ik nog vrij zeker dat die krentenbollen in mijn rugzak zouden blijven, ik moest bijna kokhalzen bij de gedachte eraan alleen al, maar nu is in mijn hoofd het enige dat mij op de been kan houden een krentenbol. Zo gaat dat. Het gaat nergens over, maar dat zijn zo van die inconsistenties die ik grappig vind om op te merken. Ik pak de bol uit mijn rugzak en bedenk vervolgens dat ik die pas op wil eten als ik weer wat schaduw heb. Via het smalle paadje dat ik vanaf de camping in Loenen ook regelmatig loop, steek ik de Zilvense Heide over, krentenbol in de hand. Het gaat op en neer, op en neer. Inmiddels heb ik het stadium bereikt waarin ik daar iets minder enthousiast over ben. Kunnen ze de boel hier niet een beetje gladstrijken? Wel zo aardig voor de vermoeide hardloper.

Op precies het juiste punt weet ik waar ik rechtdoor moet om de lus door Loenen te vermijden. Ik pik de route weer op, om deze na niet al te lange tijd opnieuw te verlaten. Ik moet naar het zuidwesten, de route gaat verder naar het noorden. Ik stop even om de kaart te raadplegen voor het vervolg. Ach, en weet je wat, ik rammel alweer en neem de tweede krentenbol nu ook. Ach, en héél even zitten op het mos, met m’n rug tegen een boom, dat zal toch wel mogen? Lekker. Mijn honger kan ik nog stillen, met de dorst wordt dat lastiger. Ik drink mijn waterzak leeg, en heb dan alleen nog een paar slokken sportdrank. Ik was van plan om onderweg ergens wat cola te kopen, maar de kiosk waar ik dat had willen doen, was nog gesloten toen ik er langs kwam, en als puntje bij paaltje komt, heb ik weinig trek om mijn route te verlaten, om te lopen, de bebouwde kom op te zoeken, ‘alleen maar’ om iets te drinken te kopen. Niet verstandig, ik weet het.

Ook weer geen drama overigens. Door het bekende tunneltje uit de Veluwezoomtrail ga ik onder de A50 door om het Deelerwoud in te lopen. Fout lopen is hier eigenlijk niet mogelijk, maar voor alle zekerheid laat ik mijn horloge toch even de route van een paar weken geleden weergeven. Ik mag van mezelf pas weer de afgelegde afstand bekijken als ik het Deelerwoud weer verlaat. Dat is ook de plaats waar Museum Vliegbasis Deelen staat – geen idee of ze daar iets verkopen, maar hoop doet leven en helpt mij de warme kilometers door. 57,7 kilometer geeft de Suunto aan als ik weer asfalt onder mijn voeten krijg. Nog maar 2,3 kilometer, maar eerst kijken of er iets te drinken is. Langs levenloze mannen in uniformen zoek ik mijn weg in het museum, tot ik een levend iemand ontmoet. Of ze ook cola verkopen, vraag ik. Jazeker, zegt hij, en dat het haast lijkt alsof dat mijn leven moet redden. Dat heeft hij goed gezien. Twee blikjes koop ik – een om direct leeg te drinken, het andere om mijn flesje mee te vullen voor die laatste kilometers. Lekker? Goddelijk!

Langs de weg, het is niet anders, loop ik richting huis. Nog een kilometer of vijf voor ik daar ben. Ik mag nog steeds na 60 kilometer stoppen van mezelf, maar ach, ik kan in elk geval wel even doorlopen tot ik weer op de Koningsweg ben. Ach, nou ja, ik kan ook wel even doorlopen tot ik op 61 kilometer zit. Ach, als ik 61 kilometer kan lopen, kan ik er ook wel 62. Ach, nou ben ik er ook bijna, en het is toch eigenlijk ook wel zo leuk om hardlopend thuis te komen. Het flesje cola is leeg, de benen zijn vol. Kapot ben ik, maar lekker was het. Het eerste deel van de dag dan toch in elk geval. En die cola ook.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Ik kan dit (niet)

Tijdens die tweede dag in de omgeving van Boxmeer bekruipt me de welbekende twijfel. Hoe heb ik in vredesnaam kunnen bedenken om 100 kilometer te gaan lopen in Winschoten? Moet je me nou toch zien, kilometerslang wandelend in plaats van hardlopend. Ik kan dit helemaal niet. Sterker nog: ik vind het ook helemaal niet leuk, dat lange geloop. Aan de andere kant: ik doe het nu een paar jaar, en al is het vaak inderdaad helemaal niet leuk, per saldo maakt dat rare lange lopen me gek genoeg toch erg blij. Ik moet me nog inschrijven, dus ik kan er nog onderuit, maar ik weet dat het al heel gek moet lopen, wil ik op 12 september niet aan de start staan in Winschoten.

