Daan

Daan Roosegaarde schuift aan bij DWDD. Vorig jaar was hij zomergast in een uitzending waar ik nogal blij van werd. Ik schreef daar toen iets over.

Maar nu lijkt het wel alsof er iets veranderd is in Daan. Hij heeft misschien zijn dag niet, of hij heeft het zo druk met mooie dingen bedenken en de wereld rond reizen, dat hij wat moe is en minder ontspannen dan vorig jaar bij Zomergasten. Zeker, hij spreekt nog steeds met bevlogenheid over de dingen die hij doet, en zeker, zijn ogen sprankelen nog steeds, en zeer zeker, zijn studio bedenkt nog steeds de gaafste dingen (ik bedoel maar: een apparaat ontwerpen dat smog uit de lucht van Beijing moet gaan opzuigen, en dan de koolstof uit die smog weer samenpersen tot diamant; en ik bedoel maar: met lichtgevende verf een schilderij van Van Gogh tot leven wekken op een fietspad in Nuenen).

Maar ik moet een beetje zoeken naar de man die over het leven en over zijn eigen werk kon zeggen: “Het is ook gewoon leuk.” Ik hoor hem nu tot twee keer iets zeggen over hoe ‘de nieuwe wereld’ eruitziet. Eh, pardon Daan, maar zeg je nou ‘de nieuwe wereld’? Maar de wereld is toch vloeibaar, zoals je destijds tegen Wilfried zei? En dat vond je toch, net als ik, juist zo mooi? Maar betekent dat voor jou dan niet dat je die wereld helemaal niet in een bepaalde vorm wilt gieten en laten stollen, hoe prachtig die vorm je ook lijkt? Dat je niet wilt bepalen hoe de wereld eruit dient te zien? Vloeibaar is toch iets anders dan kneedbaar?

Ik hoop maar dat het niet zo is dat de man met passie heeft plaatsgemaakt voor een man met een missie – dat zou nou jammer zijn.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Duurloopjes

Het is weer de tijd van de lange duurlopen. Ik ben niet geheel en al ongevoelig voor het feit dat ogenschijnlijk steeds meer mensen vinden dat die langzame, lange lopen geen deel zouden moeten uitmaken van een verstandig (ultra)marathonschema, maar ik vind het nou eenmaal zo lekker om te doen (en ik durf er ook niet goed zonder). Als de bekende uitspraak van Jan Knippenberg, dat lopen geen sport is, maar een manier van reizen, ergens op van toepassing is, dan toch eerder op die lange duurlopen dan op het korte intervalwerk.

Als ik in de Dordogne ben, loop ik op maandag, in de regen, 28 kilometer. De eerste kilometers gaan over asfalt, richting Bars, een plaatsje ten noorden van waar ik zit. Liep die weg altijd al zo lang achter elkaar omhoog? Even voorbij Bars kan ik een van de vele boucles die hier lopen op. Geen idee hoe lang deze is, maar ik weet dat het in principe een rondwandeling is, en dat ik me er geen buil aan kan vallen de gele paaltjes te volgen. Een feest is het. Bossen, weilanden, het pad soms een tapijt van tamme kastanjes, stijgen, dalen, zeiknatte voeten. Ik prijs me gelukkig dat het regent, stel je voor dat het zo warm zou zijn en de zon zo fel zou schijnen als gisteren. Soms verloop ik me, niet mijn schuld natuurlijk, zo nu en dan moet ik kiezen: rechtdoor of rechtsaf, en stop ik even om de kaart te raadplegen. Toen we op zaterdag naar de Dordogne toe reden, voelde het haast tegennatuurlijk om zo’n eind te reizen, en dan niet naar de bergen te gaan, maar inmiddels heb ik me er helemaal mee verzoend dat ik ‘slechts’ in de heuvels van de Dordogne ben. Voor nu beschouw ik het als een lopersparadijs. Of ik niet moe ben, vraagt Hans (roker, gezet postuur) me, wanneer ik me na afloop, gedoucht en wel, bij het gezelschap op het terras heb gevoegd. Ja duh, wat denk jij dan?

Als ik het weekend erna terug ben in Nederland, lukt het even niet met de duurloop. Ik ben van plan om een relatief kort rondje te lopen, van 21 kilometer, in de duinen, maar het gaat voor geen meter en ik ben blij als ik na 13 kilometer weer bij mijn fiets ben. De fietstocht naar huis is een crime. Pap in de benen.

Het weekend daar weer na (vorige week), zit ik in het oost’n van het land. Berg en Dal laat ik voor wat het is. In de nacht van zaterdag op zondag slaap ik bij mijn ouders in Nijverdal. Ik ben van plan om een kilometer of 30 te lopen. Hmm, niet zo’n zin in wat geslinger over de Holterberg deze keer. Ook niet in de noordelijke lus van de 50km van de Sallandtrail. En zéker niet in de van-knooppunt-naar-knooppunt-actie die ik daar ook weleens gedaan heb – veel te veel gewone verkeerswegen, mét verkeer, kreeg ik toen voor mijn kiezen. Eens kijken op wandelnet of er niet een wandelroute in de buurt van Nijverdal ligt. Yes! Het Havezatepad, van Oldenzaal naar Steenwijk, loopt nota bene via Nijverdal. Van Markelo naar het huis van mijn ouders zou weleens net zo’n beetje 30km kunnen zijn. Ik wil iets regelen met openbaar vervoer, maar Markelo blijkt op zondag niet al te ruim bemeten, of zeg maar gewoon: níet bemeten, met openbaar vervoer te zijn, dus vraag ik mijn ouders om een lift. Heen of terug, dat maakt me niet uit. Tot mijn verrassing vindt mijn vader, bepaald geen ochtendmens, het niet erg om vroeg op te staan, en hij brengt me naar Markelo. Het bekende ritueel: horloge op navigeren zetten, de juiste route kiezen, en het lijntje volgen maar (met als back up de wit-rode markeringen). Weer bof ik met het weer: het is potdicht van de mist, zodat ik niet bang hoef te zijn het te warm te krijgen. Dit ervaar ik nu werkelijk als een manier van reizen: de omgeving is nieuw voor me, de route is dat zeker. En de route is mooi, heel mooi. Landweggetjes, een smal paadje over de hei, bospaden, een graspad langs de Regge, het komt allemaal voorbij. Halverwege even een (iets langer) verdwaalmomentje, als de gps-route me zwemmend de Regge wil laten oversteken, en ik daar toch niet zo heel veel zin in heb, en ik vervolgens de onhandige beslissing neem om de markering te blijven volgen, in plaats van bij de eerste gelegenheid weer richting het lijntje op mijn horloge te gaan. Een déja-vu: toen ik eerder dit jaar het eerste stuk van het Pieterpad liep, wilde de gps-route me bij Garnwerd dwars door het Reitdiep hebben. Dat moet een complot zijn!

Het nieuwe van de route maakt het speciaal en leuk, en toch is het uitermate plezierig om uiteindelijk weer op bekend terrein te komen en mijn eigen pad te kunnen volgen. Met de wetenschap dat vanaf dat moment de afstand tot de douche en de koffie-met-taart te overzien is, heeft dat uiteraard in het geheel niets te maken.

Vandaag mag ik dan 35 kilometer, en dat gewoon vanaf huis. Ik wil wel naar de duinen, maar heb geen zin om twee keer de stad door te moeten. Dan maar weer een stuk van het Rondje Haarlem, dan kan ik gewoon hier aan de oostkant de stad uit, en hoef ik alleen terug door de stad. De route is bekend, het voelt minder als een dagje uit, maar soms loop je nu eenmaal gewoon omdat je het je voorgenomen hebt, en daar is ook niks mis mee. Ik loop braaf binnen de voorgenomen hartslagzone (nou ja, grotendeels dan), en blijk achteraf een voor mijn doen vrij aardig tempo te hebben gelopen.

Alleen met het weer bof ik deze keer wat minder: het begint pas te regenen als ik net mijn straat weer in loop.

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Fomo revisited

Natuurlijk vraag ik me regelmatig af waarom ik er nog op blijf kijken, als het me veel vaker een rotgevoel oplevert dan dat het me blij maakt. Een verslaving, dat is het in mijn geval, daar ben ik me allang van bewust. Niet voor niets wil ik nog steeds niet aan de smartphone – tijdens mijn onderduikweekendjes en vakanties mis ik het totaal niet, maar als ik internet op mijn telefoon zou hebben, zou ik het tóch niet kunnen laten mijn e-mail te checken (dat zou nog niet zo erg zijn) en op facebook te gaan neuzen, hoe lekker het bos ook ruikt en hoe weldadig de stilte er ook is.

De weekendjes in de natuur lijk ik nodig te hebben om de boel even te resetten. Alsof ik de rust buiten me nodig heb om de rust binnenin te hervinden. Dat werkt meestal prima, maar als ik thuiskom, gaat steevast als eerste de laptop aan. Ik moet toch even kijken wat er allemaal gebeurd is tijdens mijn afwezigheid, niet? En steeds meer word ik me ervan bewust dat ik de energie uit me voel weglekken als ik door de berichtjes scroll en zo hier en daar doorklik naar een wat langere tekst of een filmpje. Diverse pogingen heb ik al gedaan – mensen ontvrienden, pagina’s ontleuken, vrienden indelen in groepen, vrienden ontvolgen, zelf weinig updates plaatsen – maar het blijft te veel, en het wordt alleen maar meer. En het blijft trekken, ook al word ik er niet blij van.

Ik heb natuurlijk ook echt heel leuke vrienden, op facebook (in het echt ook hoor – dat jullie niet denken dat ik zielig ben), die ook echt heel vaak echt leuke berichtjes plaatsen en echt gevatte opmerkingen maken, die mij soms echt aan het denken zetten, waar ik soms echt door word geraakt en vaak echt hard om moet lachen. En facebook is de plaats waar ik veel nieuwtjes en wetenswaardigheden rond hardlopen en mooie loopjes oppik, daar wil ik toch echt niet zonder. Dan is er nog een handjevol vrienden van vroeger, met wie ik niet direct ga mailen of koffiedrinken, maar van wie ik het leuk vind zo nu en dan via een update te zien dat ze nog in leven zijn en wat ze zoal uitspoken in dat leven. Maar, eerlijk is eerlijk, ik ben vooral bang van alles te missen op het gebied van het lopen, als ik niet langer op facebook verkeer.

Terwijl ik mij voorhoud dat ik veel minder last van fomo heb dan, pak ‘m beet, een jaar geleden, toen ik het nog vreselijk vond om niet bij loopjes aanwezig te zijn waar verder alle leuke mensen bij zouden zijn, is er in feite maar weinig veranderd: ik ben nog steeds hartstikke bang om dingen te missen en niet op de hoogte te zijn van wat er allemaal gebeurt!

Beleef ik in de onderduikweekendjes een zachte reset, een harde reset volgt tijdens een weekje bij Jan van Delden in de Dordogne. Het er gewoon zijn, de aangename gesprekken met vrienden, de verhelderende inzichten die Jan tussen een heleboel onzin en drukte door vlecht, de spontane didgeridoo- en klankschaalsessies, de heldere sterrenhemel, de nachten die gevuld zijn met het geluid van bosuilen, de hand- en spandiensten bij het houthakken, het rapen van walnoten, het plukken van frambozen, de niet te versmaden hardlooprondjes – ze dragen allemaal bij aan die reset. De meeste indruk maakt echter een gesprekje met Daphne, die ook in Frankrijk woont. Zij heeft geen computer, geen televisie, geen mobiele telefoon, leeft op de manier waarop ze wil, en mist niets. Zo kan het dus ook.

Daphnes verhaal raakt aan een diep verlangen. Ik benijd haar om hoe ze leeft, maar weet dat ik zelf in de hand heb waar ik mijn aandacht aan geef. Het is niet nodig om op het Franse platteland te wonen om innerlijke rust te ervaren – al ben ik geneigd te denken dat het wel zou kunnen helpen, in elk geval als je Jacolien heet. Het is ook vast niet zo dat iedereen onrustig wordt van facebookachtige activiteiten, en dan is het misschien ook nog eens niet zo dat iedereen onrust als vervelend ervaart, maar ik doe dat wel. Ik kies ervoor de aandacht wat meer bij mezelf te houden, en wat minder te volgen van wat er in de (hardloop)wereld allemaal gebeurt. Niet omdat dat beter is, wel omdat het lekkerder is.

De eerste dagen als ex-facebookgebruiker ben ik goed doorgekomen, dank u.

Geplaatst in Geen categorie | 6 reacties

Zin

Vanaf het moment dat me duidelijk is geworden dat ik de RUN niet zal lopen, doe ik een paar weken helemaal niks. Niks aan sport, welteverstaan, want ik zit nog aardig in de scriptie- en andere afstudeerstress. De overgang van 4 tot 6 naar 0 keer per week sporten, valt me verdacht gemakkelijk. Hoewel ik denk dat het goed voor me is om even flink uit te rusten, is er ook een stemmetje dat zegt: “Zie je wel? Nu komt je ware aard naar boven: lui, luier, luist” – en mét dat stemmetje de angst dat het me vanaf nu nooit meer zal lukken om ’s morgens vroeg m’n bed uit te stappen om, geheel vrijwillig, de loopschoenen aan te trekken.

Na twee weken begin ik daarom weer te lopen. Kleine stukjes, overwegend in rustig tempo. Het gaat redelijk lekker en ik loop beslist niet met tegenzin, al blijft dat hele blije gevoel dat je soms kunt hebben uit. Ik denk zo tussen de bedrijven door wat na over loopjes voor najaar en winter, maar merk dat ik nog geen zin heb in een strakke planning. Ik merk ook dat het me eigenlijk wel bevalt om even schemaloos door het leven te gaan. Toen Henny me vlak na de Trail VSB voorstelde om een tijdje te freewheelen, wees ik dat voorstel geschrokken van de hand. Freewheelen oké, maar dat dan wel graag onder begeleiding en volgens schema. Nu denk ik dat hij gelijk had. Ik ben niet zozeer hardloopmoe, en zelfs niet disciplinemoe, maar wel een beetje schemamoe en gevoel-van-verplichtingenmoe.

Na weer twee weken sta ik een lang weekend op het natuurterreintje bij Kootwijk. Op zondag loop ik daar de iets langere wandelroute – officieel 16 kilometer, ik kom, met aan- en afloop, uit op 18,9. En ja, nu is die overdreven blijheid volkomen aanwezig. Wat is het prachtig in het bos, tussen de bloeiende heidevelden en op het o zo vertrouwde Kootwijkerzand. En wat is het heerlijk om zo te lopen, niet met het oog op een ander loopje, ergens in de toekomst, maar te lopen om het lopen zelf, het lopen op precies datzelfde moment.

Paradoxalerwijze maakt juist die blijheid van het lopen zonder plan, dat ik zin krijg om weer plannen te maken. Ik speur wat in de diverse loopagenda’s en maak lijstjes voor 2015 en voor de rest van 2014. Dat van 2015 is nog uiterst overzichtelijk, dat van 2014 is een rommeltje. Ik weet niet goed wat ik wil, maar dat maakt niet uit. De dingen worden vanzelf duidelijk, zoals dat met de RUN ook gebeurde. Vorig jaar rond deze tijd was ik enorm gefocust op het lopen en baalde ik er stevig van dat ik vanwege allerlei vage pijntjes geen plannen kon maken. Nu ben ik fysiek prima in orde (denk ik) en laat ik het maar een beetje komen zoals het komt. Wel zo aangenaam, als je het mij vraagt – op dit moment althans; ik vermoed dat de focus en drive er vanzelf weer zullen komen, maar alles op z’n tijd.

Het lekkere lopen ervaar ik ook tijdens het weekend van de RUN, als ik niet in Winschoten ben, maar met vrienden in de Franse Ardennen zit, waar twee van hen een huisje hebben. Op vrijdag loop ik er een rondje met Conny, op zaterdag met Petra. Ha! Dit is toch echt weer andere koek dan een rondje (of tien) in Nederland. Zalig, de inspanning die het kost om bergop te gaan en het gemak waarmee je naar beneden vliegt. Heerlijk, het zo slim mogelijk plaatsen van je voeten op de oneffen paden zodat je niks verzwikt en niet op je plaat gaat (dat laatste mislukt – en als ik het bloed in straaltjes van mijn knie naar beneden zie lopen, bespeur ik de aanwezigheid van mijn moeder in mijn eerste gedachte: shit, mijn sokken). Zo heerlijk dat ik me zondag, als we met een groepje een eind wandelen, niet kan inhouden en een paar keer op mijn Teva’s een helling naar beneden hol.

Wat een mooi spelletje is het toch. Daar heb ik geen plannen voor nodig. En met die luiheid valt het misschien toch ook wel mee.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Straf

Voor de baantraining begint, vraagt Marion me wat mijn plannen voor volgend jaar zijn. Ik zeg dat ik hoop komend jaar ergens 160 kilometer te kunnen lopen.
Dus je wilt steeds langer lopen?
Ja, nou ja, als het goed blijft gaan volgend jaar dus 160, en ooit hoop ik de Tor des Géants te kunnen lopen.
Hoe lang die dan is, vraagt Marion.
330 kilometer, in zes dagen?
Hm, zegt Patrick, doe dan maar meteen aan die woestijnloop mee. (Noot van de redactie: hij bedoelt natuurlijk de Marathon des Sables en denkt waarschijnlijk dat die zwaarder is dan de Tor.)
Nee, echt niet, ik haat hitte en ik haat zand, dus daar begin ik niet aan.
Maar dat is dan toch juist een extra uitdaging? meent een ander, ik weet niet meer wie.

Pas als ik op de fiets op weg naar huis zit, bedenk ik dat het bijna lijkt alsof sommige mensen denken dat uitdaging synoniem is aan straf. Maar ik loop toch echt niet om mezelf te straffen. Waarom zou ik, tenslotte?

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

Gekeerd

Ik heb heus wel iets geleerd van vorig jaar hoor. Zo liep ik toen al na twee dagen weer een stukje hard (kwestie van overmacht, het was mijn laatste dag in de bergen) en heb ik nu toch wel twee weken rust genomen. Het verbaast me ook minder dan toen dat ik na een paar weken nog moe ben. Maar een beetje verbaast het me toch nog steeds. En ervan balen doe ik iets meer.

Ik schreef ergens vorig jaar over mijn neiging me met anderen te vergelijken, en over mijn angst om loopjes te missen, er niet bij te zijn (zie hier). Door wat fysieke klachten te ontwikkelen, en omdat ik er enig belang bij had me niet nóg een keer in te hoeven schrijven op de VU, heb ik van na- tot en met voorjaar goed kunnen oefenen in het ‘er’ (als enige, snik 😉 ) niet bij te zijn. Ik begin bovendien eindelijk te geloven wat door enkele mensen al een paar jaar tegen mij gezegd wordt: het opbouwen van dat ultrageloop kost wat langer dan een of twee jaar. Natuurlijk is de neiging me met anderen te vergelijken niet opeens verdwenen, en ik zie nog steeds dat anderen, die ook nog maar kort lang lopen, veel meer aan lijken te kunnen dan ik, maar mijn gedachten daarover zijn geëvolueerd van ‘als zij het kunnen, moet ik het ook kunnen,’ via het zelfmedelijdende ‘waarom zij wel en ik niet?’, via het jaloerse ‘vroeg of laat moeten ze zichzelf een keer tegenkomen, dat kan niet anders,’ naar ‘het is jammer, ik zou meer willen doen, maar meer dan dit trekt mijn lichaam (nog) niet.’

Ik begon ruim twee weken geleden weer met trainen, omdat lopen nu eenmaal het lekkerste antidepressivum is dat er bestaat ik de mogelijkheid open wilde laten om in september de RUN te lopen. Ik had mij daar, wijs geworden door vorig jaar, nog niet voor ingeschreven, en had bedacht dat ik pas eind augustus zou beslissen, maar eigenlijk ging ik er toch wel van uit dat het zou kunnen. De eerste trainingen gingen echter niet overweldigend lekker en soepel. Zo liep ik vorige week zondag mijn vertrouwde rondje om Schalkwijk, van ruim 13 kilometer, en voelde ik me de rest van de dag alsof ik op z’n minst het rondje Haarlem had gelopen. Afgelopen zaterdag liep ik ruim 23 kilometer door de duinen. Heerlijk, de wind, de zon, de weidsheid meestal, de beschutting van het bos soms. Dorstig weertje, dat wel, ik had misschien iets meer water mee moeten nemen (of eerder moeten bijvullen). En aan het eind voelde ik me wat licht in het hoofd – de lunch was inmiddels toch wel lang geleden, en iets te eten had ik niet bij me. Dat ik langzaam gelopen had, maakte me op zich niks uit, ik hoefde niet te scoren of zo, alleen: zo langzaam voelde het niet. En na het fietstochtje naar huis voelde ik me nog uren slap, hoeveel vocht, koolhydraten en eiwitten ik er ook in gooide. Ik ben toch niet de enige die zich na een training ook wel eens belabberd voelt, en niet altijd maar verkwikt en opgeknapt, blij en opgewekt en moe maar voldaan en dat soort zaken? Dat overwoog ik even om op facebook te zetten.

In mijn feedback naar Henny probeer ik eerlijk te zijn, de zaken niet mooier voor te stellen dan ze zijn – ook niet slechter overigens. Henny pikt uit mijn commentaar bij de afgelopen week wat dingen als een hoge rusthartslag, slechte nachtrust, last van hamstring, spierpijn in kuiten, erg vermoeid na een training, excuses om niet te trainen, uren na training nog een belabberd gevoel, en adviseert rust.

Hm, ik was alweer min of meer serieus, zij het voorzichtig, begonnen met opbouwen, en mag nu dus weer even terug naar af. Voelt suf, maar liever ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald – het blijft een waarheid als een koe.

Geen Winschoten dit jaar dus. Nou niet zeggen dat ik daar niks aan mis, want alles wat jullie kunnen aanvoeren, kan ik zelf ook bedenken. Ik wil ‘m toch graag een keer doen. Punt. En ja, dat kan later altijd nog een keer. Of niet. En nee, erg is het helemaal niet. Vind ik ook. Zeker nu er een prachtig alternatief voor dat weekend is. Iets met vrienden, kamperen, houtvuurtje, lekker eten en drinken. En ik ben erbij.

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 4 reacties

Belangrijk?

Ik kan het wel zo makkelijk schrijven, dat wat je doet, er in wezen niet echt toe doet, maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat ik er ook altijd zo gemakkelijk naar kan leven. Kijk, dat hardlopen een spel is, dat vind ik niet zo heel ingewikkeld om te blijven zien, maar dat ook de studie een spel is, inclusief het geploeter met een scriptie, en dat ook het werk waar ik mijn brood mee verdien een spel is, daarmee ligt het toch wat ingewikkelder. Nou is werk momenteel niet echt een item. Ik neem tijdelijk voor lief dat ik werk doe dat mijn hart niet heeft, maar dat ook weer niet vervelend is om te doen, en dat me veel vrijheid (in de vorm van vrije tijd, zodat ik lekker veel kan hardlopen) geeft. No big deal.

Maar die studie hè, die studie. Amai.

En dan gebeurt het zomaar dat je een docent op de faculteit tegenkomt met wie je ook facebookbevriend bent, en dat ze dan tegen je zegt: “Hee, ik dacht dat jij alleen nog maar aan het lopen was.” En een vriend van je die zegt dat hij dacht dat die scriptie van je al lang klaar was. En wacht, gaf hij je een poos geleden ook niet, nota bene, een hárdloopboek, in plaats van, zoals gewoonlijk, een oosters-filosofisch boek? En die vriendin, die opmerkt dat het zo lekker gaat met hardlopen bij je, en dat je dan denkt: ja maar, ja maar, dat hardlopen is best leuk en aardig, maar ik ben eigenlijk vooral met mijn scriptie bezig – ging het daar maar net zo lekker mee.

Dat ik vooral over hardlopen schrijf, wil dus niet zeggen dat ik hardlopen belangrijker vind dan filosofie en studie, maar gek genoeg betekent het juist dat het me niet zo goed lukt die studie óók als een spel te zien. Op de een of andere manier is mijn zelfbeeld veel nauwer verbonden met mijn studie, en voel ik me dus kwetsbaarder als ik daarover schrijf. Bovendien, ik moet het toegeven, voelde het misschien ook een beetje als falen dat het maar niet wilde lukken, met dat kreng van een scriptie – terwijl het hardlopen over het algemeen best lekker gaat. Nou ja, en op momenten waarop het dáár niet zo lekker gaat, schrijf ik er makkelijker over, omdat ik me er minder mee verbind. Dus.

“Voelde”??? Ja, inderdaad, dit staat in de verleden tijd. Ik schreeuw het niet van de daken, maar mijn scriptie is af. Sinds gisteren. Ik wacht nog op de grote blijdschap.

En ondertussen ben ik aan het herstellen van mijn bergloopje. Ik weet dat daar een week of zes voor staat, maar het valt me toch een beetje tegen dat vier weken na dato mijn rusthartslag nog een aantal slagen hoger is dan wat ik als normaal beschouw. Ik ben na een paar weken voorzichtig weer begonnen met lopen, maar zo nu en dan sla ik nog een training over. Moet kunnen. De geïnteresseerde loper is het misschien opgevallen dat mijn pagina met loopplannen niet verder reikt dan 12 juli jongstleden. Ik heb wel wat ideeën, maar wacht er nog even mee die ideeën om te zetten in plannen. Eerst die vermoeidheid mijn lichaam uit.

Over belangrijk. Vorig jaar na mijn bergloopje, wist ik wat mij te doen stond. Mijn bovenbenen moesten sterker worden, zodat die in de afdalingen niet zo snel zouden verzuren. En als ik sneller wilde zijn tijdens zo’n loopje, viel er ook nog wel wat te winnen door korter bij de verzorgingsposten te blijven hangen. Dit jaar ging het met de bovenbenen een stuk beter. Naar mijn idee heb ik helemaal niet zoveel meer heuvelwerk gedaan dan vorig jaar, maar kennelijk maakten die Middenduintrainingen en die ene mul-zand-heuveltraining in de Waterleidingduinen toch verschil. En de squats, al doe ik die een beetje besmuikt en onder het motto: baat het niet, het schaadt hopelijk ook niet. Maar het terrein was ook lastiger dan vorig jaar, waardoor de afdalingen wellicht wat voorzichtiger gingen, zodat ik ook daardoor minder verzuurde. Wat de verzorgingsposten betreft: bij de eerste twee posten ben ik relatief snel doorgelopen. Daarna interesseerde het me eerlijk gezegd geen moer meer, en bleef ik hangen zo lang als goed voelde, hoe vaag dat als criterium ook is.

Over belangrijk. Ik was 125e finisher van de 173 finishers, 9e van de 10 gefinishte vrouwen. Niet echt iets om indruk mee te maken. Maar hoe onbelangrijk ook, stiekem vind ik het toch erg leuk dat ik een van de finishers ben, terwijl meer dan 50% heeft moeten uitstappen. En dat ik een van de 10 vrouwen ben die gefinisht zijn, terwijl er 27 van start zijn gegaan. Dus dat heb ik nu toch even en plein publique gezegd.

En dat ik dan tóch achteraf denk: had dat nou niet wat sneller gekund? Steil bergop, daar laat ik veel liggen, naar mijn idee. Daar wil ik komend jaar graag aan werken, dat ik daar sneller op word. Krachttrainingen? U zegt het maar. En wederom: korter bij de verzorgingsposten blijven hangen misschien. Dat kan. Maar ik weet nu eigenlijk al: als ik volgend jaar weer zo’n dag, of misschien wel twee dagen, door de bergen loop, vind ik het wel best. Dan kan het me helemaal niks schelen hoe lang ik erover doe (zolang ik me maar geen zorgen hoef te maken over de cut-off times). Presteren is mooi, maar alleen zolang het bijdraagt aan het plezier, en niet als het er ten koste van gaat. Zoiets.

Zo nu en dan denk ik aan de tocht terug. Vooral het gedeelte rond de Grote Sint-Bernhard heeft indruk op me gemaakt. Wat voelde ik me gelukkig, toen ik daar liep. Wat een zegen, om zomaar 28,5 uur achter elkaar door de bergen te kunnen lopen. Ik verheug me op volgend jaar.

 

Geplaatst in filosofie, hardlopen | 4 reacties

Serieus, niet belangrijk

“Ich nehme meine Arbeit ernst, aber nicht wichtig.”
Woorden van Alfred Polgar, door Han Voskuil geciteerd in een van de recensies van zijn hand, die nu opnieuw zijn verschenen in het boek Ik ben ik niet. Ik lees de woorden tijdens een van de ruim vier dagen die ik onder de wing naast mijn tentje doorbreng op de camping in La Fouly, luisterend naar het gestage getik van de regen. Regelmatig kijk ik van mijn boek op om te genieten van het prachtige uitzicht op de Glacier de l’A Neuve, waar ik mijn plekje, zo hoog mogelijk op de camping, speciaal op heb uitgezocht. Wat ik zie, is echter geen gletsjer, maar een dikke, grijze mist.

De woorden van deze Polgar spreken mij aan. Wat je doet in je leven, is volgens mij in wezen onbelangrijk, maar dat wil niet zeggen dat je het niet met de grootst mogelijke toewijding kunt doen. Hardlopen is wat mij betreft exemplarisch hiervoor. Natuurlijk is het maar spel, maar toevallig wel een spel waar ik buitengewoon veel plezier aan beleef, en ik heb er dan ook veel voor over het spel zo lang mogelijk te kunnen spelen, op zo hoog mogelijk niveau. Een hoger niveau (een gamer zou ‘volgend level’ zeggen) hoef ik niet te bereiken vanwege enige vorm van status of aanzien, maar omdat een deel van de lol van het spel er voor mij nu eenmaal in bestaat het maximale uit mijzelf te halen. Dat betekent dat ik mij met veel plezier behoorlijk serieus en gedisciplineerd voorbereid op de loopjes die ik op mijn agenda heb staan, ondertussen proberend het belang van die loopjes te blijven relativeren.

Dat laatste blijkt even niet gemakkelijk te zijn als ik de dag voor de grote wedstrijd, de Trail Verbier Saint-Bernard, een sms’je van de organisatie krijg waarin gezegd wordt dat de route is aangepast. De Catogne en de Col de Breya zijn, uit veiligheidsoverwegingen, uit het parcours gehaald. Vooral het aantal hoogtemeters gaat daardoor drastisch omlaag. Shit, daar baal ik van. Ik weet dat ik me heb ingeschreven voor een zware wedstrijd, en had erg graag de originele route gelopen. (Dit betekent geen kritiek op de organisatie, overigens. Ik ga ervan uit dat die dit naar alle eer en geweten zo besloten heeft, en óók liever het originele parcours had aangehouden.) Als ik mijn teleurstelling tegen mijn hardloopvrienden uit door te zeggen dat het nu geen bikkel-, maar juist een watjeseditie wordt, leidt dat bij een van hen tot onbegrip. Hij denkt dat dit betekent dat ik de zwaarte van de route onderschat, dan wel mijzelf overschat, wat misschien op hetzelfde neerkomt. Maar als je dat denkt, dan ken je mij niet. Ik realiseer mij donders goed dat ik het retezwaar ga krijgen, met aangepaste route nog steeds, maar dat is toch ook wat ik hierin opzoek? Nou ja, en ik baal ervan dat áls ik de race uitloop, ik toch het gevoel zal houden dat ik hem net niet helemaal echt heb gelopen. En daar komt het belang van het relativeren om de hoek kijken. Gaat het me dan misschien stiekem tóch om de status en de vergelijking met anderen?

vsb startfoto frans

foto: Frans van Huizen

Ik sta de volgende morgen vrij ontspannen in het startvak. Ik sta dan wel bekend als een twijfelaar, en inderdaad heb ik in de aanloop naar de race genoeg getwijfeld (over de terugkeer van voorbijgedachte blessures, over de eventuele onverstandigheid van het lopen van ruim 90 kilometer op het Twentepad, over het al of niet doortrainen daarna, over de eventuele onverstandigheid van het lopen van vier dagen met bepakking in de week voor de loop der lopen), maar gek genoeg heb ik tegelijk van mezelf het idee dat ik dit wel kan. De positieve ervaring van vorig jaar, bij de 80 du Mont Blanc, draagt bij aan dat vertrouwen. Ik weet nu beter wat ik kan verwachten, ook al is het een andere race.

De andere twee zijn van plan om samen te gaan lopen, zolang als dat gaat. Ik moet daar eerlijk gezegd niet aan denken, en trek mijn eigen plan. Dat plan bestaat uit: rustig weg, en verder maar zien. En zelfs dat tamelijk simpele plan blijkt al te ingewikkeld – zo heel rustig ga ik niet weg. Zolang we hardlopen door de straten van Verbier gaat het lekker, maar zodra we begonnen zijn met de helling naar Le Chateau merk ik dat ik boven mijn macht loop. Ik loop te zweten als een otter en te hijgen als een oud trekpaard, maar wil eigenlijk niet aan de kant stappen om anderen voor te laten gaan. Ik ben deze keer (hèhè) ook niet echt bang dat ik hier mijn kruit al verschiet. Ik herinner me dat ik het vorig jaar ook in het begin zwaarder had dan op het eind, en ik herinner me ook dat ik het tijdens mijn Alpencursussen eigenlijk óók altijd erg zwaar had aan het begin van de dag, terwijl ik dan later over het algemeen toch vrij goed mee kon komen.

De problemen ontstaan tijdens de afdaling. We lopen in het bos; ik vind het te donker om zonder lamp te lopen, maar met lamp beschijn je vooral de mist, zodat je nog niet echt lekker scherp zicht op de ondergrond hebt. Ik ga een keer onderuit zonder al te vervelende gevolgen. Wel vervelend is dat ik op een ander moment mijn linkerenkel verzwik. Gelukkig niet zo erg dat ik er niet mee door kan lopen, maar later, vooral op vlakkere stukken, voel ik dat de enkel gevoeliger is dan ik in eerste instantie dacht. Rottiger dan de pijn is echter dat de banden kennelijk opgerekt zijn (zo denk ik met mijn lekenverstand tenminste), zodat ik er maar doorheen blíjf gaan. Grrr. Elk lullig steentje waar ik op stap, en bam, het is weer raak. Dát maakt me dan toch wel even aan het twijfelen: als de pijn blijft zoals die nu is, loop ik er rustig mee door, maar hoe zorg ik ervoor dat het niet alsnog echt misgaat? Voorzichtig aan maar, er zit weinig anders op.

Bij de eerste verzorgingsposten blijf ik maar kort hangen. Twee bekertjes cola, wat klein snaaiwerk, en hup, on the go. Bij de lange stijging naar Cabane d’Orny, moet ik bezuren dat ik zo kort bij de post in Champex ben blijven hangen: om de haverklap moet ik plaatsmaken voor iemand die sneller is dan ik. Anders dan tijdens die eerste, korte, stijging, doe ik nu geen moeite het tempo van anderen bij te benen. Het is zwaar genoeg, de dag duurt nog lang, laat mij maar lekker mijn gang gaan. Als we in de buurt van de hut komen, klinkt het ietwat melancholische geluid van een trompet, en zie, het eerste moment van ontroering is daar. De hut is prachtig gelegen, en ademt een sympathieke sfeer. Ik krijg glimpen van de Glacier d’Orny en de Col d’Orny te zien als de bewolking even optrekt. Genoeg om te weten dat het hier schitterend is, maar pas nu ik de kaart nog eens bestudeer, begrijp ik dat er nog veel meer te zien zou zijn geweest als de wolken niet zo laag zouden hebben gehangen. Voor ik vertrek, arriveren er enkele groepen klimmers bij de hut. Ik vraag het hun niet, maar wellicht hebben zij de Aiguille du Tour beklommen. Met hun stijgijzervaste schoenen lijken zij hier meer op hun plaats dan wij, op onze trailschoenen, en ik hoor een van hen zeggen dat ze wel pech hebben dat de Cabane d’Orny net vandaag als verzorgingspost dienst doet voor een hardloopwedstrijd. Ik snap dat maar al te goed en tot mijn plezier weerhoudt het hem er niet van mij ‘bon courage’ te wensen als ik weer op pad ga.

IMG_6352

foto: Wilbert Vlassak

Als ik net aan de afdaling begonnen ben, kom ik eerst Wilbert, en even later Edwin tegen, op weg omhoog naar de hut. Edwin heeft het zwaar – en dat is een understatement – en baalt daar enorm van – en ook dat is een understatement. Ik geef hem een hug (jaja, als het erop aankomt, ben ook ik gewoon een softie), en wat goedbedoelde adviezen. Later bedenk ik dat zijn slechte gevoel vermoedelijk door de hoogte veroorzaakt wordt, en dat ik nog duidelijker had moeten zeggen dat hij een half uur in de hut zou moeten gaan zitten, in de hoop dat hij zich daarna tijdens de afdaling beter zou voelen. Ik hoop echt dat hij opknapt en het redt, maar heb het donkerbruine vermoeden dat dat niet het geval zal zijn. En als dat zo is, hoop ik dat Wilbert, die daarover in tweestrijd stond, besluiten zal om voor zijn eigen race te gaan… Best ingewikkeld, wat je allemaal kunt bedenken.

Tijdens de afdaling haal ik de een na de ander in, die stopt om zijn jas uit te trekken. Boven was het koud, maar gelukkig durfde ik erop te vertrouwen dat het iets lager, en tijdens het lopen, vanzelf weer warmer zou worden. Goed gegokt. Ik haal in, ik word ook ingehaald, en soms zeg ik tegen mezelf, net als tijdens de stijging naar de Orny: geen competitie jac, noch met mannen, noch met vrouwen; rustig aan, de dag is nog jong, en het gaat er alleen maar om dat je je eigen race loopt, zo goed als je kunt – maar dat betekent niet eens per se: zo snel als je kunt. Het duurt eindeloos voor ik beneden ben, en vervolgens duurt het nog eens eindeloos voor ik weer wat hoger (maar kilometers verderop) de camping van La Fouly bereik. Bij de post is het druk. Ik zoek brood en kaas, maar vind het niet. Dan maar weer zoetigheid. Ik lees sms’jes van twee vrienden in Nederland die me blijken te volgen via internet. Het tweede moment van ontroering. Ik ga maar eens plassen op een gore dixy en zie daarna geen excuus mijn vertrek nog langer uit te stellen. Het is ongeveer kwart voor drie, en ik loop mooi op het schema dat ik van tevoren zo’n beetje had bedacht.

We gaan nu het Val Ferret verder in. Het allereerste stukje van de klim die nu volgt, heb ik tijdens een van de regendagen op de camping verkend, maar dat was werkelijk maar een piepklein stukje. Henny had me vermanend ge-sms’t om “nu geen gekke dingen meer” te doen, maar alleen een paar keer een stukje te gaan hardlopen om het hardloopgevoel terug te krijgen na de vierdaagse trektocht in Gran Paradiso, en braaf als ik ben, hield ik mij daar keurig aan. Als we vanaf het brede pad een smal pad door graslanden opgaan, begint de modderellende. Fijn vind ik het niet, maar in dit stadium is de modder nog niet in staat mijn humeur te bederven. Ik haal een man in die behoorlijk langzaam loopt, en vraag hem: “Ça va?” Om niet al te onbeleefd te zijn, kijkt hij opzij, en antwoordt: “Ça va.” Oef, die was niet blij met mijn aandacht. Mij heeft-ie er niet mee hoor, ik blijf het heus wel naar mijn zin hebben, hoe onblij hij ook op me reageert. Ik ben inmiddels echt met ‘mijn’ wedstrijd bezig. Nait soez’n, moar deurlopen. Ik loop lekker in mijn eigen coconnetje. Het is prachtig hier, hoe dieper we het dal in komen, hoe mooier het wordt. Het enige dat een beetje irritatie bij me wekt, zijn de vele vliegen, maar hogerop laten die het vanzelf afweten. Het heeft al een paar keer wat geregend, maar ik heb het nog niet nodig gevonden mijn jas aan te trekken. Nu gaat het echter zo hard, dat ik besluit mijn rugzak toch maar even af te doen om mijn jas te pakken. Als ik weer verder wil gaan, besluit ik om toch ook nog mijn regenbroek te pakken. Ik heb maar een lange tight bij me, en ben bang te verkleumen als die zeiknat wordt. Ik voel me vervolgens behaaglijk in mijn regenkleding en ben weer eens blij met mijzelf.

IMG_6371

foto: Wilbert Vlassak

De omgeving wordt almaar mooier. Ik kom nu bij de Lacs de Fenêtre en loop hier in mijn eentje tussendoor. Aan de ene kant is het jammer dat het mistig en bewolkt is, maar de mist verleent tegelijk een heel eigen schoonheid aan de omgeving. Ik voel me zo ongelooflijk sterk, en ik ben zo blij dat ik de hele, lange dag hier in de bergen mag zijn, en het is zo goed allemaal, dat ik alweer ontroerd raak. Deze keer loop ik echt even te huilen. Ik ben gelukkig, en bedenk dat dit lange lopen door deze omgeving het allermooiste is wat er is.

IMG_6374

foto: Wilbert Vlassak

Op de Fenêtre de Ferret staat een controlepost. Op de foto’s van Wilbert zie ik later dat de mannen een tentje hadden, maar dat valt me niet op als ik er langskom. Goedmoedig staan de mannen daar te kleumen, om het een handjevol lopers mogelijk te maken een mooie dag te hebben. Het is dat ik nu weer even uit-ontroerd ben, maar ánders… En anders wel bij de post op de Col du Grand Saint-Bernard. Met stip de hartverwarmendste post van de dag. De zorgzaamheid van de vrijwilligers straalt ervan af. Niet helemaal voor niets – veel lopers komen verkleumd binnen en lijken de deken die hun aangeboden wordt hard nodig te hebben. Op een bepaald moment komt er een mij bekende loper binnen. “Ça va?” wordt hem gevraagd. Met tegenzin antwoordt hij: “Ça va.” Ik grinnik in mijzelf, maar ben bang voor hem dat deze post zijn Waterloo is. Ik vraag aan een van de vrijwilligers of er geen lopers in de problemen zijn gekomen, vandaag. Dat niet, maar er zijn veel uitvallers, zegt hij. Jammer, maar dat liever dan ongelukken, natuurlijk. Een medisch uitziende dame vraagt of ik zeker weet dat ik verder wil gaan. Eerst zeg ik half grappend: “Bien sur,” maar dan zeg ik, wat serieuzer, dat ik me sterk voel, en in elk geval door wil naar Bourg St. Pierre, en dat ik daar wel weer verder zie. Hoewel, en ik wijs naar buiten waar het inmiddels werkelijk hondenweer is, als ik dat zo zie? Inmiddels heb ik haar er echter van overtuigd dat ik me prima voel, geloof ik, want ze maakt een soort wegwerpgebaar, van: ach, als dát alles is? Leuk mens.

Gelukkig bedenk ik nog net op tijd dat het waarschijnlijk wel handig is om een thermoshirt aan te trekken. Ik had het tijdens het laatste deel al niet meer echt warm, en het ziet ernaar uit dat het alleen maar heftiger en kouder is geworden. En wederom ben ik blij met mijzelf en mijn onwaarschijnlijk grote verstandigheid. En dat voor iemand die er prat op gaat dat ze maar wat doet! De beklimming naar de Col des Chevaux is niet zo lang, en aan de andere kant begint het feest. Een steile afdaling, compleet met inhaalverbod.

vsb sneeuwfoto frans

foto: Frans van Huizen

Ik ga nog steeds lekker, en loop zeker en steady in dit terrein. Alleen duurt de afdaling me veel te lang. Ik herinner me uit het roadbook dat we beneden bij een stuwmeer komen, en meen me te herinneren dat aan het eind van dat stuwmeer Bourg St. Pierre ligt. Niet alleen is het stuwmeer veel uitgestrekter dan gedacht, maar aan het eind gekomen blijkt Bourg daar nog niet te zijn. Ik had gehoopt en verwacht voor het donker in Bourg aan te zullen komen, maar dat blijkt valse hoop te zijn geweest. Ik probeer het in de schemer nog een tijdje vol te houden zonder lamp, maar moet me dan toch overgeven. Ergens komen we langs een buitengewoon romantisch huisje in the middle of nowhere, waar geen mens te zien is, maar men de buitenlamp heeft aangedaan. Voor ons, lopers, denk ik zo. De post in Bourg St. Pierre is groot en ongezellig. Ik begin het contact met andere lopers nu toch wel te missen. Vanmorgen had ik nog allemaal kleine gesprekjes, maar vanmiddag en vanavond lijkt men niet zo genegen te zijn tot enige vorm van social talk. Ik eet een bord spaghetti met geraspte kaas en drink, uiteraard, cola. Ik haal mijn zak met reservekleding en -voedsel, maar weet niet goed wat ik zal doen. Ik voel dat ik enorme blaren heb, maar durf niet goed voor andere schoenen te kiezen. Ik weet nu wat ik aan de La Sportiva’s heb, en met de Salomons die in de zak zitten, heb ik nog weinig ervaring. Wel trek ik schone sokken aan, al begrijp ik dat het plezier daarvan van zeer korte duur zal zijn. De verleiding is echter groot om héél eventjes geen steentjes en ander ongemak in mijn sokken te hebben.

Ergens in de afgelopen passages ben ik bang geworden voor de nacht. Ik had niet verwacht zo weinig andere lopers op het parcours te treffen, en bovendien zie ik erg veel markeringsstokken waar het lint-met-reflectiemateriaal van afgewaaid is. Ik zie mijzelf al dwalen door de nacht in het hooggebergte, geen route meer te bekennen, laat staan een andere loper. Maar ja, wat wil ik dan? Ik wil dit toch, en nog veel langer dan dit, dan horen daar ook de nachten bij, dat wist ik toch van tevoren? Ik overweeg om Henny te sms’en, maar ik ben bang dat hij mij hiermee toch echt niet kan helpen. Zijn kundigheid reikt ver, maar dit lijkt mij een beslissing van een andere orde dan die waar de looptrainer een rol in heeft. Petra, van wie ik de hele dag sms’jes krijg, sms ik wel over mijn onzekerheid en twijfel, maar eigenlijk weet ik al dat ik het toch ga proberen. Ik voel me te goed om te stoppen, daar komt het eigenlijk op neer.

Op pad dus maar weer, met op zak nog de waarschuwing dat de Cabane de Mille ‘complet’ is, en wij daar dus niet kunnen blijven, mocht dat gewenst zijn. Nu doorgaan naar de Mille, betekent verplicht doorgaan tot Lourtier. Nou ja, nu doorgaan betekent voor mij: willen finishen, en de finish ligt nu eenmaal voorbij Lourtier. De eerste twee mannen die mij gezelschap hadden kunnen houden tijdens de nacht, gaan me te langzaam en ik stiefel ze voorbij. Dan maar alleen. Over het vinden van de route had ik me geen zorgen hoeven maken. Het begin gaat over een breed pad, niet te missen, en het vervolg gaat over een modderspoor dat getrokken is over grashellingen, evenmin te missen. Hier lijken de markeringen bovendien intact gebleven te zijn. Dat betekent niet dat ik het niet zwaar krijg. Ik ben aan het ploeteren met de modder. Ik glijd de godganse tijd uit, met elke stap blijft mijn schoen een stukje achter bij mijn voet, en ik word behoorlijk chagrijnig. Ik heb de wonderlijke gewoonte om hardop tegen mezelf te praten (sommigen zouden het pathologisch noemen) – “Immer redet sie,” zei de skileraar vroeger over mij – en ik ben nu flink aan het mopperen. Ik vind het allemaal maar oneerlijk en vraag me af waar ik dit aan verdiend heb. Ondertussen blijf ik verstandige dingen tegen mezelf zeggen, zoals dat het niet zoveel zin heeft me zo te verzetten, dat het daar heus niet beter van wordt. Dat is tegen dovemansoren, echter. Als ik al veel te lang aan het vechten ben, word ik ingehaald door een Fransman bij wie ik zowaar aan kan haken. Dat scheelt. Het maakt het lopen geenszins makkelijker, maar absoluut draaglijker. Iets met gedeelde smart en zo.

Om twee uur zijn we in de Cabane de Mille. Mijn tijdsbesef is weer eens volkomen verstoord, ik heb echt geen idee. Pierre-François, of hoe heet de goede man, kletst met de aanwezige vrijwilligers alsof hij ze al jaren kent. Ik ben slaperig, moe, en eerlijk gezegd nu misschien toch niet meer helemaal op mijn allerbest. Het Franse geratel gaat langs mij heen. Op een bepaald moment wordt het woord tegen mij gericht en ik hoor iets over Pays-Bas en football. Ik begrijp dat ‘we’ gewonnen hebben in de strijd om de derde plaats. Boeiuh. Maar ik waardeer dat ze me erbij betrekken. Alors, on y va. Tijdens de afdaling meer van hetzelfde. Modder. Een poosje loopt een jonge vent met ons mee die een schijnwerper op zijn hoofd heeft die de onzichtbare volle maan waarschijnlijk moet vervangen. Een mooi gezicht als hij daarmee rotspartijen beschijnt. We moeten ruim 1400 meter naar beneden, en opnieuw valt me dat lang. Bijkomend ‘dingetje’ is dat ik nu opeens om de haverklap moet plassen. En dan echt nodig plassen, niet zo dat je het ook makkelijk nog een half uurtje op kunt houden of zo… Elke keer zeg ik tegen mijn vriend-voor-de-nacht dat hij maar door moet lopen, ik kom wel weer. Dwingt me mooi om weer eens even wat vaart te maken met de luie benen.

Tegen vijf uur komen we in Lourtier aan, drie uur voor sluitingstijd van de post. Hier is het dan opeens weer vrij druk met lopers. Relatief druk, dan. Het grappige is dat ik natuurlijk heus wel weet dat de grote massa ver voor ons uit is, en dat dat logischerwijs de betere lopers zijn, maar mijn referentiekader wordt gevormd door de lopers die ik om mij heen zie. En vergeleken met hen, voel ik me prima, zo te zien. Van de tafels met eten en drinken naar de zitruimte, moeten we een trappetje af, en het lijkt alsof ik de enige ben die daar nog enigszins normaal naar beneden komt. Sowieso is het met de verzuring in de benen zoveel beter dan vorig jaar! Toen had ik na de eerste lange afdaling al vreselijk zere benen. Nu doen ze natuurlijk ook wel zeer, maar veel minder dan toen. De trainingen werpen hun vruchten af.

Wat volgt is een misdadige stijging. Ruim 1200 meter in net iets meer dan 5 kilometer. Een stijgingspercentage van meer dan 20% dus. Dat is echt niet normaal. In het roadbook staat: “Cette montee est un gros morceau de 1200m, arrivant en fin de parcours. Mieux vaut donc l’avoir anticipée avant.” Grappige jongens, die Fransen. O nee, Zwitsers. Ik zeg tegen Pierre-François dat hij nu echt vooruit moet gaan – dit steile stijgwerk gaat bij mij beduidend langzamer dan bij hem. Maar laat ik mijzelf niet uitvlakken: ik loop misschien niet snel, maar ik loop wel dóór, en zo haal ik langzaam maar zeker toch weer wat mensen in. Ik heb alleen razende honger, en stop even om een gel te nemen. Brr, goor. P-F pauzeert ergens, weer volop kletsend met een andere loper, en dan haal ik hem weer bij. Vlak na hem kom ik aan bij de laatste verzorgingspost. Dit is nu een punt waar ik in mijn eentje misschien wat sneller door zou zijn gelopen, zoals ik anderen ook zie doen, maar P-F gaat er rustig bij zitten, en ik sluit me daar maar bij aan. Ik denk aan wat Wilco van Rooijen schijnt te zeggen tijdens lezingen: “Alleen ga je sneller, samen kom je verder.” Ik was erg blij met het gezelschap van P-F tijdens de nacht, en wil nu ook de laatste afdaling met hem volbrengen. Wij zijn voor die afdaling in Lourtier gewaarschuwd: die zou erg modderig zijn. Op die waarschuwing reageerden de lopers wat lacherig: joh, módderig? Dat hebben we nog niet gehad. De afdaling is modderig. Dus. Erg modderig. Ik zak nu voor het eerst tot over mijn enkel weg. Gevaarlijk wordt het naar mijn idee echter nergens. Nu het weer licht is, gaat het afdalen sowieso veel makkelijker. P-F gaat wel om de haverklap onderuit, maar dat is niet ernstig en komt door gebrek aan concentratie. Denk ik. En vermoeidheid. Maar het eerste zal waarschijnlijk een gevolg zijn van het laatste.

Het laatste stuk is een eitje. En oef, nu vind ik het toch wel even lastig om solidair te zijn. Niet echt, ik twijfel er niet aan dat we samen die finish over moeten gaan, maar o, wat zou ik graag nog even een stuk een beetje doorlopen. Ik kan het, mijn benen doen nauwelijks pijn, mijn voeten doen weliswaar ongelooflijk pijn, maar dat doorsta ik wel. Deze keer ben ik degene die P-F op sleeptouw neemt, in die zin dat hij probeert ook hard te lopen. Snel gaat het niet, maar toch altijd nog sneller dan degenen die wandelend bijna stilstaan. Tergend langzaam gaan we door de straten van Verbier, waar een enkeling ons aanmoedigt. Poepoepoe, had ik al eens gezegd dat geduld niet mijn sterkste kant is? Het levert niet echt een juichende finish op, maar alla. Blij ben ik toch wel. Het is volbracht. Belangrijk was het misschien niet, maar mooi was het, heel mooi. Ik ben een tevreden mens. Serieus.

Geplaatst in bergen, hardlopen | 9 reacties

Jantje huilt, jantje lacht

Na mijn Twentepadactie van vorige week, vraag ik me serieus af of ik daarmee nu niet de grootste stommiteit heb uitgehaald in de aanloop naar het bergloopje die ik maar uit had kunnen halen. Wat heb ik me eigenlijk in mijn hoofd gehaald? In Nederland nooit verder dan 60km gelopen, vorig jaar dan wel een keer 80 in de bergen, maar daarna was ik dan ook compleet total loss, en dan nu even als training ruim 90km lopen? Maar ja, het is gebeurd en kan niet ongedaan gemaakt worden, en dan wordt het nu de kunst de schade (als die er is, want helemaal zeker weet ik dat natuurlijk ook weer niet) zoveel mogelijk te beperken.

Ik loop het Twentepad op vrijdag. In het schema staat rust voor zaterdag, zondag en maandag. De trainingen van dinsdag en woensdag sla ik over, maar wel ga ik op dinsdag en donderdag op de fiets naar Amstelveen. Donderdag heb ik op de terugweg wind tegen, en tegen mijn goede voornemens in blijf ik pushen om vooruit te komen. Die avond ben ik uitgeteld.

Vrijdagochtend masseert Henny dijbenen en kuiten, en de spieren voelen goed. Dat is mooi. Voor vrijdagavond en zaterdagochtend heb ik al een poos geleden afgesproken met een groepje met bepakking te gaan lopen. Geen gigantische afstanden (rond de 20 en 15 kilometer), en bovendien een prachtig plan, maar met mijn huidige staat van vermoeidheid zou ik het waarschijnlijk niet gedaan hebben als die afspraak er niet al lag. En dan heb ik me met mijn suffe kop ook nog ingeschreven voor de Letterenloop op zondag. Waar begin ik aan?

Vrijdagavond gaat het lopen aanvankelijk nog wel, al gaat het niet heel gemakkelijk. We moeten vaak een aantal keren een stukje heen en weer lopen – dat geeft niet, dat wist ik van tevoren. Alleen zie ik een beetje zorgelijk hoe de camping op deze manier niet echt snel dichterbij komt. In de tweede helft heb ik het zwaar. Het is benauwd weer, en, nou ja, ik ben gewoon moe. Het ziet ernaar uit dat we laat op de camping aan zullen komen, en de twee andere vrouwen in het gezelschap zetten er de vaart in. Sterke ultralopers, allebei. Gelukkig vraagt een van de mannen zich hardop af of de vrouwen inmiddels warmgelopen zijn, of dat wij langzamer zijn geworden – kennelijk ben ik niet de enige die opmerkt dat het tempo iets omhoog is gegaan. Op de camping aangekomen, hangen/zetten we de tarps op, rollen onze matjes en slaapzakken uit, en maken wat eten klaar. Uit het regelmatige gejuich even verderop leiden we af dat het goed gaat met het Nederlands elftal. Ik ben de eerste die aftaait. Het is vrij laat, en ik ben volkomen afgedraaid.

De nacht is onrustig. Er is veel en langdurig herrie, maar waarschijnlijk ligt het ook aan mijn eigen onrust dat ik weinig slaap. ’s Morgens voel ik me redelijk, en het ontbijt is heerlijk (iets met haver en frambozen – jammie!), maar ik zie op tegen het lopen, al heb ik ook nog stiekeme hoop dat het nu opeens weer wél lekker zal gaan. Maar dat gaat het niet. Zelden heb ik het zo zwaar gehad als tijdens deze schamele 15km. Ik dreig zelfs kramp in mijn linker hamstring te krijgen – zoiets heb ik tijdens het lopen nog nooit gehad. De omgeving is prachtig, het gezelschap geweldig (ook zorgzaam, want het ontgaat hun niet dat ik het enigszins zwaar heb), maar ik ben vooral aan het worstelen met mezelf. Het huilen staat me nader dan het lachen. Nog los van de zwaarte van het moment: wat heb ik in vredesnaam gedaan?! Ik was zo fit, en moet je me nu zien. Straks heb ik mijn hele bergloopvoorbereiding verknald en gaat het in Zwitserland over een paar weken helemaal mis.

Als ik ’s middags thuiskom, ga ik, na het douchen, meteen naar bed en slaap ik een uurtje. Ik vraag me af of het heel stom is om ook nog die 10km van de Letterenloop te lopen, morgen. Henny zei vrijdag: wees gewoon nieuwsgierig, je hebt geen goede voorbereiding gehad, en kijk dan maar gewoon eens hoe dat gaat. Nou ja, misschien doet een goede nachtrust wel wonderen.

En warempel, het gaat heel behoorlijk. Het is voor mij iets te warm, ik voel natuurlijk de vermoeidheid, maar van kramp heb ik geen last, en ik loop uiteindelijk maar een minuutje boven m’n pr. Dat vind ik onder deze omstandigheden zeer acceptabel.

En meteen heb ik er weer vertrouwen in. Als dit lukt, dan heb ik het hopelijk toch niet helemaal verknald. Misschien toch maar weer gewoon gaan trainen komende week.

 

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Klein leed en lichtpuntjes langs het Twentepad

Oef. Opeens is de pijn in mijn rechter kleine teen zo groot, dat ik er onmogelijk mee door kan lopen. Ik passeer net een terras met vrijdagmiddagborrelende mensen, toch al niet een omstandigheid waarin ik mij het meest op mijn gemak voel. En ik heb het mezelf ook alweer niet gemakkelijk gemaakt door kennelijk een afslag te missen, waardoor ik vlak langs de recreatieplas loop, vol veel te blije mensen, terwijl ik net iets verderop over een rustig bospad had horen te lopen, met de zwembadgeluiden aangenaam op de achtergrond. En ik loop nog om ook, maar dat zie ik achteraf pas.

Ik strompel naar de juiste route, en neem plaats op een van de paaltjes waarmee de zandweg is afgezet voor auto’s. Wat een ellende. Ik ben nog maar net uit Oldenzaal vertrokken, waar ik mijn tweede lange pauze hield, en moet nog krap 30 kilometer, terug naar Almelo. Ik voelde vanmorgen al snel dat ik blaren kreeg, maar tot nu toe was de pijn van een vertrouwd en draaglijk niveau. Nu niet meer. Het enige dat ik kan bedenken, is wat extra tape erop, al verwacht ik daar weinig heil van. De linkerteen dan ook maar meteen, je weet nooit waar het goed voor is. Als ik beide sokken en schoenen weer aan heb, ga ik met tegenzin weer op pad. De teen voorzichtig weer belastend, maar de pijn is onverminderd groot. Dan maar proberen er op een andere manier mee om te gaan. Verzet werkt niet, negeren is onmogelijk, toestaan dan maar. Gelukkig hoef ik het ook weer niet al te lang toe te staan – na een poosje is de pijn weer tot het vertrouwde niveau geslonken. En als later links hetzelfde gebeurt, weet ik dat ik me er niet door van de wijs hoef te laten brengen. Hoe pijnlijk ook, het gaat weer over.

Een plan van een jaar oud wordt vandaag eindelijk ten uitvoer gebracht. Tussen alle prachtige wedstrijdverhalen die ik lees, zijn het vooral de verslagen van tochten die mensen in hun uppie maken waar ik van smul. Jolanda Linschooten die de Bob Graham Round loopt, of die, in voorbereiding op de UTMB, een paar dagen in haar eentje de Tour du Mont Blanc gaat ‘verkennen.’ Lara Klaassen die met hond en bivakzak een paar dagen in een herfstig en mistig Duitsland een stuk van een lange-afstandspad aflegt. Dat soort werk. Maar laat mij maar heel eenvoudig beginnen. Met een eendaagse, ergens in Nederland, gemarkeerd. Een LAW ligt voor de hand. De meeste zijn te lang. Van de routes waar ik het boekje al van heb, komt eigenlijk alleen het Twentepad in aanmerking. Het Krijtlandpad, in Limburg, is bij veel lopers in trek, en is ongetwijfeld heel mooi, maar dat komt nog wel een keer voor mij. De af te leggen afstand is al barrière genoeg voor me, daar hoeft nog niet per se een zooitje hoogtemeters aan te worden toegevoegd. Twente heeft bovendien als groot voordeel dat ik het huis van mijn ouders, in Nijverdal, als uitvalsbasis kan gebruiken. Vorig jaar kwam het er niet van, maar nu kan ik het mooi inpassen in de trainingen.

Als ik door Almelo loop, is het nog lekker koel. Het is nog vroeg. In de winkelstraten klinkt een inbraakalarm. Op een plein ben ik de route even kwijt, en ik loop onnodig een stukje terug. Dat begint al goed. Gelukkig voert de route al snel naar het groen bij Huize Almelo. Daarna moeten er nog even een paar wegen overwonnen worden, maar dan loop ik de stad echt uit en kan de dag beginnen. Ik heb me voorgenomen vooral niet te snel te starten – een kilometer of 9 per uur, heb ik zo bedacht. Als ik zo nu en dan even het routeschermpje verlaat om te kijken hoe snel en hoe ver ik ben, blijkt dat ik me niet druk had hoeven maken over ‘te snel’ – die 9 km/u haal ik niet eens. Gelukkig heb ik de tijd.

En die tijd zal ik nodig hebben ook. Na 30 kilometer in drie uur en drie kwartier kom ik aan bij de watermolen van Bels. Ik heb van tevoren bedacht dat ik er maar het beste met recht een dagje uit van kan maken, en strijk hier op het terras neer voor een kop koffie en een stuk kwarktaart met slagroom. Ook kan ik mooi even naar de wc, het zout van mijn gezicht spoelen en nieuwe sportdrank maken. Tot nu toe gaat het niet heel makkelijk. Mijn ‘genietertje’ staat vandaag niet aan, heb ik al een paar keer bedacht (die lekker kleffe uitdrukking heb ik uit een column van Aaf Brandt Corstius in Onze Taal). Het heeft kennelijk nogal geregend de afgelopen tijd en de smalle paadjes zijn nat en modderig. Op andere momenten draagt modder alleen maar bij aan de feestvreugde, maar vandaag ben ik niet in een modderminnende bui en baal ik van de extra energie die het me kost de modder en de plassen zo goed en zo kwaad als het gaat te ontwijken. De bramenstruiken ontwijk ik niet. Zo nu en dan loop ik fout, en ik loop een stuk onnodig langs een iets drukkere weg. Een goede mentale training, bedenk ik maar. Op het terras heb ik het routeboekje erbij gepakt en kijk ik naar het vervolg. Ik tel de kilometers. Vanaf Oldenzaal naar Almelo is het 30 kilometer. Omdat ik uitga van 90 kilometer in totaal, reken ik erop dat het tot Oldenzaal ook nog 30 is. Dat wordt de volgende etappe – in Oldenzaal mag ik dan weer een wat langere pauze nemen van mijzelf.

De kwarktaart doet wonderen, en tot mijn verrassing loop ik de volgende 10 kilometer redelijk lekker. Het is ook meteen een van de mooiste gedeeltes van de route. Nog een stukje langs de Duitse grens, en dan door het Springendal naar Ootmarsum. Een paar weken geleden liep ik een stukje Pieterpad en schreef ik over mijn liefde voor Groningen. Nu denk ik: sorry Groningen, ik houd van je, maar Twente is toch echt mooier. Bij Ootmarsum is de kwarktaart uitgewerkt, en ga ik weer op standje overleven. Ergens op een smal paadje kom ik een bepakte ezel tegen, met begeleider ernaast en wandelend echtpaar erachter. Ik groet en kijk kennelijk nogal blij, want daar krijg ik een opmerking over. Ik ben bang dat het vandaag de laatste keer is dat ik blij kijk.

Zestig kilometer gaat in acht uur. Eigenlijk valt dat me niet eens tegen, maar ik realiseer me dat de tweede lange pauze nog moet komen, en dat een eindtijd van twaalf uur er niet in zal zitten. Wat erger is, is dat Oldenzaal nog niet in zicht is. Ik ben nog niet door mijn drinken heen, maar ik merk dat ik erop aan het bezuinigen ben. Bang om zonder te komen zitten. Het is warm – maar ook dat beschouw ik maar als een mooie training. Bovendien hoorde ik bij Bels dat het morgen 32 graden zal worden, daarmee vergeleken is het vandaag nog aangenaam. Na 66 kilometer ben ik dan toch in Oldenzaal. Ik had het kunnen weten. Volgens het routeboekje zou de route ongeveer 90 kilometer moeten zijn (inclusief aan- en afloop van en naar station Almelo), maar de verschillende gps-bestanden bij elkaar opgeteld geven een afstand van in totaal 97 kilometer aan. Als het laatste stuk 30 is, klopt die 66 dus wel zo’n beetje. Ik vraag de weg naar een supermarkt, en koop bij Albert Heijn een liter cola, 2,5 liter water en een pak tucjes. De cola gaat op, de helft van de tucjes ook, 2 liter water gebruik ik om nieuwe sportdrank te maken en de waterzak te vullen en dan gaat er nog een flesje water extra in de rugzak. Dat maakt dat ik met een flink gewicht op de rug weer op pad ga, maar ook dat ik me geen zorgen meer hoef te maken over gebrek aan drinken.

In Oldenzaal had ik trouwens ook op de trein kunnen stappen. Dat ik dat niet doe, betekent dat ik er langzaam maar zeker (weer) in ga geloven dat ik het vandaag uitloop, al vind ik 30 kilometer nog te gaan een onmenselijke en nauwelijks te bevatten afstand. Als ik weer op pad ga, wandel ik eerst een stuk, maar zet dan toch maar weer een sukkeldrafje in. Meer dan dat zit er niet in. De blarenproblemen komen me iets te snel na de pauze. Ik vind het niet erg om wat vaker te stoppen dan ‘normaal,’ maar weet dat als ik te vaak stop, het steeds moeilijker zal worden om het eind te halen. Gelukkig zijn er toch, hoe zwaar ik het ook heb, steeds weer stukken waarin ik me ertoe kan zetten om door te lopen, gewoon maar door te lopen, de ene voet voor de andere, het hoeft niet mooi, het hoeft niet snel, als ik maar blijf bewegen. Van de volgende kilometers staat me weinig meer bij. Ik weet dat ik een tijdje op zoek ben naar wat beschutting om mijn blaas te legen, en ik weet dat ik merk, als ik die beschutting heb gevonden, dat ik weer een potentiële schuurplek ben vergeten in te vetten en dat mijn geschramde benen een dankbare prooi voor de muggen vormen. Na het plassen wandel ik weer een poosje, en ik ben zo slim om iets te eten. Ik neem zelfs een cafeïne-gel. O, o, soms vind ik mijzelf zo verstandig.

In Hertme ga ik over op het laatste gps-bestand. Dat geeft nog 10,6 kilometer aan, en pas nu weet ik dat ik het ga halen. Ik ben dan nog onbewust van het feit dat verreweg het zwaarste stuk nog moet komen. Na een kilometer gaat de route een graspad op langs de Oude Bornse Beek. Later volgt het niet langer die beek, maar een kanaal. Lopen over het gras valt me zwaar, heel zwaar. De ondergrond is oneffen en bij elke stap sleept mijn voet door het stugge gras. De voeten hoger optillen is een onmogelijkheid in dit stadium. En het gaat maar door, kilometers en kilometers achter elkaar. Links van me water, rechts van me grasland. Ik vervloek de eentonigheid, ik vervloek degene die dit bedacht heeft, ik vervloek mezelf omdat ik de route niet andersom loop – als ik dit had gelopen toen het nog fris was, en ikzelf ook, had ik er vast de schoonheid wel van weten in te zien – en bovenal vervloek ik de zon die ongenaakbaar blijft schijnen. Hoepel toch op met je warmte en je felle licht! Ik passeer vissers die in volmaakte rust hun ding doen. Ik zie een stelletje op een kleedje aan het water zitten en vraag me af wat voor lichtjes ze naast zich hebben staan – kaarsen of lampen lijkt me zo gek, nu het nog licht is. Ik ben wat kippig, en zie pas als ik vlakbij ben dat het glazen rosé zijn die flonkeren in het zonlicht. Ik groet, maar ik geloof dat het beeld van een zweterige, sloffende hardloper niet echt bijdraagt aan hun idee van romantiek en krijg geen groet terug.

Ik heb me voorgenomen om pas te kijken hoe ver ik ben, als ik van de grasdijk af ben. Dat lukt me niet, het duurt te lang. Als ik even spiek, heb ik er 88 kilometer op zitten. Weer een poos later heb ik een leeg schermpje. Wauw, dat is voor het eerst dat ik de batterij van m’n horloge heb leeggelopen. Uit voorzorg had ik de frequentie van het zoeken naar satellieten ingesteld op 1x per 60 seconden, maar het navigeren kost kennelijk zoveel stroom dat de batterij na 13 uur leeg is. Voorlopig kan ik weinig kanten op, en hoef ik alleen maar rechtdoor het water te volgen. Als ik dan aan het eind van deze martelgang eindelijk weer op asfalt uitkom, blijk ik op het punt te staan waar het rondje gesloten wordt, en ik linksaf naar Almelo moet. Of rechtsaf voor nog een rondje natuurlijk…

Heel even ga ik nog op een bankje zitten, ik kan het niet laten. Ik heb bedacht dat ik de laatste 2,5 kilometer ook wel mag wandelen, maar zie mezelf toch weer dat sukkeldrafje inzetten. Nog even afzien. Het verstand staat al heel lang op nul. Ik heb het routeboekje nu noodgedwongen in de hand, maar hardlopen en in het boekje kijken gaat niet zo lekker samen. Gelukkig staan er in het centrum ook richtingaanwijzers naar het station. De mensen op de terrassen negeer ik, ik ben alleen maar bezig het eind te halen. En ik haal het, hoe is het mogelijk. De precieze afstand weet ik niet, maar zal 93 of 94 kilometer zijn. 13 uur en een minuut of 40 onderweg, inclusief pauzes. Geen juichstemming, zelfs enige twijfel of ik hiermee nu niet meer kapot heb gemaakt dan drank goed kan maken, met het oog op de plannen voor over een paar weken, maar toch blij en tevreden dat ik heb doorgezet. Dit was er een die hoog op mijn wensenlijst stond. Weer vind ik het mooi om te merken hoe je toch altijd weer ergens kracht vandaan weet te halen als het zwaar is. Maar ook vind ik het goed om te merken dat een aantal keren 60 kilometer hebben gelopen, niet wil zeggen dat je er ook met relatief gemak even 90 wegtikt. Prima. Sterk is mooi, maar bescheiden blijven is ook niet verkeerd.

De uitvalsbasis in Nijverdal beschikt over een bad. Het warme water is een weldaad voor mijn gepijnigde benen. Ook is er soep en bier. En zijn er zorgzame ouders – is die zorgzaamheid me soms weleens iets te veel, nu dompel ik me er graag in onder. En als ik de blaren onder mijn voeten zo bekijk, weet ik dat ik me gelukkig kan prijzen dat ik alléén van de kleine tenen serieus last heb gehad, en dat nog maar heel kortstondig. En dat het goed is dat mijn voeten nog vijf weken de tijd hebben om te herstellen.

Het is een schone dag geweest – zelfs zonder genietertje.

Geplaatst in hardlopen | 17 reacties