Zomaar tussendoor

Over vier weken wordt in de omgeving van Chamonix het loopje gelopen waarbij ik vorig jaar aan de start stond. Was ik toen een van de weinige Nederlanders die ‘m liep, en een van de nog iets weiniger Nederlanders die over de finish kwamen, en daarmee ook meteen een van de eerste etc, dit jaar zal er een batterij Nederlanders aan de start staan om u tegen te zeggen. Vorig jaar werd deze 80 kilometer voor het eerst toegevoegd aan het driedaagse gebeuren dat Marathon du Mont Blanc heet, en dat jaar was het feitelijk proefdraaien voor dit jaar, waarin de 80 du Mont Blanc deel uitmaakt van het WK Skyrunning. (Nederland vaardigt naar dat WK een team af van zeven personen. Wat mij opvalt, is dat Pascal van Norden, niet bepaald de langzaamste Nederlandse ultratrailer, de ambitie heeft om ‘met opgeheven hoofd en een big smile’ te finishen. Niks mis met willen winnen hoor – als ik snel zou zijn, zou ik ook willen winnen, sterker: nu ik nu eenmaal behept blijk te zijn met een tekort aan snelle spiervezels, zou ik nog steeds liefst willen winnen – maar dit vind ik toch mooi gezegd…)

Nou ja, ik ben in gedachten relatief veel bezig met vorig jaar, de laatste tijd, dat bedoel ik maar. Dat komt niet alleen doordat wat bekenden het loopje gaan lopen tijdens welk ik zoveel plezier heb gehad (zwaar? afzien? daar lachen we om!), maar ook doordat de vakantie, inclusief bergloopje, voor mezelf er ook weer aan zit te komen en de praktische voorbereidingen op gang komen. Aan het eind van de maand rijd ik naar de omgeving van Aosta om daar, na een paar dagen lezen en domweg genieten van de bergen om me heen, een trektocht van vier dagen te maken met mijn beide zussen en zwagers. Ik ben van plan om dit jaar écht lichtgewicht te gaan, en dat betekent onder andere dat ik onder de wing (de meeste mensen zeggen tarp, maar de mijne is echt een wing) ga liggen, in plaats van in een tent. Ik vind vrij kamperen niet echt eng, zolang er maar anderen in de buurt zijn, maar ik zou heel graag ook in mijn eentje meerdaagse tochten door de bergen willen maken (hardlopend), en op een of andere manier heb ik het idee opgevat dat dit in mijn eentje onder mijn wing slapen daar een heel klein beetje een oefening voor is. Nét iets spannender dan veilig afgeschermd van de boze buitenwereld in mijn tentje, of zoiets.

Na de trektocht heb ik nog een paar dagen om meer te lezen, meer te genieten van de bergen om me heen, en om mijn benen na het wandelen met bepakking weer een klein beetje aan hardlopen te laten wennen. Ik heb al een paar prachtige tochtjes gezien naar wat hooggelegen bivakhutjes… maar waar ik al bang voor was: dát lijkt Henny nou weer niet zo’n goed plan, zo vlak voor De Wedstrijd. Ergens in die week zal ik mij verenigen met Wilbert en Edwin, met wie ik samen aan de start zal staan van de Trail VSB.

Zal ik het weer redden, dit jaar? Met hetzelfde plezier als ik vorig jaar had? Je weet het niet van tevoren, natuurlijk. Wel weet ik dat de trainingen over het algemeen goed gaan. Ik had een poos tot mijn frustratie opnieuw last van bil, heup en hamstring (dank voor alle adviezen – vooral dat ‘geduld’ dat de meest ervaren ultralopers in hun advies noemden, heb ik in mijn oren geknoopt, en probeer ik in de praktijk te brengen), maar dat gaat inmiddels een stuk beter. De fysio-oefeningen heb ik met hernieuwde ijver opgepakt, en ik las op het onvolprezen facebook iets over zitten op een tennisbal, dat hielp ook (au!) – denk ik althans, dat dat hielp. Once again: je weet het niet, je probeert maar wat. Ik maak langere weken dan vorig jaar, maar dat mag ook wel, gezien het feit dat ik er naar verwachting ook ongeveer anderhalf keer zo lang over ga doen als toen. Ik ga ervan uit dat ik ongeveer 30 uur nodig zal hebben. Langer mag (maximaal 36 uur), korter mag ook, maar is niet speciaal het streven. Vorig jaar deed ik er een paar uur langer over dan ik van tevoren had verwacht, maar was ik toch dik en dik tevreden, omdat het goed was gegaan, en ik had gelopen voor wat ik waard was. En óf ik daar met opgeheven hoofd en een grote glimlach over de finish ging. Zo hoop ik het dit jaar weer te ervaren.

Tijdens de laatste paar duurlopen heb ik me echter wel gerealiseerd dat het ook weer niet vanzelfsprekend is dat het tijdens een wedstrijd altijd voorspoedig verloopt. Een paar weken geleden had ik het gewoon retezwaar en kwam ik niet vooruit. Nou ja, dat heb je soms. Maar afgelopen zondag, toen ik nogmaals het rondje Haarlem liep, ging het best aardig, althans tijdens de eerste 20 kilometer, en tóch vroeg ik me meerdere keren af waarom ik dit toch in vredesnaam wil, zulke einden lopen. En dan ging het nu nog maar om een lousy 50 kilometer, en wil ik liefst het tweevoudige, drievoudige, en allerliefst het 6,6-voudige ervan gaan doen. Waarom? Geen flauw idee werkelijk! En zo bleek een van de weinige zekerheden die het leven te bieden heeft, namelijk dat lang lopen Heel Erg Leuk is, zomaar opeens óók al aan twijfel onderhevig te zijn.

Wat staat er de komende tijd nog op het programma? Zondag een relatief korte heuveltraining in de duinen. Volgende week iets lang-langs. Daarna nog iets leuks en gezelligs met bepakking, als het goed is. Misschien ergens nog een keer de UHT. En om mijn wedstrijdhonger te stillen, ga ik 15 juni (voor het eerst) aan de Letterenloop meedoen (10km), en de 20e aan de Midzomernachtcross in het Amsterdamse Bos (16,1km). Heerlijk vooruitzicht, maar ook een beetje eng om opeens ‘wedstrijdtempo’ in het schema te zien staan. Kan ik dat eigenlijk wel, hardlopen?

Geplaatst in bergen, hardlopen, kamperen | 2 reacties

Ploeteren

Na een paar weken met bijna alleen maar hoera-trainingen, was het vandaag dan weer eens tijd voor een potje ouderwets zwoegen. Het wordt een rondje vanuit huis, en het begint er al mee dat ik lichtelijk depressief word bij de gedachte aan het eerste stuk, door de stad richting de duinen. Niet depressief genoeg echter om de fiets te pakken, om dat eerste stuk dan maar over te slaan: dat kost me dan weer te veel tijd.

Ik voel het meteen: zware benen. Nou ja, dat heb je soms, en meestal gaat dat na een poosje wel over. Ik loop een beetje naar binnen gekeerd door de stad; het mag dan niet mijn favoriete loopomgeving zijn, het gaat nu even om de kilometers, en als ik me er maar niet druk om maak, nou, eh, dan maak ik me er dus niet druk om. Na 5 kilometer loop ik Middenduin in en is het leven goed. Ik loop een paar keer de heuvel op en neer, en maak dan een iets langer rondje dan ik van plan was. Nu moet ik kiezen: via de Kennemerduinen en het strand naar de Waterleidingduinen, of rechtstreeks via het Visserspad? Ik was eigenlijk van plan om nu weer eens een stuk strand mee te pikken, maar ik ben een beetje bang dat dat de route te lang zal maken. Ik moet – of mag, dat hangt ervan af wanneer je het me zou hebben gevraagd – 35 kilometer lopen, en langer hoeft van mij ook echt niet deze keer. Ik zet dus koers naar Kraantje Lek, en ga het Visserspad op om later linksaf te slaan naar het natuurviaduct over de Zandvoortselaan.

De opleving die ik had in Middenduin, is kennelijk alweer verleden tijd. Als ik de Waterleidingduinen in gelopen ben, loop ik even door tot in de schaduw, en stop er dan mee. Het is warm, maar ik weet niet of het daaraan ligt dat ik het zo zwaar heb. In elk geval moet ik even iets eten, en ik ga erbij zitten. Ik heb er 17 kilometer opzitten, en ik begin met mezelf te onderhandelen. Zou het per se nodig zijn om 35 kilometer te lopen? Vorige week liep ik 50, volgende week loop ik weer 50, dan zal het toch niet uitmaken of ik er vandaag nou 30 of 35 loop? Bovendien werk ik zo braaf (vrijwel) al mijn trainingen af, dat het volgens mij helemaal geen kwaad kan om een keer de teugels wat te laten vieren. Aan de andere kant: de training van gisteren was 5 kilometer langer dan de laatste tijd steeds op zaterdag, en als ik die 5 kilometer er nu weer van afhaal, wat voor zin had het dan om die 5 gisteren extra te lopen? En bovendien: nu heb ik het zwaar tijdens een training, maar dat soort momenten zal ik ongetwijfeld straks ook hebben, als ik meer dan een etmaal onderweg ben.

Ik sluit een compromis: korter dan 35 kilometer mag, maar het moet dichter bij 35 zitten dan bij 30. 33 is dus toegestaan, 32 niet. Met moeite zet ik me weer in beweging. Gelukkig word ik ook weer niet volkomen in beslag genomen door mijn zware benen en moeizame ademhaling, en ontgaat me niet dat het mooi is om me heen. De herten die voor me wegschieten, het groene groen, het gekwetter van de vogels, en in de schaduw voel ik zelfs nog een aangename koelte. Ik ben blij dat ik mezelf het strand niet heb aangedaan vandaag. Ik volg maar wat paadjes, met als enige doel voldoende kilometers op de teller te hebben voor ik het duingebied bij de Oase weer verlaat. Alle bankjes die ik onderweg tegenkom, lonken naar me. Dat doen ze anders nooit! In Ley- of Vinkenduin is het het met boterbloemen bezaaide gras dat me ertoe probeert te verleiden me even neer te vlijen. Als ik niet het vooruitzicht zou hebben gehad dat ik daarna alsnog naar huis had moeten lopen, zou ik er misschien aan hebben toegegeven. Nu ploeter ik maar voort.

Zo kan het dus ook gaan. Wist ik natuurlijk allang, maar ik bedenk tijdens het lopen dat je je ook zo kunt voelen tijdens een wedstrijd, en dan heb je mooi pech. Ik vertelde net vrijdagavond aan een paar vriendinnen hoe mooi ik het vind om te ervaren dat je na een lange duurloop thuiskomt en het gevoel hebt dat je maar 5 minuten weg bent geweest. Zo is het vandaag niet. Ik ben niet alleen vrij lang onderweg geweest, maar ervaar het ook zo. En dan loop ik eigenlijk nog te kort ook.

Gelukkig wacht mij thuis een stuk appeltaart.

Geplaatst in hardlopen | Plaats een reactie

Feest

Het lijkt verdorie wel of ik een wedstrijd ga lopen. Een t-shirt met korte mouwen heb ik aan, sleeves heb ik bij me, maar ook een thermoshirt met lange mouwen, en een regenjas. De jas moet mee, dat is gezien de weersvoorspellingen bijna onontkoombaar, maar liever heb ik hem niet aan. Maar het is fris en het waait, dus misschien is alleen een shirtje weer te koud. Thermoshirt eronder dan maar. En voor de tweede keer naar de wc. Stella en Paul hebben onderweg file, en zijn daardoor iets later dan de afgesproken 10 uur. Regent het? Het hoost, zeggen zij. Shit. Thermoshirt er weer onder uit, en toch maar een regenjas aan. Iedereen klaar om te gaan? Ja. O nee, kan het nog even? Nog een derde keer naar de wc.

En dat terwijl het helemaal geen wedstrijd is, maar een feestje. Edwin en Monique zagen ergens in de afgelopen maanden Abraham respectievelijk Sarah, en vieren dat vandaag. Met, zoals aangekondigd, een informeel feestje vanmiddag. Edwin heeft echter bovendien wat loopvrienden gevraagd om ’s morgens al te komen om voorafgaand aan het feest met hem een rondje te maken door zijn achtertuin, de Veluwezoom. Een rondje van 50 kilometer – dat kan niet missen bij deze leeftijd. Met z’n zevenen zijn we. Het zouden er iets meer zijn, maar er blijken mensen te zijn die op zaterdag moeten werken, een enkeling is geblesseerd of ziek. Paul is er wel, maar mompelt iets over fasciitis plantaris en steunzolen en gaat fietsen. Het looptochtje is tactiek van Edwin – niet om zich te onttrekken aan de voorbereidingen voor het feest (nee, zo is Edwin helemaal niet), maar om ook de vrienden die wat verder weg wonen naar het feest te lokken. Bij mij heeft het gewerkt.

Na een minuut lopen, heb ik al spijt van de regenjas. Beetje lullig om meteen weer te stoppen, dus ik moet het maar even volhouden. Marc trekt zijn jack tijdens het lopen uit en stopt het weg, maar dat gaat mij niet lukken, vrees ik. Niet alleen het jack, maar ook het tempo zorgt ervoor dat ik het warm heb. Zoals gewoonlijk bij dit soort gelegenheden ligt het groepstempo in het begin iets hoger dan voor mij gebruikelijk en comfortabel is. En zoals gewoonlijk duurt het even voor ik me dat realiseer, en voor ik terugschakel. Gelukkig ben ik niet de enige die het te warm heeft, en stopt de groep bovenaan de eerste beetje serieuze heuvel voor een korte verkleedsessie. Daarna in iets rustiger tempo weer verder, niet bang zijn om achteraan te lopen, ze wachten heus wel op me.

Na de beginkilometers gaat het lekker. Het tempo ligt vrij hoog, maar nu kan ik het prima bijbenen. De omgeving is prachtig. Het grijze weer doet daar op geen enkele manier afbreuk aan. Het heldere groen van de bladeren doet bijna pijn aan de ogen. Zoals altijd als ik in deze buurt ben, voel ik een zweem van spijt dat ik hier ooit weggegaan ben. We lopen ontspannen bij elkaar, dan weer met de een, dan weer met de ander, dan weer helemaal niet pratend. Doordat ik aan weinig loopjes meegedaan heb afgelopen najaar en dit voorjaar, heb ik sommigen lang niet gezien en gesproken. Rob heb ik vorig jaar alleen in Chamonix ontmoet – de middag voorafgaand aan de wedstrijd en ’s nachts, toen ik hem vlak voor de finish tegenkwam, terwijl hij op weg was naar zijn hotel. Hij herinnert zich mijn verbaasde blik.

Vlak voor we onder de snelweg door zullen gaan en het Deelerwoud in zullen lopen (voor de kenners: de route vertoont enige overlap met de Veluwezoomtrail), stoppen we even. Edwin belt zijn zoon Koen, die hier met een verzorgingsauto naartoe zal komen en die voor over een half uur besteld wordt. Stella belt Paul, die voor de gezelligheid ook deze kant op zal komen. En we trekken onze jassen weer aan – het is inmiddels toch wel serieus gaan regenen en degenen die zonder jas liepen, krijgen het koud. Het rondje Deelerwoud is ongeveer 5 kilometer lang, en ik heb de hele tijd het gevoel dat we verkeerd lopen. Moeten we alwéér naar links, terwijl ik toch echt denk dat we naar rechts moeten. We komen echter keurig weer bij het tunneltje uit waar we eerder ook onderdoor gingen, dus waarschijnlijk had Edwin toch gelijk.

Na 25,3 kilometer is daar dan de verzorging. Een echte wagenrust, zoals dat bij de loopjes van Willem en Annemarie heet. De oudste twee van Edwin plus de vriend van de oudste bemensen de verzorgingspost. Het mooie aan zo’n loop die door een ervaren loper is georganiseerd, is dat die precies weet wat lopers wensen. Aan alles is gedacht. Er is cola, er zijn sinaasappelpartjes, er zijn snickertjes en soortgenoten, krentenbollen, snelle jelles, stroopwafels, dropjes. Perfect. Alleen Paul is er nog niet. Die komt aan als we net zo’n beetje weer willen gaan lopen. We rekken het nog even, maar krijgen het te koud om nog langer stil te blijven staan. Niet zo leuk, maar het is niet anders.

Ik maak me wat zorgen over de afstand. Het gaat eigenlijk best goed, maar het zint me niet dat we pas halverwege zijn. 25 kilometer is nog een heel eind. Een roteind eigenlijk. Nou ja, we zien wel. En ik hoef me geen zorgen te maken, blijkt: het blijft goed gaan. De omgeving wordt alleen maar mooier. We lopen onder andere over de Koningsweg – een oude verbindingsweg tussen het Hof te Dieren en een jachtslot bij Ede. Een prachtige route, omzoomd door beuken, een lekker onregelmatige ondergrond en het gaat op en neer, op en neer. We vragen ons af hoe de koning zich over deze weg verplaatste. Te paard, denken we zo – voor een koets lijkt het pad ons buitengewoon ongeschikt. Voor ons een mooie training om omhoog (rustig) te blijven hardlopen, en lekker vlot naar beneden te lopen. Ik heb zelfs nog genoeg energie om een paar keer een stukje te stofzuigeren (‘sweepen,’ zegt Carlo).

Het regent gestaag door, en ik heb er geen enkele last van. Nou ja, oké, de natte broek voelt ietwat onaangenaam. Ik vind het mooi, zo in het bos en op de heide. Ik kan er niks aan doen, het is geen overdreven positivisme of zo, maar ik vind het echt mooi. En lekker. En leuk, zo, met dit groepje. En het lopen gaat ook nog lekker. Ik heb gewoon een superdag.

We finishen wat later dan verwacht en gepland, en er zijn al heel wat andere gasten. Wij blijven in al onze nat- en modderigheid voorlopig even in de grote tent buiten, en vallen als een stel spreeuwen aan op de zoutjes en olijven.
Met een Erdinger erbij, uiteraard.

 

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Jezelf

Ik nam weer eens een proefabonnement op de Volkskrant. Het eerste exemplaar dat op de mat viel (het is alweer een maandje geleden), had een bijlage over clichés. (Sinds wanneer heet de bijlage trouwens niet meer gewoon het Vervolg, maar beperkt men zich tot zo’n uitgeklede, vast heel hippe, V?) Het tweede stuk in die bijlage gaat over een van mijn favoriete clichés, namelijk jezelf zijn. Ik vind het altijd verleidelijk om over dergelijke aansporingen wat lacherig te doen (net als over de aansporing om in het hier en nu te zijn), want probeer maar eens iemand ánders dan jezelf te zijn – dat is nog verdomd moeilijk, net als níet in het hier en nu te zijn. Maar toch: ik snap natuurlijk ook wel wat er zo’n beetje mee bedoeld wordt, en stiekem helpt de opmerking, uit de juiste mond, mij wel degelijk om te ontspannen in wie ik nu eenmaal ben.

Haro Kraak schreef het artikeltje, en stelt een aantal terechte vragen bij dat jezelf zijn. Kun je er bijvoorbeeld moeite voor doen, om jezelf te zijn? Of gaat dat juist vanzelf? Zou je moeten werken aan jezelf om een ‘beter’ mens te worden, of kan of hoeft dat helemaal niet? Als er iets bestaat als identiteit, is die dan ooit af, en zo ja, wanneer is dat dan?

Naar verluidt, staat boven de ingang van de tempel van Apollo in Delphi “Ken uzelve.” Nu is jezelf kennen misschien niet direct hetzelfde als jezelf zijn, maar het een heeft vermoedelijk wel met het ander te maken. Socrates, door het orakel van diezelfde tempel de wijste mens genoemd, zou hebben gezegd dat hij uit zijn innerlijke stem de meeste wijsheid haalde. Die wijsheid bestond er in zijn geval vooral in (en misschien geldt dat voor alle gevallen waar van wijsheid sprake is) dat hij zich bewust was van zijn onwetendheid. Dat helpt.

Nietzsche, de grootgrutter in aforismen en korte uitspraken, bij wie ik dankbaar mijn boodschappen doe, roept ons op meerdere plaatsen in zijn werk op om te wórden wie wij zijn. Hij gelooft niet in een ‘zijn’ dat iets anders is dan een eeuwig ‘worden.’ Zo is ook ons zelf geen vastliggend iets, maar wordt dat zelf in een doorlopend proces gecreëerd.* Nietzsche, in De vrolijke wetenschap:
“Wij … willen worden die wij zijn, – nieuw, uniek, onvergelijkelijk, wij willen onszelf de wet voorschrijven, onszelf scheppen!”** Wij scheppen onszelf dus, wij creëren ons leven. Maar als ‘zijn’ feitelijk altijd ‘worden’ is, hoe kun je dan worden wat of wie je bént? En als dat wat je bent, juist het eeuwige worden ís, waartoe dient Nietzsches aansporing dan? In dat geval is het immers onmogelijk níet te zijn, of te worden, wie je bent.

Toch maakt Nietzsche verschil tussen wat je doet, denkt en wilt als je niet werkelijk jezelf bent, en dat wat je doet, denkt en wilt wanneer je wél jezelf bent. Jezelf zijn, lijkt bij Nietzsche te maken te hebben met ‘ja’ zeggen tegen het leven, verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen leven. De eenheid die ons tot individu maakt, is geen stabiele toestand – het leven gaat door, het creëren van onszelf evenzeer. We moeten vooral niet denken dat ons karakter stabiel en onveranderlijk is. Nogmaals Nietzsche, uit het aforisme “Korte gewoontes,” ook uit De vrolijke wetenschap:

Steeds geloof ik dat dit mij uiteindelijk voorgoed zal bevredigen – ook de korte gewoonte heeft dat geloof van de hartstocht, het geloof in de eeuwigheid – en dat ik te benijden ben, omdat ik het gevonden en herkend heb: – en nu voedt het mij ’s middags en ’s avonds, en verbreidt een diepe tevredenheid om zich heen en in mij, zodat ik niet naar iets anders verlang, zonder dat ik zou moeten vergelijken of verachten of haten. En op zekere dag heeft het zijn tijd gehad: het goeds neemt afscheid van mij, niet als iets wat mij nu weerzin zou inboezemen – maar in vrede en van mij verzadigd, zoals ik van dat goede verzadigd ben, en alsof we elkaar dankbaar moesten zijn en elkaar zo ten afscheid de hand reikten. En reeds staat het nieuwe voor de deur, en eveneens mijn geloof – die onverwoestbare wijze dwaas! – dat dit nieuwe het juiste, het uiteindelijk juiste zal zijn.

Het vraagt zelfkennis om onze veranderlijkheid onder ogen te zien. Het vraagt ook eerlijkheid tegenover onszelf. En het vraagt moed, want als je zelfbeeld geen standvastigheid kent, wat voor houvast heb je dan nog? Tegelijk betekent dát nou juist volledige bevrijding, in mijn ogen – je hebt geen houvast, er is niets meer om je aan vast te klampen, maar je hóeft je ook nergens meer aan vast te klampen. Je bent totale openheid, totale kwetsbaarheid – en dat betekent paradoxalerwijze dat niemand je nog kan kwetsen. Je zelfbeeld kan zo nu en dan en zo hier en daar een deukje oplopen, maar als je je realiseert dat dat zelfbeeld toch al niets anders dan een gestolde weergave is van iets dat veranderlijk is als de wind, hoef je niet zo zwaar te tillen aan een deukje meer of minder – dat deukt vanzelf wel weer uit op z’n tijd. Het kan even zeer doen, maar daar word je een grote meid (m/v) van.

Nogmaals Nietzsche, ditmaal in Morgenrood:

Het waren vrienden, maar zij hebben opgehouden het te zijn, en zij ontbonden van weerszijden tegelijkertijd hun vriendschap, de een omdat hij meende te zeer miskend te worden, de ander omdat hij meende te zeer erkend te worden – en beiden hebben ze zich daarin vergist! – want ieder van hen kende zichzelf niet voldoende.

De eerste hecht te veel belang aan zijn zelfbeeld, en kan niet verdragen dat de ander hem anders ziet; de tweede meent juist dat het beeld dat de ander hem voorhoudt, het juiste beeld van hem is, en kan niet verdragen wat dat beeld hem schetst.

En waarom helpt het nou tóch, zo’n clichématige aansporing om gewoon jezelf te zijn? Soms kun je overspoeld raken door het gevoel dat het niet goed genoeg is, dat je aardiger, verantwoordelijker, gedisciplineerder, slimmer, grappiger, royaler etc. etc. zou moeten zijn – daar ben ik vast niet uniek in, in dat gevoel. Dan kan het helpen om te bedenken dat ‘jezelf’ al goed genoeg is. En dat is geen vrijbrief om je dan maar lomp, onaardig, onverantwoordelijk, jaloers te gedragen, maar wel een manier om jezelf niet de godganse tijd te lopen veroordelen om dergelijke (menselijke, al te menselijke – om er dan nóg maar wat Nietzsche tegenaan te gooien [over clichés gesproken…]) trekjes. Iedereen heeft leuke en verre-van-leuke trekjes. Het heeft geen enkele zin de bad guys in ons de kop in proberen te drukken, dat is onbegonnen werk – de rottige ikjes in ons komen en gaan, net als de fijne, lieve, goede.

Wij hebben geen vaststaande essentie – althans, die hebben we misschien wel, maar deze is niet te vinden in onze persoonlijkheid. Die persoonlijkheid is continu in beweging, daar valt geen peil op te trekken. Kun je dan werken aan jezelf? Je kunt werken aan je zelfkénnis, en daarmee verandert er in de persoonlijkheid mogelijk het een en ander. Als je het hebben van een bepaalde identiteit relativeert, relativeer je automatisch jezelf, en voel je je ook niet zo snel aangevallen. En als je je niet zo snel aangevallen voelt, zul je niet zo snel geneigd zijn om (verbaal) van je af te meppen. Wat je kunt doen, is het leven te laten zijn zoals het is, zonder steeds te denken dat het ánders zou moeten zijn. Dat is ‘ja’ zeggen tegen het idee van de eeuwige wederkeer, of het bekende amor fati (omarm je lot) – beide ook van Nietzsche. Verantwoordelijkheid nemen voor je leven, maar dat is een verantwoordelijkheid zonder zwaarte. Nogmaals Nietzsche, bij monde van Zarathoestra: “Onschuld is het kind en vergeten, een nieuwbeginnen, een spel, een uit zichzelf rollend rad, ene eerste beweging, een heilig Ja-zeggen.”

* Omwille van de leesbaarheid doe ik het niet netjes met noten en verwijzingen in de tekst, maar niet alle verwoorde inzichten heb ik zelf bedacht. Ik heb gebruik gemaakt van Life as Literature, van Alexander Nehamas, en van twee teksten van Paul van Tongeren.
** Vertalingen Nietzsche:
De vrolijke wetenschap: Pé Hawinkels/Hans Driessen
Morgenrood: Pé Hawinkels/Michel van Nieuwstadt
Zarathoestra: Hendrik Marsman

Geplaatst in filosofie | Plaats een reactie

Pronkjewail

Het pronkjuweel is behoorlijk winderig vandaag, en dat laat het merken ook. De eerste kilometers gaan noordwaarts, richting de Waddenzee, en ik heb de wind vol op kop. Weinig beschutting hier op ’t Hogelaand – en dat maakt niet alleen dat ik tegen de wind in moet beuken, maar maakt ook dat ik, langer dan mij lief is, moet doorlopen voor ik me eindelijk kan verlossen van de druk die mijn overvolle blaas veroorzaakt.

Ik ben ruim anderhalf uur met het openbaar vervoer op pad geweest voor ik kan gaan lopen. Ik heb me door de buschauffeur laten afzetten in Leens. Een weekendje Groningen combineren met een duurloop van 35 kilometer, dat vraagt om een plan. De suggestie om een rondje van 12 kilometer uit te zoeken en dat dan drie keer te lopen, wijs ik beslist van de hand. Slecht plan. Ik loop niet alleen om te trainen voor iets anders, maar ik loop toch nog altijd vooral omdat ik het leuk vind. En drie rondjes van 12 kilometer lopen, is niet wat ik onder leuk versta. Maar wat dan wél? Ik kan natuurlijk door te puzzelen een rondje van 35 kilometer vanuit de stad uitstippelen, maar leuker nog dan dat vind ik het om een lijnloopje te doen, een van punt tot punt loopje. En ik vind het wel makkelijk als zo’n loopje dan al door anderen voor mij uitgestippeld is. Niet heel ingewikkeld om dan bij het Pieterpad uit te komen, natuurlijk. De eerste twee etappes, van Pieterburen noar Stad tou, zijn samen ongeveer 28 kilometer lang. Naar het huis van mijn zus en zwager, bij wie ik logeer, is het iets korter. Ik heb dus nog wat kilometers extra nodig. De bus naar Pieterburen heeft Leens als eindbestemming, van Leens naar Pieterburen blijkt ongeveer 10 kilometer lopen te zijn, en voilà, het plan is daar. Heb ik er ook vast een stukje opzitten, mocht ik ooit besluiten het hele Pieterpad hardlopend in etappes af te leggen.

t Is de lucht achter Oethoezen, t Is t torentje van Spiek, t Is de weg van Lains noar Klooster, En deur Westpolder langs de diek. … Dat is mien laand, mien Hogelaand…
Ede Staal begeleidt me in mijn hoofd, terwijl de bus me door zijn Hogelaand vervoert. Ik denk aan mijn ouders, die hier opgroeiden, en aan mijn grootouders – ik denk aan mijzelf als kind, aan ons als gezin, vroeger, en aan de bezoekjes aan opa en oma Thesinge en opa en oma Bedum. Ik heb zelf nooit in Groningen gewoond, maar vraag me soms af of de band die ik met deze provincie voel, bestaat omdat mijn voorouders ervandaan komen, of dat dat sentimentele onzin is. Waarschijnlijk het laatste. Eerder zal het te maken hebben met een nostalgisch verlangen naar vroeger, mijn eigen vroeger dan, toen het leven zogenaamd nog ongecompliceerd was, de familie Gronings sprak en opa’s en oma’s een boomgaard achter het huis hadden. Net zo sentimenteel eigenlijk. Mijn verlangen om buiten te wonen, wordt gevoed door de vele huizen en huisjes die ik onderweg te koop zie staan, huizen die gebouwd zijn in van die karakteristieke donkerrode stenen, en die iets rommeligs uitstralen dat me aanspreekt. Zou ik hier niet veel meer op mijn plek zijn dan ergens op, bijvoorbeeld, de Veluwe? De huizen hier in Groningen zijn momenteel zeer betaalbaar, schijnt. De scheuren en verzakkingen zie ik niet…

Na 10 minuten lopen, durf ik mijn jasje uit te trekken. Het thermoshirt houd ik voorlopig aan en ik ben blij dat ik deze keer niet al te optimistisch gekleed ben. Na een kilometer of 9 is de begroeiing langs de weg eindelijk van dien aard en zo gesitueerd dat ik er even durf te gaan plassen. Zo, dat lucht op. Dan kan ik me nu volkomen overgeven aan het lopen. Pieterburen blijkt een toeristisch dorpje te zijn, dat profiteert van de zeehondencrèche, het wadlopen, en misschien ook wel van het feit dat het Pieterpad er begint. Ik stop even bij de wegwijzer naar Pieters-, Peters- en Petro-’s in alle windstreken, dat, naar ik aanneem, het beginpunt markeert. Gek genoeg zie ik de Sint Pietersberg er niet bij staan, maar misschien kijk ik niet goed. Even de route selecteren en mijn gps op navigeren zetten. Vanaf hier buigt mijn weg af naar het zuiden. Op de site van het pad heb ik gelezen dat men de route onlangs heeft aangepast, en dat er zoveel mogelijk over onverharde paden wordt gelopen. Dat betekent dat de route even buiten Pieterburen iets van de weg afbuigt, om na een paar honderd meter via een schelpenpad weer op de verharde weg uit te komen. De route die ik vandaag loop, is niet bepaald de minst verharde die ik ooit ben tegengekomen, maar dat had ik ook niet verwacht, dat scheelt. Over het algemeen storen de asfaltweggetjes me niet echt, en geniet ik van de charmes van het boerenland, maar soms worden die charmes enigszins verduisterd door de passerende auto’s.

De opdringerige melodie van het Grönnens Laid heeft ondertussen Ede Staal uit mijn hoofd verdreven.

De wind blijft onverminderd waaien, maar na een paar uur lopen, krijgt de golden raand waarin het Pronkjewail gevat is glans door de zon, die zich tot dan toe achter de wolken verstopt had, en ik krijg het zowaar te warm in mijn thermoshirt. Zodra ik het heb uitgetrokken krijgt de wind echter weer vat op me, en gedurende een paar kilometer heb ik dan weer spijt, en ben ik dan weer blij dat ik nu in een dun t-shirtje loop. Ik stop het bij mijn broek in – geen gezicht, maar het helpt enigszins tegen de spijtgevoelens. In Winsum zit de eerste Pieterpadetappe erop, en ben ik meteen de draad even kwijt. Ik heb mijn bestemming bereikt, selecteer op de gps de vervolgroute, loop rechtdoor, maar raak daarmee het contact met het lijntje op mijn horloge kwijt, ga vervolgens naar links, zelfde verhaal, rechts evenzo, en zo sta ik even later weer zoekend op het bruggetje dat de bestemming, alsmede beginpunt van de vervolgetappe markeert. Waar wil die ellendige route me heen hebben? Ik vraag het een oudere vrouw, maar die heeft nog nooit van het Pieterpad gehoord en kijkt ongelovig bij het idee dat ik lopend naar Groningen wil – dat schiet niet op. Dan zie ik dat ik direct over de brug een paadje naar rechts op moet, feitelijk in de richting waar ik vandaan kom, langs het water, en zowaar onverhard. Een mooi stukje volgt; ik mag zelfs een stuk door een weiland lopen – ik moet even wennen aan al die onregelmatigheid onder mijn voeten.

Op zo’n moment van zoeken, merk ik op dat ik een ietwat tweeslachtige houding heb op zo’n dag als vandaag. Vorige week liep ik 30 kilometer, vertrok ik voor 7 uur ’s morgens van huis, en was ik om 10 uur weer terug. Dat is een training zoals een training hoort te zijn. Zo denkt een deel van mij erover, althans. Zo hoort de training van vandaag er ook uit te zien. Met dien verstande dat ik het vanmorgen rustig aan wilde doen, ook al omdat ik nog even wilde genieten van het gezelschap van mijn zus en zwager, die de rest van het weekend de hort op zijn. En zij het dat ik vervolgens nog heel wat reistijd voor de boeg had voor ik überhaupt kon starten met lopen. Aan de andere kant ervaar ik dit echt als een dagje uit. Ik ben in een andere omgeving dan normaal, en zo’n etappe van een lange-afstandswandelpad voelt sowieso al als een vakantie-activiteit. Bovendien: wat of wie let mij om er inderdaad de hele dag over te doen? Lopen: zowel een sport als een manier van reizen.

Als ik Garnwerd binnenloop en café Hammingh zie liggen aan de overkant van het Reitdiep, bedenk ik dat het heerlijk zou zijn om daar een kop koffie te drinken en een stuk appeltaart te eten. Op zo’n moment zou het mooi zijn geweest als ik iemand bij me had die dat wat makkelijkere, lossere deel in mij zou stimuleren. In mijn eentje neig ik naar streng zijn, doorlopen, en ik wil ook niet te laat thuis zijn want ik wil nog van alles doen. Ik loop dus door, maar raak vervolgens het spoor volslagen bijster. Eerst is dat mijn eigen schuld. Ik heb bedacht dat ik het Reitdiep moet volgen, en ga linksaf. Het duurt even voor tot me doordringt dat het lijntje zich steeds verder verwijdert van het pijltje. Nou ja, net andersom eigenlijk, want ik ben het pijltje dat beweegt. Met tegenzin keer ik om. Over de brug is het me echter volkomen onduidelijk hoe de route zich vervolgt. Ik heb een nieuwe variant in mijn gps geladen, maar de markering is daar kennelijk nog niet helemaal op aangepast. En het pad dat ik volgens de gps zou moeten volgen, is in geen velden of wegen te bekennen. Er volgt een onduidelijke fase met veel zoekerij. Ik word er behoorlijk chagrijnig van en bedenk meermalen dat ik beter aan de koffie en appeltaart had kunnen gaan, al was het alleen al omdat dat mijn humeur waarschijnlijk ten goede zou zijn gekomen. Uiteindelijk verlaat ik het dorp via wat blijkbaar de oude route is en neem ik voor lief dat pijl en lijn een poosje ver uit elkaar liggen.

Verder? Ach, verder. Ik ben vrij moe, ik vind het vrij ver vandaag, maar loop uiteindelijk toch nog vrij lekker, die laatste kilometers. Het laatste deel herken ik weer van eerdere trainingen/loopjes/whatever vanuit Stad. Het is nu druk met fietsers en collega-lopers. Op een bepaald moment laat ik de route de route, en loop ik rechtdoor naar huis. Daar weersta ik de verleiding van het bad, maar bezwijk ik na de douche voor die van wijn en borrelnoten. Een pot thee ernaast, dat dan weer wel. De rest van de avond ben ik moe, behoorlijk moe. Zo moe dat de romantische komedie op tv te veel van mijn concentratievermogen vraagt. Om half 10 taai ik af.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties

Een andere kijk

Ik wilde het er hier eigenlijk niet over hebben, maar ga dat nu toch doen: sinds een week of vijf, zes, heb ik last van m’n hamstring, snel daarna volgde de bil aan dezelfde kant, en sinds kort hebben de beide heupen zich daarbij gevoegd. Steeds is een deel van mijn bewustzijn gericht op de ‘pijn’: voelt het goed (zie je wel, het is niks en het is al bijna weer over), of voelt het niet zo goed (zie je wel, het gaat niet goed, het gaat niet over en het wordt alleen maar erger).

Weliswaar is het eerder zeur-pijn, of irri-pijn, dan pijn-pijn, en kan ik er tot nu toe prima om hardlopen, en natuurlijk weet ik ook wel dat er belangrijker zaken in het leven zijn dan hardlopen (eh… maar welke zaken zijn dat ook alweer?), maar toch maak ik me een beetje zorgen. Ik houd me dit voorjaar, wijs geworden door de problemen die vorig jaar aan het eind van de zomer ontstonden, behoorlijk in qua deelname aan georganiseerde loopjes – dat komt niet geheel en al slecht uit, aangezien ik ook hoognodig een scriptie moet schrijven. Ik ben flink aan het oefenen, met redelijk succes, om te genezen van mijn fomo (steeds vaker denk ik, als mensen op facebook aankondigen waar ze zich nu weer voor hebben ingeschreven, automatisch al: o ja – gaap – interessánt zeg), maar ik heb zo’n verlangen naar veel vaker en veel verder lopen dan ik nu doe, er komen zoveel prachtige loopjes in mijn aandachtsveld voorbij, dat ik maar moeilijk kan accepteren dat mijn lijf daar mogelijk tóch niet geschikt voor zou zijn. Want dat is waar ik in gedachten veel mee bezig ben: oké, dat het vorig jaar misging, dat was dan blijkbaar zo; kennelijk moet ik het iets rustiger aanpakken dan ik sommige mensen om mij heen zie doen. Maar ik heb keurig rust genomen, en heb vervolgens naar mijn idee heel verstandig weer opgebouwd, dan kan het toch niet zo zijn dat ik na een paar maanden alwéér last heb?

Vrijdag masseert Henny de achterkant weer zo goed als los. De bil is uitermate pijnlijk, de rest valt reuze mee. Henny constateert dat er, zo te voelen, niet echt iets aan de hand is, en net als afgelopen najaar zegt hij dat het eigenlijk niets anders kan zijn dan spiervermoeidheid. Ook de fysiotherapeut constateerde immers dat er niets scheef staat, niets bijzonder vastzit. Op het moment dat Henny het zegt, sta ik nog op standje zorgelijk. Oké, vermoeidheid, maar hoe kan dat dan zo snel alweer, na die herstelperiode? Ik kreeg afgelopen jaar pas in augustus/september last, en nu al in maart – blijft dat dan zo in het vervolg? Ik sta al steeds op de rem, voor mijn gevoel, terwijl ik zo graag vooruit wil. Henny zegt dat mijn lichaam kennelijk (nog steeds, denk ik erachteraan) niet aan de verhoogde intensiteit van de inspanningen gewend is, en dat ik dat nu juist aan het trainen ben. Hij vraagt me terug te denken aan twee jaar geleden: had ik toen niet veel meer last van spierpijn na een marathon dan ik nu heb? Ik blijf somber. Mooi dat er niet echt iets aan de hand is, maar dat betekent ook dat ik weinig kan doen om dat, wat er kennelijk niet aan de hand is, maar wat ik wel degelijk voel, op te lossen. Rekken, strekken, rompstabiliteit trainen: het zal zeker niet schaden, maar baten doet het ook niet echt (hoewel: ik heb in elk geval géén last van mijn rug 🙂 ).

De volgende dag dringt tot me door dat ik er ook anders naar kan kijken. Als het niet meer dan vermoeidheid is, dan betekent dat dat ik me nergens zorgen over hoef te maken (ik voel me, ondanks die klaarblijkelijke spiervermoeidheid, conditioneel behoorlijk fit namelijk). Dat ik gewoon door kan trainen, en dat de Trail VSB niet in gevaar komt (dat dacht ik toch al niet hoor; het moet wel heel gek lopen wil ik die niet lopen). Daarna zien we wel weer verder. Het heeft weinig zin om de hele tijd bezig te zijn met de vraag of het aan het overgaan is of dat het juist erger wordt. Het is er, het hindert me nauwelijks in het lopen, ik mag ervan uitgaan dat mijn lichaam sterker wordt, door al dit (gedoseerde en verantwoorde – dat kan ik Henny wel toevertrouwen) getrain, en ik hoef kennelijk niet bang te zijn dat ik iets aan het kapotmaken ben.

Dus ik laat de zeur-pijn er maar gewoon zijn. Een beetje jammer alleen dat die zo irritant aanwezig is.

Geplaatst in hardlopen | 11 reacties

Bos, duin en strand

Henny is er deze keer ook bij, dat geeft weer een andere dimensie aan het Willem-en-Annemarieloopje dat vandaag op het programma staat. In de trein op weg naar Castricum praat hij me bij over wat hij gisteren, tijdens een symposium van NLcoach, weer heeft opgestoken. Veel rusten, daar komt het kort en goed op neer. Terwijl we ons klaarmaken in de sportkantine, overkleding uittrekken, nog een broodje eten, wat water drinken, vraagt hij wat mijn plan is voor vandaag. Plan? Eh… Nou, idee dan, je hebt vast wel een idee over vandaag. Tja, mijn idee is om vandaag lekker te lopen, maar dat klinkt wel heel flauw. En het is ook niet de volledige waarheid. Ik heb namelijk een idee over de eindtijd die mogelijk zou kunnen zijn. Vorig jaar liep ik drie keer een 60 kilometer: Texel, Limburgs Zwaarste en Berg en Dal. Texel heeft een heel ander parcours: vrijwel vlak, voornamelijk asfalt. Bovendien beschouwde ik Texel als wedstrijd, en ook al is mijn conditie nu misschien wel net zo goed, ik ben minder gefocust op deze Bos-, duin- en strandloop van Castricum dan ik vorig jaar op Texel was. De tijd die ik daar liep, is voor vandaag absoluut geen graadmeter, weet ik. Over de 60 kilometer van Limburgs Zwaarste deed ik 7 uur en 50 minuten. Maar dat was drie weken na Texel, en ik was toen bekaf. Bovendien verspeelden we daar op het laatst nogal wat tijd door onzekerheid over de route. En voor Berg en Dal tot slot had ik zeven en een half uur nodig, maar dat was aan het eind van een seizoen waarin ik toch iets te veel van mijn lichaam had gevergd, en bovendien voelde ik me toen op het laatst nogal beroerd, en wist ik ook daar de route kwijt te raken. Al met al denk ik dat een tijd van zeven uur voor vandaag een goede en haalbare tijd zou kunnen zijn. Maar ik heb beslist geen zin mezelf de lol te laten ontnemen door te focussen op die tijd. Als mijn benen niet blijken te willen, dan zij dat zo, en dan ga ik lekker lang proberen te genieten van het mooie weer. Maar of ik dan een idee heb over wat ik met eten wil doen vandaag, vraagt Henny nog. Eh, nee, ook dat niet echt. Ik weet dat de verzorgingsposten goed voorzien zijn, en ik heb zelf het een en ander bij me. Ik zal proberen goed te eten, maar ook daarvan zal ik wel zien hoe het gaat. Hardleers? Misschien. Het enige wat ik van Berg en Dal dan wel weer geleerd heb, is dat ik de verleiding van tomatensoep onderweg moet weerstaan – daar had ik destijds iets te lang plezier van.

In de kantine veel van de usual suspects bij deze loopjes. De begroetingen zijn, als altijd, hartelijk. Monika en Ron, die vorige week in Limburg debuteerden op de 100 kilometer, bereiden me voor op veel mul zand onderweg. Hm, daar was ik op een of andere manier al bang voor. Om 5 voor 9 worden we naar buiten gebonjourd, waar Willem de gebruikelijke briefing geeft. Daarna nog een woord van iemand van SV De Lat (de wandelvereniging waar Willem mee samenwerkt), en na het aftellen van de laatste seconden mogen we ervandoor. Om het voetbalveld heen, terug naar het mulle, steile duin waar Willem ons met genoegen omhoog stuurt en waarop we vanuit de kantine al zicht hadden.

Daarna begint het voor mijn gevoel pas. Proberen een rustig ritme te vinden. Henny laat zich al direct zakken; hij loopt zich heel rustig warm. Ik loop een poosje met Monika te praten, maar voel al snel dat zij eigenlijk iets sneller wil en kan dan voor mij in dit stadium lekker is. Jammer van de gezelligheid, maar ik weet dat het vooral belangrijk is mezelf in het begin niet over de kop te lopen, wil ik dat ‘lekker lopen’ in de praktijk kunnen brengen, dus ik laat haar gaan. Een paar kilometer loop ik in mijn uppie, wat ik tempotechnisch gesproken misschien nog wel het lekkerst vind. Wel is er de gebruikelijke onrust die hoort bij het idee dat iedereen vóór me loopt – al weet ik heus wel dat dat niet de realiteit is. Dan word ik bijgehaald door Henny. We lopen samen door de duinen tot ik bebouwing op zie duiken, en bedenk dat ik dan nog maar snel even naast het pad moet gaan plassen. Daarna sluit ik me aan bij Robert, die dit jaar de 80 du Mont Blanc gaat lopen, die ik afgelopen jaar heb gedaan, en samen lopen we naar de eerste verzorgingspost.

Henny vraagt me of ik in hetzelfde tempo wil doorlopen. Wie? Wat? Weet ik veel! Ik antwoord op z’n Henny’s dat ik dat pas weet als ik weer loop. Liepen we langzaam? Te langzaam? Geen idee, het ging wel lekker. Henny wil zijn eigen tempo lopen en vertrekt iets eerder dan ik. Prima. Zelf ga ik weer op pad met Robert, zodat we nog even over dat bergloopje kunnen praten. Bij Egmond lopen we het strand op, terwijl mevrouw Suunto (of eigenlijk: mevrouw Afstandmeten.nl) ons nog een poos door de duinen wil hebben. We vertrouwen maar op de pijltjes in het landschap, in plaats van op ons schermpje. Het strand ligt er strak bij. Het is laag water – dat scheelt alvast een paar kilometer mul zand. Bovendien staat de wind in de rug, een makkie dus. Na een poosje loop ik bij Robert weg, richting een loper in geel die voor ons loopt. Ik ben nog bang dat ik niet zal weten waar ik van het strand af moet, maar er blijken opeens allerlei lopers voor mij te zijn die ik het strand zie verlaten. Bovendien is de Suunto het nu weer met de werkelijke route eens, en gaat het lijntje hier rechtsaf. Bovenaan de strandopgang staat Willem foto’s te maken. Beneden staat een verzorgingspost, zegt hij. Joh, nu alweer?

Een korte stop, cola, speculaasjes, nog meer cola, nee dank je, geen soep, en gaan maar weer. Achter Monika en Ron aan door Bergen aan Zee. Een pittig stuk door het bos volgt. Kleine paadjes, veel klimmen en dalen, en ik herken het een en ander van afgelopen dinsdag, toen ik hier met Jolanda een rondje liep. Waarom ik toch altijd denk dat andere delen van Nederland interessanter zijn om in te lopen, is me een raadsel. Prachtig hier. We komen het bos uit bij de borstelbaan van Bergen. Een gevoel van vervreemding bij het zien van skiënde mensen op deze plek, terwijl de hele natuur op standje voorjaar staat. Daarna het bos weer in. Opeens veel mountainbikers. O ja, natuurlijk, de mtb-route van Schoorl. En dan Schoorl zelf, met de verzorgingspost op 29,5 kilometer. Een verbaasde blik van Henny, die hier nog staat en niet verwacht mij hier (of überhaupt: onderweg) nog te zien. Dan loop ik goed, is zijn conclusie. Ik reageer voorzichtig. Ja, het gaat best goed, maar we zijn pas halverwege.

Ik loop al een poos in mijn eentje, maar Henny praat onderweg met allerlei lopers, en het valt hem op dat vrijwel iedereen met wie hij praat vorige week een grote afstand heeft gelopen. En als ze dat niet hebben gedaan, gaan ze morgen Rotterdam wel lopen. Dat is mooi, dan snapt hij meteen waar mijn enthousiasme en ongeduld vandaan komen, en het beeld dat iederéén het kan en doet, ongeveer elke week een ultra lopen. Het blijft een goede oefening om me niet mee te laten slepen door dat enthousiasme en ongeduld, en niet te veel naar anderen te kijken, maar vooral bij mezelf te blijven, en bij de adviezen die ik van Henny en (andere) ervaren lopers krijg.

De post ligt pal onder het Klimduin van Schoorl. Dat imponeert me nauwelijks. Ja, als je haast hebt, dan kan zo’n hellinkje (over het mulle zand nog maar niet te spreken) je opbreken, maar rustig naar boven, stap voor stap, ach, wie doet me wat. Eén man, een wandelaar nota bene, gaat hardlopend naar boven. Even later, bij een andere helling, zie ik hem dat nogmaals doen. Als ik hem passeer, vraag ik hem ernaar. Door met korte pasjes naar boven te rennen, spaart hij energie, beweert hij. Bergaf kan hij dan rustig aan doen. De route gaat hier juist weer naar beneden, en ik roep in de gauwigheid nog dat ik bergaf juist graag wat snelheid maak. Het lopen blijft lekker gaan. Net als ik me afvraag of ik niet wat overmoedig ben – kan ik dit tempo wel volhouden, stort ik straks niet in? – struikel ik over een boomwortel die toch zeker wel twee millimeter boven de grond uitsteekt. De schade is te overzien, maar ik leid eruit af dat ik moe begin te worden.

Desondanks doemt de volgende verzorgingspost wederom sneller dan verwacht op. Ook hier tref ik Henny weer, die mij complimenteert met hoe ik tot nu toe loop. Ik zat, naar zijn zeggen, maar een paar honderd meter achter hem. Dat is mooi, maar cola heeft nu prioriteit. Als mijn bekertje leeg is, vult Carry het ongevraagd met vanillevla. Oké, ik had het nog niet bedacht, maar kennelijk wil ik dat. Daarna meer cola. Met een dropje uit Carry’s privévoorraad tegen mijn gehemelte geplakt, verlaat ik de post. Deze keer weer in het gezelschap van Henny, die nu bij mij wil blijven. Al vrij snel, in Bergen aan Zee, zijn we even de draad kwijt. Het pijltje bij een rotonde lijkt rechtdoor te wijzen, maar daarna is het onduidelijk. Omdat het een van de punten is waar heen en terug elkaar kruisen, bieden onze polsschermpjes ook geen soelaas. Even laten we ons meeslepen door het pijltje dat op dat schermpje mooi samenvalt met het streepje, maar dan wint het gezonde verstand het; op deze manier zijn we hier eerder vandaag aan komen lopen, maar we moeten toch echt via een andere route terug. Terug naar de rotonde, en nu de goede richting uit.

Ondanks de vermoeide benen gaat het nog steeds goed. Ik denk dat ik door Henny’s gezelschap toch net iets sneller loop dan ik anders zou hebben gedaan, terwijl Henny beweert dat hij moeite moet doen mij bij te houden. Ik kijk alleen naar de route op mijn schermpje, en heb geen idee hoe hoog snelheid en hartslag zijn. Heerlijk vind ik dat. Als Henny zegt dat ik wel door mag lopen als ik sneller wil, denk ik dat hij een grapje maakt. Sneller? Eerder wat langzamer. Maar hoewel we kennelijk beiden vinden dat het tempo aan de hoge kant ligt, vertragen we niet. Tot Henny, ergens bij kilometer 54, zegt dat hij kramp op voelt komen en een stukje gaat wandelen. Ik heb geen reden me zorgen over hem te maken, en ik loop door. Ik ben blij met de extra verzorgingspost op 57 kilometer, maar wil hier niet te lang blijven staan, en drink deze keer maar één bekertje cola en eet drie engelse dropjes. Lekker! Het kan niet meer stuk vandaag. Als ik een kilometer voor de finish nog een loper inhaal, vraagt die of ik een sprintje aan het trekken ben. Zo ervaar ik het niet, volgens mij loop ik in min of meer constant tempo door, en later zegt hij dat hijzelf waarschijnlijk gewoon heel langzaam ging. Dat denk ik eigenlijk ook.

Vlak voor ik weer bij de voetbalkantine ben, komen er twee lopers uit het bos die ik probeer in te halen. Of ik op weg ben naar Rotterdam, vraagt de vrouw me. “Nou nee, niet bepaald,” zeg ik. Nou, dan mis ik wel iets, want dat is een geweldige ervaring, om daar te lopen. Nou, denk ik, wat missen al die mensen dan wel niet die morgen misschien in Rotterdam aan de start staan, maar nog nooit een funloopje van Willem hebben gelopen?

Na 6 uur en krap 48 minuten meld ik mij af. Goed gelopen, prachtige dag, dik tevreden. De basis voor de Trail Verbier, over precies drie maanden, ligt er.

Geplaatst in hardlopen | 5 reacties

Ik vertrek wat later dan ik van plan was. De wekker loopt af om zes uur (gevoelstijd: vijf uur), maar het feit dat het nog donker is, blijkt, hoewel voorzien, te confronterend voor me. Even het bed uit om te plassen, maar er dan toch maar weer in en de wekker een uurtje later. Het moet wel leuk blijven, tenslotte. Vervolgens een stevig ontbijt in opdracht van Henny – ook dat kost extra tijd. Om 7:42 uur trek ik de deur achter mij dicht en druk ik het startknopje van mijn horloge in.

Op het programma staat een duurloop van 45 kilometer. Meestal loop ik mijn lange duurlopen een beetje op de gok, maar voor zo’n afstand vind ik het wel fijn om een Echt Plan te hebben. Vorig jaar ben ik een keer van huis naar Castricum gelopen toen ik ook 45 kilometer mocht. Dat zou ik nu weer kunnen doen. Henny suggereert echter dat ik ook het Rondje Haarlem kan doen, mits ik er een klein stukje van afsnijd. Het rondje is een fietsroute van ongeveer 50 kilometer. In georganiseerd verband wordt het eens per jaar ook hardgelopen – door de meeste mensen in estafetteverband, maar door sommigen ook individueel. Henny heeft het als training al vaker gelopen – twee weken geleden nog met Jos en Marion, die volop in training zijn voor de Two Oceans, die op 19 april gelopen wordt. Het is zo’n rondje dat ik altijd wel eens zou willen lopen, maar wat er nog nooit van gekomen is. Het is wat makkelijker lopen, vermoed ik, dan de route naar Castricum. Het kost ook wat minder tijd, doordat ik niet terug hoef met de trein. Een mooi plan dus.

Ik loop via de overbekende route naar de Ringvaart, waar ik het rondje op zal pikken. Meteen raak ik in verwarring, omdat ik daar een bordje van Rondje Haarlem zie dat naar rechts wijst, in plaats van naar links, zoals ik verwacht. Ik heb me erop ingesteld de route tegen de klok in te lopen, en meen te hebben begrepen dat dat de richting is die staat aangegeven, maar daarmee correspondeert die pijl naar rechts niet. Gelukkig heb ik de route in m’n gps geladen, en kan ik het rondje desnoods ook zonder de bordjes volgen, want ik ben niet van plan om van mijn plan af te wijken. Je bent nu eenmaal licht autistisch of je bent het niet 😉

Linksaf dus, over het Liewegje. Ik ben nog vlakbij huis, maar het is alweer een poos geleden dat ik hier liep. Het is nog rustig, en het is nog koel. Mijn benen moeten nog een beetje wennen aan hun onbedekte staat. Aan mijn armen draag ik de losse armstukken, die gaan straks uit. Een stukje langs de Amsterdamse Vaart, naar de Zoete Inval, en daarna Spaarnwoude in. Altijd weer een mooi stukje, daar achter de Veerplas langs, richting de molen van Penningsveer. Ik zie mijn eerste lammetjes van het jaar. Ik passeer veel vissers – niet mijn hobby, vissen, maar ik kan me voorstellen dat het lekker is om daar zo rustig te zitten. Het ziet er meditatief uit.

Het paadje langs de Mooie Nel. Met enig heimwee denk ik terug aan de eerste winters dat ik in Haarlem woonde, waarin het zo koud was dat het ijs ook onder de bruggen goed hield, en je het hele rondje Spaarne, Mooie Nel, de Liede, Ringvaart kon schaatsen zonder te hoeven klunen. Maar ook zonder ijs is het hier mooi.

Ik moet vandaag oefenen met eten. Ik eet vaak te laat en te weinig. Ik heb meestal geen zin om iets te pakken onderweg, en vind het ook nog een soort van kicken om heel weinig te eten tijdens mijn trainingen. Ik moet die trainingen echter leren te gebruiken om ook dit soort zaken te oefenen. Het verschil tussen de duurloop van 35 kilometer drie weken geleden, waarin ik alleen na 17 en na 26 kilometer iets at, en op het laatst volkomen leeg was en op mijn tandvlees de laatste kilometers liep, en de Galgenbergmarathon een week later, waar bijna overdreven veel verzorgingsposten stonden, waar ik steeds iets te eten nam, en waar het lopen verrassend makkelijk ging, de volle 42,8 kilometer lang, leerde mij wel iets. “Eten op de klok, en niet op je maag,” zei Jolanda Linschooten vorige week. Zij eet elk half uur iets kleins en dat wil ik ook proberen te doen. Dat stevige ontbijt van vanmorgen (behalve de gebruikelijke yoghurt met cruesli een krentenbol en een boterham met een plak koek) ligt echter zo zwaar op mijn maag, dat ik me er pas na een uur lopen toe kan zetten iets te nemen. Ook daarna houd ik me niet strikt aan dat half-uur-regime, maar ik eet beduidend vaker iets dan ik anders doe, en dat bevalt goed. Voor het eerst heb ik ook ordinaire snickers bij me – lekkere caloriebommen, en dat in de bonus voor maar 33 cent per reep. Kom daar maar eens om bij de afdeling sportvoeding.

Ik geniet van het polderlandschap in de buurt van Spaarndam, met al die weidevogelklanken, en bedenk dat ik in een prachtige omgeving woon – ook al wordt de achtergrond gevormd door het verkeersgeluid van de A9 en door de bebouwing van (in dit geval) Velserbroek. Maar hoe mooi ik het polderlandschap ook vind, ik ervaar een gevoel van thuiskomen als ik onder de Randweg door ben en in het wat bosrijker gebied bij Santpoort kom. Met vriendin Martine had ik het er tijdens het lopen een keer over, wat wij een prettig gebied vinden. Ik ben een bosliefhebber, ik vind dat er iets geruststellends uitgaat van het bos en voel me er op mijn gemak. Zij vindt bos juist eerder bedreigend, omdat je niet kunt zien wie of wat zich er mogelijk verstopt.

Door Santpoort richting de duinen, langs de duinen naar Brederode, Bleek en Berg, Bloemendaal, Aerdenhout – steeds een stukje bekend afgewisseld met een stukje nieuw. Het deel vlakbij de Oase en door Ley- dan wel Vinkenduin naar het Manpad is wel heel bekend. Daarna krijg ik een zwaar stuk voor mijn kiezen. Langs de Herenweg (geloof ik) naar de Linnaeushof, en dan lang, lang, langs bebouwing en redelijk drukke wegen. Ik moet goed opletten waar ik loop, want de groepen wielrenners zijn niet van de lucht. Zonder de route op mijn gps zou ik het moeilijk hebben de route te volgen. Soms wijken de bordjes af van wat ik op mijn schermpje zie. Zo ook vlakbij het Oude Slot. Gps zegt: linksaf; routebordje zegt: rechtdoor. Ik volg het bordje, kom op een mooi paadje langs de Ringvaart uit, en ben helemaal blij als ik bij Cruquius aan de andere kant van de provinciale weg richting het Spaarne loop. Wat een mooi pad! Er staat wel een bordje aan het begin dat een bepaald pontje niet vaart, maar ik ga ervan uit dat ik dat pontje niet nodig heb. Helaas…

Als ik weer terug op de route ben, heb ik het allerlelijkste deel van de route nog te gaan. En dat terwijl ik er inmiddels wel een beetje klaar mee ben. Links een drukke weg, rechts allerlei autoshowrooms of zo. Ik ben blij als ik weer op de bekende weg zit – niet dat die nou zo geweldig fraai is, maar ik kan nu tenminste inschatten hoe ver het nog is. Als ik over het Spaarne ben, ga ik het trappetje af en sla linksaf terug naar huis. Het deel om Schalkwijk heen loop ik vaak tijdens mijn kortere trainingen, en sla ik nu over om niet te ver te lopen. Een volgende keer zou ik een ander deel overslaan, want dat stukje om Schalkwijk mag dan erg bekend zijn voor me, het is zeker niet het lelijkste deel van de route.

Natuurlijk wordt het toch te ver en te lang, en ik bedenk tot hoe ver ik zal blijven hardlopen. Bij 46 kilometer mag ik gaan wandelen, vind ik. Nee, bij de brug. Ah nee, want dan moet ik nog zo ver wandelen, bij de Zomervaart dan. Maar ondertussen zie ik dat ik nog rond de 10 km/u loop, en bedenk ik dat ik me al vaak genoeg een stuk verrotter heb gevoeld aan het eind van een lange duurloop dan nu, en dat het toch eigenlijk stiekem wel wat leuker is om hardlopend thuis te komen dan om het laatste stuk te wandelen.

Na 47 kilometer sta ik om half één weer bij mijn voordeur. Toch zeker wel de helft gegeten van wat ik bij me had. Training geslaagd.

Geplaatst op door jacolien1965 | 5 reacties

Relaxt

“Eenzaam, maar niet …, nee: alleen, maar niet eenzaam, bedoel ik.” Zo begroet Peer me, als hij mij ziet zitten, terwijl hij met zijn hond een rondje over het land en langs de beesten maakt. Het klopt, wat hij zegt. Het stel waarmee ik de afgelopen nacht het kampeerweitje van Den Ouden Dam deelde, heeft vanmorgen al vroeg z’n biezen gepakt, zodat ik de enig overgebleven kampeerder ben. Bij mijn tweede kop koffie ben ik toch maar uitgeweken van het plekje in het gras naast mijn tentje naar de beschutting van het bankje onder de overkapping. Weliswaar regent het niet, en ben ik warm gekleed, maar de wind maakt het toch nét wat fris. Ik lees een lekker boek, drink koffie, eet appeltaart, en staar zo nu en dan wat voor me uit over het Betuwse land. Ik heb het goed.

Het kampeerterrein is nieuw voor me. Ik had bedacht om op zaterdag de Galgenbergmarathon te gaan lopen, wilde op zondagmiddag graag naar een lezing van Jan van Delden in Nijmegen, en zocht een mogelijkheid om de nacht tussen die beide activiteiten kamperend door te brengen. De meeste campings uit het Groene Boekje gaan pas begin april open, maar Den Ouden Dam, bij Kesteren, bleek niet alleen uiterst gunstig te zijn gelegen voor mijn plannen, er geweldig romantisch uit te zien, een mogelijkheid te hebben om droog te zitten, mocht er onverhoopt wat water uit de hemel vallen, maar ook nog eens op 1 maart al open te gaan. De omgeving blijkt in het echt weliswaar iets minder romantisch te zijn dan ik mij heb voorgesteld, maar het terrein oogt aangenaam rommelig, ik hoor ’s nachts niet alleen autoverkeer maar ook de nodige uilen, en de eigenaar (althans: de mannelijke helft ervan – de vrouwelijke heb ik niet gezien) blijkt een sympathiek soort eigenheimer te zijn.

En de Galgenbergmarathon loopt op zaterdag ook al zo ontspannen. De start en finish zijn bij Rhesidence Rhenen. Bij ‘rhesidence’ stel ik me altijd iets prots-en-pralerigs voor, maar de Rhenense variant ziet er – aan de buitenkant althans – redelijk no-nonsense uit. Iets met vakwerk, en dan midden in de bossen, daar ben ik wel gevoelig voor – over romantiek gesproken. Wilbert is vlak voor mij aangekomen, en heeft de kaart van de VSB en een hoogteprofielkaartje meegenomen. Leuk. Alleen is zo’n georganiseerd loopje niet helemaal de geschikte gelegenheid om een en ander eens uitgebreid te gaan zitten bestuderen; daar gaan we een andere afspraak voor maken. Later voegt Edwin zich bij ons, en vlak voor we naar buiten gaan voor de groepsfoto zie ik eindelijk Matthew ook. Met elkaar besluiten we om met de langzaamste groep mee te lopen.

Van de omgeving krijg ik eigenlijk niet zoveel mee. Ik merk het natuurlijk als we omhoog lopen, en ook als het bergaf gaat, ik merk het als we mul zand hebben (pff), en ik herken de punten waarop we de UHT kruisen of daar een stukje gelijk mee oplopen. We praten over de combinatie lopen – relatie/gezin, over hypes en weerzin daartegen, over nut en noodzaak van krachttraining, over afdalen, over hoogtemeters, over genieten versus willen presteren, en over de vraag of die twee samen kunnen gaan (ja natuurlijk, wat mij betreft), over kamperen, over mooie loopplannen. In het laatste deel van de tocht heeft een loper zich bij ons gevoegd die het hoogste woord voert. Hij blijkt (bewust) met de snelste groep te zijn gestart, om vervolgens met een langzamere groep de tocht uit te lopen (om daarna in zijn eentje nog even naar zijn huis in Amersfoort te lopen). Ik ken hem niet, maar als hij vertelt over een kop boven een krantenartikel met een foto van hem, “Big Mac voor big Mik,” bedenk ik dat het waarschijnlijk Mik Borsten zal zijn – geen idee wat die zoal gepresteerd heeft, maar het is een bekende ultranaam. Zo te horen is het iemand met uitgesproken meningen, waar ik wel om moet lachen. De meest opvallende uitspraak die ik hoor, is dat traillopers niet kunnen hardlopen – “met alle respect,” voegt hij daaraan toe. Wel een komisch type, als ik dat zo snel even mag beoordelen – met alle respect, uiteraard.

Het lopen gaat verrassend makkelijk, zeker voor mijn eerste veertig plus sinds Berg en Dal in oktober. Het tempo is prima te doen – hoewel er op het laatst momenten zijn waarop ik graag een beetje meer door zou willen lopen. Ik denk echter dat vooral het feit dat ik genoeg eet, doordat we om de zeven kilometer een verzorgingspost aantreffen, maakt dat ik een stuk makkelijker loop dan in de laatste kilometers van de 35 van afgelopen zondag. Bemoedigend. Na 4 uur en 56 minuten zijn we bij de finish. “Maak er geen wedstrijd van,” zei Henny vrijdag nog. Nou, dat is vrij aardig gelukt, zou ik zeggen. Champignonsoep toe, een beetje waterig, maar vegetarisch, en ik ben blij dat ik mijn behoefte aan zout kan stillen. Nog even napraten en dan in de auto naar de overkant van de Nederrijn, naar Den Ouden Dam.

Schuin tegenover een nachtmerrie-wekkend vakantiepark tref ik een boerderij met rieten dak, hooischuur, kippen en hanen, bijenkasten, geiten, katten, een oude, grijze hond, een varken, fruitbomen en nog van alles. Daar wil ik mijn tent wel opzetten. En als die dan staat, ik de rest van de zooi uit de auto ernaartoe gesleept heb en een poosje onder de hete douche heb gestaan, is het tijd voor de gebruikelijke rituelen – stoeltje in elkaar zetten, mij daarop neervlijen, een boek erbij, drinken en wat snaaien; hetgeen naadloos overgaat in: brander in elkaar zetten, potje koken, eten, afwassen, kop thee, en, tja, wat nu? Het is donker, de wind is frissig, het is nog geen acht uur, maar zal ik toch maar gewoon tanden poetsen en naar bed? Lijkt me een strak plan. Voor de vorm lees ik in bed nog een hoofdstuk, maar dan is het toch echt de hoogste tijd om te gaan slapen.

De volgende morgen zetten de rituelen zich voort. Het is grijs en fris, maar ik voel me lekker waar ik ben. Ik aarzel nog een beetje of ik niet naar Jan in Nijmegen moet gaan, maar heb eigenlijk al besloten dat niet te doen. Tijdens een van de laatste bijeenkomsten van het bestuur van de stichting die het werk van Jan ondersteunt, vroeg Huub wat mij eigenlijk trekt bij Jan van Delden. Ik antwoordde daarop dat ik bij Jan vooral ervaar dat het er helemaal niets toe doet wie of wat ik ben, dat ik alleen maar hoef te zijn, dat dat hoe dan ook al goed is. Maar laat dat nou ook precies de reden zijn waarom ik er met enige regelmaat met mijn tentje op uittrek, om ergens in de natuur te gaan zitten. Ik weet natuurlijk dat het er in theorie niets toe doet waar je bent of wat je doet, dat het altíjd goed is zoals het is, dus ook thuis, in de stad, en op het werk, maar in de praktijk vind ik dat toch vaak net iets makkelijker te ervaren ergens buiten (en in mijn eentje, misschien ook …).

Ik kan het niet afdwingen, dat gevoel van rust, het gevoel dat er niets anders hoeft te zijn dan het is, maar ik krijg het dit weekend zomaar weer in mijn schoot geworpen. Volgens mij doe ik mijzelf dan ook een groot plezier door hier maar gewoon te blijven zitten, beschut tegen de wind, met nog steeds dat lekkere boek, mijn allerfavorietste koppen koffie, de appeltaart, en buiten, vooral buiten.

Als Peer een paar uur later weer over het terrein loopt, vraagt hij of hij me nog ergens mee van dienst kan zijn, met een fleecedekentje of zo. Als ik bedank, maar zeg dat het niet nodig is, zegt hij dat het er goed uitziet zo, rustig, ik daar zittend in mijn eentje. En zo voelt het ook.

Geplaatst in hardlopen, kamperen | 6 reacties

Statistieken

Sinds een poosje heb ik door dat ik hier ergens ook mijn statistieken kan bekijken. Die bezoekersaantallen zeggen me niet zoveel, maar de landen van waaruit mensen mijn blog bekijken, intrigeren me. Frankrijk, Duitsland, België, die kan ik wel plaatsen. Nederland ook enigszins. Noorwegen en Oostenrijk: ja, nogal wiedes, het is in een deel van Nederland voorjaarsvakantie, en een deel van mijn enórme vriendenschaar (ha!) staat irgendwo op de lange latten of een board. Maar wie de f* ken ik die op dit moment in de Verenigde Staten zit? En vooral: Estonia? Ik weet ternauwernood dat dat Estland is. En wie in vredesnaam zit er in Nigeria?

Wie zíjn jullie?

(No answers required.)

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie