Verlangen naar zin (3)

Mochten er mensen zijn die zich zorgen over me maken naar aanleiding van mijn laatste blogjes: dat is nergens voor nodig. Ten eerste kan ik wel tegen een stootje, en ten tweede lijkt het ergste leed alweer geleden. Ik schrok er wel een beetje van, dat ik me zo lang achter elkaar zo down kon voelen, ik dacht dat ik dat stadium al lang geleden gepasseerd was en dat dit me niet meer zou overkomen. Ondertussen hield ik er echter heus wel vertrouwen in dat het weer voorbij zou gaan. Inmiddels nemen de dagen waarop ik me ‘normaal’ voel, weer de overhand.

Normaal? Normaal? Aha, betrapt. Ik kan mezelf er nog zo eh, overtuigend van proberen te overtuigen dat goede tijden en slechte tijden er allebei bij horen, en dat dus ook de slechte tijden er mogen zijn, maar stiekem beschouw ik de goede tijden toch als de norm. Ik dénk dat ik het gedeprimeerde gevoel accepteer, maar ik realiseer me dat mijn strategieën om ermee om te gaan (kortweg: bedenken en weten dat het weer voorbijgaat, mijn leed relativeren door me te vergelijken met anderen die veel ergere dingen meemaken, en bedenken dat zo’n depri-periode misschien wel goed voor me is, dat ik er iets van leer en er hopelijk beter, wijzer, gelukkiger uit zal komen) er allemaal blijk van geven dat ik die slechte tijden helemaal niet echt accepteer, maar ervan af wil. Nou ja, behalve misschien die laatste dan: ik wil het wel accepteren, maar dan moet het wél iets opleveren! Oké, natuurlijk is het ook wel heel menselijk om een voorkeur voor de goede, vrolijke tijden te hebben. Als je kunt kiezen, maar dat kun je nou eenmaal niet, dat is nou net het hele eieren eten.

Dan nog dit: moet ik eigenlijk wel over dit soort dingen schrijven en het op het wereldwijde web gooien? Je kwetsbaarheid laten zien, het klinkt mooi, maar geef ik me niet te veel bloot? Is dat niet ongemakkelijk voor de lezer, en zal het zich niet tegen me keren? Ik weet het niet.

Een paar dingen weet ik echter wél. Ik heb, zoals de meeste mensen en misschien wel iedereen, de neiging om de schijn op te houden dat het wel goed met me gaat, ook als ik me een periode wat minder voel. Ik wil niet graag zielig gevonden worden, of zwaar op de hand. Ook voel ik schaamte over ten minste één terrein in mijn leven waarop ik weinig succes heb. Ik doe dingen niet, uit angst voor afwijzing door anderen. Uit angst voor de schaamte. En dáár wil ik nou graag van af. F*ck wat een ander vindt van wat ik doe en hoe ik me gedraag.

Ik weet met al mijn rationele vermogens, dat je alleen gekwetst kunt worden wanneer je een beeld van jezelf hebt dat je aan de buitenwereld wilt laten zien. En dat je paradoxalerwijze juist in je totale naaktheid, wanneer je je op je allerkwetsbaarst toont, volkomen onkwetsbaar bent.

(wordt misschien nog vervolgd)

Geplaatst in advaita/non-dualiteit, identiteit, twijfel | 2 reacties

Verlangen naar zin (2)

Als ik met een buurvrouw/vriendin praat over het besef van zinloosheid, en tegen haar zeg dat ik momenteel niet goed weet hoe daarmee om te gaan, zegt ze dat zij zich op dergelijke momenten focust op haar kinderen – haar doel is dat het met hen goed gaat. Ik kan me dat wel voorstellen, al zie ik dat zij daarmee een truc toepast die in wezen ook weer niet zóveel anders is dan mijn truc van mooie hardloopplannen maken.

Ik lees in Volkskrant Magazine (18.02.17) een artikel van Maartje Luif waarin ze schrijft over de consequenties van haar kinderloosheid. Zij beschrijft hoe vroegere gesprekken met een goede vriend haar raakten. Die vriend had de overtuiging dat zich níet voortplanten het meest zinloze was dat hij kon doen. Inmiddels is ze twaalf jaar verder en weet ze dat ze geen kinderen zal krijgen. De gesprekken met die vriend zingen nog steeds rond in haar hoofd, schrijft ze. “Want als hij gelijk heeft, dan is mijn kinderloze leven zinloos. En als hij ongelijk heeft, is de vraag wat dan wél de zin van het leven is aan de orde. In beide gevallen is de zin van het leven ver uit het zicht verdwenen.”

Ook ik heb geen kinderen. Zou ik mijn leven als zinvoller ervaren als ik ze wel had? Misschien. De voortplantingsdrift van de mensheid in z’n geheel lijkt me een natuurlijk gegeven, maar heeft daarmee het leven door kinderen te krijgen automatisch zin? En krijgt het leven van die kinderen dan ook weer (pas) zin door zich op hun beurt voort te planten? Wat ik me wél heel goed kan voorstellen, is dat je rol als ouder een plezierig duidelijke is, en dat je een zekere vervulling vindt in de zorg voor je kinderen. Gaat het dan toch weer over identiteit? De behoefte aan duidelijkheid over wie je bent en wat je rol is in dit leven?

Op een rol als moeder kan ik niet terugvallen. Wel ben ik dochter, dochter van een moeder die sinds een paar maanden weduwe is en sinds een paar dagen in het bezit van de diagnose dementie. Wij kinderen proberen zo goed en zo kwaad als het gaat voor haar te zorgen, maar we wonen geen van allen om de hoek. Het is lastig om te zien dat ze zich eenzaam voelt en hoe het haar, beetje bij beetje, meer moeite gaat kosten om voor zichzelf te zorgen. Moet ik niet gewoon bij haar intrekken en de zorg op me nemen? De vraag komt zo nu en dan voorbij. Geen goed idee, weet ik – niemand weet mijn irritatiezenuw zo perfect te vinden als die moeder van me. Áls ik het zou doen (wat dus niet het geval is), zou ik het niet alleen uit zorg om en voor haar doen, maar ook weer voor een deel uit behoefte aan een duidelijke rol voor mezelf. Dan hoef ik er weer een poosje niet over na te denken wat ik eigenlijk wil neerzetten in de wereld. Ook daarom: geen goed idee.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in identiteit, twijfel | 3 reacties

Verlangen naar zin (1)

Ik verlang naar een doel, iets van richting. Dat komt: het loopt niet zo lekker, de laatste tijd. Ja, behalve het lopen dan, dat loopt heerlijk. Ik weet natuurlijk best dat al dat gehardloop op z’n minst voor een deel dient om het gemis aan vervulling op andere vlakken te compenseren (ik spreek uiteraard alleen voor mezelf) – maar terwijl het daar de afgelopen jaren in afwisselend meer of mindere mate in leek te slagen, lijkt het nu al geruime tijd hopeloos ontoereikend te zijn.

Als ik een stukje terugkijk in mijn leven, zie ik een golfbeweging. Een jaar of twintig geleden werkte ik bij een accountantskantoor. Hoewel dat kantoor en de collega’s best oké waren, vond ik het niet leuk. Toen ging ik op schaatsles. Dat vond ik wél leuk. Na een poosje was ik een keer of vier per week op de ijsbaan te vinden. In de winter dan. Wat ik verder deed? Klimmen. Ook dat was leuk, erg leuk. Niet in de laatste plaats dankzij de groep mensen met wie ik het deed. Het sporten en de vele sociale en actieve weekendjes en weken weg, gaven me voldoende bevrediging om dan maar voor lief te nemen dat ik mijn werk niet leuk vond. Ik leefde voor iets anders.

Dat werkte een paar jaar vrij goed, maar toen stak de onvrede, die al die tijd sluimerde, de kop op en moest er weer iets gebeuren. Ik moest iets met m’n hoofd doen, daar verlangde ik nu naar. Ik schreef me in voor een tweejarige cursus ‘Wijsbegeerte en Spiritualiteit’ aan de VU. Een goede stap. Van cursist werd ik een enthousiaste filosofiestudent. De vakken boeiden me, en wat was het heerlijk om mijn hersenen eindelijk weer eens serieus te laten kraken. Natuurlijk bleef ik sporten, dat was en is een onmisbaar deel van mijn leven, maar sporten hoefde niet meer te compenseren wat ik elders miste.

Tot ik in m’n master zat. Ik maakte een aantal onhandige keuzes, en het afstudeertraject werd een crime. Wat een verspilling. Ik had het enorme voorrecht te mogen en kunnen studeren (zoals hardloopvriendin Martine me onder ogen bracht, toen ik weer eens besloten had te stoppen met die k*-scriptie), ik deed de allermooiste studie die er bestaat, maar was de lol in wat ik deed volkomen kwijt. Ik bestudeerde een vervelende filosoof, kreeg het onderwerp dat me in wezen zo aansprak – abstractie versus intuïtie – maar niet in m’n vingers, had een begeleider die mijn onzekerheid flink wist te stimuleren, en leverde uiteindelijk een matige en oninteressante scriptie af. Weinig bevredigend, dat moge duidelijk zijn.

Geen wonder dat ik in deze periode weer enig fanatisme ontwikkelde op sportgebied. Schaatsen en klimmen hadden inmiddels allang plaatsgemaakt voor hardlopen, marathons werden ultra’s, naast wegwedstrijden kwamen er trails en, het allermooiste, berglopen. Elke keer weer dook ik in de trail- en ultrakalenders, legde ze naast mijn schema, en oh, dat heerlijke gevoel als er een match was! Scriptietechnisch gesproken was het misschien niet handig, maar ik had het meer dan nodig voor mijn geestelijk welbevinden, hield ik mezelf voor.

Nu lijkt het wondermiddel voorlopig weer uitgewerkt te zijn. Sport is heerlijk, sport moet, sport doet me goed, maar het is niet genoeg om me de dip van het lijf te houden. De winterdip is dieper en duurt langer dan anders. Alles wankelt, niets is zeker. Ik worstel. Ik verlang naar een doel, iets van richting.

(wordt vervolgd)

Geplaatst in hardlopen, twijfel | 9 reacties

Lofzang

Het schijnt dat er mensen bestaan die niet van hardlopen houden. Het is mij een raadsel hoe dat kan.

Er zijn ook mensen die wel van hardlopen houden, maar dan weer niet van op de baan lopen. Ik mag sommige van hen zelfs tot mijn vrienden rekenen (ja Edwin, ik bedoel oa jou). Ze weten niet wat ze missen.

Wat weer een heerlijke training vanavond. Een lekker pittig voorprogramma, met de nadruk op kracht, en op mooi rechtop blijven lopen, ook als je zware benen krijgt. Een trainer met visie. Een groep lopers die er lol in hebben. En dan een hoofdprogramma van vijf keer 1200 meter. Aardig tempo.

Beetje wind, beetje regen, beetje kou.

Als je dáár niet blij van wordt…

Geplaatst in hardlopen | 1 reactie

Oefenstof

De materie is me niet bepaald welgezind, de laatste maanden. Of moet ik misschien dieper kijken, en is de materie me juist zeer welgezind? Zoals Dreverhaven uiteindelijk al die tijd het beste voor blijkt te hebben gehad met Katadreuffe?

Het begint met een auto. Er kwam, kort voor de zomer, eindelijk een nieuwe. Een nieuwe oude dan natuurlijk. Niet zo’n kek modelletje misschien, maar een keurig onderhouden exemplaar en een verstandige koop, denk ik. Een paar maanden later word ik aangereden. Ik blijf relaxt. Tot ik de term ‘total loss’ voorbij hoor komen. Aanvankelijk reageer ik ook daar nog lacherig op, maar wanneer die term wel degelijk op mijn auto blijkt te slaan, verandert mijn lach in die van een boer met kiespijn. Weer op zoek naar een andere. Het wordt er een met een iets vlotter uiterlijk, iets vlotter rijdend ook. Maar het is een wat minder verstandige koop, vrees ik. Al snel gaat er een controlelampje branden. Katalysator vervangen. Vervolgens breekt de rechtervoorveer, en neemt daarbij de (een) ABS-sensor in z’n val mee. Eén veer vervangen = twee veren vervangen. Twee veren vervangen + een nieuwe ABS-sensor = veel geld. Niet over nadenken. Afrekenen en hup, weg ermee.

In Arnhem heb ik non stop problemen met het water. Aftappertje warm water lek. Vervangen is geen grote klus. Als de waterdruk er weer op gezet wordt, blijkt echter ook de geiser te lekken. Niet een koppeling helaas, maar de generator. De man die het aftappertje verving, waagt zich hier niet aan. Ik doe het er al een poosje zonder warm water, en ga daar dan nog maar een poosje mee door.

Dan houdt in Haarlem de cv-ketel ermee op. Ook daar even geen warm water dus, en ook geen verwarming. Gelukkig heb ik een paar dagen eerder, in de trein van Castricum naar Den Helder, net Christiaan gesproken over diens opleiding bij Iceman Wim Hof. Christiaan mag zich nu instructeur noemen in de Wim-Hofmethode. Ik ben geen held, maar wel geïnteresseerd. Heb me toevallig net een paar weken eerder na het hardlopen door een paar medelopers laten verleiden om, net als zij, een duik te nemen in het Vogelmeer. Watertemperatuur net iets boven nul. Aiaiai, dat valt niet mee; ik weet niet hoe snel ik het water weer uit moet komen. Maar dat schijn je dus te kunnen trainen. Ik beschouw de drie dagen in een onverwarmd huis als een beginnetje, net als de koude douche na het hardlopen (nogmaals: ik ben geen held – ik zeep me in, zet dan pas de douchekraan open en spoel me heel snel af). Ik moet nog iets doen met m’n ademhaling, weet ik, maar dat deel van de training bewaar ik voor later.

Dan kom ik weer in Arnhem, waar ik dan weliswaar nog steeds geen warm water heb, maar waar de kachel het wel doet, voor zover ik weet. Inderdaad, die doet het, maar als ik de afsluitkraan van het koude water opendraai, hoor ik water stromen onder de caravan. Snel dicht dus maar weer. Gelukkig heb ik nog een buitenkraan. Die doet het ook en er is niks gesprongen. Emmer vullen, en ook de fluitketel en de waterflesjes die ik heb staan. Loodgieter bellen. De loodgieter die me eerder een keer flink heeft afgezet en die ik daarom eigenlijk niet meer wilde inschakelen. Maar hij kent de situatie en is niet te beroerd om onder de caravan te kruipen. Hij kan pas maandag komen. Weer een weekendje kamperen, qua water halen en zo. Niet erg, ik vind het wel een sport.

Kijk, dat zijn dan nog wel grappige dingen. Bijna net als de basaltblokken die, als strekdam, het strand zo hier en daar onderbreken tijdens de DCURbN. Het lijken lastige hindernissen. Bij de eerste neig ik tot wandelen. Oei, eng: oneffen en waarschijnlijk nog glad ook. Maar ik corrigeer mezelf meteen. Die blokken vormen juist kleine doch fijne mogelijkheden om te trainen voor in de rotsen. Rustig hardlopend erover dus. Leuke hobby is het toch.

Maar het geld, jongens, het geld. Die loodgieter ligt alweer uren onder de caravan. Niet over piekeren, ik heb het nog, ik kan het nog betalen, pech, klaar. Maar pfff, de euro’s vliegen er in een paar maanden tijd met wel een heleboel tegelijk uit. Een prachtige oefening om hier relaxt in te blijven ja. Een besef van overvloed te behouden, of anders wel het besef dat het niet om geld draait in het leven. Maar ik vind dat ik wel weer even genoeg getraind heb. Lief universum: mag het een onsje minder met dat oefenmateriaal? Alsjeblieft?

Geplaatst in hardlopen, kamperen | Plaats een reactie

Een nachtje doorhalen

Ik heb het beloofd, min of meer, al is het maar aan mijzelf. Eindelijk weer eens een blog schrijven, al is het maar over hardlopen. En er is een directe aanleiding – ik liep weer eens een georganiseerd loopje. Afgelopen nacht. Over het strand nog wel. Ik, die niet van zand houd, meer van het bos dan van de zee ben.

De Dutch Coast Ultra Run by Night, en dan de wintereditie, staat al jaren op mijn lijstje, en al jaren ben ik blij dat hij ook deze keer weer niet past in de plannen die ik heb. Of bij mijn lichamelijke gesteldheid van dat moment. Whatever. Maar als Jos begin januari voorstelt deze samen te gaan lopen, kan ik zo snel geen goed excuus verzinnen om daar niet ja tegen te zeggen. Misschien moet het er deze keer maar eens van komen. Al is het maar om ‘m te kunnen schrappen van mijn lijstje.

Veel bekende namen op de startlijst. Ik maak me zorgen dat een uur voor de start in Den Helder te kort zal zijn om alle bekenden op z’n minst te begroeten en liefst ook even te spreken. Gelukkig ontmoeten we de meeste al op het station van Castricum, en biedt de treinreis tijd om met een paar van hen wat uitgebreider te praten. Het uur voor de start duurt vervolgens lang. Het is bloedheet in het hotel en als er een vrouw naast me komt staan die geen jas aan heeft, beslis ik op het laatste moment om het er ook op te gokken en mijn jas uit te trekken. Hij past er nog nét bij in mijn rugzak – Jos moet me even helpen om de rits dicht te kunnen krijgen. Ik heb idioot veel bij me, ben voorbereid op veel kouder weer dan het uiteindelijk blijkt te zijn. Toch heb ik daar geen spijt van, ik houd rekening met geval van nood. Als ik uit moet stappen, om welke reden dan ook, weet ik mezelf vast wel warm te houden door me in m’n reddingsdeken te wikkelen, maar ik trek liever mijn donsjas aan. En de verplichte twee liter water/sportdrank drink ik, tegen de verwachting in, bijna helemaal op. Maar het is een zware bult op mijn rug, dat is waar.

Jos en ik lopen samen, is de afspraak. En met wie we verder nog samenlopen, zullen we onderweg wel zien. Dat is niet met Christiaan – die zijn we meteen na de start al kwijt. Wij blijven bij Renske en Lisenka in de buurt, die voor de 100 kilometer gaan (Jos en ik stoppen na 50). Jonathan loopt tijdens het eerste stuk een tijd met ons mee, ik zie mijn neef, Klaas, zo nu en dan opduiken en loop een stukje met hem samen (dat is lang geleden!). We lopen in een groepje, met voorin Dick en Angela. Mooi rustig tempo, maar Lisenka gaat er voorbij en Jos volgt. Dilemma. Ik heb er slechte ervaringen mee om Dick en Angela voorbij te gaan (Winschoten). Bang dat ik ook deze keer weer overmoedig ben. Maar ik wil bij mijn loopvrienden blijven, en haast mij achter hen aan.

Het lopen gaat makkelijk. Het strand ligt er goed bij en de wind is tegen, matig van kracht. Ik vind het wel lekker, zo tegen de wind in. Na de kou van de afgelopen weken lijkt de wind nu bijna zwoel. Blij dat ik zonder jas loop. De handschoenen gaan telkens uit en dan toch maar weer een poosje aan. Op het punt, na ruim 30 kilometer, waar we even door het water moeten, en daarna een stukje door het mulle zand wandelen, krijg ik het koud aan mijn hoofd, en doe ik de capuchon van mijn loopshirt op. Na een tijd irriteert me dat dan weer, en het laatste stuk loop ik weer blootshoofds. We lopen met z’n vieren. Soms een tijdje een andere loper in de buurt. Al een hele tijd wordt alleen nog het hoogstnoodzakelijke gezegd. Heerlijk. We naderen Egmond. We naderen Egmond heel lang. Het komt maar niet dichterbij. Hopeloos. Toch loop ik nog steeds lekker. Jos heeft al een dipje achter de rug, maar bij mij blijft die vooralsnog uit.

Het is bijna hoogwater, en het stuk strand dat nog goed beloopbaar is, bevindt zich elders op de wereld, niet langer tussen Egmond en Castricum in elk geval. Dat is wel goed voor het betere zeegevoel. Smal strandje, je kunt niet anders dan vlak langs of door het water lopen. Die golven, hun eeuwige beweging, het eeuwige geruis. Er is geen maan, we moeten het doen met de sterren. Ik krijg het zwaar nu, de fut is er na 45 kilometer wel een beetje uit. Jos bijt door, en ik probeer hem zo goed mogelijk te volgen. We wachten nog even op Renske en Lisenka, maar die wandelen de laatste kilometers tot de Deining. Zij mogen daarna nog een stukje, en sparen zich. Gaan jullie maar. Wij gaan. Op naar de finish. Die bereiken we na zes uur en een paar minuten. Sneller dan ik had verwacht. Makkelijker dan ik had verwacht. Leuker dan ik had verwacht. Geweldig loopje eigenlijk, zeker qua sfeer.

Jammer, kan ik ‘m toch niet schrappen van m’n lijstje.

Geplaatst in hardlopen | 3 reacties

Gemis

Mijn vader stierf op 22 november 2016.

Zeker, we wisten dat het er een keer van moest komen. Hij was de jongste niet, en zijn gezondheid holde de laatste jaren achteruit.

Zeker, zijn dood was zo mooi als je je maar kunt wensen, en ik ben blij dat hem, en ons, een ziekenhuisopname bespaard is gebleven. Het is goed zo.

Zeker, ik ben nu 51 jaar oud en ben dankbaar dat ik zo lang mijn beide ouders heb gehad. Niet iedereen heeft dat geluk. Ik klaag niet.

Zeker, het leven gaat verder en ik zou ook niet anders willen.

Zeker, ik geniet van een rondje Veluwezoom op de mountainbike. Ik geniet van het hardlopen, van het buiten zijn, van een zware training soms.

Zeker, ik heb plezier en kan soms keihard lachen.

Zeker, ik zing mee met zowel het Weihnachtsoratorium als met de Top 2000 – om vervolgens weer een potje te huilen.

Zeker, het verdriet zal slijten. Doet dat al een beetje.

Zeker, 2017 is begonnen en ik wens ons allen een prachtig jaar toe. Dat we maar mogen blijven zien dat we allemaal mensen zijn, hoe verschillend ook. Het gaat om wat ons verbindt, niet om wat ons – ogenschijnlijk – scheidt.

Zeker, het leven gaat verder en ik zou niet anders willen.

Maar op dit moment is er, in mijn privé-wereldje, eigenlijk maar één ding dat ertoe lijkt te doen. Mijn vader is dood. Wat mis ik die man.

Geplaatst in Geen categorie | 12 reacties

Alles moet anders!

Afgelopen zomer was het weer eens zo ver: terwijl ik rustig van mijn vakantie aan het genieten was, overviel me het gevoel dat alles anders moet in mijn dagelijkse leven. Met uitroepteken nog wel. Nou ja, dat kenden we al, story of my life. Waarschijnlijk verander ik na de vakantie toch weer niks, en vind ik het dan tot op zekere hoogte ook wel weer best zoals het is, dus laat ik het gevoel niet al te serieus nemen. Maar laat ik het ook niet helemaal negeren, want misschien is de tijd nu rijp om wél iets te veranderen.

Ik ben niet iemand die goed weet wat ze wil. En áls ik dan iets denk te willen, bejegen ik mijn motieven met wantrouwen – zijn ze wel zuiver? Met het onderzoek van mijn motieven kan lange tijd gemoeid zijn, vaak zonder dat ik tot een duidelijke conclusie kom. Ik kan soms jaren heen en weer geslingerd worden tussen ‘ik ga dat en dat doen’ en ‘ja maar.’ Ik spits het even toe op het wonen, want over het terrein waarop ik écht iets zou moeten veranderen, het werken, wil ik het nu niet hebben.

Ruim 20 jaar geleden ben ik vanuit Dieren verhuisd naar de Randstad. Hoewel ik nog best weet waarom ik daar, in de gegeven situatie, destijds voor gekozen heb, en ik mijzelf die keuze niet kwalijk neem, hoewel Haarlem een fijne stad is, waar ik het goed naar mijn zin heb, hoewel ik een lekker huis heb, een relatief ruime tuin en prettige buren bovendien, heb ik altijd een vaag gevoel van spijt gehouden van die verhuizing van de Veluwezoom naar het westen. It’s no use crying over spilt milk, dus niet te serieus nemen, dat vage gevoel, maar er ondertussen wel met een half oog naar blijven kijken. Verdwijnen doet het niet, dus misschien is het slim als ik er iets mee doe. De stap om mijn huis te verkopen en uit Haarlem te vertrekken, is te groot voor me. Maar de behoefte aan een plek in de natuur laat zich weliswaar onderzoeken, maar niet wegredeneren. Een recreatiehuisje is een compromis tussen angst en wens. Jaren doe ik erover om de wens de overhand te laten nemen op de angst. Soms was de wens weliswaar groot, maar meestal viel dan het aanbod tegen. Vorig jaar vond ik eindelijk iets dat voor een belangrijk deel aan mijn wensen tegemoetkwam. Weer moest ik uitgebreid mijn motieven onder de loep nemen: verwacht ik nou niet stiekem toch dat omstandigheden buiten mijzelf me gelukkig kunnen maken? Ik weet toch allang dat dat onmogelijk is?

De kachel brandt. Ik mijmer wat en kijk naar buiten. De merels die rondscharrelen, zag ik gisteren ook, maar vandaag worden ze vergezeld door allerlei fladderend grut. De meesjes en de boomklevers hebben eindelijk de vetbol ontdekt die er al een paar dagen hangt. Het roodborstje komt weer eens een kijkje nemen, en hé, is dat nou een mus? Díe heb ik lang niet gezien! Het mooiste vind ik het winterkoninkje met z’n opstaande staartje, dat zoals altijd verrassend dicht bij het huisje komt. Wat vindt ie daar toch? Dan zit er opeens een eekhoorn, juist onder de boom waarin de vetbol hangt. Zou hij het doorhebben? Kennelijk niet, want hij rent naar een andere boom waarin hij omhoog gaat. Ik zie hem nog een sprongetje maken naar een volgende boom, maar verlies ‘m dan uit het oog. Het grut gaat onverstoorbaar door met fladderen en scharrelen.

Natuurlijk kleven er, voor mij althans, ook nadelen aan zo’n tweede huisje. Ik ben nooit goed geweest in het verdelen van mijn aandacht, en ook ben ik nooit een hartstochtelijk klusser geweest, en nu heb ik maar liefst twéé plekken waar van alles moet gebeuren of in elkaar dreigt te storten. Zorgen, zorgen, zorgen. Toch heb ik nog geen moment spijt gehad van m’n aanschaf. Geluk komt dan misschien niet van buiten mezelf, maar ik vind het in de praktijk toch echt makkelijker om me bewust te zijn van het geluk in mijzelf wanneer ik in de natuur ben dan wanneer ik in de stad, tussen de huizen en de auto’s, zit.

Ik merk regelmatig dat ik ernaar verlang om daar, in mijn huisje in het bos, te gaan wonen. Daar kleven onnoemelijk veel nadelen aan, waarvan een van de belangrijkste misschien wel is, dat het, wanneer ik daar wóón, niet langer de paradijselijke status heeft die het nu heeft. Zoals gebruikelijk probeer ik mijn motieven te analyseren. De ‘ja, ik wil’-stem die in me leeft, wordt bestookt met vele varianten van de vraag in hoeverre daar gaan wonen een vlucht is. De ‘nee, ik laat de situatie maar zoals die is’-stem krijgt in eindeloze herhaling de vraag voorgelegd of hij niet door angst ingegeven is.

Ik overhaast niks. Maar ik hoop dat ik het aandurf ooit de stap te zetten.

Geplaatst in twijfel | 8 reacties

Niet bepaald een trail

Het werd zo’n stukje tekst dat nu nog op het bureaublad prijkt, maar dat binnenkort in de prullenbak zal verdwijnen. Komt het doordat ik te serieus ben? Moet het allemaal weer te genuanceerd? Of komt het domweg doordat ik te veel onderwerpen in een stukje wil persen? Het schrijft niet lekker, en ondanks meerdere keren opnieuw beginnen, blijf ik ontevreden.

Een van de dingen waarover ik schrijf, is hoe goed het is dat het hardloopseizoen voor mij ten einde loopt. Niet alleen fysiek ben ik toe aan rust – de klachten nemen in aantal toe, en de hardnekkigste ervan lijkt bovendien in ernst toe te nemen – maar ook merk ik dat ik de gretigheid om nieuwe plannen te maken een beetje kwijt ben. Kennelijk ben ik eraan toe de aandacht eens even op wat andere dingen te richten – al blijf ik uiteraard ondertussen gewoon hardlopen. Ik mag de Beartrail nog lopen, eind oktober, en dan zit het er voorlopig even op voor mij, qua langloperij.

Wat ik ook schrijf, is dat het vagelijk blijft knagen dat ik de ongekende vorm die ik met al mijn gretigheid dit jaar heb weten te bereiken, niet heb weten om te zetten in klinkende cijfers, of in een finish op het koningsnummer van dit jaar. Best leuk hoor, om op de atletiekbaan met een sneller clubje mee te kunnen lopen. Nog leuker misschien om complimenten van de trainer te krijgen, maar wat koop ik ervoor? Harde cijfers willen we, en dat is niet gelukt. Maar desondanks, nee, ik ben blij dat ik een poosje kan stoppen, het is goed zo.

Dan laat Jos weten dat hij niet mee kan naar de Beartrail. Zelf heb ik geen auto tot mijn beschikking, omdat de mijne twee weken geleden total loss gereden is. Ik weet vrijwel meteen dat ik dan ook niet zal gaan. Dat is in bijna alle opzichten slimmer – al zal ik jullie het beschrijven van die opzichten besparen. Maar help! Paniek in de tent. Het is één ding om te bedenken dat het lekker is om te stoppen terwijl je nog een serieuze loop te gaan hebt, maar het is iets heel anders als er opeens helemaal geen plannetje meer is om naartoe te leven. Ik schiet meteen in een dip. Winterrust alla, maar hoe zorg ik ervoor dat dat niet ontaardt in een winterdepressie?

Ik móet iets alternatiefs verzinnen voor dit weekend, en dan het liefst voor de zondag. De Duinentrail ligt, achteraf gezien, het meest voor de hand, maar gek genoeg komt die niet in me op. Wel overweeg ik heel even om te proberen een startbewijs voor Etten-Leur te bemachtigen – kan ik eindelijk eens proberen mijn marathontijd te verbeteren. Maar dan ben ik alsnog een hele dag weg, en daar heb ik weinig zin in. Nee, laat ik het gewoon dichtbij huis houden, en lekker kort: de Heemstedeloop, 10 kilometer. Daar kan ik op de fiets naartoe, en dan kan ik mooi nu wél een nieuwe tijd neerzetten, wat me een paar weken geleden in Bergen niet lukte. Onder de 47 minuten zou moeten kunnen lukken, denk ik. 46 zelfs misschien?

Bianca reageert bezorgd als ze op woensdagavond hoort dat ik overweeg om ook in Heemstede te komen lopen. Moet ze mij ook nog achter zich zien te houden. Ik lach erom. Dat moet voor haar geen probleem zijn, met een pr dat minstens 5 minuten sneller is dan dat van mij. Maar goed, zij gaat geen pr lopen deze keer, ik hopelijk wel. Met Bianca, Yvonne en Mark sta ik in het startvak. Ik ben een stuk zenuwachtiger dan een paar weken geleden in Bergen. Er hangt natuurlijk niks van af, maar ik vind het opeens ouderwets spannend.

Ik ben bang dat ik te langzaam start, maar als ik op mijn horloge kijk, zie ik dat ik op dat moment 4’00” per kilometer loop. Oeps, even terugschakelen. Ik zoek een tempo waarmee ik m’n kansen op een snelle eindtijd niet vergooi, maar dat desalniettemin comfortabel voelt. Comfortabel genoeg om het een paar kilometer vol te kunnen houden althans. Een stukje voor me zie ik Yvonne lopen. Ik haal haar in en zij wijst me op Bianca die we nog in het zicht hebben. Volgens Yvonne betekent dat dat wij goed gaan, maar ik vraag me af of het niet betekent dat ik te snel ga. Nou ja, we zullen het zien. Ik kijk weliswaar zo nu en dan op mijn horloge om te zien hoe snel ik ga, maar verbind er weinig conclusies aan. Alleen als ik zie dat ik rond de 5′ de kilometer loop (waarschijnlijk wordt de gps-ontvangst op dat moment gehinderd door de bomen van Groenendaal), schrik ik en heb ik de neiging om te versnellen. Meestal zit ik echter zo tussen de 4’35” en 4’45” en dat is snel zat. Ik word ingehaald door een man die mij bekend voorkomt, maar van wie ik niet weet wie het is. Hij moedigt me aan, en zegt dat dit een makkie voor me moet zijn. Ik loop toch altijd 100 kilometer? Hij blijkt bij mijn praatje voor de vereniging geweest te zijn laatst.

Het stukje door Groenendaal is mooi – onverhard, maar stevig. De rest van het parcours is oké. Maar eigenlijk heb ik er weinig oog voor, vrees ik. Het tempo dat ik loop, is comfortabel genoeg voor 7 kilometer, maar daarna slaat het discomfort toe. Ik ben inmiddels Bianca gepasseerd. Zij roept me na dat het gaat om dat pr en dat ik door moet zetten. Dat pr komt er wel, weet ik, maar het doorzetten, de druk op de benen blijven houden, begint nu serieus pijn te doen. Mijn longen protesteren, de adem giert door de luchtwegen. Nog 2 kilometer, wat een roteind. Het liefst had ik nog willen versnellen, maar ik ben bang dat ik mijn kruit daarvoor te vroeg verschoten heb. Consolideren, als me dat lukt, mag ik allang blij zijn. Ik steek nog steeds mijn duim op naar toeschouwers en probeer te lachen, maar ben bang dat die lach inmiddels meer weg heeft van een pijnlijke grimas. Nog 1 kilometer, 2,5 rondjes op de atletiekbaan. Dat moet ik kunnen volhouden, toch? Minder dan 5 minuten lopen nog, kom op! Steeds denk ik dat Bianca me weer voorbij zal gaan, maar ik kan wel sneller wíllen, maar sneller gaan dan ik ga, lukt me domweg niet. Ik heb ook te weinig energie om in competitie te gaan met anderen, trek me hooguit heel even aan iemand op, maar heb de handen vol aan mezelf. Een paar honderd meter nog.

Dan is daar de finish. Met 45’10” een vet pr. Ik neem me voor er deze keer mijn mond over te houden dat de route iets te kort was ;). Bianca zit 2 seconden achter me. Als het parcours 100 meter langer was, zou ze me nog ingehaald hebben. Maar ja, dat was het niet.

Met trailen had het niks te maken. Met ultralopen evenmin. Het leek nog het meest op hardlopen. Joh, het moet niet gekker worden. Ik kan hiermee niets afstrepen van een lijstje, maar mijn behoefte aan harde cijfers is voor dit moment even bevredigd. Ga ik nu toch maar die winterrust in.

Geplaatst in hardlopen | 2 reacties

Snelle schoenen

Het werd tijd dat ik weer eens ouderwets een wedstrijd zou uitlopen, vond ik. Dus zonder geheel per ongeluk een stuk af te snijden, of eerder dan bij de finish de handdoek in de ring te gooien, met wat voor vage smoesjes dan ook. Dus (ja, alweer dus) schreef ik me voor de zekerheid maar in voor een 10 kilometer – de kans dat ik die zou kunnen finishen, leek me geruststellend groot. Het Rondje Bergen moest ‘m worden, en dat stond voor vandaag op het programma.

In het kleedhok heeft een vrouw het over mul zand. Eh, wacht even, mul zand zeg je? Maar heb ik me dan niet ingeschreven voor een verharde loop? Een andere vrouw vindt dat ik niet moet zeuren, zij heeft het MST-logo op mijn shirt gezien. Jaja, tuurlijk, maar eigenlijk ging ik vandaag voor een PR. Nou ja, ik voelde me toch al een beetje brak (geen handige korte-termijn-voorbereiding), en met mul zand heb ik alvast een goed excuus voorhanden wanneer de eindtijd tegenvalt.

Het parcours blijkt maar 0,4 keer zo verhard te zijn als ik dacht toen ik me inschreef. Het zijn twee rondjes van 5 kilometer (dat wist ik dan weer wél), waarvan grofweg de eerste en de laatste kilometer verhard zijn. De rest loopt door het bos en door de duinen. Het is lekker nat en dus modderig in het bos, en in de duinen hebben we, inderdaad, mul zand. En nog een paar hoogtemeters ook. Twintig in totaal, voor een beetje bergloper is dat natuurlijk te verwaarlozen, maar voor een trailloper met een identiteitsprobleem en nog zwakke bovenbenen ook, tellen ze wel degelijk. Het is dus een veel leuker parcours dan ik had verwacht, maar wat minder handig voor een snelle tijd. Ik heb mijn supersnelle impulsaankoop-wedstrijdschoenen aangetrokken, uitermate geschikt voor het tartan van de atletiekbaan en voor gladgeschoren asfaltwegen. Vandaag waren trailschoenen beter op hun plaats geweest.

Als het me zou lukken de kilometertijden op 4’45” te houden, zou ik een PR lopen, wist ik. Ik kijk regelmatig op mijn klokje, maar heb niet de moed of de power om écht op een tijd te  lopen. In de wat zwaardere stukken moet ik accepteren dat ik soms even boven de 5’ zit. De derde kilometer is het zwaarst, daar zit het mulle zand in en ook het meeste hoogteverschil. De achtste kilometer is logischerwijs opnieuw het zwaarst. Toch zie ik achteraf dat mijn negende kilometer de langzaamste was. Dat is de enige kilometer waar ik langer dan 5 minuten over heb gedaan. Gek, zo voelde dat helemaal niet. Om het een beetje goed te maken, was de volgende, de laatste, dan wel weer de snelste kilometer van de hele wedstrijd.

Ik klok zelf bij de finish 47’51” en dat is geen PR, weet ik. Maar toch een goede tijd, en in verhouding tot die PR-wedstrijd eigenlijk een betere, weet ik ook. Ik mag er tevreden mee zijn, maar ik had op iets sneller gehoopt. Ik ben bovendien een beetje boos op mijzelf, omdat ik niet verstandig vroeg naar bed ben gegaan, gisteravond. En ook heb ik bij de eerste doorkomst geen bekertje water genomen – het eeuwige dilemma: vaart minderen om een bekertje aan te pakken en om iets te kunnen drinken, kost tijd, maar drinken had de tweede ronde misschien gemakkelijker voor me gemaakt.

Als de uitslagen online staan, zie ik dat mijn officiële eindtijd 47’43” is. Toch maar eens opzoeken wat die PR-tijd nu eigenlijk precies was. Ik blader terug naar de Velserbroekloop 2012. Verrek joh: 47’43”. Exact dezelfde tijd. (Later liep ik eens 47’06”, maar die loop was volgens mij te kort, dus die tel ik niet mee.) Hoef ik me alleen nog maar af te vragen waardoor die negende kilometer zo langzaam ging.

Leuke wedstrijd, mooi rondje. En altijd weer leuk om óók die korte afstanden te lopen. Voor herhaling vatbaar. Tijdens het lopen zelf kun je behoorlijk diep gaan, maar, anders dan na een 100 kilometer, je voelt je 10 seconden na de finish alweer zo goed als nieuw. Heerlijk.

Geplaatst in hardlopen | 4 reacties