In het weekend na Boxmeer telt mijn ‘lange’ duurloop slechts 15 kilometer. Ik ga op de fiets naar het Deelerwoud, waar een mooi rondje van precies de juiste lengte loopt dat ik in m’n gps heb geladen. Tot twee keer toe kom ik Edwin tegen – hoe leuk is dat! Het lopen gaat behoorlijk lekker, maar als ik na 12 kilometer op m’n horloge kijk ben ik verbaasd dat ik pas zo ver ben. Zelfs 15 kilometer kan opeens best lang lijken, blijkt, en dat zelfs als het lopen goed gaat.

De week erna is het gedaan met de rust. 50 kilometer dient er gelopen te worden. Vanwege m’n verjaardag dat weekend, besluit ik die 50 op vrijdag af te werken, en vanwege het nodige bak- en kookwerk in verband met diezelfde verjaardag, loop ik maar gewoon vanuit Haarlem (de oven in mijn Arnhemse paradijsje is helaas nog niet bruikbaar). Rondje Haarlem tot aan de Oase, daar een rondje door de Waterleidingduinen, bij Panneland de duinen weer uit, Woestduin, Manpad, Groenendaal, (vervelend) stukje Heemstede, Spaarne, Zomervaart, thuis. Het wordt een drama. De eerste 20 kilometer gaat het best lekker, maar wederom is de koek na die afstand op. Alwéér? Waar ken ik dit van? Wat doe ik toch fout? Oké, het is klam weer, ik ben kleddernat van het zweet, maar zo erg is dat toch ook weer niet? Het enige wat ik kan bedenken, is dat ik te laat begon met eten. In de duinen geef ik toe aan de verleiding en ga ik even liggen in het gras. Proberen energie te onttrekken aan de colachomps die ik ondertussen wegkauw. Bij Panneland sta ik nog even stil om water bij te tanken, maar daarna kan ik het gelukkig toch opbrengen om hardlopend (nou ja: hard gaat het niet bepaald) door te lopen naar huis. Ik loop nog een ommetje om in de buurt van de 50 te komen, maar tik af bij 49,57 kilometer. Mijn commentaar in het schema: “objectief iets te kort, subjectief véél te lang.”

Op dinsdag voer ik een goed gesprek met Henny, terwijl hij mijn benen masseert. Voor de wedstrijd staat er nog één lange duurloop op het programma, en wel eentje van 60 kilometer. Het is zaak dat ik goed eet en drink, en dat ik dat een beetje plan. Hoe lang ik erover doe, maakt op zich niks uit, maar het is niet de bedoeling dat ik op een terras ga zitten onderweg (of in het gras ga liggen, zo begrijp ik de boodschap). Ik moet kijken waar ik eventueel een flesje cola kan kopen onderweg, en eventueel moet ik genoegen nemen met een korter rondje dat ik herhaal, zodat ik thuis voorraden bij kan vullen. Oké, dat laatste is natuurlijk geen optie…

Ook praten we de wedstrijdtactiek door. Langzaam beginnen, regelmatig eten en drinken. Joh! Hoe verrassend. Toch is het goed het nog eens benoemd te hebben. Ik weet heus wel wat verstandig is, maar in het vuur van de strijd ‘vergeet’ ik daar vaak naar te handelen. Ik laat mijn ambities voor een goede tijd varen – als ik een goede dag heb, kan het goed gaan, zo niet, dan niet. Ik heb me een beetje angst laten aanpraten door de ervaringen van anderen, die zeggen dat je heel goed kunt lopen tot 60, 65 kilometer, maar dat de meesten dan instorten. Dat gaat bij mij dan natuurlijk ook gebeuren, is mijn ‘natuurlijke’ (hoezo? wat nou natuurlijk, hooguit gebruikelijke) reactie. Waar begin ik aan? Ik probeer me vast te klampen aan enkele succeservaringen uit het verleden. Niet op 100 kilometer (die in de bergen ging weliswaar goed, maar dat is toch een wat andere discipline, en over hoe ik liep tijdens Limburgs Zwaarste ben ik niet zo tevreden), maar op Texel liep ik goed, de zes uur op de baan in Heerde liep ik heel behoorlijk, de 50 kilometer in het Amsterdamse Bos idem dito – de laatste twee vooral in aanmerking nemende dat ik me daarop niet had voorbereid als op een wedstrijd.

Honderd kilometer is natuurlijk een stukje langer, maar misschien kan ik het toch. We zullen zien.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 10 reacties

Boxtweedaagse

Drie jaar geleden alweer, maakte ik tijdens de Zomermeerdaagse, inmiddels omgedoopt tot Boxmeerdaagse, mijn debuut bij de befaamde loopjes van Willem en Annemarie. Lopers en noeste werkers treffen elkaar in een bepaalde nieuwbouwwoning in een nieuwbouwwijk in het pittoreske (zoals Andries W zou zeggen) Boxmeer. Niet zo vreselijk pittoresk overigens, die nieuwbouwwijk, maar dat terzijde. Vaak is de startlijn van het te lopen loopje pal naast het huis (dat bewoond wordt door Annemarie) te vinden, soms worden de lopers eerst in wat auto’s en een camper gepropt, om hen te vervoeren naar een startlijn elders, waarna teruggelopen wordt naar de nieuwbouwwoning in kwestie. Toen, drie jaar geleden dus, liep ik dag 1 mee, dit jaar loop ik de dagen 2 en 3. Een mooie dubbeldekker in de aanloop naar Winschoten.

Dag 2 gaat door het natuurgebied Maasduinen. Ik ben met Edwin meegereden, en in het begin lopen we samen, of op z’n minst bij elkaar in de buurt, maar na een kilometer of 25 krijgt hij de smaak te pakken, en is bij mij het beste er wel van af. Al ben ik, anders dan 3 jaar geleden, tegenwoordig zelfvoorzienend waar het het vinden van de route betreft, ik ben blij dat Theo en Jeroen op mij wachten, zodat ik ook de tweede helft grotendeels in gezelschap loop. Ook in dat van Sjaak, die dan weer heel snel loopt (op asfalt), en dan weer terugvalt (op onverharde paden), en met regelmaat een stukje verkeerd loopt (uit ongeduld). Bij de tweede oversteek van de Maas, op kilometer 40 of daaromtrent, laten we rustig de veerpont nog een keer heen en weer varen, voor wij ons naar de overkant laten vervoeren. We hebben de opdracht gekregen te genieten, en genieten zullen we! Het gaat allemaal wel, maar ook weer niet echt makkelijk. Ben ik nou alwéér te snel gestart? Ik lijk er wel een gewoonte van te maken de laatste tijd. Het enige excuus dat ik aan kan voeren, is dat ik in het begin veel aan het praten was met tot dan toe onbekende medelopers, en ik me in de vuur van het gesprek wat mee liet slepen in looptempo. Het is hoe dan ook een schitterende route vandaag. Dat heb ik goed uitgekozen. Zeer tevreden schuif ik na afloop aan in de tuin van Annemarie om iets van bier te drinken. Oké, alcoholvrij, dat heb ik dan weer wat minder goed uitgekozen. Maar dat is dan weer vast heel verstandig.

De volgende dag verontschuldigt Willem zich al bij voorbaat. We lopen van Millingen aan de Rijn in een min of meer rechte lijn terug naar Boxmeer. Veel asfalt, veel lange, rechte stukken. Het zij zo, op deze manier wordt het een goede training voor me. Ook al wat het weer betreft, want het wordt warm, zo is voorspeld. Na de autorit beginnen we met een pontoversteek, dan lopen we gezamenlijk naar de veerpont bij Pannerden (althans: we wachten daar op elkaar), aan de overkant weer gezamenlijk een paar kilometer verder naar een voetveer, en dan mag een ieder losgaan op eigen tempo. Het wordt afzien voor me. Verzorgingspost 1 komt me iets te snel, gezien de twee pauzes op de veerponten. Op het volgende stuk krijg ik het zwaar. De laatste kilometers tot de tweede verzorgingspost gaan over zo’n lange, rechte asfaltweg, en de zon doet erg z’n best ons tot een plasje te doen smelten. Ik voel me niet best als we bij de camper aankomen. Geen bouillon, helaas. Hopelijk kan de cola een wonder verrichten. Maag, milt en darmen doen hun best mij van m’n stuk te brengen – we zullen eens zien of ik stand weet te houden.

’s Morgens heb ik nog tegen Bennie gezegd dat ik het helemaal niet erg vind om (vandaag) heel langzaam te lopen, maar dat ik eigenlijk niet wil wandelen. Ik kom op mijn woorden terug. Ik kan hele stukken niet anders dan wandelen. Zo lijkt het op die momenten althans. Jammer, maar het is niet anders. Met Ruud loop ik vanaf post 2 verder. Voor ons zien we de bomen van het Reichswald, en we houden het hardlopen vol precies tot we de schaduw van het bos bereiken. Vanaf daar wandelen we. Wat ben ik blij met én schaduw, én eindelijk weer een normaal pad onder mijn voeten. Ik verdenk mijzelf er soms van stiekem een asfaltloper te zijn, en helemaal geen trailloper, maar op deze momenten denk ik daar weer anders over. Het hele stuk door het bos, jammer genoeg niet meer dan enkele kilometers, ben ik veruit het meest in mijn element van de hele dag. Ik kan zelfs nog even een stukje écht hardlopen. Heerlijk!

Daarna is het echter over. Ik probeer zoveel mogelijk te dribbelen, maar er zijn ook lange, lange stukken waarin ik dat echt niet op kan brengen. In Gennep loop ik Jan Nabuurs achterop, en samen wandelen we verder naar de vierde en laatste verzorgingspost. Ik voel me beroerd en stort ter aarde. Cola, ja, oké, maar is er niets zouts? Jan Scheffer, de echtgenoot van veelloper Ineke, geeft me dubbelzoute dropjes. Dat is lief. Andere Jan laat ik gaan, hij rent, ik wandel. Slechts, maar dan ook echt slechts omdat het me op deze manier te lang duurt voor ik in de tuin van die nieuwbouwwoning in Boxmeer dat enorm hoe-cliché-het-ook-is-welverdiende pilsje naar binnen kan klokken, kan ik me ertoe zetten zo nu en dan nog een stukje te dribbelen. Tot aan die schaduw, nee, tot aan de volgende, daarna mag ik weer wandelen. We komen Boxmeer binnen via het oude gedeelte, dat inderdaad best pittoresk te noemen is. Alleen had Boxmeer wat mij betreft vandaag best uit alléén die ene nieuwbouwwijk mogen bestaan, dan was ik wat eerder bij de finish geweest…

Het bier smaakt voortreffelijk. Het gezelschap is goed. De kilometers zijn gemaakt. Beroerd gelopen en tóch niet ontevreden.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Iets anders

Het plan was om in september drie weken naar Jan van Delden in de Dordogne te gaan, en in augustus een weekje naar Zwitserland, om daar aan een bergloopje mee te doen met een afstand waar ik wel even van moet slikken.

Het kan verkeren.

Opeens stuitte ik, tijdens een van mijn periodieke ontsnappingspogingen op Marktplaats en Funda, op een boshuisje waar ik nogal gecharmeerd van was. Dat ik het gedurfd heb, begrijp ik nog steeds niet, maar twee weken geleden heb ik al mijn spaargeld opgenomen en overgemaakt naar de rekening van iemand anders en sindsdien mag ik mij de gelukkige eigenaar noemen van het huisje in kwestie.

Dat die drie weken Dordogne in september eraan moesten geloven, was me direct duidelijk. Dat zou voor mijn begrippen sowieso een dure vakantie zijn geworden (in een huisje, en niet in een tent – dat scheelt een slok op een borrel – een cursusweek, de Franse péage), maar ook nog eens drie weken niet werken en dus geen inkomen, dat kan ik me niet permitteren als ik geen reserve meer op de bank heb. Dat weekje Zwitserland lijkt me echter niet te veel gevraagd. Maar ik heb me nog niet ingeschreven, en op een bepaald moment bedenk ik dat ik tóch nog even moet kijken hoe hoog het inschrijfgeld ook alweer is. Aiaiai, ruim 300 Zwitserse franken, en sinds die koers is losgelaten, valt er nauwelijks meer iets te delen, dus dat betekent keihard 300 euro’s. En dat is dan alleen maar het loopje. Niet de reis ernaartoe, niet de camping tijdens de acclimatisatie, niet het eten en drinken, wat in Zwitserland ook al niet echt gratis is. Direct voel ik een soort verontwaardiging. Heel grappig – ik heb dat van dat huisje toch echt zelf bedacht, en als ik het doe, dan doe ik dat omdat ik het graag wil, en toch voel ik me dan verongelijkt omdat me iets anders, iets wat ik óók graag wil, door de neus geboord wordt. Door mezelf natuurlijk, maar dat zie ik even over het hoofd.

Een avond lang denk ik, een beetje kinderachtig: en ik ga tóch! Ik wil dat nou eenmaal. Maar gelukkig heb ik de dag erna een studiedag bij de ISVW in Leusden, en als ik mijn auto daar neerzet, ik uitstap en het bos ruik en de vogels hoor, weet ik dat het hardlopen slechts een middel is tot geluk, en geen doel op zich. (Zoals overigens natuurlijk ook een huisje ergens buiten de stad niet meer dan een middel is.) Dan is de dag ook nog eens filosofisch bevredigend, en weet ik weer waar het me om gaat.

Diezelfde avond bedenk ik dat ik nu mooi éindelijk Winschoten kan lopen in september. En dat verzoent me met mijn lot. Tijdelijk althans.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 8 reacties

Afmaken

Geen schaduw. Geen zuchtje wind. Tot nu toe is het me niet tegengevallen hoe het gaat, als je de nog niet herstelde benen en de warmte in aanmerking neemt, maar tijdens het rondje door het Twiske begin ik me steeds belabberder te voelen. Het zijn niet mijn benen, het is niet m’n maag, ik drink genoeg, ik eet genoeg, ik draag een petje, maar het is gewoon te warm, er gaat iets niet goed. Ik ga het volhouden tot de post op 21 kilometer, waar Willem en Annemarie met de camper staan, maar ik denk dat ik daar ga stoppen. Daarna nog ruim 20 kilometer, ik moet er niet aan denken. Nog nooit ben ik uitgestapt tijdens een georganiseerde loop (een wedstrijd wil ik het niet noemen, zeker vandaag niet – althans niet voor mij), misschien moet dat vandaag dan maar eens gebeuren.

Ik hou vol tot de post. Ron, die we al een stukje voor ons zagen wandelen, zegt dat hij het tweede rondje door het Twiske, en daarmee de marathonafstand, laat voor wat het is, en verder gaat wandelen voor de 40 kilometer. Ik zeg dat ik wel wil stoppen, maar daar wil Willem niks van weten. “Weet je wat je doet? Je loopt rustig dit rondje nog een keer, dan ben je hier na ruim 4 kilometer weer terug, neem je weer even rust, en dan kun je daarna desnoods wandelend terug naar Diemen. Dan heb je er toch weer een gelopen.” Of iets van die strekking. Al denk ik over die marathonafstand: who cares?, het is wél waar ik aan begonnen ben vandaag, en iets niet afmaken waar je aan begonnen bent, leidt vaker wel dan niet tot een gevoel van ontevredenheid.

We nemen onze tijd bij de post. Ik drink twee bekertjes bouillon, drie bekertjes cola, eet een bekertje vanilleyoghurt, komkommer, stukjes nectarine, en doop mijn pet in het water. Willem heeft me overtuigd, en samen met Cinta en Ruud begin ik aan het tweede rondje. Het eerste stuk lopen we nog op de wind, daarna is het weer bloedheet. Maar de rust, en vooral de bouillon, denk ik, heeft me goed gedaan, en ik voel me in dit tweede rondje een stuk minder slecht dan tijdens het eerste. Dus ik ga door, ook na de tweede verzorging bij de camper.

We wandelen een stuk. In Landsmeer wil ik wel weer dribbelen, en de andere twee dribbelen mee. Na een paar kilometer geeft Cinta aan dat ze misselijk wordt, maar ik hoop dat we kunnen blijven rennen tot de pont, die niet lang meer op zich kan laten wachten. Dat lukt, en ik voel me vrij aardig, tot we stilstaan. Ik weet niet waar ik het zoeken moet. Eerst maar op m’n buik op de kade, om m’n petje opnieuw nat te maken – en vervolgens ook de petjes van Cinta en Ruud. Een clubje zijn we inmiddels, nu we al zo’n beetje vanaf de start samen lopen. Op de pont móet ik even zitten, anders gaat er iets niet goed. Zo lijkt het tenminste.

Aan de overkant van het Noordhollands Kanaal wandelen we weer. Kilometerslang deze keer, tot de volgende verzorgingspost, in Zunderdorp. Daar staan we rustig onze tijd te nemen, tot we worden opgeschrikt door de komst van Rinus, die voor de winst op de 60 kilometer gaat, en op dit punt, 34 kilometer, al 15 kilometer méér heeft gelopen dan wij. Oef! Sterk werk. Cinta geeft aan dat ze wil blijven wandelen. Ruud en ik willen eigenlijk wel weer dat dribbelpasje inzetten. Dilemma. Zijn we een clubje of niet? Ik vind wandelen op zich niet erg, maar weet dat ik het onbevredigend vind als ik blijf wandelen terwijl het eigenlijk niet nodig is. Als je kunt hardlopen, moet je hardlopen. Dat moet niet, het is geen dogma, maar voor mezelf werkt het wel zo. We vormen een clubje van individuen die elkaar vrij laten. Ruud en ik beginnen voorzichtig weer met iets dat op een hardlooppas lijkt, Cinta wandelt verder naar de finish.

Op sommige stukken staat er een lekker fris windje, op de Schellingwouderbrug waait m’n pet zelfs bijna van m’n hoofd, op andere stukken lijkt het alsof je levend wordt gekookt. Stilstaand voor een stoplicht denk ik dat ik gék word. Op de Diemerzeedijk ga ik overstag en begin toch weer te wandelen. Ruud volgt, al kan hij volgens mij makkelijk blijven hardlopen. Het voelt een beetje zwak, bovendien heb je wandelend niet echt minder last van de hitte dan hardlopend, maar ik kán niet meer. Nou ja, onzin waarschijnlijk, ik had vast nog wel gekund, maar ik kan het even niet meer opbrengen. Wandelend tot boven op de Nesciobrug, daarna weer hardlopen, heb ik me voorgenomen. Ruud volgt echter niet, blijft wandelen. Als ik beneden ben, wandel ik daarom ook maar weer, zo nu en dan een stukje achterstevoren om te kijken waar hij blijft. Ruud blijft wandelen, en dan zie ik dat hij foto’s aan het maken is. Ik wandel verder tot hij hardlopend weer langszij komt. We zijn inmiddels weer in Diemen, en het kan nu niet ver meer zijn. 43 kilometer is het zeker, 44 is waarschijnlijker. 45 misschien zelfs? Niet te veel naar m’n klokje kijken. Een tijdje is de temperatuur nog tamelijk aangenaam te noemen, pas op het laatst lopen we weer volkomen uit de wind en is het gewoon té warm. Maar we lopen inmiddels op bekend terrein – vanmorgen kwamen we hier, vanaf het station, ook langs toen we naar de startlocatie liepen – en ik weet dus dat we er nu echt bijna zijn.

Bij de finish nét geen 45 kilometer op mijn klokje, meer dan zes uur over gedaan. Ai. Maar het kan me niks schelen. Het is weer volbracht. Ik hoor iemand zeggen dat het lekker was, en leuk. Nou, het was hartstikke leuk ja, ik ben erg blij dat ik gegaan ben, maar lékker?

Ja, dat Palmpje na afloop, en die douche, díe waren lekker.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Kleine ettertjes

Zweterig en plakkerig – check.
Nieuwe schoenen te klein gekocht – check.
Maag en darmen van streek – check.
Benauwd en vochtig weer – check.
De zoveelste steile helling – check.
Brandende bovenbenen – check.
Blaren – check.
Veel te veel hoogtemeters – check.
Brandende zon – check.
Honger en toch geen trek – check.

Ik vind het allemaal prima, maar kunnen die kleine KUTVLIEGJES alsjeblieft uit m’n gezicht en uit m’n oren gaan?

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties